Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2279

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-09-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
15/03857
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3346, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verzoek tot verlenen voorlopige machtiging (art. 2 Wet Bopz). Voorafgaande inbewaringstelling; verzoek voortzetting inbewaringstelling afgewezen; art. 8a en 31 Wet Bopz niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 15/03857

Parketdatum: 14 september 2015 mr. Wuisman

CONCLUSIE inzake:

[betrokkene],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later

tegen

Officier van Justitie Rotterdam,

verweerder in cassatie.

In deze Bopz-zaak, die begonnen is met een verzoek om verlening van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling, worden onder meer de volgende vragen aan de orde gesteld: Heeft de rechtbank in verband met het verzoek om een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling toepassing kunnen geven aan artikel 8a Wet Bopz? Heeft de rechtbank ten onrechte niet aanstonds beslist tot afwijzing van het verzoek om een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling? Heeft de rechtbank, na aanpassing door de officier van justitie van zijn verzoek, de geldigheidsduur van de uiteindelijk verleende voorlopige machtiging ten onrechte op zes maanden gesteld?

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Op 17 april 2015 heeft de burgemeester van de gemeente Sliedrecht op de voet van artikel 20 Wet Bopz de last gegeven verzoekster tot cassatie - hierna betrokkene te noemen – in bewaring te stellen. Zij bevond zich toen al in het psychiatrisch ziekenhuis Yulius te Sliedrecht op grond van een beschikking d.d. 26 maart 2015 verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling tot 17 april 2015 (artikel 27 Wet Bopz), die op 26 maart 2015 was gegeven in verband met een door de burgemeester van de gemeente Sliedrecht bij beschikking d.d. 22 maart 2015 verstrekte last tot inbewaringstelling. Naar aanleiding van genoemde beschikking van 17 april 2015 heeft de Officier van Justitie in het arrondissement Rotterdam aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene. Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 17 april 2015 gevoegd van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1].

1.2.

Op 23 april 2015 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat gehoord, alsmede de behandelend psychiater, de behandelend huisarts in opleiding en de jongste dochter van betrokkene. Blijkens het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling heeft de rechtbank de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een andersoortige machtiging te verzoeken. Het proces-verbaal vermeldt op dit punt het volgende(1):

“Vanwege de toelichting van de arts ter zitting en ook de erkenning van betrokkene dat zij niet langer zelfstandig thuis kan functioneren vraagt de rechtbank zich onder verwijzing naar artikel 8a BOPZ af of er onder de gegeven omstandigheden niet een andere maatregel dan de verzochte passender is. Daarbij denkt de rechtbank aan de voorlopige machtiging als bedoeld in artikel art. 31 juncto art 2. BOPZ.

Het is de rechtbank bekend dat artikel 8a formeel niet van toepassing is verklaard bij een verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling, en mitsdien zeker niet bij een tweede aansluitend verzoek, maar de hiervoor genoemde omstandigheden rechtvaardigen in de ogen van de rechtbank niettemin toepassing van dit artikel teneinde mogelijk te maken dat betrokkene in de kliniek blijft opgenomen en haar behandeling aldaar kan worden voortgezet nu een verantwoord alternatief ook in de ogen van betrokkene ontbreekt.”

1.3.

De officier van justitie heeft op 7 mei 2015 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend tot het verlenen van een voorlopige machtiging (art. 2 e.v. Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 1 mei 2015 gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2].

1.4.

Op 18 mei 2015 heeft wederom een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat gehoord, alsmede een psychiater in opleiding. In haar beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden te rekenen vanaf de dag na die van de dagtekening van haar beschikking, derhalve tot 19 november 2015, en heeft zij verder het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling bij gebrek aan belang afgewezen.

1.5.

