Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2268

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
14/04692
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3324, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ambtshalve last tot toevoeging raadsman. Art. 41.1 aanhef en onder b Sv. Het in het belang van verdachte gegeven voorschrift vervat in art. 41.1 aanhef en onder b Sv is van zo grote betekenis dat, al wordt dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming daarvan aan een geldige behandeling ttz. in de weg staat. I.c. moet het er in cassatie voor worden gehouden dat verdachte in h.b. geen raadsman heeft gehad. De klacht dat de vz. van het Hof i.s.m. art. 41 Sv heeft nagelaten een last tot toevoeging van een raadsman aan verdachte te geven is terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr.14/04692

Zitting: 22 september 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 14 juli 2014 de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 30 december 2013 waarbij de verdachte ter zake van “mishandeling, terwijl het feit wordt begaan tegen zijn echtgenote” is veroordeeld tot een taakstraf inhoudende een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft het hof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

2. Namens verdachte is cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.1

3. Het middel behelst ten eerste de klacht dat de voorzitter van het gerechtshof aan de verdachte geen raadsman heeft toegevoegd alhoewel in eerste aanleg de bewaring van de verdachte was bevolen.

4. De procesgang is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:

(i) Op 7 oktober 2013 is de verdachte in verzekering gesteld op verdenking van mishandeling van zijn echtgenote.

(ii) De dag daarop, op 8 oktober 2013, heeft mr. K.C. van de Wijngaart zich, mede namens mr. R. V. Hagenaars, als raadsvrouw voor de verdachte gesteld.

(iii) Op 9 oktober 2013 is de verdachte door de rechter-commissaris in verband met de inverzekeringstelling en de vordering tot bewaring gehoord. Hij werd daarbij bijgestaan door mr. Wijngaart. Diezelfde dag heeft de rechter-commissaris de bewaring van verdachte bevolen en vervolgens heeft hij de bewaring onder voorwaarden geschorst. Ook heeft de rechter-commissaris een last tot toevoeging aan de verdachte gegeven van voornoemde mr. R.V. Hagenaars.

(iv) Ter terechtzitting in eerste aanleg is de verdachte verschenen vergezeld van zijn raadsvrouw, mr. Wijngaart. De verdachte is bij vonnis van 30 december 2013 veroordeeld wegens - kort gezegd - mishandeling van zijn echtgenote. De politierechter heeft bij dit vonnis tevens het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

(v) Op 9 januari 2014 heeft mr. P.J. Silvis, kantoorgenoot van mr. Hagenaars, op de voet van art. 450, eerste lid onder a, Sv tijdig appel ingesteld.

(vi) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 juli 2014 is aldaar noch de verdachte noch een door hem gemachtigd raadsman of raadsvrouwe verschenen. Het hof heeft daarop verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

5. Ingevolge het bepaalde in art. 41, eerste lid onder b, Sv wordt op last van de voorzitter van het gerechtshof aan de verdachte die geen raadsman heeft, ambtshalve een raadsman toegevoegd wanneer hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen.

6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een op 9 oktober 2013 verleend bevel tot bewaring van de verdachte. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat zich in hoger beroep een advocaat als raadsman heeft gesteld noch dat ambtshalve toevoeging als bedoeld in art. 41, eerste lid onder b, Sv heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte in hoger beroep geen raadsman heeft gehad.2 Ingevolge voornoemde bepaling had de verdachte, van wie immers de voorlopige hechtenis was bevolen, een raadsman moeten worden toegevoegd. De omstandigheid dat in de onderhavige zaak de bewaring weliswaar direct na het gegeven bevel is geschorst doet daaraan niet af.3

7. Het in het belang van de verdachte gegeven voorschrift vervat in art. 41, eerste lid onder b, Sv is van zo grote betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de veronachtzaming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling ter terechtzitting in de weg te staan.4

8. De eerste klacht is terecht voorgesteld. Dat betekent dat de tweede klacht geen bespreking behoeft.

9. Uiteraard ben ik bereid om, indien de Hoge Raad van oordeel is dat de eerste klacht geen doel treft, desgewenst nader te concluderen.

10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Mr. Baumgardt heeft na de aanzegging tijdig verzocht om nadere stukken. Nu deze stukken hem pas na het verstrijken van de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv konden worden verstrekt werd hem, in overleg met de rolraadsheer, een nadere termijn verleend teneinde de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen, dan wel het voorgestelde middel in te trekken. Hierop heeft mr. Baumgardt tijdig zijn schriftuur aangevuld.

2 Vgl. HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4844, rov. 3.3.

3 Zie HR 1 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9383, NJ 1994/67, m.nt. Corstens, rov. 4.2: “In deze bepaling wordt geen uitzondering gemaakt voor het geval dat aan de voorlopige hechtenis geen uitvoering is gegeven op grond dat deze met onmiddellijke ingang is geschorst.

4 HR 1 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9383, NJ 1994/67, m.nt. Corstens, rov. 4.2; HR 16 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7210, rov. 3.4; HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4844, rov. 3.4; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1155, rov. 3.6.