Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2218

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2015
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
14/02905
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:151, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Contractenrecht. Koopovereenkomst woning. Procesrecht. Berusting ingevolge vaststellingsovereenkomst? Belang bij cassatieberoep? Inschrijven dagvaarding vereist (art. 3:301 lid 2 BW)? Ambtshalve toetsing aan art. 7:2 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/02905

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 6 november 2015

CONCLUSIE inzake:

[eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne,

tegen:

[verweerder],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij

Inzet van deze zaak is de vraag of een door [verweerder] gelegd conservatoir beslag is vervallen omdat de eis in de hoofdzaak te laat is ingesteld. Prealabele vraag is wat de gevolgen zijn voor het onderhavige cassatieberoep van het feit dat partijen zich in een andere procedure bij vaststellingsovereenkomst hebben verplicht om alle lopende procedures, waaronder de onderhavige cassatieprocedure, te beëindigen.

1. Feiten en procesverloop1

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

a) Partijen (hierna: [eiser] resp. [verweerder]) zijn met elkaar in een geschil verwikkeld over de vraag of tussen hen een overeenkomst tot stand gekomen is tot verkoop en levering door [eiser] aan [verweerder] van het pand [a-straat 1] te [plaats] (hierna: het pand). [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat geen overeenkomst tot stand is gekomen en heeft geweigerd mee te werken aan de levering van het pand aan [verweerder].

b) In een eerdere procedure heeft [verweerder] gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld om mee te werken aan de levering van het pand (tegen betaling van de volgens hem overeengekomen koopsom van € 550.000), althans dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de leveringsakte. Nadat in die procedure tegen [eiser] verstek was verleend, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage bij vonnis van 11 augustus 2010 (hierna: het verstekvonnis)2, onder verwijzing naar de aan het vonnis gehechte dagvaarding, (uitvoerbaar bij voorraad) het daarin primair gevorderde toegewezen, onder bepaling dat, voor het geval [eiser] weigert zijn medewerking te verlenen aan het passeren van de leveringsakte, het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte als bedoeld in art. 3:300 BW.

c) [eiser] is tegen het verstekvonnis in verzet gekomen. Hij heeft dit rechtsmiddel niet op de voet van art. 3:301 lid 2 BW ingeschreven in het rechtsmiddelenregister van de rechtbank ’s-Gravenhage.3 Bij vonnis van 2 februari 2011 (hierna: het verzetvonnis)4 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het verstekvonnis vernietigd en, opnieuw recht doende, [eiser] veroordeeld tot het meewerken aan het passeren van de leveringsakte, onder de opschortende voorwaarde van, kort gezegd, voldoening van de koopsom van € 550.000. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat, voor het geval [eiser] niet aan deze veroordeling voldoet, het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte, benodigd om de eigendom van het pand te doen overgaan op [verweerder] (onder dezelfde opschortende voorwaarde als voormeld). Op verzoek van [verweerder] heeft de rechtbank bij beslissing van 16 februari 20115 het verzetvonnis verbeterd in die zin dat daarin het pand kadastraal is aangeduid en de persoonsgegevens van partijen nader zijn omschreven.

d) [eiser] heeft geen medewerking verleend aan de levering van het pand aan [verweerder], waarna laatstgenoemde de eigendom van het pand door middel van de in het (verbeterde) verzetvonnis voorziene reële executie heeft verkregen. [verweerder] maakt, wegens de niet-nakoming door [eiser] van diens verplichting tot levering, aanspraak op de contractuele boete van € 55.000 en vergoeding van schade. In een kort geding vonnis van 24 mei 20116 is [eiser] veroordeeld tot betaling van voormelde boete.

e) Bij verzoekschrift van 22 februari 2011 heeft [verweerder] verlof gevraagd om conservatoir derdenbeslag te leggen onder de notaris bij wie de koopsom ad € 550.000 is gestort, dit tot zekerheid van de betaling van voormelde boete en schadevergoeding. Op 23 februari 2011 is het beslag toegestaan als verzocht met begroting van de vordering, inclusief rente en kosten, op € 162.500. [verweerder] heeft op 25 februari 2011 beslag gelegd op een bedrag van € 550.000 dat door notaris mr. Tj.S. van de Velde ten behoeve van [eiser] werd gehouden.7 Aan [verweerder] is – na uitstel – een termijn gegeven tot uiterlijk 22 april 2011 voor het instellen van de eis in de hoofdzaak.

