Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2239

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
14/04310
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3256, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Grondslagverlating? Verhouding art. 282 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) en 282a Sr (gijzeling). De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 282a.1 Sr zich t.o.v. art. 282.1 Sr verhoudt als een bijz. tot een alg. strafbepaling in die zin dat in een geval als i.c. uitsluitend eerstgenoemde bepaling mag worden toegepast, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04310

Zitting: 15 september 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 12 augustus 2014 verzoeker wegens 1. primair “poging tot doodslag” en 2. “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Voorts heeft het Hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals weergegeven in het arrest.

2. Namens verzoeker heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door “wederrechtelijke vrijheidsberoving” bewezen te verklaren terwijl “gijzeling” is tenlastegelegd, althans de bewezenverklaring dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan “wederrechtelijke vrijheidsberoving” onbegrijpelijk heeft gemotiveerd door te overwegen dat art. 282a Sr een strafverzwarende omstandigheid behelst waaronder art. 282 Sr wordt gepleegd, zodat bij vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid het gronddelict, te weten de wederrechtelijke vrijheidsberoving, kan worden bewezenverklaard.

4. Aan verzoeker is, voor zover in cassatie van belang, tenlastegelegd dat:

“2:

hij op of omstreeks 04 februari 2013 te Nijkerk in de gemeente Nijkerk opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft verdachte toen aldaar [slachtoffer] gedurende een tijdsverloop van anderhalf à twee uren, althans gedurende enige tijd, in zijn/hun aan de [a-straat 1] aldaar gelegen woning, vastgehouden en/of heeft hij haar belet en/of belemmerd die woning te verlaten en/of heeft hij [slachtoffer] door het dreigen mét een (kinder)honkbalknuppel, althans een soortgelijk voorwerp en/of het slaan met die honkbalknuppel en/of het dichtdrukken en/of dichtgedrukt houden van haar keel gedwongen iets te vertellen en/of op te schrijven over een relatie met een andere man ([betrokkene]), door [slachtoffer] de woorden: "Nu wil ik het weten van je relatie met [betrokkene]", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, toe te voegen.”

5. Ten laste van verzoeker is, voor zover hier relevant, door het Hof bewezenverklaard dat:

“2:

hij op 04 februari 2013 te Nijkerk in de gemeente Nijkerk opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft verdachte toen aldaar [slachtoffer] gedurende een tijdsverloop van anderhalf à twee uren, in hun aan de [a-straat 1] gelegen woning, vastgehouden en heeft hij haar belet en belemmerd die woning te verlaten […].”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de aanvulling verkort arrest. Voorts heeft in dit verband het Hof in het bestreden arrest het volgende overwogen:

Overweging met betrekking tot het bewijs

[…]

Gijzeling of wederrechtelijke vrijheidsberoving

De raadsman heeft, met een beroep op Hof Den Bosch, 17 december 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:6035, aangevoerd dat, gelet op de bestanddelen in de delictsomschrijving van artikel 282a Sr, geen sprake is van gijzeling. Er is geen sprake van het ‘dwingen’ van iemand anders dan de gegijzelde. Bovendien mag in de tenlastelegging niet impliciet subsidiair de wederrechtelijke vrijheidsberoving van artikel 282 Sr worden gelezen.

De advocaat-generaal heeft bij repliek de tenlastelegging ongelukkig genoemd. Met de raadsman is zij van mening dat vrijspraak van gijzeling moet volgen, maar heeft zij tevens bepleit dat in die tenlastelegging ook de wederrechtelijke vrijheidsberoving mag worden gelezen. Zij heeft derhalve bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving gevorderd.

Het hof overweegt en beslist dienaangaande als volgt.

De vraag die voorligt is of het bestanddeel “met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen” een strafverzwarende omstandigheid van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van artikel 282 Sr is of dat artikel 282 Sr zich tot artikel 282a Sr verhoudt als een generalis tegenover een specialis. In het eerste geval kan bij vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid het gronddelict worden bewezen verklaard. In het andere geval dient bij vrijspraak van de specialis een integrale vrijspraak te volgen.

Een strafverzwarende omstandigheid is een omstandigheid waaronder het gronddelict wordt gepleegd. Zo is de voorbedachte raad bij moord niets anders dan een strafverzwarende omstandigheid bij doodslag. Het doel is de opzettelijke levensberoving. Hetzelfde geldt ten aanzien van inbraak. De braak is het middel (de strafverzwarende omstandigheid) om tot de wederrechtelijke toe-eigening van eens anders goed (het doel) te geraken.

