Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2273

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-09-2015
Datum publicatie
20-11-2015
Zaaknummer
15/03177
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3335, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voortzetting inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Doorbreking rechtsmiddelenverbod. Oproeping voor zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 15/03177

Parketdatum: 9 september 2015 mr. Wuisman

CONCLUSIE inzake:

[betrokkene],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

tegen:

Officier van Justitie te Midden-Nederland,

verweerder in cassatie,

in cassatie niet verschenen.

In deze Bopz-zaak is door de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend zonder betrokkene te hebben gehoord.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij beschikking van 10 april 2015 heeft de burgemeester van de gemeente Breda op grond van artikel 20 Wet Bopz de opname van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis gelast.

1.2

Bij een verzoekschrift, dat op dinsdag 14 april 2015 ter griffie van de rechtbank Midden-Nederland is binnengekomen, heeft de Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland conform artikel 27 Wet Bopz aan de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene). In het verzoekschrift is niet een termijn voor de inbewaringstelling opgenomen. Bij dit verzoekschrift was gevoegd een afschrift van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Breda van vrijdag 10 april 2015 en een geneeskundige verklaring, die was opgemaakt en op vrijdag 10 april 2015 ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.

1.3

Op woensdag 15 april 2015 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daar was betrokkene niet bij aanwezig. Deze had op maandag 13 april 2015 zonder toestemming het ziekenhuis, waarin hij in bewaring was opgenomen, verlaten. Zijn verblijfplaats was niet bekend. De op de zitting aanwezige psychiater heeft verklaard, dat de ouders van betrokkene denken dat betrokkene in Frankrijk verblijft.

1.4

Bij beschikking van woensdag 15 april 2015 heeft de rechtbank de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene verleend. De rechtbank stelt daartoe voorop dat zij in het niet hebben kunnen horen van betrokkene geen aanleiding ziet om het verzoek af te wijzen. Door het ziekenhuis te verlaten heeft hij, aldus de rechtbank, zelf in de hand gewerkt dat hij niet kan worden gehoord. De rechtbank ziet wel aanleiding om de duur van de machtiging te beperken tot een periode van twee weken en daarmee te doen gelden tot woensdag 29 april 2015.

De rechtbank vermeldt in de beschikking tot de overtuiging te zijn gekomen dat het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestesvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken en het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat een voorlopige machtiging niet kan worden afgewacht. Volgens de rechtbank kan het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis worden afgewend.(1)

1.5.

Namens betrokkene is op 14 juli 2015 – en daarmee binnen de voor het cassatieberoep geldende termijn – beroep in cassatie ingesteld.(2) Op 15 juli 2015 is door de advocaat van betrokkene - binnen de termijn van drie maanden – het middel aangevuld met een nieuw middelonderdeel onder de voorwaarde dat het verzoek van betrokkene tot herstel van de beschikking op de voet van art. 31 Rv door de rechtbank wordt afgewezen.

In cassatie is van de zijde van de Officier van Justitie geen verweerschrift ingediend.

2 Ontvankelijkheid van beroep

2.1

Art. 29 lid 5 Wet Bopz bepaalt dat tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel open staat. Zou deze bepaling te dezen van kracht zijn dan zou zij de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep meebrengen. De aangevoerde klachten hebben betrekking op het niet gehoord zijn van betrokkene voorafgaande aan de bestreden beschikking. Hiermee wordt geklaagd over de niet-inachtneming van een essentiële norm van behoorlijke procesvoering – de norm van hoor en wederhoor –, waaraan bovendien te dezen nog meer gewicht valt toe te kennen omdat het in de onderhavige zaak gaat om vrijheidsbeneming.(3) Een en ander rechtvaardigt een doorbreking van het verbod van cassatieberoep en dus van het niet van toepassing achten in het onderhavige geval van artikel 29 lid 5 Wet Bopz.(4)

2.2

De bestreden machtiging kende maar een korte looptijd nl. tot 29 april 2015. Die termijn is reeds verstreken, zodat aan de machtiging geen werking meer toekomt. Is hierin nog een grond voor niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen de beschikking, waarbij de machtiging werd verleend?

