Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2243

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
14/02004
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3266, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafvermindering wegens overschrijding van de inzendtermijn.

Conclusie AG o.m. over bedreiging en het (ontnemen van) het laatste woord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02004

Zitting: 15 september 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 maart 2014 verzoeker wegens 1. “bedreiging met verkrachting en met feitelijke aanranding van de eerbaarheid en met zware mishandeling en met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 2. “eenvoudige belediging” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn (als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM) in cassatie is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4. Blijkens een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 19 december 2014. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden met ruim één maand. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden.

5. Het eerste middel is terecht voorgesteld.

6. Het tweede middel keert zich tegen ’s Hofs verwerping van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde bewijsverweer en tegen de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte overwogen dat de aangever [betrokkene 1] de tenlastegelegde, door verzoeker gebezigde woorden niet als metaforen heeft opgevat.

7. Aan verzoeker is onder feit 1 ten laste gelegd dat:

“hij omstreeks 16 april 2011, in elk geval in de maand april 2011, te Maasbracht, gemeente Maasgouw, [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of met verkrachting en/of met feitelijke aanranding van de eerbaarheid en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling althans met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [betrokkene 1] een brief bezorgd althans doen toekomen, waarin (onder meer) vermeld stond:

"Roermond, 17 april 2011

Ezechiël 23:11-26,43; 16:25,37

[betrokkene 1] ( [betrokkene 1] )

de geile hengst: Jer.5:7-8

VOORGANGER van HOERENHUIS: De "Thuishaven".

Wat zou ik graag nog eens haar tepeltjes willen betasten. En strelen.......Maar dan zal ik ook haar kleren uittrekken: niet goedschiks, dan kwaadschiks!

Zodat zij helemaal naakt is en bloot.....met haar beentjes uitgespreid .... En wie weet of het de HEERE zal behagen om haar schaamstreek voor mij te ontbloten!

VAN WIE?! Nou van die kleine meid, die je dagelijks kunt zien in je eigen huiskamer, met die maagdelijke (roze) tepeltjes, en haar jonge borstjes!

(ik bedoel dus niet die verwelkte, door hoererij verouderde vrouw; want wie zou met haar ooit nog geslachtsgemeenschap willen hebben....pffff)

Maar dat overspelige kind hunkerde zo intens naar mij, begerig als ze was, dat zij in haar wellust heel haar schaamstreek voor mij heeft blootgelegd! En de HEERE hoefde haar daar niet eens bij te helpen; ze deed het zelf wel .... (met bijzondere dank aan internet!)

Daardoor maakte een onstuimige drift zich van mij meester.... als van een ezel ....

Want zij verlangt er zo naar om door mij te worden volgespoten, als door een PAARD! Als ik met haar klaar ben, dan zal ik als straf haar neus en oren afsnijden. En wat van haar overblijft zal ik met vuur verbranden! Maar haar sieraden neem ik mee! (Dit heeft natuurlijk te maken mogelijke bewijslasten en zo. vandaar! Snap je?)

Zodra er maar iemand langskomt bij het kruispunt [a-straat] / [b-straat] , spreidt die (oude en verwelkte) HOER haar benen al voor iedere voorbijganger. Afschuwelijk hoe zij haar verouderde schoonheid misbruikt tot haar talloze hoererijen! Geef mij dan maar liever die maagdelijke tepeltjes; met borstjes als torentjes!

Je kunt begrijpen dat ik jullie "bordeeltje aan de haven" weer eens wil komen bezoeken! Want alle straatverboden zijn - sinds vandaag - verleden tijd! Dus wie doet me wat!

Enne .... de mensen die daar op zondagmorgen samenkomen mogen toch wel weten dat ze, misschien zonder het te beseffen, in een HOERENTENT zijn beland?!

afz,: De koning van Egypte, (m.m.v. [verdachte] )””

8. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft op de terechtzitting van het Hof van 19 februari 2014 de raadsman het volgende naar voren gebracht:

“De raadsman voert als volgt het woord tot verdediging.

[…]

De raadsman legt een kopie uit de Bijbel aan het hof en aan de advocaat-generaal over.

De raadsman voert verder als volgt het woord.

Ik heb de passages onderstreept die volgens mijn cliënt van belang zijn. [betrokkene 1] zegt dat hij bang was dat verdachte zijn dochter zou komen verkrachten. Dat wordt bevestigd door zijn vrouw. Ik vind dat opmerkelijk. Zij kennen verdachte al lang. Zij weten dat verdachte een bijzonder mens is die zich bijzonder uitdrukt. Hij spreekt in metaforen. Je kan dan eigenlijk alleen maar denken dat het over je vrouw gaat als je denkt dat je vrouw Jeruzalem is.