1.2 Bij dagvaarding van 21 april 2011 in de onderhavige procedure heeft [verweerder] de eis in de hoofdzaak ingesteld (zaak-/rolnr. 402451/HAZA 11-2356). Aangezien in het exploot een onjuist adres van [eiser] was vermeld, heeft [verweerder] op 10 mei 2011, vóór de eerst dienende dag, aan het juiste adres een herstelexploot doen uitbrengen.

1.3 [eiser] heeft vervolgens vorderingen in reconventie ingesteld. De eerste daarvan (1) strekt ertoe dat de rechtbank:

voor recht verklaart dat het door [verweerder] gelegde (conservatoire) beslag onrechtmatig was vanaf 23 april 2011 en is vervallen omdat de eis in de hoofdzaak te laat is ingesteld, met bevel aan [verweerder] om het beslag door te halen op straffe van een dwangsom (…) en met veroordeling van [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente over € 550.000,- vanaf 23 april 2011 (…)

De overige vorderingen in reconventie strekken ertoe (2) dat [verweerder] een bedrag van € 550.000 aan [eiser] betaalt, (3) dat [verweerder] de contractuele boete ad € 55.000 aan [eiser] betaalt en (4) dat [verweerder] het pand aan [eiser] terug levert, met vergoeding van schade.

1.4 Tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank hebben partijen eenparig verzocht8 dat de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie zou aanhouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep dat [eiser] had ingesteld tegen het (verbeterde) verzetvonnis en tegen het kort geding vonnis van 24 mei 2011, behoudens voor wat betreft de hiervóór onder 1.3 aangehaalde eerste reconventionele vordering van [eiser].

1.5 Bij arresten van 15 januari 20139 heeft het hof Den Haag beslist op voormelde hoger beroepen. In het hoger beroep van [eiser] tegen het (verbeterde) verzetvonnis heeft het hof dat vonnis vernietigd en [eiser] (overeenkomstig diens vordering) alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen het verstekvonnis (op de grond dat de verzetdagvaarding niet, overeenkomstig het bepaalde in art. 3:301 lid 2 BW, is ingeschreven in het in art. 433 Rv bedoelde rechtsmiddelenregister). In het hoger beroep tegen het kort geding vonnis heeft het hof de vordering van [verweerder] alsnog afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

1.6 Bij vonnis van 30 mei 2012 in de onderhavige procedure heeft de rechtbank de eerste reconventionele vordering van [eiser] (zie hiervóór onder 1.3) afgewezen, onder aanhouding van de beslissing over de overige vorderingen.

Aan haar beslissing tot afwijzing van de eerste reconventionele vordering heeft de rechtbank ten grondslag gelegd10 dat partijen het erover eens zijn dat de eis in de hoofdzaak op uiterlijk 22 april 2011 moest worden ingesteld, dat [verweerder] op 21 april 2011, dus tijdig, de dagvaarding aan [eiser] heeft doen betekenen en dat het feit dat dit niet aan het juiste adres is geschied daaraan niet afdoet, aangezien dit gebrek tijdig is hersteld. Het beslag is dus niet vervallen, aldus de rechtbank.

1.7 [eiser] is van dit deelvonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof Den Haag (zaaknr. 200.112.216/01). [verweerder] heeft verweer gevoerd. Bij arrest van 27 augustus 2013 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen (rov. 3-6):

“3. In zijn memorie van grieven voert [eiser] aan dat de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten het betoog van [eiser] dat het verstekvonnis in kracht van gewijsde is gegaan en dat zich dat beperkte tot “toegestaan als verzocht”, “zonder zich uit te laten over feiten, objecten, of alle betrokkenen”. Voorts voert [eiser] aan dat de rechtbank een beslissing tot teruglevering en schadevergoeding voor een “tussenvonnis” te vergaand kan hebben geacht, maar de kracht van gewijsde van het verstekvonnis niet buiten beschouwing had mogen laten en ten onrechte is uitgegaan van het verzetvonnis (zonder het herstelvonnis te noemen), nu deze vonnissen door het hof zijn vernietigd.

