Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:226

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-02-2015
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
14/01499
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:638, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verstekverlening, aanwezigheidsrecht. ’s Hofs beslissing om tegen de verdachte verstek te verlenen en het o.t.tz. voort te zetten is, achteraf bezien onjuist, nu uit een aan de schriftuur gehecht schrijven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken - aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld - moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn zaak in h.b. i.v.m. een andere strafzaak in Argentinië was gedetineerd. Gelet op het grote belang van verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn dient verdachte de mogelijkheid te hebben om zijn zaak alsnog in h.b. in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01499

Zitting: 17 februari 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 juni 2007 de verdachte ter zake van “medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest.

2. Namens de verdachte heeft mr. A.J. van der Velden, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof het aanwezigheidsrecht ex. art. 6 EVRM heeft geschonden nu het hof – achteraf bezien – er ten onrechte vanuit is gegaan dat de verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Uit een detentieverklaring blijkt namelijk dat de verdachte ten tijde van de zitting in hoger beroep in Argentinië gedetineerd was.

4. De verdachte is in hoger beroep gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van 8 juni 2007. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard als:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

niet ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens,

en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats,

is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. F. van der Meij, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart zijn cliënt heden niet te verwachten, al een jaar geen contact meer met hem te hebben en door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.

De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als drie dagen voor de zitting en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent de voorzitter namens het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

5. Aan de cassatieschriftuur is gehecht een op 21 mei 2014 gedateerde en aan de verdachte gerichte brief, afkomstig van een “casemanager Latijns-Amerika en de Caraïben” van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze brief houdt in:

“Onder verwijzing naar ons telefoongesprek van vandaag, waarin u mij ten behoeve van een juridische aangelegenheid alhier om een detentieverklaring verzocht, bevestig ik hierbij dat u op 2 juni 2007 in Argentinië gearresteerd en gedetineerd werd en dat u op 15 mei 2011 door de bevoegde Argentijnse autoriteit werd uitgezet en aldus dat land verlaten heeft.”

6. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een tweetal aktes van uitreiking om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2007 – inhoudende dat die dagvaarding zowel op 19 en 20 april 2007 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank “omdat de geadresseerde blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven”. Aan de akte is echter geen dergelijke “mededeling” gehecht waaruit dat volgt. Bovendien blijkt uit een zich aan de akte van uitreiking van de oproeping voor de zitting aangehecht GBA-overzicht van 1 juni 2007 dat de verdachte reeds op 24 oktober 2006 is vertrokken naar “Onbekend”. Het uitgangspunt dat, indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht1, gaat derhalve in de onderhavige zaak niet op.

7. Hoe dan ook moet gelet op de inhoud van de hiervoor onder 5 weergegeven brief – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld - achteraf worden vastgesteld dat de detentie in het buitenland van de verdachte in een andere zaak hem in deze zaak heeft belet van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te kunnen maken. Van een ondubbelzinnige afstand van dat recht blijkt niet. De beslissing van het hof om verstek tegen de verdachte te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten was dan ook, (in ieder geval) achteraf bezien, onjuist. In aanmerking genomen het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt dit mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.2

8. Het middel is terecht voorgesteld.

9. Het tweede middel klaagt dat zich na het wijzen van het arrest door het hof een overschrijding van de redelijke termijn heeft voorgedaan, gelet op het tijdsverloop sinds het wijzen van het arrest en mede gelet op het ontbreken van pogingen het verstekarrest aan de verdachte te betekenen.

10. Het middel behoeft, nu het eerste middel slaagt, geen bespreking. Uiteraard ben ik bereid om, indien de Hoge Raad van oordeel is dat het eerste middel geen doel treft, desgewenst nader te concluderen.

11. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan onbesproken blijven.

12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing of verwijzing van de zaak, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vlg. HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6209 en HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042.

2 Vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2974; HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984; HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:89 en HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98.