Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2238

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
14/05364
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3253, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid cassatieberoep. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de AG 3 tot en met 15 kan verdachte worden ontvangen in het ingestelde beroep. Middel: art. 359.2 Sv, u.o.s. m.b.t. de vraag of het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het Hof heeft i.s.m. art. 359.2 Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het u.o.s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05364

Zitting: 15 september 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft – het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland van 15 april 2014 bevestigend, met overneming van de gronden - bij arrest van 13 oktober 2014 verzoeker wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 14 uren, subsidiair 7 dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

3. Eerst dient de vraag te worden beantwoord of verzoeker in het cassatieberoep ontvankelijk is, nu de administratief ambtenaar (verder: te noemen: senior administratief medewerker) tot het instellen van het cassatieberoep door de daartoe gevolmachtigde raadsman van verzoeker was gemachtigd bij bijzondere volmacht die per e-mail was verstrekt. Terecht heeft ook de steller van het middel die, voorafgaande, vraag onder ogen gezien.

4. Uit de voorhanden zijnde stukken van het geding blijkt, voor zover van belang, het volgende procesverloop:

- het Hof heeft, als gezegd, het bestreden arrest gewezen op 13 oktober 2014;

- op 22 oktober 2014, ruim binnen de cassatietermijn, verscheen ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de senior administratief medewerker bij het Hof teneinde tegen dat arrest beroep in cassatie in te stellen;

- de akte cassatie vermeldt dat de senior administratief medewerker “blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde” is van verzoeker om beroep in cassatie in te stellen en daartoe “bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd”;

- aan de akte cassatie is gehecht een e-mailbericht van mr. Moll d.d. 22 oktober 2014 (16:23 uur) aan de “Strafgriffie Arnhem (Hof Arnhem-Leeuwarden)” inzake verzoeker, waarin wordt meegedeeld dat verzoeker hem als advocaat op de voet van art. 450, eerste lid onder a, Sv bepaaldelijk heeft gevolmachtigd beroep in cassatie in te stellen tegen, kort gezegd, het bestreden arrest van het Hof en dat hij, mr. Moll, de strafgriffie een (bijzondere) volmacht verleent tot het aanwenden van dit rechtsmiddel voor verzoeker ex art. 449, eerste lid, Sv;

- op diezelfde dag (16:29 uur) mailt de strafgriffie de e-mail van mr. Moll door aan de senior administratief medewerker;

- in een e-mail van 27 oktober 2014, als bijlage gevoegd bij de schriftuur, heeft de senior administratief medewerker mr. Moll bericht dat zij daarbij de akte cassatie en de volmacht inzake verzoeker heeft gevoegd;

- op 13 februari 2015 schrijft mr. Moll in een e-mailbericht aan de senior administratief medewerker (i) dat hij op 22 oktober 2014 telefonisch contact heeft opgenomen met de griffie voor het juiste faxnummer waarna hem is meegedeeld (ik begrijp door de senior administratief medewerker, AG) dat dit per mail kon en hem het daarvoor bestemde mailadres is opgegeven, (ii) dat hij de griffie vervolgens de bedoelde e-mail heeft verzonden, waarna de senior administratief medewerker cassatie heeft ingesteld namens verzoeker, (iii) dat hij van de cassatieadvocaat heeft vernomen dat “er wellicht een probleem kan schuilen in het feit dat de volmacht per email is verstrekt en niet per fax”, (iv) dat hij die middag telefonisch contact met haar heeft gehad waarbij zij aangaf dat “voornoemde wijze de gebruikelijke is bij het hof te meer de fax niet meer wordt gebruikt voor inkomende faxen nu deze bij binnenkomst worden gedigitaliseerd en als mail bij de griffie binnenkomen” en vraagt hij (v) haar per mail de juistheid van het voorgaande te bevestigen (zie bijlage schriftuur);

- een klein half uur later schrijft mr. Moll in een e-mail aan mr. Kelder dat hij nogmaals contact heeft gehad met de senior administratief medewerker die hem liet weten dat “dit de gebruikelijke gang van zaken was die zij hanteerden”, dat als dit niet zou kunnen “dan zouden zij dit ook niet aan advocaten doorgeven” en dat zij er niet aan kon beginnen dit te bevestigen, het “was nu eenmaal hun werkwijze” (zie bijlage schriftuur).