Als [betrokkene 1] nu geen religieuze achtergrond zou hebben gehad dan zou het anders zijn geweest. Ik denk zoals gezegd, dat [betrokkene 1] een hekel heeft aan cliënt. Maar naar mijn mening hebben hij en zijn vrouw niet gevreesd dat het misdrijf waarmee gedreigd werd betrekking had op hun gezin. Cliënt heeft de woordspeling over de dochter wel bedoeld en in die zin gedacht aan die fysieke dochter. Maar cliënt heeft nimmer bedoeld daadwerkelijk te dreigen met verkrachting van die dochter.

Nu alle betrokkenen bij dit delict een religieus referentiekader hebben, ben ik van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder I ten laste gelegde bedreiging. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.”

9. De respons van het Hof in zijn bestreden arrest luidt als volgt:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen omdat verdachte heeft gesproken in metaforen en er -zakelijk weergegeven- geen bewijs voorhanden is op grond waarvan kan worden aangenomen dat de onderhavige bedreiging - gelet op “het gelovige referentiekader” - dusdanig reëel was dat [betrokkene 1] zich daardoor bedreigd kon voelen. Verdachte heeft zakelijk weergegeven aangevoerd dat hij [betrokkene 1] slechts heeft willen plagen door het schrijven van de brief. Van een strafbare bedreiging en/of belediging kan dan ook geen sprake zijn, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat vaststaat dat verdachte de brief in kwestie heeft opgesteld en zowel bij de woning van [betrokkene 1] als bij het gebouw van de Pinkstergemeente in de brievenbus heeft gedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij de manier waarop hij de brief heeft geschreven zeker niet voor niets heeft gedaan en dat hij [betrokkene 1] hiermee zeker wilde prikkelen. Voorts is niet betwist dat de letterlijke bewoordingen van de brief op zichzelf genomen bedreigingen in de zin van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht inhouden. De vraag die ter beantwoording voorligt is, of verdachte [betrokkene 1] opzettelijk heeft bedreigd en beledigd, of bij [betrokkene 1] in de gegeven omstandigheden de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte de in de brief opgenomen bedreigingen daadwerkelijk tot uitvoering zou brengen en of [betrokkene 1] zich daadwerkelijk beledigd heeft gevoeld en heeft kunnen voelen.

[betrokkene 1] heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting in hoger beroep -zakelijk weergegeven- verklaard dat er een reeds langer bestaand en oplopend conflict tussen verdachte en hem bestond en dat hij gelet op de aard en inhoud van de gebezigde bewoordingen en het feit dat deze op schrift waren gesteld, bang was dat verdachte de bedreigingen daadwerkelijk zou uitvoeren. Zijn echtgenote heeft vorenstaande bij gelegenheid van een verhoor als getuige door de raadsheer-commissaris bevestigd. Voorts heeft [betrokkene 1] - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij de door verdachte gebezigde bewoordingen niet als metafoor heeft opgevat maar als een daadwerkelijke bedreiging van zijn dochter en daarmee ook van hem zelf, alsook als een belediging aan zijn adres. Het hof heeft geen enkele reden te twijfelen aan de geloofwaardigheid van die verklaringen van [betrokkene 1] en/of zijn echtgenote.

Gelet op vorenstaande alsmede gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 april 2013, inhoudende dat hij de dochter van [betrokkene 1] in de metaforen heeft betrokken en dat hij deze heeft verpersoonlijkt en concreet heeft gemaakt, dat dat zijn bedoeling en opzet is geweest en dat het de bedoeling is geweest een en ander in de huiskamer van [betrokkene 1] door te laten klinken, is het hof van oordeel dat verdachte het opzet had om [betrokkene 1] te bedreigen, zoals bewezen is verklaard en dat bij genoemde [betrokkene 1] ook redelijkerwijs de vrees kon ontstaan en is ontstaan dat aan die bedreiging door verdachte uitvoering zou worden gegeven alsook dat [betrokkene 1] zich beledigd heeft gevoeld en heeft kunnen voelen. De gebezigde bewoordingen “Geile hengst in combinatie met Mein(e) Kamp(f) , waardoor [betrokkene 1] wordt vereenzelvigd met (het gedachtengoed van) Hitler, zijn, mede gelet op geschetste verhouding tussen [betrokkene 1] en verdachte onnodig grievend en kwetsend en naar ’s hofs oordeel opzettelijk door verdachte aan [betrokkene 1] geschreven om hem aan te tasten in zijn eer en goede naam.

