Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2263

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
14/02736
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3319, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen. Achterhaald adres? Verdachte heeft bij het instellen h.b. een voormalig GBA-adres opgegeven. Uit het feit dat verdachte tot 20 september 2012 op dit adres in de GBA ingeschreven heeft gestaan, kon het Hof niet zonder meer afleiden dat verdachte dit bij het op 5 september 2013 instellen h.b. opgegeven adres niet wenste te handhaven als adres waar hij een afschrift van de appeldagvaarding wenste te ontvangen ex art. 588a.3 Sv. AG anders: het opgegeven adres betreft een voormalig GBA-adres dat nadien is achterhaald door een nieuw GBA-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02736

Zitting: 22 september 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 mei 2014 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 21 augustus 2012 waarbij de verdachte wegens een veertiental feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en waarbij de rechtbank de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen voor een bedrag van € 147,50 in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 147,50 te vervangen door twee dagen hechtenis en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.H.M. van Dinten, advocaat te Eindhoven, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof heeft nagelaten de inleidende dagvaarding nietig te verklaren in de zaak met parketnummer 01-121701-12 “nu de akte van uitreiking in het dossier ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld dat de betekening op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.

4. Bij de stukken die op de voet van art. 435, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een kopie van een akte van uitreiking die is gehecht aan een kopie van de “dagvaarding verdachte” om te verschijning ter terechtzitting van de politierechter op 21 augustus 2012 om 14:55 uur met vermelding van parketnummer 01-121701-12. De akte van uitreiking houdt in dat op 20 juli 2012 de brief niet is uitgereikt aan het adres “[a-straat] , [plaats]” omdat niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Bij diezelfde stukken bevindt zich een kopie van een andere akte van uitreiking die betrekking heeft op hetzelfde parketnummer, en waaruit valt op te maken dat de gerechtelijke brief op 16 augustus 2012 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch en een afschrift is verzonden naar het op de akte vermelde adres, te weten “[a-straat] ”. Tevens valt uit de akte op te maken dat een afschrift van de gerechtelijke brief is verzonden aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven bij gelegenheid van zijn eerste verhoor in de betreffende strafzaak, te weten “[c-straat] , [plaats]” alsmede “[d-straat] , [plaats]”.

5. Het middel mist feitelijke grondslag en faalt daarom.

6. Hoewel daarover niet wordt geklaagd, merk ik in zoverre ten overvloede op dat de inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer is betekend overeenkomstig het bepaalde in art. 588 Sv en dat bovendien een afschrift van de inleidende dagvaarding is toegezonden zoals dat is voorgeschreven in art. 588a Sv.

7. Het tweede middel klaagt over de naleving van de verplichting om een afschrift van de appeldagvaarding toe te zenden aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven bij het instellen van hoger beroep.

8. De verdachte heeft zelf hoger beroep ingesteld. In de daarvan opgemaakte akte is als adres opgenomen “zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande”. De brief van 5 september 2013 waarmee de raadsman van de verdachte hoger beroep heeft doen instellen vermeld echter als adres van de verdachte “[a-straat] ( [plaats]”. Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden blijkt niet dat aan dat adres een afschrift van de appeldagvaarding is toegezonden.

9. Het bij het instellen van hoger beroep opgegeven adres was het adres waarop de verdachte vanaf 5 april 2012 was ingeschreven in de toenmalige gemeentelijke basisadministratie personen totdat daarin met ingang van 20 september 2012 werd geregistreerd dat de verdachte was vertrokken naar een land onbekend met een onbekend adres. Bij het instellen van hoger beroep is dus een oud GBA-adres opgegeven dat toen nog niet was achterhaald door een ander GBA-adres.

10. Anders dan de rechtspraak waarop in de toelichting een beroep wordt gedaan, betreft het opgegeven adres een eerder GBA-adres dat nadien is achterhaald door een nieuw GBA-adres.1 Na het instellen van hoger beroep heeft de verdachte zich ingeschreven op een nieuwe GBA-adres, te weten “[b-straat] [plaats]” waaraan is geprobeerd de appeldagvaarding te betekenen. In zo een geval heeft het hof kennelijk aangenomen, en ook mogen aannemen, dat het in de akte vermelde adres het oude GBA-adres was van de verdachte en dat dit niet kan worden beschouwd als een adres als bedoeld in art. 588a, eerste lid onder c, Sv. 2

11. Het middel faalt.

12. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte ter terechtzitting niet heeft gevraagd naar de redenen waarom de verdachte in hoger beroep is gekomen.

13. Het hof heeft de verdachte in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard en daarbij het volgende overwogen:

Het hof zal het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren, nu hij niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep - en evenmin nadien - een schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.

14. Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte verklaard dat hij door de verdachte niet uitdrukkelijk was gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft de raadsman in de gelegenheid gesteld contact met de verdachte op te nemen. Ter terechtzitting bleek dat niet mogelijk. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt hierover het volgende in:

“De raadsman deelt mede:

Ik ben niet door cliënt gemachtigd de verdediging te voeren. Ik heb cliënt één à twee weken geleden aangeschreven. Ik ontving de envelop retour met daarop geschreven dat de geadresseerde op het adres [e-straat] in [plaats] woont.

Met uw instemming kan ik proberen cliënt alsnog te bereiken op het door hem opgegeven telefoonnummer.

(noot griffier: de raadsman probeert de verdachte telefonisch te bereiken.)

De raadsman deelt mede dat het telefoonnummer van de verdachte is afgesloten.”

15. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof de raadsman in de gelegenheid had moeten stellen zijn bezwaren tegen het vonnis naar voren te brengen. Het standpunt stuit af op HR 8 december 2009, waarin het volgende werd overwogen:

Het middel berust op de opvatting dat het ‘mondeling opgeven van bezwaren’ als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv, bij afwezigheid van de verdachte ter terechtzitting, ook kan geschieden door de daar aanwezige, niet tot de verdediging gemachtigde raadsman. Die opvatting is onjuist. Daarop stuit het middel af.3

16. Hiertegen wordt ingebracht dat de raadsman in deze zaak door de verdachte uitdrukkelijk was gemachtigd hoger beroep in te stellen. In zo een geval zou het op de weg van het hof liggen deze raadsman te vragen naar de redenen die ertoe hebben geleid hoger beroep in te stellen. Bovendien bespeurt de steller van het middel een tendens van deformalisering voor wat betreft de formaliteiten die behoren bij het instellen van beroep in combinatie met het stellen van minimale eisen aan de grieven en bezwaren zoals bedoeld in art. 416 Sv.

17. Geen van deze argumenten kan mij overtuigen. In de eerste plaats is de veronderstelling onjuist dat de raadsman die namens de verdachte hoger beroep heeft doen instellen geacht mag worden ter terechtzitting van het hof op de hoogte te zijn van de bezwaren van de verdachte en die daarom mondeling op te kunnen geven. Misschien (doch lang niet zeker) wist hij van de bezwaren die toentertijd bestonden, maar daarmee is niet gezegd dat die bezwaren nog onverkort gelden. Op 5 september 2013 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld, op 12 mei 2014 is de zaak in hoger beroep behandeld.

18. Voorts wordt nog aangevoerd dat in de brief waarmee de raadsman van de verdachte een griffiemedewerker machtigde namens hem hoger beroep in te stelen, in feite de bezwaren zijn vermeld tegen de veroordeling in eerste aanleg.

19. De brief van de raadsman houdt het volgende in:

Het hoger beroep richt zich tegen de veroordelingen welke op genoemde zitting zijn uitgesproken in de zaken met de parketnummers zoals vermeld in de brief mededeling uitspraak die als bijlage wordt bij bijgevoegd. Het hoger beroep richt zich tevens tegen de zaken die zijn gevoegd ter terechtzitting (gev. ttz) alsmede de toegewezen vordering(en) benadeelde partij.

20. Hiermee heeft de raadsman geen “grieven” of “bezwaren tegen het vonnis” opgegeven, maar uitsluitend te kennen gegeven tegen welke onderdelen van het vonnis hoger beroep is ingesteld.

21. De raadsman had de bezwaren van de verdachte naar voren kunnen brengen indien de verdachte hem daartoe uitdrukkelijk had gemachtigd. De verdachte heeft hoger beroep doen instellen en was dus op de hoogte van de tegen hem lopende vervolging in tweede aanleg, zodat van hem mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt, waaronder in ieder geval kan worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman opdat hij in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.4

22. De deformalisering van de eisen die worden gesteld aan het instellen van hoger beroep, neemt niet weg dat die eisen zelf worden nageleefd. Art. 416 Sv vereist dat “de verdachte” bij het instellen van hoger beroep “grieven” opgeeft dan wel ter terechtzitting “mondelingen bezwaren” tegen het vonnis opgeeft. Met de letter van de wet is het onverenigbaar dat een niet-gemachtigde raadsman ter terechtzitting namens de verdachte diens mondelinge bezwaren tegen het vonnis opgeeft.

23. Het middel faalt.

24. De middelen falen. Het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2666 postadres niet achterhaald door GBA-adres; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1781: het in de appelakte opgenomen adres was op exact diezelfde dag achterhaald door een nieuw GBA-adres; HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3623 het opgegeven adres week toen reeds af van het GBA-adres; HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736: ten tijde van het instellen van hoger beroep had de verdachte geen GBA-adres.

2 HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4240, NJ 2009/59, r.o. 2.4.

3 HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5617, NJ 2010/75, m.nt. Schalken, r.o. 3.5.

4 HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, NJ 2014/351, m.nt. Schalken, r.o. 2.8 en 2.6.1; HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken, r.o. 3.33.