5. Voorts blijkt uit geen enkel in cassatie voorhanden stuk dat verzoeker niet het rechtsmiddel van beroep in cassatie zou hebben willen aanwenden.

6. Naar aanleiding van het voorgaande heb ik inlichtingen ingewonnen bij de senior administratief medewerker. In een e-mailbericht van 19 augustus 2015 heeft zij mij het volgende geschreven:

“Ik kan mij niet herinneren of ik in de zaak van verdachte [verdachte] , parketnummer 21-00219644 aan de raadsman in hoger beroep heb verteld dat hij de volmacht tot het instellen van cassatie per e-mail naar de strafgriffie kan opsturen.

Wel is het in algemene zin gebruikelijk dat volmachten ook per e-mail worden opgevraagd.”1

7. Op grond van het voorgaande wil ik wel aannemen dat de senior administratief medewerker in de onderhavige zaak aan mr. Moll heeft meegedeeld dat de schriftelijke volmacht ook per e-mail kon geschieden.2

8. In de schriftuur wordt primair gesteld dat een bijzondere schriftelijke volmacht per e-mail kan worden verstrekt.

9. Hoewel de ontwikkelingen in die richting tenderen, gaat die stelling mij op dit moment nog te ver.

10. Van belang zijn de volgende wettelijke bepalingen:

Art. 449 Sv:

“1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven.

[…]”

art. 450 Sv:

“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:

a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;

b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.

[…]

3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.

[…]”

Art. 451 Sv:

"1. Van iedere verklaring of inlevering, als bedoeld in de beide voorgaande artikelen, maakt de griffier eene akte op, die hij met dengene, die de verklaring aflegt of het bezwaarschrift inlevert, onderteekent. Indien deze niet kan teekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld. De griffier vraagt aan degene die de verklaring aflegt, naar het adres in Nederland waaraan de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting kan worden toegezonden.

2. De schriftelijke volmacht in het eerste lid van het voorgaande artikel bedoeld, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.

3. Is hoger beroep of beroep in cassatie gedaan bij aangetekende brief, zo tekent de griffier onverwijld dag en uur van ontvangst op de brief aan.

4. De akte of de aangeteekende brief wordt bij de processtukken gevoegd.

5. Van ieder aangewend rechtsmiddel wordt dadelijk aanteekening gedaan in een daartoe bestemd, op de griffie berustend register hetwelk door de belanghebbenden kan worden ingezien."

11. Vooropgesteld moet worden dat de bijzondere volmacht die een daartoe door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat aan een griffiemedewerker kan geven schriftelijk moet zijn.3 Daarover is geen discussie. Schriftelijk kan zijn een (aangetekende) brief of een fax, maar niet een e-mail.

12. Op wetgevend niveau wordt gewerkt aan een regeling voor digitalisering van de rechtspraak en in dat kader wordt de mogelijkheid bezien van het langs elektronische weg, meer in het bijzonder door middel van een e-mail, instellen van een rechtsmiddel door of namens de verdachte4. Ook de strafrechtsliteratuur toont voorstanders van het instellen van hoger beroep en beroep in cassatie per e-mail.5 En in de praktijk van de strafrechtspleging zijn al ontwikkelingen in gang gezet die in de richting van digitalisering van het strafproces gaan (KEI). Maar dat alles laat onverlet dat de elektronische uitwisseling van processtukken, waaronder het ‘uitfaseren’ van de fax en de vervanging van het faxverkeer door e-mailverkeer begrepen, ook met betrekking tot het instellen van rechtsmiddelen uiterst betrouwbaar moet zijn en van een afdoende beveiligingsniveau moet zijn voorzien, en dat het zo ver nog niet is. De digitalisering van de rechtspraak is een zeer omvangrijke operatie, aldus liet de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie al in de zomer van 2013 weten, waarvoor voldoende tijd ingeruimd moet worden en een lange adem nodig is.6 Omdat aan dit proces allerlei waarborgen en eisen vastzitten, ook aan (het gebruik van) een digitale handtekening7, is, lijkt mij, het bij uitstek een taak voor de wetgever om het wettelijke kader daarvoor te bieden en voor te bereiden. Voor deformalisering is hier geen plaats. Ik kan dan ook geen overtuigende reden bedenken waarom de Hoge Raad te dezer zake thans een ander standpunt zou moeten innemen dan in zijn uitspraak van HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1241. In dit arrest werd het middel - dat op de opvatting berustte dat onder “een schriftelijke volmacht” als bedoeld in art. 450, eerste lid onder b, Sv ook een e-mail dient te worden verstaan - afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.8