Namens betrokkene is – tijdig(2) – beroep in cassatie ingesteld(3). In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

Op blz. 1, onder 2, van het verzoekschrift tot cassatie wordt de vraag van de ont-vankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde gesteld. Daarbij wordt verwezen naar artikel 29 lid 5 Wet Bopz, waarin is bepaald dat tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de in bewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel openstaat. Verder wordt er van uitgegaan dat de rechtbank op 23 april 2015 een tussenbeschikking en op 18 mei 2015 een eindbeschikking heeft gegeven.

2.2

Op 23 april 2015 is door de rechtbank geen beschikking gegeven, dus ook niet een beschikking ter zake van het verzoek van de Officier van Justitie tot verlening van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstellingstelling. Op die dag is tot niet meer besloten dan tot aanhouding van de behandeling van het verzoek van de Officier van Justitie ten einde hem in de gelegenheid te stellen om een verzoek tot een andersoortige machtiging te doen. Dit betekent dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is, voor zover het beroep gericht is tegen een op 23 april 2015 gegeven tussenbeschikking.

2.3

Pas op 18 mei 2015 geeft de rechtbank een beschikking. Daarin wijst de rechtbank het verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging toe en het verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling af.

Voor zover met het cassatieberoep tegen de beschikking van 18 mei 2015 zou zijn beoogd de afwijzende beslissing te bestrijden, is dat beroep (mede) niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang. Die beslissing heeft voor betrokkene niet geleid tot enige inbreuk op zijn recht op vrijheid als bedoeld in artikel 5 EVRM.

Ter zake van de beslissing tot verlening van de voorlopige machtiging bestaat geen verbod tot aanwending van een rechtsmiddel, zodat niet uit dien hoofde ten aanzien van die beslissing de vraag van niet-ontvankelijkheid rijst. Er is ook niet sprake van een andere grond van niet-ontvankelijkheid ten aanzien van die beslissing.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Het cassatiemiddel omvat drie onderdelen.

Onderdeel 1

3.2.

Bij onderdeel 1 wordt uitgegaan van het bestaan van een beschikking van 23 april 2015. Zoals hierboven in 2.2 al vermeld, heeft de rechtbank op die dag geen beschikking gegeven en is het cassatieberoep, voor zover daarbij wordt uitgegaan van een beschikking van 23 april 2015, niet ontvankelijk. Daarop stuit onderdeel 1 reeds af. Niettemin wordt hierna in 3.3 nog kort stilgestaan bij onderdeel 1.

3.3

In onderdeel 1 wordt de vraag opgeworpen of, indien de officier van justitie aan de rechtbank een verzoek om verlening van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling heeft gedaan, er dan voor de rechtbank ruimte is om op de voet van artikel 8a Wet Bopz aan de officier van justitie haar gevoelen kenbaar te maken dat in de gegeven omstandigheden een andere maatregel passender voorkomt dan de verzochte. In artikel 29 Wet Bopz dat ziet op de behandeling door de rechtbank van het verzoek van de officier van justitie wordt artikel 8a niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Uit de parlementaire geschiedenis van het artikel blijkt van de volgende redengeving:

“In gevallen dat een vordering ter verkrijging van een machtiging tot voortzetting van

een inbewaringstelling of een vordering ter verkrijging van een observatiemachtiging wordt ingesteld, lijkt toepassing van de bevoegdheid van art. 8a niet hanteerbaar; daarom strekt het amendement zich niet uit tot die situatie.” ( 4 )