4. [verweerder] wijst er terecht op dat niet valt in te zien waarom voormelde grief tot vernietiging van het vonnis zou moeten leiden. Immers, in dat vonnis wordt beoordeeld of het beslag geacht moet worden te zijn vervallen omdat de eis in de hoofdzaak te laat is ingesteld. De grief bevat niet de klacht dat het oordeel van de rechtbank, dat dit niet het geval is, onjuist is. Evenmin wijzigt [eiser] in hoger beroep zijn eis. In tegendeel, hij verzoekt het hof om de zaak, na vernietiging van het vonnis, naar de rechtbank terug te verwijzen.

5. Voor zover [eiser] zou bedoelen dat de rechtbank, niettegenstaande de ter comparitie van partijen gemaakte afspraak, had moeten oordelen over de vordering tot teruglevering en schadevergoeding (vordering in reconventie achter het vierde gedachtestreepje), is zijn grief ontoelaatbaar onduidelijk. Op zichzelf stond het [eiser], in beroep gekomen tegen dat deel van het vonnis waarmee in het dictum een eind werd gemaakt aan een geschilpunt, vrij om ook een grief te richten tegen het overige deel van het vonnis, maar dan had hij wel duidelijk moeten aangeven waartegen hij precies bezwaar heeft en waarom.

Voor het geval [eiser] het oog mocht hebben op zijn betoog in eerste aanleg dat het beslag ongeldig is omdat [verweerder] is gaan executeren op een nietig vonnis, overweegt het hof, geheel ten overvloede, als volgt. Zoals het hof in zijn arresten van 15 januari 2013 heeft overwogen, leidt de vernietiging van de in verzet gewezen vonnissen en het in kracht van gewijsde gaan van het verstekvonnis er niet toe dat niet langer tot uitgangspunt dient dat een overeenkomst tussen partijen is gesloten en dat [eiser] uit dien hoofde gehouden was mee te werken aan de levering van het pand. Immers, ook in het verstekvonnis heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van het pand aan [verweerder]. De omstandigheid dat de in verzet gewezen vonnissen zijn vernietigd brengt, zoals het hof in zijn arrest in het kort geding heeft overwogen, evenmin mee dat het beslag ongeldig is. In dat verband is van belang dat in het beslagrekest aan het verzochte verlof ten grondslag is gelegd dat [eiser] zowel in het verstekvonnis, als in het verzetvonnis, is veroordeeld mee te werken aan de levering van het pand.

6. Het voorgaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het hoger beroep.”

1.8 Tegen dit arrest heeft [eiser] bij cassatiedagvaarding van 6 november 2013 tijdig beroep in cassatie ingesteld. Bij conclusie van antwoord van 21 november 2014 heeft [verweerder] geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Ter rolle van 19 december 2014 heeft [verweerder] onder meer verzocht te bepalen dat de Hoge Raad eerst zal beslissen over het belang van [eiser] bij het cassatieberoep. [eiser] heeft bij akte openbare orde verweer gevoerd. Het verzoek van [verweerder] is door de rolraadsheer afgewezen omdat een verweer omtrent belang een verweer ten gronde is.

Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk laten toelichten en gerepliceerd en gedupliceerd.

2 Procesdossier; nagekomen stukken

2.1

Nadat op de daarvoor bepaalde roldatum van 6 maart 2015 de stukken waren gefourneerd en arrest was gevraagd, heeft de cassatieadvocaat van [eiser] “op verzoek van eiser” bij op 14 juli 2015 ter griffie ingekomen brief enige nadere stukken overgelegd die niet behoren tot de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. Nu deze stukken zijn ingediend na de sluiting van de behandeling van de zaak, dienen deze terzijde te worden gelegd.11

2.2

Dat laatste geldt ook voor de brief van 8 september 2015 (met bijgevoegd kort geding vonnis van 7 september 2015) die [eiser] persoonlijk, dus niet door zijn cassatieadvocaat, bij de griffie heeft ingediend.