13. Een andere vraag is of in dit specifieke geval de raadsman mocht vertrouwen op de juistheid van de aan hem door de senior administratief medewerker verstrekte ambtelijke informatie en, zo ja, of dit de weg naar ontvankelijkheid van het cassatieberoep van verzoeker opent.

14. Ik denk van wel. Ik ben mij ervan bewust dat de lijn die omtrent de ontvankelijkheid van cassatieberoepen uit de desbetreffende arresten van de Hoge Raad kan worden afgeleid, van enige strengheid getuigt.9 Maar dat neemt het navolgende niet weg. Procespartijen moeten op de juistheid van mededelingen van administratief ambtenaren die het aanwenden van rechtsmiddelen in hun portefeuille hebben, kunnen vertrouwen. Van de laatstgenoemden mag bovendien in het algemeen worden verwacht dat zij degene die op onjuiste wijze een rechtsmiddel instelt, daarop wijzen.10 Een door een ambtelijke fout of door een ambtelijk verzuim gewekte verwachting, kan een strikte (toepassing van) de rechtsmiddelenregeling doen nuanceren. Ook de Hoge Raad zelf heeft daarvoor ruimte vrijgemaakt. Zo is het vaste rechtspraak dat ambtelijke mededelingen die aan een verdachte of diens raadsman verstrekt zijn, onder omstandigheden tot de conclusie kunnen leiden dat een als gevolg daarvan niet in acht genomen voorschrift niet aan het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie in de weg mag komen te staan.11

15. Onder deze omstandigheden was, lijkt mij, door de verstrekte ambtelijke informatie bij de raadsman de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat de bijzondere schriftelijke volmacht per e-mail kon worden gegeven. Daardoor, en mede in aanmerking genomen dat de senior administratief medewerker geen mogelijkheid tot herstel heeft geboden hetgeen gelet op het tijdstip van het verzenden van de e-mail nog mogelijk was geweest12, kan de omstandigheid dat het rechtsmiddel niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is ingesteld, aangemerkt worden als het gevolg van een ambtelijke fout of een ambtelijk verzuim. Ten aanzien van het instellen van het beroep in cassatie valt verzoeker zelf niets te verwijten. Ik meen dan ook dat in dit bijzondere geval de tekortkoming aan de bijzondere volmacht niet tot niet-ontvankelijkverklaring in het cassatieberoep behoeft te leiden.13 Dit zo zijnde, kom ik tot mijn bespreking van het middel.

Beoordeling van het middel

16. Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat wettig en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde bedreiging ontbreekt en vrijspraak moet volgen.

17. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat hij:

“op 15 november 2013 te Huizen [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 1] dreigend de woorden toegevoegd: “ik maak ze dood” en/of “ik ga ze vermoorden”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”

18. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PLI4NF-2013048856-1 d.d. 18 november 2013, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk buitengewoon opsporingsambtenaar en hoofdagent van Politie Gooi en Vechtstreek (blz. 3 tot en met 6 van het proces-verbaal nr. PLI4ND-2013048856), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster]:

(p. 3) Ik ben namens de benadeelde [benadeelde 1] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik was op 15 november 2013 werkzaam te Huizen.