De niet-hanteerbaarheid van artikel 8a vindt hierin zijn verklaring dat, nu ingevolge lid 3 van artikel 29 Wet Bopz binnen drie dagen na ontvangst van het verzoek van de officier van justitie op dat verzoek dient te worden beslist, er praktisch gesproken geen ruimte is voor het desgewenst indienen door de officier van justitie van een verzoek om een andere maatregel. De termijn van behandeling van het verzoek is bewust kort gehouden, omdat het in artikel 29 Wet Bopz gaat om een vrijheidsbeneming die al enige dagen duurt zonder dat daaraan een rechterlijke controle is voorafgegaan.(5) Dit noopt tot een strikte toepassing van de termijn.(6) Hiermee laat zich niet verenigen het benutten van de in artikel 8a aan de rechter geboden bevoegdheid om zonodig de behandeling van het door de officier van justitie in eerste instantie ingediende verzoek aan te houden. In een en ander is voldoende aanleiding te vinden om te concluderen dat er bij de behandeling van een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling geen ruimte is voor toepassing van artikel 8a. In dit verband verdient overigens nog het volgende opmerking. Uit artikel 31 Wet Bopz blijkt dat na verlening van de zojuist genoemde machtiging het mogelijk blijft nog een machtiging van een andere aard, zoals een voorlopige machtiging, aan te vragen en te verlenen. Niet valt in te zien dat de rechter hierop niet de aandacht zou mogen vestigen tijdens de behandeling van het verzoek om een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling maar dan wel zonder de beslissing op dit laatste verzoek aan te houden. Verder is het mogelijk dat de officier van justitie gelijktijdig een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling en een verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging indient en dat de rechter binnen de termijn van drie dagen beslist tot verlening van de voorlopige machtiging.(7) Met het bewandelen van deze weg kunnen problemen als in het onderhavige geval gerezen worden voorkomen.

Onderdeel 2

3.4

Ook bij onderdeel 2 wordt uitgegaan van een beschikking van 23 april 2015. De daartegen aangevoerde klacht komt hierop neer dat de rechtbank ten onrechte in die beschikking niet tot afwijzing van het verzoek van de Officier van Justitie tot verlening van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling heeft beslist nu aan de daarvoor in artikel 20 lid 2 Wet Bopz gestelde vereisten niet werd voldaan.

3.4.1

Voor onderdeel 2 geldt evenzeer dat daarbij ten onrechte het bestaan van een beschikking van 23 april 2015 wordt verondersteld. Dat doet ook reeds het onderdeel falen.

Onderdeel 3

3.5

Met onderdeel 3 wordt niet de verlening van de door de Officier van Justitie alsnog verzochte voorlopige machtiging als zodanig bestreden, maar de aan die machtiging verbonden duur van zes maanden te rekenen vanaf 18 mei 2015. Voor wat de aan de voorlopige machtiging verbonden duur betreft wordt de beschikking van de rechtbank onjuist althans onbegrijpelijk geacht. Omdat de Officier van Justitie op 21 april 2015 om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling had verzocht en, doordat de rechtbank toepassing gaf aan artikel 8a Wet Bopz, op dit verzoek pas bij beschikking van 18 mei 2015 afwijzend werd beslist, is betrokkene, zo wordt betoogd, door toedoen van de rechtbank al vanaf 21, althans vanaf 23 april 2015 tot 18 mei 2015 van haar vrijheid beroofd gehouden zonder dat daarvoor een geldige titel was. Hoewel dat niet met zoveel woorden is opgeschreven, strekt onderdeel 3 er toe dat de beslissing tot verlening van de voorlopige machtiging in zoverre vernietigd wordt dat de aan de voorlopige machtiging verbonden termijn van zes maanden wordt verminderd met het aantal dagen dat betrokkene tussen 21 of 23 april 2015 tot 18 mei 2015 al van haar vrijheid beroofd is geweest.

3.6

Onderdeel 3 roept als eerste vraag op of betrokkene, zoals wordt betoogd, door toedoen van de rechtbank al vanaf 21, althans 23, april 2015 tot 18 mei 2018 van haar vrijheid beroofd wordt gehouden zonder dat daarvoor een geldige titel was.