2.2.1

Eertijds werd in de rechtspraak in de omstandigheid dat een rechterlijke beslissing zijn werking had verloren voordat beroep tegen de betreffende beslissing was ingesteld, aanleiding gevonden om het beroep wegens gemis aan belang niet-ontvankelijk te verklaren. Daarbij werd het voornemen om vergoeding van eventuele schade als gevolg van de uitgevoerde maatregel niet als een voldoende belang erkend. In zijn beschikking van 24 juni 2011, zaaknr. 10/04946,(5) heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een uitspraak van 7 juni 2011 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak S.T.S. tegen Nederland met die rechtspraak gebroken. De beschikking had betrekking op een uithuisplaatsing van een jeugdige, die als belang voor zijn beroep tegen de beslissing tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing aanvoerde dat hij aanspraak wilde maken op vergoeding van schade die hij als gevolg van de uithuisplaatsing had geleden. De Hoge Raad overweegt in rov. 3.7 onder meer:

“Aangenomen moet worden dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel geldt inmiddels is verstreken. Dat belang zal hem ook niet mogen worden ontzegd op de grond dat hij niet heeft aangevoerd dat hij beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel verlangt teneinde een aanspraak op schadevergoeding geldend te kunnen maken, noch ook op de grond dat hij geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat hij enige voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.”

Op dit oordeel borduurt de Hoge Raad voort in zijn beschikking d.d. 14 oktober 2011, zaaknr. 10/04582,(6) in een zaak waarin een moeder in cassatie komt van een beschikking waarin het hof een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing van een kind bekrachtigt en de termijn van de machtiging al was verstreken. In het kader van de beoordeling van het procesbelang bij het beroep tegen de beschikking tot verlening van de machtiging overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn beschikking van 24 juni 2011 onder meer:

“In het verlengde van deze beschikking wordt ook in gevallen als het onderhavige, waarin een ouder tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind opkomt, aangenomen dat deze ouder, gelet op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.”

De twee hiervoor vermelde beschikkingen van de Hoge Raad zijn, zo komt het voor, niet te begrijpen als dat de eis van het hebben van belang bij het instellen van een rechtsmiddel niet langer gesteld zou mogen worden. Wel impliceren de twee beschikkingen dat de eis minder streng of ruim is op te vatten, in ieder geval wanneer fundamentele rechten betreffende vrijheid van bewegen en gezinsleven in het geding zijn. Tegen een beslissing die toestaat dat op dergelijke rechten inbreuk wordt gemaakt, kan ook nog een beroep worden ingesteld nadat de termijn van gelding van de beslissing is verstreken. Het belang dat het instellen van het beroep nog rechtvaardigt is gelegen in het hebben van de mogelijkheid om een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van de inbreuk. Een verder gaand belang als verkrijging van schadevergoeding mag niet worden geëist. Uit een en ander valt af te leiden dat als procesbelang nog wel mag worden verlangd dat de maatregel, die bij de aan te vechten beslissing is toegestaan, ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Dan pas kan de beoordeling van de rechtmatigheid ervan aan de orde komen. Is het niet tot uitvoering van de toegestane maatregel gekomen binnen de daarvoor bij de betrokken beslissing gestelde termijn dan kan bij een beroep tegen die beslissing na die termijn van het ontbreken van het procesbelang worden uitgegaan, in ieder geval zolang niet is aangevoerd dat er toch een procesbelang aanwezig is.

2.2.2

In de onderhavige zaak is niet gebleken dat de door de rechtbank verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling vóór 29 april 2015 ook geleid heeft tot een daadwerkelijk weer opnemen van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis en daarmee tot ontneming van zijn vrijheid. Gelet op de korte geldingsduur van de machtiging en op het feit dat betrokkene, na op 13 april 2015 zelf het ziekenhuis verlaten te hebben, wellicht naar Frankrijk zou kunnen zijn vertrokken, is het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet tot een opnemen van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van de machtiging vóór of op 29 april 2015 is gekomen. Bij gebreke van informatie van de zijde van betrokkene die op het tegendeel wijst, terwijl het verstrekken van die informatie vanwege de zojuist vermelde omstandigheden wel mocht worden verlangd, is het gerechtvaardigd om van dat vermoeden uit te gaan. En dat brengt mee, gelet op wat hiervoor in 2.2.1 is opgemerkt, dat er van is uit te gaan dat betrokkene niet een te respecteren belang heeft bij zijn cassatieberoep en bijgevolg dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is te achten.

2.3

Ondanks de hiervoor bereikte conclusie van niet-ontvankelijkheid van het cassatie-beroep wordt, voor het geval de conclusie niet wordt gedeeld, hierna nog stilgestaan bij de in cassatie voorgedragen klachten, althans voor zover deze zijn gehandhaafd.

3 Bespreking van de klachten in cassatie

3.1.

Krachtens artikel 29 lid 1 Wet Bopz is met betrekking tot een verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling ook van toepassing lid 1 van artikel 8 Wet Bopz. Aldaar is bepaald dat de rechter, alvorens op het verzoek te beschikken, degene ten aanzien van wie het verzoek is gedaan hoort, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Het horen van betrokkene heeft niet plaatsgevonden. De in cassatie aangevoerde klachten beogen te bestrijden het verlenen door de rechtbank van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene zonder hem eerst naar behoren te hebben laten oproepen voor de mondelinge behandeling.