Bij wederrechtelijke vrijheidsberoving is het doel van het delict iemand van zijn persoonlijke vrijheid te beroven. Dat is bij gijzeling eveneens het geval. Het doel is iemand van zijn persoonlijke vrijheid te beroven maar met een extra oogmerk, namelijk een ander dan de gegijzelde, degene die van zijn vrijheid is beroofd, te dwingen iets te doen of niet te doen. Ook in artikel 282b Sr is op een dergelijke wijze de vrijheidsberoving verwoord met een ander (in casu terroristisch) oogmerk. Artikel 282a Sr behelst daarom een strafverzwarende omstandigheid waaronder artikel 282 Sr wordt gepleegd. Naar het oordeel van het hof verhoudt zich artikel 282a tot artikel 282 als een gekwalificeerde logische specialis tot een generalis.

Het hof zal verdachte dus vrijspreken van het onderdeel met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer], te dwingen iets te doen of niet te doen.

De raadsman heeft, indien het hof van oordeel zou zijn dat er toch sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving, als verweer gevoerd dat de wijze van handelen van verdachte geen wederrechtelijke vrijheidsberoving oplevert, omdat aangeefster in de gelegenheid was de woning te verlaten en verdachte haar dat niet heeft belet.

Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake was, gelet op de volgende omstandigheden. Aangeefster kwam na het verzorgen van de dieren naar binnen. Verdachte is naar de hal gelopen waar aangeefster binnenkwam. Toen aangeefster naar buiten wilde rennen, heeft verdachte haar terug naar binnen getrokken en de deur op slot gedraaid. De verklaring van aangeefster wordt naar het oordeel van het hof op dit punt ondersteund door de foto’s 13 en 14 op dossierpagina 135. Op het betreffende slot dat zich ver boven de deurklink bevindt zit bloed. Als de deur niet op slot had gezeten had aangeefster tijdens haar vlucht, die op dat moment ernstig verwond was (ook aan haar armen, polsen en handen), tijdens haar vlucht de deur simpelweg door middel van het naar beneden trekken van de deurklink kunnen openen.

Aangeefster heeft diverse klappen met de knuppel gekregen. Verdachte heeft haar daaraanvolgend meegetrokken naar de keuken en haar gedwongen op een stoel te gaan zitten. Verdachte stond naast haar. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte nog verklaard dat hij vóór aangeefster op de tafel is gaan zitten. Daar heeft hij aangeefster op dwingende toon vragen gesteld en opgedragen op te schrijven dat zij hem belazerde. De knuppel lag ondertussen op tafel. Verdachte heeft aangeefster vastgegrepen en afwisselend overeind getrokken en weer op de stoel geduwd. Aangeefster heeft verklaard dat zij verdachte niet de rug durfde toe te keren uit angst dat hij dan haar rug zou breken, waardoor zij dood zou gaan.

Nog daargelaten dat alleen al uit het feit dat verdachte de voordeur op slot heeft gedraaid, zijn bedoeling om aangeefster te beletten de woning te verlaten, naar voren komt, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de geschetste situatie zodanig dwingend en bedreigend is geweest, dat van aangeefster in redelijkheid niet kon worden verwacht dat zij zich kon onttrekken aan deze situatie. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte zich gedurende anderhalf à twee uur heeft schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk beroven van de vrijheid van aangeefster.”

7. Wat betreft de bewijsvoering moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter ingevolge art. 350 Sv en de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad gebonden is aan de grondslag van de tenlastelegging. De uitleg die de rechter aan de tenlastelegging geeft, moet stroken met haar bewoordingen en strekking en moet tevens duidelijk en begrijpelijk zijn voor anderen zoals de procesdeelnemers en overige rechtsgenoten.1 Het denatureren van de tenlastelegging waardoor de verdachte voor een geheel ander feit dan is tenlastegelegd wordt veroordeeld, is uiteraard niet toegestaan.2 De grondslagleer wil immers voorkomen dat de verdachte niet (precies) weet omtrent welk feit hij zich heeft te verantwoorden en op welk feit hij zijn verdediging heeft te richten. Om die reden dekken de stellers van de tenlastelegging zich doorgaans in door het vermelden van aaneenschakelende voegwoorden als ‘of’ en ‘althans’. De rechter kan dan uit de aangereikte subsidiaire of alternatieve mogelijkheden kiezen, hetgeen niet alleen van belang is bij de bewijsvraag, maar ook voor het met juistheid typeren van de kwalificatie. De tenlastelegging vormt immers ook de grondslag voor de beraadslaging over de kwalificatie van het tenlastegelegde feit.