3.6.1

Uit de vaststaande feiten blijkt dat betrokkene krachtens een op vrijdag 17 april 2015 door de burgemeester van de gemeente Sliedrecht gegeven beschikking in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en dat de Officier van Justitie op dinsdag 21 april 2015 en daarmee tijdig een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling bij de rechtbank heeft ingediend. Ingevolge artikel 29 lid 3 Wet Bopz diende de rechtbank uiterlijk op vrijdag 24 april 2015 op het verzoek te beslissen. Dat heeft zij niet gedaan; zij heeft vanwege het toepassing geven aan artikel 8a Wet Bopz de beslissing uiteindelijk tot 18 mei 2015 aangehouden. Om de hierboven in 3.3 vermelde redenen had de rechtbank in artikel 8a Wet Bopz geen aanleiding mogen vinden om de beslissing op het verzoek aan te houden tot na 24 april 2015. Door ook op deze laatste dag niet op het verzoek te beslissen verloor de beschikking van 17 april 2015 van de burgemeester van de gemeente Sliedrecht zijn gelding(8) en ontbrak vanaf die dag een geldige titel voor het vasthouden van betrokkene in het ziekenhuis. Niet is gebleken dat na 24 april 2015 aan betrokkene door de geneesheer-directeur op de voet van artikel 48 Wet Bopz ontslag is verleend of dat betrokkene is gevraagd of zij op vrijwillige basis verder in het psychiatrisch ziekenhuis wilde verblijven. Een en ander brengt mee dat er van uit is te gaan dat betrokkene vanaf 24 april 2015 tot 18 mei 2015 in het psychiatrisch ziekenhuis heeft verbleven zonder geldige titel en ook niet op basis van uit een verklaring blijkende vrijwilligheid.

3.7

De volgende vraag is of aan het gegeven dat betrokkene vanaf 24 april 2015 tot 18 mei 2015 in het psychiatrisch ziekenhuis heeft verbleven zonder geldige titel en ook niet op basis van uit een verklaring blijkende vrijwilligheid, het gevolg is te verbinden dat op de zes maanden termijn, die aan de op 18 mei 2015 verleende voorlopige machtiging is verbonden, in mindering is te brengen het aantal dagen dat verstreken is vanaf 24 april 2015 tot 18 mei 2015.

3.7.1

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een vervolgtitel voor vrijheidsbeneming niet voor de wettelijk maximaal toegestane duur mag worden verleend, indien deze vervolg-titel door de officier van justitie niet is aangevraagd binnen de periode waarin de eerdere titel voor vrijheidsbeneming nog van kracht was, en dit te late aanvragen van de vervolgtitel ertoe heeft geleid dat de betrokkene opgenomen is gebleven in het psychiatrisch ziekenhuis zonder dat daarvoor een geldige titel bestond en zonder dat betrokkene gevraagd was of hij bereid was niettemin in het ziekenhuis te blijven. In een dergelijk geval dient op de wettelijk maximaal toegestane duur van de vervolgtitel in mindering te worden gebracht de tijd dat de betrokkene opgenomen is geweest, zonder dat dit stoelde op een geldige titel of instemming van de betrokkene.(9)

3.7.2

Het kan ook voorkomen, zoals in de voorliggende zaak, dat de officier van justitie tijdig om een verlening van een vervolgtitel heeft verzocht, maar de rechtbank tot verlening van die vervolgtitel beslist met overschrijding van de termijn die de wet stelt voor het nemen van de beslissing. Ook voor dat geval dient zich de vraag aan of aan de verleende vervolgtitel ook niet de wettelijk maximaal toegestane geldingsduur mag worden verbonden maar daarop ook in mindering moet worden gebracht de tijd dat de betrokkene na het verstrijken van de beslistermijn in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen is geweest zonder dat daarvoor een geldige titel bestond en zonder dat betrokkene gevraagd was of hij bereid was niettemin in het ziekenhuis te blijven. Voor een geval waarin de rechtbank op een tijdig gedaan verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf niet, zoals in artikel 17 lid 2 Wet Bopz voorgeschreven, binnen vier weken heeft beslist, heeft de Hoge Raad, na vooropgesteld te hebben dat er geen sprake was van een vrijwillig verblijf zolang de rechtbank nog niet op het verzoek had beslist, in een beschikking van 23 februari 1996(10) overwogen: “De rechter, die vrij is de duur van de machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen voor minder dan een jaar na dagtekening van zijn beschikking, kan bij de bepaling van die geldingsduur ook rekening houden met het aantal dagen waarmee hij de in art. 17 lid 2 bedoelde termijn heeft overschreden. Hij is daartoe echter niet verplicht. Indien hij daartoe geen termen aanwezig acht, is hij in beginsel tot motivering daarvan niet gehouden.”