3.2

In onderdeel 4 wordt verondersteld dat de rechtbank van het oproepen heeft afgezien omdat betrokkene geacht mocht worden niet bereid te zijn zich te doen horen. Daarvan uitgaande wordt in onderdeel 4 en ook in onderdeel 5 geklaagd over een onjuiste rechtsopvatting van de rechtbank. Tevergeefs, zo schijnt het toe.

3.2.1

Voor genoemde veronderstelling biedt de beschikking onvoldoende grondslag. De rechtbank overweegt niet meer dan dat betrokkene door het ziekenhuis te verlaten het zelf in de hand heeft gewerkt dat hij niet kan worden gehoord.

3.3

In onderdeel 3 wordt verondersteld dat de rechtbank van oordeel is geweest dat betrokkene wegens mogelijk verblijf buiten Nederland – België/Frankrijk – niet (openbaar) kon c.q. behoefde te worden opgeroepen om te worden gehoord. In dat geval heeft de rechtbank miskend, dat de rechtbank ingevolge artikel 8 lid 1 vierde volzin Wet Bopz de behandeling van het verzoek van de Officier van Justitie had dienen aan te houden totdat betrokkene in Nederland had kunnen worden gehoord.

3.3.1

In artikel 8 lid 1, vierde volzin, is bepaald: “indien de betrokkene niet in Nederland verblijft, wordt de verdere behandeling van het verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging – lees voor het onderhavige geval: machtiging – aangehouden totdat hij in Nederland kan worden gehoord.” Hier wordt er van uitgegaan dat vaststaat dat betrokkene niet in Nederland verblijft. Dat uitgangspunt kan in het onderhavige geval echter niet worden aangehouden. De rechtbank gaat er van uit dat de verblijfplaats van betrokkene niet bekend is. In het proces-verbaal van de mondeling behandeling staat als verklaring van de aanwezige psychiater opgetekend dat de ouders denken dat betrokkene in Frankrijk verblijft. Hier wordt niet meer dan een mogelijkheid uitgesproken. Een en ander betekent dat de rechtbank niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij niet besloten heeft de behandeling van het verzoek van de Officier van Justitie aan te houden tot de terugkeer van betrokkene in Nederland.

3.4

Wat de onderdelen 1, 2 en 3 betreft, de in die onderdelen opgenomen klachten hebben dit gemeen dat de rechtbank als grond voor het nalaten van het oproepen van betrokkene voor de mondelinge behandeling niet voldoende heeft kunnen achten de omstandigheden dat zijn verblijfplaats niet bekend was en dat hij door zonder toestemming het ziekenhuis te verlaten het zelf in de hand heeft gewerkt dat hij niet kon worden gehoord. Deze klachten treffen om de volgende reden geen doel.

3.4.1

Bij de beoordeling of de rechtbank haar beschikking heeft kunnen geven zonder betrokkene te laten oproepen voor het horen van hem tijdens de mondelinge behandeling, zijn niet alleen de hiervoor in 3.4 genoemde omstandigheden in aanmerking te nemen. Mede in de beschouwing zijn te betrekken dat de rechtbank op grond van de beschikbare informatie aanwezig heeft geacht en ook aanwezig heeft kunnen achten het gevaar bij betrokkene dat hij een ander van het leven zal beroven of hem ernstig letsel zal toebrengen(7), dat de rechtbank ingevolge artikel 29 lid 3 Wet Bopz gehouden was om binnen drie dagen vanaf de dag na ontvangst van het verzoekschrift van de Officier van Justitie omtrent het verzoek van laatstgenoemde een beslissing te nemen en dat de rechtbank aan zijn beschikking een geldingsduur van 14 dagen heeft verbonden. Gezien de aard van deze omstandigheden valt aan te nemen dat achter de beschikking steekt de afweging tegen elkaar van enerzijds het scheppen van de mogelijkheid om betrokkene aanstonds in bewaring te stellen in verband met het vooralsnog bij hem aanwezig te achten ernstige gevaar, indien betrokkene toch nog heel snel zou worden gevonden, en anderzijds het bieden aan betrokkene van de mogelijkheid zich alsnog te verweren tegen eventuele maatregelen ten aanzien van hem, indien hij niet binnen veertien dagen na de dag van de beschikking zou worden gevonden. Want na die termijn zou een nieuwe machtiging moeten worden aangevraagd voor een maatregel ten aanzien van betrokkene. Overigens zou betrokkene ook binnen die termijn zich tot de rechter hebben kunnen wenden, in het kader van een ontslagverzoek of desnoods in kort geding. Neemt men alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking dan komt het niet alleen niet onbegrijpelijk maar ook niet onjuist voor dat de rechtbank heeft besloten haar beschikking te geven zonder een oproep van betrokkene voor de – dan eventueel twee dagen later te houden – mondelinge behandeling. Het horen van betrokkene dient een zwaarwichtig belang, maar hetzelfde geldt voor het beschermen van betrokkene tegen een ernstig gevaar bij hem, voor het bestaan waarvan sterke aanwijzingen zijn.(8) Bovendien viel van het binnen heel korte termijn oproepen van betrokkene, nu zijn verblijfplaats niet bekend was en hij wellicht in het buitenland vertoefde, ook niet werkelijk effect te verwachten.