3 Beoordeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer

3.1

In zijn schriftelijke toelichting stelt [verweerder] zich op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep (s.t. onder B.). Hij verwijst daartoe naar een – als bijlage bij zijn s.t. gevoegd – proces-verbaal van een op 3 november 2014 gehouden pleidooi in een andere procedure tussen partijen bij het hof Den Haag. (zaaknummer 200.137.290/01). Die andere appelprocedure ziet op het vonnis d.d. 7 augustus 2013 (C/09/402451/HAZA 11-2356) waarin door de rechtbank (na aanhouding bij deelvonnis van 30 mei 2012) is beslist op de vorderingen in conventie en de overige vorderingen in reconventie (sub 2 t/m 4).12

3.2

De door partijen getroffen regeling in de andere zaak luidt, blijkens het proces-verbaal van de zitting van 3 november 2014, als volgt (met door mij toegevoegde onderstreping):

“Partijen spreken af dat zij alle procedures die zij voeren onmiddellijk zullen beëindigen en geen nieuwe procedures zullen starten met betrekking tot de verkoop en de levering van het pand [a-straat 1], te [plaats] (hierna het pand). Dit betreft dus ook de procedures die hier zijdelings mee te maken hebben. In ieder geval zal de huidige bodemprocedure beëindigd worden, de kort gedingprocedure bekend onder 200.149.620/01 bij dit hof, alsmede de huurprocedure bij de rechtbank (partijen wel bekend) en de cassatieprocedure tegen het arrest van dit hof van 27 augustus 2013. Met deze opsomming wordt geen volledigheid betracht. Zoals gezegd, alle procedures die ook zijdelings met het pand te maken hebben tussen partijen zullen worden beëindigd, en wel per ommegaande.

Hiertoe spreken partijen de volgende voorwaarden af:

1. Partij [verweerder] zal binnen twee dagen na heden notaris Van de Velde berichten dat het beslag van 25 februari 2011 op de koopsom van het pand (partijen bekend) als opgeheven kan worden beschouwd en dat het volledige bedrag dat thans staat op de kwaliteitsrekening van de notaris uit hoofde van dit beslag, inclusief rente, -de raadsman van de notaris mr. Hop heeft bij navraag laten weten dat het op dit moment gaat om een bedrag van € 500.883,96 en dat hier nog bijkomt de rente vanaf 1 oktober 2014 tot het moment van overmaken- onmiddellijk moet worden vrijgegeven aan partij [eiser]. Betaling kan plaatsvinden op rekeningnummer (…) ten name van [eiser].

2. Daarnaast zal partij [verweerder] een bedrag van € 16.000 betalen aan partij [eiser], en wel uiterlijk op 20 december 2014 op diens rekening onder (ver)melding van ‘vaststellingsovereenkomst d.d. 3 november 2014’.

3. Partijen dragen ieder de eigen kosten van de procedure in eerste aanleg en de procedure in hoger beroep.

4. Partijen doen afstand van het recht op ontbinding van deze vaststellingsovereenkomst, alsmede van vernietiging daarvan, voor zover mogelijk.

5. Partijen zullen geen nieuwe procedures starten en zich noch direct noch indirect met elkaar bemoeien.

6. Aan het vonnis waarvan beroep wordt geen uitvoering gegeven.

7. Partijen verklaren dat zij na nakoming overeenkomstig het voorgaande niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben terzake van de in het geding zijnde kwestie.

8. Partijen verzoeken doorhaling van de zaak per heden.

(…)”

Hieronder volgt ondertekening van het p-v door partijen en hun echtgenotes.