(p. 4) Ik hoorde dat [betrokkene 1] een meneer aan de telefoon kreeg, die zij op speaker zette, zodat wij hem konden verstaan. Ik hoorde dat de man die zij aan de telefoon had zei: "wie heb je gesproken dan ". Ik hoorde dat [betrokkene 1] toen de namen gaf van de collega's die haar zaak in behandeling hadden. Ik hoorde dat ze ook de naam [benadeelde 1] noemde. Ik hoorde dat de man toen zei: "ik kom daar naar toe, ik maak ze dood”.

(p. 6) Ik heb op dezelfde dag tegen [benadeelde 1] gezegd dat hij bedreigd was door de man.

2. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PLI4ND-2013048856-2 d.d. 11 december 2013, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van Politie Gooi en Vechtstreek (blz. 8 en 9 van het proces-verbaal nr. PL 14ND-2013048856), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 2]:

(p. 8) Ik was op 15 november 2013 aan het werk bij de gemeente te Huizen. Mijn collega was een jongedame aan het helpen. (...) Ze zette het telefoongesprek op de speaker. Ik hoorde dat de manspersoon door de telefoon vroeg wat de namen waren van mijn collega ’s.

(p. 9) Het verbaasde mij dat zij namen doorgaf van twee personen. Ik hoorde dat de manspersoon door de telefoon kwaad werd en zei: “Ik kom wel langs en ik ga ze vermoorden".

3. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL 14ND-2013048856-4 d.d. 2 januari 2014, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van Politie Gooi en Vechtstreek (blz. 12 en 13 van het proces-verbaal nr. PL14ND-2013048856), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 3]:

(p. 12) Ik was op 15 november 2013 werkzaam bij de gemeente te Huizen. (...) De dame belde een persoon op met haar mobiele telefoon. Ik hoorde dat zij haar telefoon op de speaker zette en ik hoorde een manspersoon praten.

(p. 13) Ik hoorde dat de man aan de telefoon vroeg wat de namen waren van de medewerkers die haar niet wilde helpen. Ik hoorde dat de dame een naam noemde. Ik ben vergeten wat de man precies aan de telefoon heeft gezegd, maar ik weet wel dat het geen leuke dingen waren. Ik hoorde dat hij zei: “Ik kom dan wel even langs”.

De verdachte, ter terechtzitting ondervraagd, verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt.

A. Ik heb op 15 november 2013 een telefoongesprek gevoerd met [betrokkene 1] . Zij was bij de gemeente te Huizen. De telefoon stond op de speaker, zodat de aanwezige medewerkers mij konden horen.”

19. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2014 heeft de raadsman van verzoeker aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

“[…]

In deze zaak betreft het volgens de aangifte van [aangeefster] een indirecte mondelinge bedreiging - zijnde een bedreiging die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] niet uit de mond van cliënt zelf hebben vernomen - maar die hem/haar via [aangeefster] zou hebben bereikt.

Het feit zoals thans ten laste is gelegd, gaat echter uit van een rechtstreekse bedreiging van [benadeelde 1] […] door cliënt, immers ontbreekt de zinsnede dat de bedreiging middels tussenkomst van [aangeefster] zou zijn geuit.

Gelet op de aangifte is van een directe of rechtstreekse bedreiging van [benadeelde 1] […] geen sprake en evenmin bevindt zich hiervoor in het dossier wettig en overtuigend bewijs derhalve verzoek ik u om cliënt om die reden vrij te spreken.

Indien uw hof van oordeel is dat in deze tenlastelegging ook een indirecte mondelinge bedreiging te lezen is dan wil de verdediging het navolgende naar voren brengen.

Voor een bewezenverklaring van een dergelijke bedreiging is nodig dat wettig en overtuigend komt vast te staan dat:

(1) de uiting, die aan cliënt wordt toegeschreven, bij [benadeelde 1] […], mede gelet op de context, redelijke vrees kon doen ontstaan dat zijn of haar leven op het spel stond; alleen dan is sprake van bedreiging.

(2) dat deze bedreiging ook werkelijk door cliënt werd geuit, en dat hij op z’n minst heeft begrepen dat een aanmerkelijke kans bestond dat zijn uiting [benadeelde 1] […] zou bereiken en door hem/haar als bedreigend zou worden opgevat.