3.5

In onderdeel 6 is een klacht opgenomen, waaraan naast de klachten in de vooraf-gaande onderdelen geen zelfstandige betekenis toekomt. Nu deze klachten geen doel treffen, geldt hetzelfde voor de klacht in onderdeel 6.

4 Conclusie

De conclusie strekt primair tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

voor deze:

J. Wuisman

(A-G)

1 . Het van de beschikking van 15 april 2015 afgegeven geschrift vermeldt nog dat betrokkene is gehoord. Bij herstelbeschikking van 14 augustus 2015 is deze onjuistheid gecorrigeerd.

2 . In het verzoekschrift tot cassatie is het voorbehoud van aanvulling en/of wijziging van de klachten gemaakt. Hiervan is gebruik gemaakt door bij aanvullend verzoekschrift van 15 juli 2015 nog een nieuwe klacht op te voeren. Die klacht is echter bij brief van 14 augustus 2015 weer ingetrokken. Een en ander betekent dat in cassatie nog slechts de klachten van belang zijn die zijn opgenomen in het verzoekschrift van 14 juli 2015.

3 . Zie in dit verband HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378, m.nt. J. de Boer, rov. 3.3 en recent nog HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188, RcdW 2015, 232 en JWB 2015, 51.

4 . Zie in dit verband: HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3450, BJ 2003/20, m.nt. W. Dijkers (geval van niet horen van betrokkene); HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2985, NJ 2014, 472, BJ 2014/ 472, en HR 26 juni 2015,ECLI:NL:HR:2015:1753, RvdW 2015, 823 (gevallen van machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling op basis van verklaring van arts die geen psychiater, respectievelijk niet een onafhanke-lijke psychiater is); HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015, 35 (onvoldoende maatregelen ter verzekering van de rechtsbijstand van betrokkene door een advocaat tijdens de mondelinge behandeling).

5 . HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011, 390, m.nt S.F.M Wortmann.

6 . HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011, 596, m.nt S.F.M Wortmann. Naar deze beschikking verwijst de Hoge Raad in rov. 3.3 van zijn beschikking d.d. 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9538, NJ 2012, 436, m.nt S.F.M Wortmann, waar ook uithuisplaatsing aan de orde is.

7 . Ter zitting is van de zijde van de raadsman hiertegen niet echt iets concreets ingebracht.

8 . Steun voor dit standpunt is te vinden in HR 28 september 1984, ECLI:NL:HR:1984,AC8541, NJ 1985, 105 – een onder de Krankzinnigenwet gewezen arrest. Zie verder de annotatie van W. Dijkers in BJ 2001/37 bij HR 22 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2240, NJ 2001, 437. Onder 3 van zijn annotatie merkt W. Dijkers onder meer op: “Dat in een geval dat de verblijfplaats van betrokkene onbekend is dan wel dat betrokkenen om andere redenen niet aanspreekbaar is, een machtiging verleend kan worden voor een gevaarlijk te achten patiënt terwijl berokkenen niet is gehoord, strookt met de beschermingsgedachte die (ook) aan de Wet Bopz ten grondslag ligt. Indien zo’n machtiging niet verleend zou kunnen worden terwijl alles er op wijst dat de geestesstoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken, zou bijvoorbeeld de patiënt die zich voor de rechter ‘onbereikbaar’ weet te houden pas kunnen worden opgenomen als de situatie dermate verergerd is, dat er al schade is opgetreden en ‘onmiddellijk dreigend gevaar’ grond voor een inbewaringstelling geeft. Een dergelijke ‘Verelendung’ behoeft m.i. niet afgewacht te worden; indien de beschikbare gegevens wijzen op de noodzaak van opneming zou daartoe terstond beslist moeten kunnen worden. Vanaf het moment van tenuitvoerlegging kan betrokkene d.m.v. een ontslagverzoek ex artikel 49 een herbeoordeling bewerkstelligen.”