3.3

Volgens [verweerder] behoort [eiser] niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat (i) [verweerder] uit het ondertekende p-v heeft mogen afleiden dat [eiser] zijn wil tot uiting heeft gebracht om (alsnog) in het in cassatie bestreden arrest van het hof te berusten (s.t. onder 2 en 4), althans (ii) [eiser], door het cassatieberoep niet in te trekken, misbruik van procesrecht resp. bevoegdheid maakt (s.t. onder 5-5.2), althans (iii) [eiser] in het licht van de schikking geen rechtens te respecteren belang bij zijn cassatieberoep heeft (s.t. onder 5.3 en 6; conclusie van dupliek onder 18).

3.4

Berusting in een rechterlijke uitspraak is het te kennen geven van de wil om zich bij die uitspraak neer te leggen en aldus afstand te doen van het recht om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Van berusting kan dan ook slechts sprake zijn indien de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij hetzij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt, hetzij een houding heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt.13 Een geslaagd beroep op berusting door verweerder in cassatie leidt tot niet-ontvankelijkheid van eiser in zijn cassatieberoep (art. 400 Rv).

3.5

Het beroep op berusting kan [verweerder] mijns inziens niet baten. Aangenomen dat het tekenen door [eiser] van de vaststellingsovereenkomst in de andere zaak kan worden gekwalificeerd als berusting in het in de onderhavige zaak bestreden arrest, is het beroep van [verweerder] daarop tardief. Een dergelijke exceptie dient immers in de conclusie van antwoord naar voren te worden gebracht (art. 411 lid 2 Rv).14 Uw Raad heeft voorts (in een verzoekschriftprocedure) geoordeeld dat de goede procesorde meebrengt dat het beroep op berusting door verweerder in cassatie zo spoedig mogelijk, dus in het eerste processtuk van verweerder, moet worden gedaan.15 [verweerder] heeft zich echter voor het eerst op berusting beroepen in zijn schriftelijke toelichting.

3.6

Het verweer dat bij het cassatieberoep geen belang bestaat, is geen exceptief verweer als bedoeld in art. 411 lid 2 Rv, maar een verweer ten principale. Het behoeft niet bij conclusie van antwoord te worden aangevoerd.16 In het onderhavige geval heeft [verweerder] derhalve voor het eerst bij schriftelijke toelichting kunnen aanvoeren dat bij het cassatieberoep geen rechtens te respecteren belang bestaat.

3.7

Mijns inziens dient dit verweer te slagen. Tussen partijen is niet in geschil dat zij de in het proces-verbaal van 3 november 2014 neergelegde regeling zijn overeengekomen.17 Uit deze met inachtneming van de Haviltexmaatstaf uit te leggen18 vaststellingsovereenkomst kan niet anders worden afgeleid dan dat – hetgeen [eiser] ook niet heeft betwist – partijen zich over en weer hebben verplicht alle tussen hen lopende procedures, waaronder de onderhavige procedure in cassatie, onmiddellijk te beëindigen. Deze overeenkomst brengt mee dat het belang bij het onderhavige door [eiser] ingestelde cassatieberoep is komen te vervallen.19

3.8

[eiser] heeft nog wel betoogd niet gebonden te zijn aan deze afspraak, omdat deze ‘in strijd is met de openbare orde’, nu het hof haar onder bedreiging zou hebben afgedwongen.20 Voor de goede orde wijs ik erop dat partijen afstand hebben gedaan van het recht op ontbinding en vernietiging van de vaststellingsovereenkomst (onder 4), maar dat daarop door [verweerder] in dit verband geen beroep is gedaan. Niettemin gaat de stelling van [eiser] dat de schikking ‘rechtskracht ontbeert’21 naar mijn mening niet op. [eiser] heeft immers, mede gelet op de door [verweerder] beschreven gang van zaken rondom de zitting van 3 november 201422, niet voldoende gemotiveerd onderbouwd dat hij, zoals hij stelt, niet in vrijheid de in het proces-verbaal vervatte afspraak heeft ondertekend.

Ook heeft [eiser] nog gesteld dat de afspraak door beide partijen niet is nagekomen.23 Deze stelling, die door [verweerder] gemotiveerd is weersproken24, ontbeert de benodigde uitwerking, zodat ook daaraan voorbij moet worden gegaan.