8. Nu hoeft de zogenoemde grondslagleer ook weer niet zo stringent te worden uitgelegd dat daarop geen uitzonderingen kunnen gelden indien om welke reden dan ook in de tenlastelegging de verschillende varianten ontbreken. Zo is in bepaalde gevallen in de bewijssfeer en in het kader van de kwalificatie de rechter ruimte gegeven om de tenlastelegging aldus uit te leggen dat deze tevens impliciet subsidiair het gelijksoortige feit met een kwalificerend delictsbestanddeel minder omvat. Het minder ernstige feit ligt dan als een subsidiair verwijt opgesloten in het tenlastegelegde zwaardere feit.3 In die zin omvat het meerdere het mindere. Bekend voorbeeld – het Hof noemt het ook in het bestreden arrest - is natuurlijk de op het eerste gezicht enkelvoudige tenlastelegging van moord. Toen het Hof van moord vrijspraak, omdat de voorbedachte raad niet kon worden bewezen, en (kort gezegd) oordeelde dat het de verdachte niet kon veroordelen voor doodslag omdat dit feit niet subsidiair was tenlastegelegd, greep de Hoge Raad in. Hij oordeelde dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door – onjuist – te overwegen dat ten gevolge van het niet bewezen zijn van het onderdeel “met voorbedachten rade” geen grondslag meer kon worden gevonden voor een bewezenverklaring van het plegen van doodslag (HR 19 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1600, NJ 2000/109). In zijn annotatie bij dit arrest schreef De Hullu:

“De Hoge Raad vindt beslissend dat moord dezelfde bestanddelen als doodslag bevat, plus een extra bestanddeel (met voorbedachten rade). Het gaat met andere woorden om een gekwalificeerde logische specialis. Dit criterium levert enerzijds een belangrijke en duidelijke beperking van deze beslissing op, anderzijds geeft deze motivering de beslissing een ruimer bereik doordat dan waarschijnlijk voor alle gekwalificeerde logische speciales (en dat zijn er nogal wat, bijvoorbeeld bij de vermogens en geweldsdelicten4) geldt dat tenlastelegging daarvan tegelijkertijd die delictsomschrijvingen omvat die dezelfde bestanddelen kennen (met uitzondering van het kwalificerende bestanddeel).”

Daaraan deed niet af de omstandigheid dat de tenlastelegging slechts art. 289 Sr - en niet ook art. 287 Sr – vermeldde als wettelijk voorschrift waarbij het feit strafbaar is gesteld. Wnd AG Keijzer had in zijn conclusie vóór dat arrest er al op gewezen dat destijds de minister van Justitie weliswaar even had opgemerkt dat het opnemen in art. 261 art. 261Sv van de verplichting tot het noemen van de toepasselijke strafbepalingen de informatiefunctie van de dagvaarding ten goede zou komen5, [3]maar dat noch uit de wet, noch uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat die bepalingen ook met betrekking tot impliciet subsidiair tenlastegelegde feiten zouden moeten worden aangeduid. Deze toelichting van Keijzer heeft tot op heden niets aan geldigheid ingeboet.

9. Het middel nu, werpt de vraag op hoe art. 282 Sr (opzettelijke vrijheidsberoving) en art. 282a Sr (gijzeling) zich tot elkaar (hebben te) verhouden in het verband van de onderhavige tenlastelegging. Alvorens nader op die vraag in te gaan, vermeld ik de inhoud van deze bepalingen:

Art. 282:

“1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

4. De in dit artikel bepaalde straffen zijn ook van toepassing op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving een plaats verschaft.”

Art. 282a:

“1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen wordt als schuldig aan gijzeling gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft wordt hij gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Het vierde lid van artikel 282 is toepasselijk.”