(3) dat de uiting ook [benadeelde 1] […] daadwerkelijk heeft bereikt.

Ad (1) - Redelijke vrees ontstaan?

Ten aanzien van het eerste punt geldt dat de bedreiging waarvan cliënt wordt beticht zou zijn geuit in een telefoongesprek met zijn vriendin (thans zijn echtgenoot), [betrokkene 1] , waarbij zij de telefoon op enig moment op de luidspreker heeft gezet.

In voornoemd telefoongesprek zou cliënt volgens aangeefster het navolgende hebben gezegd (pagina 4 van het dossier):

“Ik hoorde dat de man die zij aan de telefoon had toen zei: “wie heb je gesproken dan ”

Ik hoorde dat [betrokkene 1] toen de namen gaf van de collega’s die haar zaak in behandeling hadden. Ik hoorde dat ze zei dat ze gesproken had met [benadeelde 2] en hoorde dat ze deze naam spelde voor de man aan de telefoon en dat ze zei dat dit een pakistaanse vrouw zou zijn. Ik hoorde dat ze ook de naam [benadeelde 1] noemde en dat de man aan de telefoon toen vroeg: is dat een man?” Ik hoorde [betrokkene 1] toen: “ja het is een man en het is een nederlander”

Ik hoorde dat de man toen zei: ik kom daar naar toe, ik maak ze dood”

Verder verklaart aangeefster dat zij zelf niet persoonlijk is bedreigd maar dat zij enkel de bedreiging heeft gehoord en omwille van het protocol in het kader van geweld tegen medewerkers van de publieke sector aangifte wilde doen.

De aangeefster stelt (pagina 6 van het dossier) dat zij dezelfde dag tegen [benadeelde 1] heeft gezegd dat hij bedreigd was door cliënt […].

Voor wat betreft [benadeelde 1] biedt het dossier geen informatie over de vraag wat aangeefster nu precies aan [benadeelde 1] heeft doorgegeven omtrent de vermeende door haar waargenomen bedreiging aan zijn adres.

Op pagina 6 van het dossier staat enkel dat aangeefster tegen [benadeelde 1] heeft gezegd dat hij was bedreigd door cliënt en [benadeelde 1] achter de aangifte zou staan. Niet duidelijk is of dit in verband met het eerder genoemde protocol is of omdat bij hem de redelijke vrees was ontstaan dat zijn leven op het spel stond naar aanleiding van hetgeen hij van aangeefster heeft te horen gekregen.

Vaststaat dat - blijkens de verklaring van aangeefster (pagina 5 van het dossier) - [benadeelde 1] ten tijde van het telefoongesprek tussen cliënt en zijn vriendin elders in het pand aan het werk was en de bedreiging niet heeft gehoord alsmede dat hij niet direct naar de politie is gegaan na het vernemen van de mededeling van aangeefster dat hij bedreigd zou zijn, sterker nog hij heeft überhaupt geen aangifte gedaan.

Gelet op hierop is de verdediging van mening dat ook bij [benadeelde 1] niet de redelijke vrees is ontstaan dat zijn leven op het spel zou staan.

Verder wijst de verdediging erop dat aangeefster pas drie dagen na het telefoongesprek heeft gemeend aangifte te moeten doen hetgeen erop duidt dat ook zij het voorval minder ernstig opvatte dan dat zij later in de aangifte wil doen vermoeden. Indien er sprake is van een zodanige bedreiging dan zou je toch direct naar de politie gaan om hiervan melding te maken teneinde bescherming te krijgen.

Een eventuele melding van het vermeende voorval had direct kunnen worden gedaan aangezien de politie ter plaatse is geweest om [betrokkene 1] mee te nemen. Uit het dossier blijkt niet dat aangeefster en/of [benadeelde 1] […] melding hebben gemaakt van het vermeend incident.

Gelet op voorgaande geldt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij [benadeelde 1] […] de redelijke vrees is ontstaan dat hun leven op het spel zou staan.