De omstandigheid dat verdachte zich in de brief heeft bediend van tekst(fragmenten) uit de bijbel, en/of daarnaar heeft verwezen, doet aan het vorenstaande niet af.

Feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een ander oordeel zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.”

10. Ik kan denk ik kort zijn in mijn bespreking van het middel. De verwerping van het Hof van het bewijsverweer en ’s Hofs bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, terwijl ze evenmin zijn gestoeld op een onjuiste en/of onbegrijpelijke weergave van hetgeen de aangever [betrokkene 1] volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2014 heeft gezegd. Dat de aangever [betrokkene 1] de passages uit de brief van verzoeker slechts zou hebben opgevat als metaforen (die niet letterlijk door deze ten uitvoer zouden worden gebracht) mist gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen feitelijke grondslag.1 Ik wijs daarvoor slechts op de als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van de aangever [betrokkene 1] d.d. 4 september 2013, inhoudende voor zover hier van belang:

“Ik voel mij bedreigd door inhoud van de brief. De bedreiging is gericht tegen mijn gezin, tegen mijn dochter. […]

In de brief wordt geschreven over verkrachting, verminking en verbranding. Daar voel ik mij als gezin en als vader van dat gezin ernstig door bedreigd. […]

Ik weet dat [verdachte] altijd verwijst naar de kerk en bijbelteksten. Ik ben er echter bang voor dat hij zijn dreigementen ten uitvoer zal brengen. […]

Ik zeg u dat ik in de tekst metaforen herken, maar ook al herken ik ze als metafoor, dan nog vind ik de inhoud bedreigend.

Ik heb serieus op enig moment gedacht dat deze man mijn dochter zou komen verkrachten.

Het staat op schrift. Er zijn heel veel mensen die iets op schrift zetten en die dingen dan ook uitvoeren. Dat vind ik bedreigend.”

11. Het tweede middel faalt.

12. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof op de terechtzitting van 19 februari 2014 ten onrechte verzoeker het laatste woord heeft ontnomen en hem uit de zittingszaal heeft verwijderd waardoor verzoeker in strijd met zijn kennelijke wens niet (langer) zijn eigen verdediging kon voeren en bij zijn berechting aanwezig kon zijn.

13. Het eerdergenoemde proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende:

“Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

Verdachte verklaart nog:

De raadsman heeft zich voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde aan het oordeel van het hof gerefereerd. Ik stem daarmee niet in. Ik vind niet dat ik mij schuldig heb gemaakt aan de belediging. Op 7 november 2004 ben ik voor de eerste keer aangehouden en heb ik twee dagen vastgezeten. De officier van justitie heeft toen besloten om niet tot vervolging over te gegaan. Op 6 maart 2005 ben ik opnieuw aangehouden. [betrokkene 1] had mij nadrukkelijk laten weten mijn brieven niet te lezen. Ik heb 6 kaartjes geschreven aan [betrokkene 1] . Ik had voor het eerst een strafblad. Niet lang daarna is het disproportionele geweld toegepast. Ik moest mijn DNA afstaan. Dat deed mij heel veel. Ik ben in een positie gemanoeuvreerd.

In 2008 had ik een rechter een kerstkaartje gestuurd. Vanaf dat moment kregen de rechter, de hoofdofficier van justitie en de raadsman beveiliging. De raadsman wilde mij beschermen via een artikel 509a van het Wetboek van Strafvordering-procedure.

Ik mag geen contact hebben met Zandee . Ik moet afstand bewaren. Dan krijgen we dat weer.

Verdachte haalt een rolmaat uit zijn tas en rolt deze uit.

Verdachte verklaart verder als volgt.

Ik kijk waar het in deze zaak om gaat. [betrokkene 1] heeft het over de bovennatuurlijke kracht van God. Toen ik de brief had geschreven waar het in deze strafzaak om gaat hapte [betrokkene 1] eindelijk. Eindelijk kwam de politie mij 's morgens van mijn bed lichten. In de memorie van bevindingen heb ik omschreven hoe dat is verlopen.

Mijn twee dochters waren hoogzwanger. De eis van de advocaat-generaal verbaast mij niets. Ik ken het allemaal wel.