3.9

Het slagen van het verweer dat bij het onderhavige cassatieberoep geen belang bestaat, leidt echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, maar tot verwerping daarvan.25

3.10

Het cassatieberoep dient derhalve reeds op grond van gebrek aan belang te worden verworpen.

4 Inhoudelijke beoordeling van het cassatieberoep

4.1

Slechts voor het geval over het bovenstaande anders zou moeten worden geoordeeld, zal ik hieronder nog de door [eiser] aangevoerde middelen bespreken.

4.2

Alle middelen van [eiser] falen reeds op grond van het volgende. Naar de vaststelling van het hof werd in het bestreden vonnis beoordeeld of het door [verweerder] gelegde beslag als vervallen moet worden beschouwd omdat [verweerder] de eis in de hoofdzaak te laat heeft ingesteld (vgl. arrest, rov. 4). Volgens het hof heeft [eiser] tegen dit vonnis in hoger beroep één grief aangevoerd, die niet de klacht bevat dat het oordeel van de rechtbank dat de eis in de hoofdzaak tijdig is ingesteld, onjuist is (rov. 4). [eiser] heeft, naar het hof heeft vastgesteld, evenmin zijn eis gewijzigd, noch enige andere voldoende duidelijke klacht tegen het oordeel van de rechtbank aangevoerd (rov. 5). Deze gronden kunnen naar het oordeel van het hof reeds de bekrachtiging van het vonnis dragen. Nu geen van de cassatiemiddelen van [eiser] deze oordeelsvorming van het hof bestrijdt, kan het cassatieberoep niet anders dan falen.

4.3

Ten overvloede geef ik hieronder nog kort aan waarom de middelen van [eiser] ook overigens geen doel treffen.

4.4

Middel 1 betoogt dat het hof art. 1:89 resp. 1:94 BW heeft geschonden, doordat het de echtgenote van [eiser], die de “bevoegde mede-eigenares van de woning” zou zijn, ten onrechte buiten de procedure sluit.

Deze klacht faalt nu zij niet duidelijk maakt wat de relevantie is van de betrokkenheid van de echtgenote (bij de verkoop van het pand) in het kader van de ter beoordeling voorliggende vraag of het derdenbeslag op de koopsom geacht moet worden vervallen te zijn wegens het niet tijdig instellen van de eis in de hoofdzaak (rov. 4).

4.5

Middel 2 verwijt het hof art. 3:301 lid 2 BW te hebben geschonden door [verweerder] (naar ik begrijp: in eerste aanleg) ontvankelijk te verklaren “zonder inschrijving van de dagvaarding in het rechtsmiddelenregister”. Daartoe wordt aangevoerd dat onderhavige, volgens [eiser] bij dagvaarding van 10 mei 2011 ingeleide hoofdzaak een met de eerdere – op art. 3:300 BW geënte – verzetprocedure “onlosmakelijk verknochte” procedure is en dat de opsomming in art. 3:301 lid 2 BW niet limitatief is.

De klacht faalt. De inleidende dagvaarding van [verweerder] ziet niet op de instelling van een rechtsmiddel tegen een uitspraak als bedoeld in art. 3:301 lid 2 BW. Voorts is er, gelet op de zware sanctie van art. 3:301 lid 2 BW, geen aanleiding de bepaling, die een beperkte strekking heeft, uit te breiden tot een geval dat kennelijk niet door de tekst ervan wordt bestreken.26 Voor zover [eiser] met zijn verwijzing naar de inhoudelijke verbondenheid tussen de onderhavige hoofdzaak en de verzetprocedure het oog mocht hebben op HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141, faalt dit beroep eveneens.

4.6

Middel 3 faalt omdat het zich richt tegen een overweging ten overvloede (rov. 5), die bovendien niet onjuist of onbegrijpelijk is.

4.7

Middel 4 klaagt dat de rechtbank het ambtshalve onderzoek naar de termijnen ondeugdelijk heeft verricht, zodat het conservatoir beslag ondanks de termijnoverschrijding in stand is gelaten. Dit middel faalt reeds omdat het gericht is tegen het in hoger beroep bestreden vonnis van de rechtbank, dat niet vatbaar is voor cassatie (art. 398 Rv).