Ad (2) — Bedreiging ook daadwerkelijk geuit en voorwaardelijk opzet?

Ter zake de bedreiging geldt dat cliënt zich op het standpunt stelt dat hij deze nimmer heeft geuit.

Hij verklaart hierover bij de politie en ook ter zitting in eerste aanleg dat hij enkel tegen zijn vriendin heeft gezegd dat hij persoonlijk daar naar toe zou komen voor een gesprek met een van de dossierbehandelaars. Om die reden heeft hij in het gesprek met zijn vriendin gevraagd met wie zij had gesproken zodat hij met hen een gesprek kon hebben.

Getuige, [betrokkene 1] , bevestigt dit ook in haar verklaring bij de politie. Zij heeft bij de politie hierover het navolgende verklaart:

‘Toen hoorde ik mijn vriend zeggen: “Geef mij die namen door van de mensen die jouw zaak hebben behandeld, zowel die man als die vrouw.” Ik heb toen die namen en hun functies aan hem doorgegeven. Toen hoorde ik hem zeggen: “Nou is goed, dan ga ik daar morgen zelf persoonlijk langs en dan ga ik persoonlijk een gesprek met ze voeren, want ik wil antwoorden op vragen. ”

Getuige, [betrokkene 3] , werkzaam bij de gemeente Huizen, bevestigt voorgaande. [betrokkene 3] verklaart aan de politie dat hij heeft gehoord dat cliënt de namen vroeg van de medewerkers die [betrokkene 1] niet wilde helpen waarbij hij overigens niet kan herinneren wie dat waren.

Verder verklaart hij dat hij cliënt hoorde zeggen: “Ik kom dan wel even langs of woorden van gelijke strekking.”

Getuige [betrokkene 3] bevestigt derhalve de verklaring van cliënt en getuige [betrokkene 1] die beiden hebben verklaard dat cliënt enkel heeft gezegd dat hij persoonlijk zou langs komen. Van een bedreiging wordt door getuige [betrokkene 3] niet gesproken.

Getuige, de heer [betrokkene 2] , verklaart bijna na een maand na het vermeende incident op 11 december 2013 als volgt (pagina 8 en 9 van het dossier):

Ik hoorde dat de manspersoon door de telefoon vroeg wat de namen waren van mijn collega’s. Het verbaasde mij dat zij namen doorgaf van twee personen, namelijk [aangeefster] en de tweede naam weet ik niet. Ik weet wel wie de collega is maar zijn naam weet ik niet. Ik hoorde dat de manspersoon door de telefoon kwaad werd en zei: “Ik kom wel langs en ik ga ze vermoorden of woorden van gelijke strekking.

Getuige [betrokkene 2] bevestigt derhalve niet het verhaal van aangeefster dat [benadeelde 1] […] zou[…] zijn bedreigd. Sterker nog, hij verklaart juist dat cliënt aangeefster zou hebben bedreigd terwijl die — zoals gezegd - heeft verklaard dat zij zich zelf niet bedreigd voelde maar dat de bedreiging zou zien op [benadeelde 1] […].

De verklaringen van aangeefster en [betrokkene 2] stemmen weliswaar enigszins overeen waar het gaat om de geuite bewoordingen doch niet omtrent de vraag aan wie deze uitingen waren gericht hetgeen voor de bedreiging wel essentieel is en juist op dit punt spreken de verklaringen elkaar tegen.

Gelet op voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat er een bedreiging door cliënt is geuit jegens [benadeelde 1] […]. Immers, bevestigen twee getuigen ( [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ) de verklaring van cliënt en spreken de verklaringen van aangeefster en [betrokkene 2] zichzelf tegen waar het gaat om de vraag wie er dan bedreigd zou zijn.

Voor zover uw hof van oordeel zou zijn dat er wel sprake zou zijn van een door cliënt geuite bedreiging, geldt dat cliënt zich niet willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de uitlatingen van cliënt ter kennis zouden komen van [benadeelde 1] […].