De Hoge Raad schrijft hier de verkorting van de wettelijk maximaal toegestane duur van een aansluitende machtiging niet verplicht voor en eist, althans in beginsel, ook niet een motivering voor het achterwege laten van de verkorting.

3.7.3

Uit hetgeen hiervoor in 3.7.1 en 3.7.2 is opgemerkt volgt, dat er voor het geval van overschrijding door de officier van justitie van de termijn voor het doen van een verzoek tot verlening van een aansluitende machtiging een andere verkortingsregeling geldt dan voor het geval dat de rechter omtrent de verlening van de aansluitende machtiging beslist na het verstrijken van de daartoe in de wet gestelde beslistermijn. Of er voldoende aanleiding bestaat voor het maken van een verschil in regeling van de verkorting van de wettelijk maximale duur van de aansluitende machtiging kan men zich overigens wel afvragen. De verkorting strekt tot bescherming van het belang van de betrokkene. Vanuit dat oogpunt bezien, maakt het geen verschil wie – de officier van justitie dan wel de rechter – een termijn overschrijdt. Aan de regeling die geldt voor de termijnoverschrijding door de officier van justitie, is uit praktische overwegingen de voorkeur zijn te geven. Die regeling is het meest eenduidig en duidelijk. Vermeden worden zo de onduidelijkheden bij de regeling bij de termijnoverschrijding door de rechter. Bij die regeling is onduidelijk wanneer de rechter wel of niet tot verkorting overgaat(11) en ook wanneer het nalaten van de verkorting wel of niet dient te worden gemotiveerd.

3.8

In de onderhavige zaak is ook sprake van het verlenen van een aansluitende machtiging – een voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden in aansluiting op de inbewaringstelling krachtens de beschikking van de burgemeester –, maar de verlening geschiedt nadat de wettelijke beslistermijn(12) al was verstreken. Dat brengt mee dat te dezen de beschikking van 23 februari 1996 van de Hoge Raad voor toepassing in aanmerking komt, indien men aan die beschikking gelding blijft toekennen voor wat betreft de daarin vervatte beslissing omtrent de verkorting van de wettelijk maximale duur van de aansluitende machtiging in geval van overschrijding door de rechter van de beslistermijn. In het licht van die beschikking treft onderdeel 3 geen doel, voor zover daarin geklaagd wordt over onjuiste rechtstoepassing door de rechtbank door de zes maanden van de verleende voorlopige machtiging niet te verkorten. Uit die beschikking volgt immers dat de rechter, indien hij beslist tot verlening van een aansluitende machtiging maar dat doet na overschrijding van de beslistermijn, niet verplicht is om de wettelijk maximale geldingsduur van de verleende machtiging te verkorten met het aantal dagen dat gelegen is tussen de einddatum van de beslistermijn en de dag van de beschikking waarmee de aansluitende machtiging wordt verleend. De rechtbank geeft geen motivering voor het achterwege laten van de verkorting. Die motivering hoefde de rechtbank blijkens de beschikking van 23 februari 1996 niet te geven, althans in beginsel niet. Er ligt echter in casu een vrij lange periode tussen de dag van overschrijding van de beslistermijn (24 april 2015) en de dag van de beschikking (18 mei 2015). Bij een dergelijk lange periode zou, naar het voorkomt, een motivering van het achterwege laten van een verkorting van de zes maanden termijn wel op zijn plaats zijn. Dat brengt mee dat de motiveringsklacht in onderdeel 3 wel doel treft.