In hoger beroep ben ik onder meer berecht door mr. Bergkotte en door de raadsheer die vandaag oudste raadsheer is. Op 24 december 2009 heb ik van hen een jaar gevangenisstraf opgelegd gekregen. Dat jaar heb ik uitgezeten. Ik heb op de juiste manier gehandeld.

De verdachte haalt een knuffelaapje die een banaan vasthoudt tevoorschijn en verklaart als volgt.

Dit aapje heet Vincent van Deventer . Dat is een Roermondse rechter. Zijn eerzucht is heel belangrijk. Als het om een aapje gaat, wil ik zijn banaantje niet afpakken.

Verdachte pakt de banaan af en de knuffel begint te krijsen.

De voorzitter interrumpeert verdachte.

Wilt u hiermee stoppen? Ik laat niet toe dat u een karikatuur maakt van een rechter die in functie is. Ik heb u eerder bij een vorige terechtzitting een waarschuwing gegeven. Als u hier niet mee stopt, zet ik u uit de zaal.

De verdachte toont het hof een plastic spaarvarken.

De verdachte verklaart verder als volgt.

Dit is een spaarvarken dat ik aan hoofdofficier van justitie mevrouw Zandee heb gegeven.

Op verzoek van de voorzitter wordt verdachte door de parketpolitie uit de zittingszaal verwijderd.

Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatste woord af te ronden. De raadsman deelt het volgende mede.

Dit gebeurt er als de druk bij cliënt toeneemt. Ik hoop dat uw hof de juiste beslissing zult nemen en ik hoop in het belang van alle betrokkenen dat de druk niet nodeloos wordt opgevoerd.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 5 maart 2014 te 09.00 uur.”

14. Laat ik vooropstellen dat het recht van de verdachte op het laatste woord als bedoeld in art. 311, vierde lid, Sv van een zo grote betekenis is dat in de regel aan de verdachte de gelegenheid daartoe moet worden geboden, zulks op straffe van nietigheid.2 Van een absoluut recht kan hier echter geen sprake zijn. Voor zwetsverhalen, eindeloze herhalingen, irrelevante uitweidingen en recalcitrant of provocerend gedrag is in dit verband uiteraard geen plaats. Het laatste woord moet dienstig zijn voor de beoordeling van de strafzaak, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte daarbij inbegrepen, en dus in dat kader een toegevoegde waarde hebben. Houdt de verdachte zich niet aan dit protocol en weidt hij nodeloos uit over kwesties die niets met de zaak zelf te maken hebben, dan kan (en zal) de rechter de verdachte het laatste woord ontnemen of hem verhinderen in het laatste woord verder te spreken (hem afkappen)3 en, ingeval van een (bijkomende) ordeverstoring na een eerdere vermaning, de verwijdering van hem uit de zittingszaal bevelen (art. 273, derde lid, Sv).

15. In de onderhavige zaak heeft de voorzitter van de strafkamer van het Hof verzoeker alle ruimte gegeven om van zijn recht op het laatste woord gebruik te maken. Pas toen verzoeker een karikatuur maakte van een rechter in functie, werd verzoeker geïnterrumpeerd en – ten tweeden male – gewaarschuwd door de voorzitter dat hij uit de zittingszaal verwijderd zou worden als hij niet zou stoppen, hetgeen ook gebeurde nadat verzoeker ook die laatste waarschuwing in de wind had geslagen.

16. Het middel is tevergeefs voorgesteld. Daarbij merk ik op dat voor zover het middel bedoelt op te komen tegen de beslissingen van de voorzitter ten behoeve van de handhaving van de openbare orde op de terechtzitting, daartegen geen cassatieberoep openstaat.4 In dat geval dient het beroep in cassatie in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

17. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel en, voor zover geen sprake is van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, het derde middel falen en kunnen beide worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarbij merk ik op dat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor veroordeling van bedreiging in een geval als het onderhavige vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat etc. Zie recentelijk nog HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1790 en verder Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 285.

2 Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:890.

3 In die zin al HR 23 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7569, NJ 1982/627. Zie ook HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1340 met betrekking tot de raadsman van de verdachte die overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv het woord voert; het recht dat de raadsman daarbij in beginsel heeft om naar voren te brengen wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt, betekent niet dat de raadsman het recht heeft gedurende onbeperkte tijd het woord ter verdediging te voeren.

4 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2015, p. 16. Zie ook HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897, NJ 2010/303 m.nt. Buruma en HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1239.