Client heeft weliswaar aan zijn vriendin gevraagd om de telefoon op de luidspreker te zetten zodat de medewerkers van de gemeente Huizen konden meeluisteren echter heeft [betrokkene 1] in dit verband verklaard: ‘Ik antwoordde toen aan mijn vriend: “Ze lopen weg, ze willen het niet horen of reageren, dus laat maar gillen.”

Cliënt verkeerde derhalve in de veronderstelling dat naast zijn vriendin er verder niet niemand luisterde dan wel het gesprek kon horen derhalve heeft hij zich niet willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat eventuele uitlatingen zijnerzijds ter kennis zouden kunnen komen van [benadeelde 1] […] en al helemaal niet dat eventuele uitlatingen zijnerzijds als bedreigend zouden overkomen jegens hem.

In dit verband zij nog opgemerkt dat cliënt nimmer dergelijke uitlatingen — zoals thans ten laste gelegd - zou doen via een luidspreker van een telefoon in een ruimte waarbij het hem duidelijk zou zijn dat eventuele anderen hem zouden kunnen horen en dit ook als bedreigend zouden kunnen opvatten. Dit zou wel heel naïef zijn van cliënt.

Ad (3): bedreiging [benadeelde 1] […] bereikt?

[…]

[benadeelde 1] zou door aangeefster op de hoogte zijn gebracht van de bedreiging echter geldt dat daarbij niet bekend is wat aangeefster nu precies heeft gezegd en in hoeverre hierdoor bij hem de redelijke vrees was ontstaan dat zijn leven op het spel stond. Zoals gezegd heeft hij zelf geen aangifte gedaan van enige bedreiging derhalve is het de vraag of bij hem een redelijke vrees was ontstaan.

Gelet op al het voorgaande is de verdediging van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om cliënt te veroordelen voor bedreiging van [benadeelde 1] […] derhalve wil ik u verzoeken om hem daarvan alsnog vrij te spreken.”

20. Het Hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigt met de volgende overweging:

“Het Hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.”

21. Hetgeen door de raadsman in hoger beroep in het kader van de bewijsvraag is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Daarbij merk ik op dat dit standpunt niet al in eerste aanleg is ingenomen, maar eerst in hoger beroep is aangevoerd.14 Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft – in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv – niet in het bijzonder de redenen opgegeven die tot die afwijking hebben geleid. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de vereiste nadere motivering niet besloten ligt in de gebezigde bewijsmiddelen.15

22. Nu het geconstateerde verzuim ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg heeft, kan het arrest niet in stand blijven.

23. Het middel is terecht voorgesteld.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit bericht is ter kennis gebracht van mr. Kelder, die de schriftuur heeft ingediend. In reactie daarop heeft mr. Van der Hut (kantoorgenoot van mr. Kelder) bij schrijven van 26 augustus 2015 meegedeeld dat mr. Moll duidelijk blijft, in die zin dat hij de volmacht per e-mail heeft toegezonden op uitdrukkelijk aangeven van de senior administratief medewerker, en dat de juistheid van hetgeen mr. Moll stelt nog eens wordt onderstreept door de mededeling van de senior administratief medewerker dat het “in algemene zin gebruikelijk [is] dat volmachten ook per e-mail worden opgevraagd”.

2 Er is in dit verband op zijn minst sprake van “een rechtstreeks en ernstig vermoeden”. Vgl. HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4195, NJ 2003/498.

3 HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102.

4 Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 090 (met name nr. 3, MvT, p. 6 en p. 30-32). De concept-artikelen 138e en 138f Sv voorzien in nadere omschrijvingen van de begrippen “elektronische handtekening”, “getekend” en “ondertekend”, terwijl concept art. 450, vierde lid (nieuw) Sv als volgt luidt: “De volmacht, bedoeld in het derde lid, kan worden overgedragen met behulp van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening. De ontvangst van de volmacht wordt bevestigd. Als de dag en het tijdstip waarop de volmacht is ontvangen gelden de dag en het tijdstip van vastlegging van de volmacht in de aangewezen elektronische voorziening. De volmacht wordt bij de processtukken gevoegd. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het gebruik van de elektronische voorziening.”