10. Bezien we de delictsbestanddelen van beide bepalingen nader, dan springt in de eerste plaats in het oog dat zij elk afzonderlijk beschouwd ten opzichte van het eigen eerste lid strafverzwarende omstandigheden kennen, art. 282 in het tweede en het derde lid en art. 282a in het tweede lid. Voorts valt op dat het eerste lid van art. 282a Sr dezelfde bestanddelen bevat als art. 282, eerste lid, Sr en twee extra bestanddelen, te weten “oogmerk” en “een ander te dwingen iets te doen of niet te doen”. Kunnen nu deze twee extra delictsbestanddelen tezamen genomen worden opgevat - in de woorden van Van Dorst - als een strafverzwarende omstandigheid of een omstandigheid die, indien bewezen, tot een gekwalificeerde logische specialis leidt?6

11. Een korte blik op de wetgeschiedenis en –systematiek laat het volgende zien. Art. 282a Sr is op 5 januari 1989 in ons Wetboek van Strafrecht opgenomen bij Wet van 19 mei 988, 276, ter uitvoering van het op 17 december 1979 te New York gesloten Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars (Trb. 1981, 53). De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de voormelde Wet van 19 mei 1988 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“B. Het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars

[…]

Het Verdrag bevat in artikel 1 een omschrijving van het misdrijf gijzeling. Die omschrijving bevat als element dat het motief van de dader erin gelegen moet zijn om een derde (een Staat, een internationale intergouvernementele organisatie, een natuurlijke of rechtspersoon of groep van personen) te dwingen iets te doen of na te laten. Het huidige artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht, dat handelt over wederrechtelijke vrijheidsbeneming en dat voor de tenlastelegging van gijzelingen het meest in aanmerking komt, bevat een dergelijk element niet. Wij menen, dat er aanleiding is de wet aan te vullen met een zelfstandig delict gijzeling, dat door de toevoeging van het vereiste dat de vrijheidsbeneming geschiedt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen, geheel op de strekking van het thans uit te voeren Verdrag wordt toegesneden. Daartoe bestaan twee beweegredenen. In de eerste plaats menen wij, dat de laatste jaren de gijzeling van mensen, met het oogmerk anderen tot een bepaalde gedraging te dwingen, onrustbarend ernstige vormen heeft aangenomen. Zeker waar dit delict wordt uitgevoerd na zorgvuldige voorbereiding, met volledige minachting voor de waarde van het menselijk leven, doch wel speculerend op het respect daarvoor bij degenen, tot wie «eisen» worden gericht, soms ook met politieke motieven die een democratische samenleving als de Nederlandse volledig vreemd zijn, ja deze zelfs vijandig gezind zijn, vormt het, gebruik makend van de moderne massacommunicatiemiddelen, een nieuw type van criminaliteit, dat een uitermate schokkend effect op de samenleving heeft.

De huidige maximumstrafbedreiging van zulke feiten is, wanneer deze bij voorbeeld na een succesvolle ontzettingsoperatie niet heeft geleid tot de dood of zwaar lichamelijk letsel van de gijzelaars, zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf. Heeft het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, dan is het maximum negen jaar en heeft het de dood ten gevolge, twaalf jaar.

In het voorliggende wetsontwerp wordt voorgesteld het strafmaximum voor de gevallen, die als gijzeling worden gekwalificeerd, een derde hoger te stellen (cursivering van mij, EH).

Weliswaar is Nederland in vergelijking tot sommige andere landen in nog betrekkelijk geringe mate met dergelijke gijzelingsacties geconfronteerd geweest, deze bleven ons land echter niet bespaard. En voor de toekomst is dat ook zeker niet te garanderen.

Het thans uit te voeren Verdrag heeft tot gevolg dat de Nederlandse justitie ook zal worden geconfronteerd met gijzelingsacties die zich buiten Nederland hebben afgespeeld. Daarin ligt een tweede beweegreden om een afzonderlijk delict «gijzeling» in de strafwet op te nemen. Het Verdrag vormt namelijk de grondslag voor de verplichting om daders van gijzelingsacties uit te leveren aan andere Verdragspartijen of, indien niet wordt uitgeleverd, de berechting van zulke daders zelf ter hand te nemen. Ten einde te weten hoever de Verdragsverplichtingen voor de Nederlandse justitie op deze punten zich uitstrekken, is het gewenst de door het Verdrag bestreken strafbare gedragingen zo nauwkeurig mogelijk in de Nederlandse wetgeving te identificeren en af te bakenen. Met het in het leven roepen van een afzonderlijk delict gijzeling, gekenmerkt door het oogmerk van de dader een ander te dwingen iets te doen of niet te doen, wordt duidelijk dat de verplichting tot uitlevering van buitenlandse verdachten aan Verdrags-partijen waarmee geen andere uitleveringsverdragsbetrekkingen bestaan, of - subsidiair - de verplichting hun zaak na geweigerde uitlevering aan het openbaar ministerie voor te leggen, alleen bestaat voor zover dit element aantoonbaar is. Om die reden wordt bij voorbeeld in de voorgestelde aanvulling van artikel 51 a van de Uitleveringswet volstaan met een verwijzing naar artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht.

