Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2230

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2015
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
15/03874
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:72, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing; art. 1:254 BW. Horen van kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

15/03874

Mr. F.F. Langemeijer

6 november 2015

Conclusie inzake:

[de moeder]

tegen

1. [de vader]

2. Leger des Heils Jeugdbescherming en reclassering.

Het cassatieberoep is gericht tegen de verlenging van een ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen met uithuisplaatsing bij de andere ouder.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

Verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) en gerekestreerde in cassatie onder 1 (hierna: de vader) zijn de ouders van [kind 1], [kind 2] en [kind 3], onderscheidenlijk geboren in 2001, 2004 en 2011. De op 27 augustus 2013 van echt gescheiden ouders hebben gezamenlijk het gezag over deze kinderen. In de echtscheidingsbeschikking was de hoofdverblijfplaats van de kinderen vastgesteld bij de moeder. De kinderen zijn onder toezicht gesteld.

1.2.

Bij beschikking van 27 november 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland op verzoek van de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering1 machtiging verleend tot voorlopige uithuisplaatsing, met plaatsing van de kinderen bij de vader. Bij beschikking van 9 december 2014 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd voor de periode tot 31 december 2015. Tevens werd een machtiging verleend tot uithuisplaatsing (plaatsing bij de vader) voor het tijdvak van 7 januari 2015 tot 31 december 2015.

1.3.

Op het hoger beroep van de moeder heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 21 mei 2015 de beslissing van 9 december 2014 bekrachtigd. De moeder heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld2. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Een minderjarige kan ingevolge art. 1:254 BW onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of lichamelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. Ingevolge het tot 1 januari 2015 geldende art. 1:261 lid 1 (oud) BW, respectievelijk ingevolge het sinds 1 januari 2015 geldende art. 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting als bedoeld in art. 1 Wet op de Jeugdzorg respectievelijk de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van art. 1:262 lid 1 (oud) BW, respectievelijk art. 1:265c lid 2 BW, kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen, telkens met ten hoogste een jaar. Het hof heeft deze maatstaven vooropgesteld in rov. 4.1 en 4.2.

2.2.

Het cassatierekest (blz. 11 onderaan) behelst één algemene motiveringsklacht, over het voorbijgaan aan essentiële stellingen en onvoldoende motivering. Met zijn oordeel dat er geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek in te stellen, zoals de moeder had verzocht, zou het hof de moeder een behoorlijke procesgang in de zin van art. 6 EVRM hebben onthouden. De toelichting in het cassatierekest valt uiteen in de volgende deelklachten:

a. Bij het oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, is het hof ten onrechte niet ingegaan op hetgeen de moeder in grief 1 en ter toelichting daarop heeft aangevoerd in haar beroepschrift in appel onder 12, 13, 14 en 15, geciteerd in het cassatierekest3.

b. Evenmin is het hof ingegaan op hetgeen in het beroepschrift in appel onder 21, 22, 24 en 25 is aangevoerd ter toelichting op de grieven 2 en 34.

c. Evenmin is het hof ingegaan op hetgeen in het beroepschrift in appel onder 26 – 31 is aangevoerd ter toelichting op grief 4. In verband met dit laatste wordt tevens geklaagd over het passeren van het bewijsaanbod van de moeder in het beroepschrift in appel onder 35: haar verzoek om de kinderen te horen5.

2.3.

Als grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging geldt dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken6. De motivering van de bestreden beschikking voldoet ruimschoots aan deze eis. Ook naar vaste rechtspraak van het EHRM over art. 6 lid 1 EVRM moet een rechterlijke uitspraak worden gemotiveerd. Deze eis gaat niet zo ver dat zij een gedetailleerd antwoord van de rechter op ieder aangevoerd argument verlangt7. In het algemeen is voldoende dat de rechter in zijn redengeving de voor toe- of afwijzing van de vordering of het verzoek essentiële stellingen of weren behandelt. Op bijzondere motiveringseisen – al dan niet voortvloeiend uit het Verdrag inzake de rechten van het kind – is in dit geding geen beroep gedaan. De motivering van het hof in rov. 4.3 en 4.4 sluit aan bij de aanhaalde wettelijke bepalingen. Zij is nader uitgewerkt in rov. 4.5 - 4.8, begrijpelijk voor de lezer en kan de beslissing dragen. De algemene motiveringsklacht faalt om deze redenen.

2.4.