5 Vgl. Melai/Groenhuijsen, aant. 4 bij art. 449-452 (bewerkt door Elzinga/De Hullu; bijgewerkt tot 1 oktober 2006): “In de toekomst zou de verdachte ook rechtstreeks schriftelijk, per fax, of zelfs per e-mail een rechtsmiddel moeten kunnen aanwenden. In de tweede plaats zou wellicht ook een raadsman die namens de verdachte een rechtsmiddel wil instellen, dit niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk, per fax of per e-mail moeten kunnen doen.” Zie ook de annotatie van Borgers bij HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102.

6 Brief van 11 juni 2013, TK 2012/13, 29 279, nr. 164, p. 11.

7 Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1241.

8 De bestreden uitspraak hield onder de kop "Ontvankelijkheid van het hoger beroep" in: “Blijkens de inhoud van een door de verdachte naar het arrondissementsparket te Breda gezonden e-mailbericht d.d. 9 december 2011, is het vonnis van de eerste rechter aan hem bekend geworden op diezelfde datum. Dit e-mailbericht houdt voorts in de mededeling van verdachte dat hij bezwaar wenst te maken tegen het vonnis van de eerste rechter.Nadat dit bericht op 24 februari 2012 door een medewerker van genoemd arrondissementsparket naar de strafgriffie van de rechtbank Breda was gezonden, heeft een griffiemedewerker van de rechtbank dit aangemerkt als een schriftelijke volmacht van de verdachte om hoger beroep in te stellen, hetgeen de betreffende medewerker vervolgens op 2 maart 2012 heeft gedaan.Het aanwenden van een rechtsmiddel door een medewerker ter griffie die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij e-mailbericht is gemachtigd, is niet op de wet gestoeld, immers dient een dergelijke volmacht schriftelijk te zijn verleend. Nu het hoger beroep aldus niet op rechtsgeldige wijze is ingesteld, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen.”

9 Zie bijvoorbeeld HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856, NJ 2014/231; HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5971, NJ 2008/232; HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1343, NJ 2008/71; HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22;; HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2479, NJ 1996/477; HR 25 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9244, NJ 1986/648.

10 Vgl. HR 24 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8389, NJ 1985/137; HR 12 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8359, NJ 1990/453. Zie ook Handboek Strafzaken, nr. 42.4.3 “Welke eisen gelden voor optreden van een gemachtigde?” (bewerkt door S.E. Marseille; bijgewerkt tot 30 april 2005).

11 Vgl. HR 16 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1844, NJ 1993/585; HR 20 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9906, NJ 1995/253; HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4195, NJ 2003/498; HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181; en HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7570. In HR 19 maart 2013, NJ 2013/416 luidt de overweging: “In een en ander vindt de Hoge Raad aanleiding te oordelen dat uit de omstandigheid dat, zoals in het onderhavige geval is gebeurd, namens de verdachte een cassatieschriftuur is ingediend door een advocaat die heeft verklaard daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, moet worden afgeleid dat aan een onvolkomen volmacht bij het instellen van cassatieberoep de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen, zodat die onvolkomen volmacht niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring in het cassatieberoep.” Daarover ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste door M.J. Borgers bewerkte druk, 2014, p. 943.

12 Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8958, RvdW 2010/406 en HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5562, NJ 2009/321.

13 Dat past denk ik ook in de jurisprudentie van het EHRM die inhoudt dat onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden een verzuim van een ander bij het instellen van hoger beroep of cassatie niet voor rekening van de verdachte mag komen. Ik wijs op EHRM 13 mei 1980, nr. 6694/74 (Artico t. Italië), EHRM 10 oktober 2002, nr. 38830/97 (Czekalla t. Portugal), EHRM 22 november 2011, nr. 48132/07 (Andreyev t. Estland).

14 Dat blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 15 april 2014. Zie in dat verband onder meer HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3376, NJ 2015/7; HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2571, RvdW 2014/1033; HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6664, RvdW 2012/814 en HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BDN383, NJ 2011/415. Voorts blijkt uit voormeld proces-verbaal dat verzoeker zich toen niet door een raadsman of -vrouw heeft laten bijstaan.

15 Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.