[…]

Ad F. Het nieuw in te voegen artikel 282a geschiedt ter uitvoering van het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars. Alleen wanneer wederrechtelijke vrijheidsberoving geschiedt met het oogmerk een ander (dus niet de gijzelaar) te dwingen iets te doen of niet te doen kan worden gesproken van gijzeling.

«Een ander» dient ruim te worden opgevat en heeft mede betrekking op de begrippen Staat, internationale intergouvernementele organisatie of rechtspersoon, zoals die in de definitie van het eerste lid van artikel 1 van het Verdrag voorkomen.”7

12. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 282a Sr – ik wijs in het bijzonder op de hierboven door mij gecursiveerde passage – meen ik, dat het bepaalde in de eerste twee leden van art. 282a Sr als een strafverzwarende omstandigheid kan worden uitgelegd ten opzichte van het eerste respectievelijk het derde lid van art. 282 Sr. Dat art. 282a Sr als gekwalificeerde logische specialis moet worden beschouwd van art. 282 Sr, past ook in de wetssystematiek. Beide artikelen zijn opgenomen onder (dezelfde) titel XVIII van Boek 2 Sr, luidend: “Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid”, en aldus beschermen zij hetzelfde rechtsbelang. Dat bij art. 282a, eerste lid, Sr nog een specifiek oogmerk is vereist, gericht op het dwingen een ander iets te doen of niet te doen, maakt dat niet anders.8

13. Afsluitend merk ik op dat verzoeker wat betreft (i) de kwalificatie “opzettelijke vrijheidsberoving” in plaats van “gijzeling” en (ii) de strafoplegging niet in enig belang is geschaad. Verzoeker en zijn rechtsgeleerde raadsman wisten heel goed wat verzoeker werd verweten en waartegen de verdediging moest worden gevoerd – er is vanuit het perspectief van de verdediging enkel sprake van een minder omvangrijke tenlastelegging, waarbij na ‘wegstrepen’ het verwijt en het gronddelict materieelrechtelijk in essentie gelijkblijven -, terwijl het strafmaximum van de vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 282, eerste lid, Sr aanmerkelijk lager is dan dat van gijzeling in de zin van art. 282a, eerste lid, Sr.9

14. Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een impliciet subsidiaire tenlastelegging, in dier voege dat de opzettelijke vrijheidsberoving (art. 282, eerste lid, Sr) in de tenlastelegging besloten ligt, en dat het Hof door dit feit bewezen te verklaren en te kwalificeren als “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid te beroven” met aanhaling van art. 282 Sr niet op ontoelaatbare wijze de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat (volgens de steller van het middel, EH) uit het over verzoeker opgemaakte psychologisch rapport naar voren komt dat hij enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is hetgeen tot strafvermindering dient te leiden, althans het Hof de strafoplegging in onvoldoende mate heeft gemotiveerd aangezien niet is gebleken dat het Hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in enigszins verminderende mate aan rekwirant kan worden toegerekend.

17. Het Hof heeft de oplegging van de straf in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna,aan te geven duur leiden- dat verdachte op gruwelijke wijze zijn woede en zijn gekrenktheid op zijn levensgezel heeft afgereageerd. Hij heeft haar in haar eigen huiselijke omgeving, een plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen, met uiterst grof geweld vanuit het niets overvallen. Nadat hij haar meermalen met een honkbalknuppel op haar hoofd heeft geslagen, heeft hij haar, terwijl hij haar forceerde tot het afleggen van een bekentenis waarvan hem de inhoud al bekend was, met die knuppel over haar hele lichaam geslagen. Hij heeft bovendien haar keel dichtgeknepen. Aldus heeft verdachte op verschillende wijzen potentieel dodelijk geweld jegens haar uitgeoefend. Dat dit voor het slachtoffer niet fataal is afgelopen, is niet aan verdachte te danken. Zij heeft gedurende ongeveer anderhalf à twee uur gevreesd voor haar leven. Uiteindelijk heeft ze kans gezien zwaar gewond en met diverse gebroken ledematen, over het tuinhek naar de buren te vluchten om zich van de noodzakelijke medische hulp te kunnen verzekeren. Aangeefster zal van haar verwondingen niet volledig herstellen en de restverschijnselen leiden blijvend tot fysieke beperkingen. Het slachtoffer zal dan ook nog gedurende lange tijd zowel de fysieke als de psychische gevolgen met zich meedragen. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden heeft het hof gelet op de over de persoon van verdachte opgemaakte rapporten en hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard. Uit de rapporten komt het volgende beeld van verdachte naar voren.