Wat betreft de klacht onder a: uit rov. 4.6 en 4.7 volgt dat het hof geenszins klakkeloos is afgegaan op de (in de toelichting op de grief bedoelde) mededelingen van een anonieme meld(st)er. Uit rov. 4.7 blijkt uitdrukkelijk het tegendeel. Het hof ontleent zijn wetenschap over de situatie in het gezin aan uiteenlopende bronnen (rov. 4.6) en verder aan de afhoudende opstelling van de moeder ten opzichte van de gecertificeerde instelling, ook tijdens de mondelinge behandeling in appel. Ten aanzien van de voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de oudste dochter en het over haar uitgebrachte rapport is geen sprake van ‘innerlijke tegenspraak’, zoals in het cassatierekest wordt gesteld. Het hof noemt in rov. 4.7 wel een “structurele financiële problematiek” bij de ouders, maar blijkens de context is dat niet de grond waarop de (verlenging van de) o.t.s. en de uithuisplaatsing bij de vader berusten. De stellingen van de moeder over betalingen aan, respectievelijk regelingen met, haar schuldeisers, en over de reden waarom zij geen (aanvullende) bijstandsuitkering geniet, heeft het hof daarom niet behoeven op te vatten als essentiële stellingen.

2.5.

Wat betreft de klacht onder b: het hof heeft niet volstaan met het overnemen van het oordeel van de rechtbank, maar zich door eigen onderzoek een oordeel gevormd, mede aan de hand van de opstelling van de moeder ter zitting in hoger beroep. Het hof heeft in rov. 4.7 vastgesteld dat een constructieve samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling niet mogelijk is gebleken als gevolg van de afhoudende opstelling van de moeder ten opzichte van de gezinsvoogdes. Door deze gesloten houding, mede bezien in het licht van de (in rov. 4.6 nader aangeduide) zorgen over de kinderen, bestaat volgens het hof onvoldoende zicht op de opvoedingssituatie van de kinderen bij de moeder. Om dit oordeel begrijpelijk te doen zijn, was niet nodig dat het hof gedetailleerd ingaat op de bezwaren die de moeder tegen de motivering van de beschikking van de rechtbank had aangevoerd: het hof behoefde deze niet op te vatten als voor de beslissing essentiële stellingen. Voor het overige – met name ten aanzien van de vraag of de gezinsvoogdes voldoende zicht had op de situatie van de kinderen − gaat het om een waardering van de feiten en van het overgelegde bewijsmateriaal. De juistheid van deze waardering kan in cassatie niet worden onderzocht. Onbegrijpelijk is zij niet. De aangevoerde omstandigheid dat op verscheidene punten ook een andere waardering mogelijk zou zijn geweest, maakt de keuze van het hof nog niet onbegrijpelijk voor de lezer.

2.6.

Wat betreft de klacht onder c: omdat het hof niet heeft volstaan met het enkel overnemen van de motivering van de rechtbank, maar een eigen motivering heeft gegeven, ontbrak de noodzaak voor het hof om in te gaan op elk van de bezwaren die de moeder in hoger beroep ter toelichting op grief 4 had aangevoerd tegen de motivering van de rechtbank. Een bewijsaanbod heb ik in het appelschrift onder 35 niet aangetroffen. Wel heeft de moeder daar het hof verzocht de twee oudste kinderen (toen 13 en 11 jaar oud) te horen “ter zake voormelde situatie”. Klaarblijkelijk houdt dit aanbod verband met de stelling van de moeder dat de kinderen zich doodongelukkig voelen in het huis van de vader − deze woont tijdelijk bij zijn moeder in − en dat zij terug naar huis willen (d.w.z. naar de moeder). Het hof heeft zelf de dochter [kind 1] gehoord (rov. 2.2) en uitdrukkelijk afgezien van het horen van zoon [kind 2] (rov. 4.8 slot). De gronden waarop die laatste beslissing berust (zie rov. 4.8 in verbinding met “het voorgaande”) kunnen dit op art. 809 lid 1 Rv gebaseerde oordeel dragen.

2.7.

Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A - g

1 Thans de gelijknamige ‘gecertificeerde instelling’, als bedoeld in art. 1:254 BW en art. 1.1 van de Jeugdwet.

2 Het cassatierekest is ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 20 augustus 2015. Van het voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel na ontvangst van een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep is geen gebruik gemaakt.

3 Zie blz. 5 en 6 van het cassatierekest. Een nummering van de klachten wordt node gemist.

4 Zie blz. 7 – 10 van het cassatierekest.

5 Zie blz. 10 en 11 van het cassatierekest.

6 HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659.

7 Zie onder meer: EHRM 19 april 1994 (van den Hurk/Nederland), NJ 1995/462 m.nt. E.A. Alkema, punt 61; EHRM 21 januari 1999 (García Ruiz/Spanje; appl.no. 30544/96), punt 26. De motivering van de bestreden beschikking omvat bepaald méér dan enkel een verwijzing naar de toegepaste wettelijke bepalingen (vgl. EHRM 27 september 2001 (Hirvisaari/Finland; appl.no. 49684/99), EHRC 2001/77.