De klachten op p. 7 van de cassatiedagvaarding (beginnend met “Het hof gaat een stap verder ..”) zien eraan voorbij dat het hof in de cursief geciteerde rov. 2 slechts het oordeel van de rechtbank weergeeft en zich ook overigens niet met het oordeel van de rechtbank verenigt. Het hof heeft immers vastgesteld dat tegen het oordeel van de rechtbank geen grief is gericht (rov. 4).

4.8

Middel 5 verwijt het hof geen althans een onjuiste toepassing te hebben gegeven aan “de voorschriften van openbare orde” en aan (de schriftelijkheidseis van) art. 7:2 lid 1 BW.

Het middel faalt. Het miskent dat het in het onderhavige geding niet gaat om de vraag of een koopovereenkomst tot stand is gekomen, maar uitsluitend om de vraag of de eis in de hoofdzaak tijdig is ingesteld. Voor het overige bevat het middel geen begrijpelijke klachten.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 1.1-1.9 van het arrest van het hof Den Haag van 27 augustus 2013, tenzij anders vermeld.

2 Bijlage 4 bij brief van mr. Martens aan de rechtbank van 21 maart 2012.

3 Ontleend aan het vonnis van de rechtbank van 30 mei 2012, rov. 2.4.

4 Productie 1 bij inleidende dagvaarding.

5 Productie 1 bij inleidende dagvaarding.

6 Productie 7 bij Akte houdende wijziging van eis en overlegging van producties d.d. 7 september 2011.

7 Ontleend aan het vonnis van de rechtbank van 30 mei 2012, rov. 2.6.

8 Vonnis, rov. 1.2.

9 Bijlagen 1 en 2 bij memorie van grieven.

10 Zie het arrest van het hof van 27 augustus 2013, rov. 2.

11 Vgl. HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1739, rov. 2.

12 Zie s.t. zijdens [eiser], p. 14 en p. 18, onder 3.2.

13 Vgl. HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6096, NJ 2008/142, m.nt. HJS, rov. 3.5.2; HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV3373, NJ 2006/364, rov. 3.5; HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841, NJ 2003/ 440, rov. 3.2.

14 Aldus impliciet: HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9714, NJ 2008/75, rov. 3.2, waarover ook Snijders in zijn noot (onder 7) onder NJ 2008/142 en E.J. Bellaart, MvV 2007/12, p. 250. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/238; Winters, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2014, art. 411, aant. 2.

15 HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6096, NJ 2008/142, m.nt. HJS, rov. 3.5.2 (slot). Ze ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/86.

16 HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226 m.nt. HJS, rov. 4.1.2; HR 6 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6631, NJ 2007/35 m.nt. GRR, rov. 3.3. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/48.

17 S.t. zijdens [eiser], p. 18 onder 3.2 en p. 19 onder 8.

18 Vgl. HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9546, NJ 2010/312, rov. 3.5.

19 Vgl. HR 29 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1185, NJ 1990/718, rov. 3.2.

20 S.t., p. 19-20; conclusie van repliek, p. 1-2.

21 S.t. zijdens [eiser], p. 19.

22 Zie conclusie van dupliek, nrs. 10-12: partijen hebben langdurig onderhandeld; de zitting is herhaaldelijk geschorst; de vaststellingsovereenkomst is eerst in concept afgedrukt; op dat concept zijn door beide partijen toevoegingen aangebracht; in aanwezigheid van zijn advocaat en mee-tekenende vrouw heeft [eiser] besloten akkoord te gaan met de schikking; de advocaat van [eiser] heeft enkele dagen na totstandkoming van de schikking bevestigd dat hij tot doorhaling van de procedures zou overgaan.

23 S.t. zijdens [eiser], p. 20 (achter het vijfde gedachtestreepje).

24 Conclusie van dupliek, nrs. 8, 12.

25 HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226 m.nt. HJS, rov. 4.1.2. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/48.

26 HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4743, NJ 2006/216.