Verdachte imponeert als een dominante man met een narcistisch kantje en een rigide autistiforme inslag. Dit zijn aspecten die hem in relaties met anderen in de weg kunnen staan. Dit lijkt ook het geval te zijn geweest in de weken voorafgaand aan het ten laste gelegde. Het recidiverisico wordt niet hoog ingeschat.

Gelet op de ernst van het feit acht het hof enkel een forse geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof acht de straf zoals opgelegd door de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, passend en geboden.”

18. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van verzoeker op ’s Hofs terechtzitting van 29 juli 2014 het woord tot verdediging gevoerd, waarbij hij op het onderhavige punt enkel naar voren heeft gebracht:

“[…] Mijn cliënt is volgens de psycholoog enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Wat mij betreft dient elke aantasting van de toerekeningsvatbaarheid door te werken in de straf.

[…]

Ik verzoek uw hof tot een andere bewezenverklaring en een beduidend lagere straf te komen dan de rechtbank. In andere huiselijk geweld zaken wordt over het algemeen lager gestraft.”

19. Het rapport van de GZ-psycholoog d.d. 7 april 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in (p. 21):

“Hoewel dit gedrag doet vermoeden dat de onderzochte wist waarmee hij bezig was, meen ik ook dat betrokkene vanuit de omstandigheid dat voorafgaand aan het tenlastegelegde sprake was van een emotionele disbalans en genoemde aanpassingsstoornis in de delictsituatie niet geheel meer in staat is geweest zijn gedrag overeenkomstig normale maatschappelijke inzichten aan te sturen. Op basis van dit argument adviseer ik in overweging te nemen de onderzochte het hem tenlastegelegde in enigszins verminderde mate toe te rekenen.”

20. De responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv strekt zich mede uit tot uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die zien op de straftoemeting. Niet elke opmerking die een raakvlak heeft met de straftoemeting kan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden aangemerkt. Daarvan is pas sprake wanneer het gaat om een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.10

21. Hetgeen de raadsman van verzoeker op de terechtzitting in hoger beroep op 29 juli 2014 heeft aangevoerd met betrekking tot de op te leggen straf, heeft het Hof kennelijk opgevat als een algemeen verzoek tot matiging van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden en dus niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in vorenbedoelde zin. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

22. Ook het tweede middel faalt.

23. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 27 juni 1996, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126 (rov. 6.2.1), een van de ‘klare taal’-arresten.

2 Zie daarover G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste door M.J. Borgers bewerkte druk, 2014, p. 731 e.v. en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk 2015, p. 262 e.v. Zie voorts J. Boksem, Op den grondslag der tenlastelegging (diss.), 1996 en J. Boksem, In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, Een opstel over begrijpelijk en doelmatig tenlasteleggen in: Kringgedachten, Opstellen van de Kring Corstens, 2014, p. 117-133.

3 Aldus Van Dorst, a.w., p. 264.

4 Zie bijvoorbeeld HR 5 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9176 en HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3289, NJ 2014/530.

5 Zie Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3 (MvT), p. 8.

6 A.w., p. 264.

7 Kamerstukken II 1983/84, 18 439, nr. 3, p. 12, 13 en 15.

8 Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 1 bij art. 282a Sr (bij tot 1-3-2006) over de verhouding van art. 282a Sr tot art. 282 Sr. Gezegd zou kunnen worden dat aan de subjectieve kant van de delictsomschrijving er een verschil zit in het motief waarmee het slachtoffer van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. Die ander kan trouwens ook zelf gegijzeld zijn. Zie HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0609.

9 Zie voor het spiegelbeeldige geval, waarbij er belang bij cassatie was: HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1695, NJ 2015/313.

10 Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.