3.9

Indien besloten wordt om op de beschikking van 23 februari 1996 terug te komen en om voor de termijnoverschrijding door de rechter de verkortingsregeling aan te houden die geldt voor de termijnoverschrijding door de officier van justitie, dan treft onderdeel 3 reeds doel voor zover daarin geklaagd wordt over onjuiste rechtstoepassing door de zes maanden termijn, die aan de verleende voorlopige machtiging is verbonden, niet te verkorten. In geval deze weg wordt gevolgd kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.

3 Conclusie

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van 18 mei 2015, zij het slechts voor zover daarin aan de verleende voorlopige machtiging een termijn van 6 maanden te rekenen vanaf 18 mei 2015 is verbonden.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

voor deze:

J. Wuisman

(A-G)

1 Blz. 2, derde en vierde alinea.

2 . Het cassatieverzoekschrift is ingekomen op 18 augustus 2015, dus binnen de geldende cassatietermijn.

3 Hierbij is een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het verzoekschrift voor het geval dat de rechtbank een uitgebreider proces-verbaal van de zitting van de mondelinge behandeling van 23 april 2015 zal verstrekken dan het al uitgereikte proces-verbaal. Omdat in dit laatste proces-verbaal opgetekend staat dat er “onder meer verklaard” is, heeft de advocate in cassatie van betrokkene verzocht om een uitgebreider proces-verbaal. Tot uitgifte daarvan is het niet gekomen. Het voorbehoud kan geacht worden zijn belang te hebben verloren.

4 Kamerstukken II, 2001-2002, 27 289, nr. 22, blz. 4.

5 . Zie in dit verband: R.B.M Keurentjes, Wet Bopz, Tekst & Toelichting, 2012, artikel 29, nr. 194; Tk 1967-1968, 7194, nr. 5 (MvA), blz. 2 linker kolom inzake artikel 35i lid 1 Krankzinnigenwet, waarop artikel 29 Wet Bopz voortbouwt.

6 . Zie nader W.A.J.M. Dijkers, Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, artikel 29, aant. C.5.4 Beslistermijn.

7 . Dit valt af te leiden uit HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0285, NJ 2013, 83.

8 . Dat gevolg valt aan te nemen vanwege de hierboven in 3.3 jo. voetnoot 5 vermelde aard en strekking van de korte termijn en ook op grond van artikel 48 lid 1, sub c, ten tweede. Uit het aldaar bepaalde volgt dat de geneesheer-directeur aan de opgenomen betrokkene ontslag dient te verlenen, zodra de termijn is verstreken waarbinnen de rechter krachtens de wet dient te beslissen op een tijdig ingediend verzoek om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. De mening dat de beschikking van de burgemeester zijn gelding verliest indien niet binnen de drie dagen termijn van artikel 29 lid 3 Wet Bopz op het verzoek van de officier van justitie tot verlening van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt beslist, zijn ook toegedaan R.B.M. Keurentjes, De wet Bopz, 2011, blz. 108 en W.J.A.M. Dijkers, de Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, artikel 29, aant. C.5.4, paragraaf ‘Overschrijding van de beslistermijn’.

9 . Zie in dit verband onder meer: HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842, NJ 2015, 218, JVGGZ 2015, 12 (verzoek om verlening voorlopige machtiging na voortzetting van de inbewaringstelling dat is ingediend ná het einde van de termijn van inbewaringstelling); HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9150, NJ 2010, 112 (idem)); HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6249, NJ 2009, 271, BJ 2009/34, m.nt. W.D. (idem).

10 . HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2497, NJ 1996, 618, m.nt. J. de Boer.

11 . Soms wordt verkorting toegepast, soms niet.

12 . Niet die ter zake van het verzoek om verlening van de voorlopige machtiging, want dat verzoek heeft de officier van justitie op instigatie van de rechtbank pas later gedaan, maar die ter zake van het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling.