Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2216

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2015
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
15/01698
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:154, Contrair
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Invloed schulden op draagkracht. Door onderhoudsplichtige onvoldoende inzicht geven in financiële positie; art. 21 Rv. Invloed eigen inkomsten kinderen op hun behoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/59 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/01698

mr. Keus

Zitting 6 november 2015

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man)

verzoeker tot cassatie

advocaat: mr. C.G.A. van Stratum

tegen

1. [de vrouw]

(hierna: de vrouw)

2. [kind 1]

3. [kind 2]

(verweerders sub 2 en 3 hierna samen: de kinderen)

verweerders in cassatie

advocaat: mr. R.K. van der Brugge

Het gaat in deze zaak om een verzoek van de man om de door hem verschuldigde kinderalimentatie op nihil te stellen. In cassatie gaat het in het bijzonder om het oordeel van het hof dat de man (in ieder geval) in de periode vanaf 2013 in staat moet worden geacht een zodanig inkomen te genereren dat hij in staat is een bijdrage van € 140,- per kind per maand te voldoen.

1 Feiten1

1.1

De man en de vrouw zijn op 20 juni 1997 gehuwd. Hun huwelijk is op 17 december 1998 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 26 november 1998 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun voorhuwelijkse relatie zijn geboren [kind 3] op [geboortedatum] 1991, [kind 1] op [geboortedatum] 1993 en [kind 2] op [geboortedatum] 1996. Zij verblijven bij de vrouw.

1.2

Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van fl. 400,- per kind per maand bepaald. Bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 2 juli 2003 is de bijdrage met ingang van 1 september 2002 op € 365,- per kind per maand bepaald. Deze beschikking is bij beschikking van het hof Amsterdam van 15 april 2004 bekrachtigd.

1.3

Bij de door de man op 9 maart 2009 en de vrouw op 19 maart 2009 getekende overeenkomst zijn zij overeengekomen dat de man met ingang van 1 juni 2009 een bijdrage van € 266,67 per kind per maand zal betalen. Daarna zijn zij overeengekomen dat de man tijdelijk € 175,- per kind per maand ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] zou voldoen. Deze bijdrage heeft de man vanaf januari 2012 tot september 2013 voldaan.

1.4

De man is geboren op [geboortedatum] 1960. Hij is hertrouwd met [betrokkene 1] . Uit dit huwelijk zijn geboren [kind 4] (op [geboortedatum] 2005) en [kind 5] (op [geboortedatum] 2013).

De man is directeur-grootaandeelhouder van PDM Holding B.V.. De man ontvangt sinds 2009 geen inkomen meer uit deze B.V. en de activiteiten in deze onderneming liggen sindsdien stil. Intal B.V. was een van de deelnemingen van deze holding en is op 8 juli 2008 failliet gegaan. De andere deelnemingen betreffen Gema Invest B.V., Duinhuis Invest B.V. en PDM Invest B.V.. De winstreserve van de holding bedroeg in 2013 € 505.008,-. De fiscale winst van de holding bedroeg in 2009 -/- € 64.191,-, in 2010 -/- € 120.861,-, in 2011 € 226.167,- (vanwege een herberekening van de pensioenverplichting), in 2012 € 7.696,- en in 2013 € 8.579,-. In 2010, 2011 en 2012 heeft de man een voordeel uit aanmerkelijk belang genoten van respectievelijk € 9.720,-, € 11.500,- en € 11.460,-. Op 1 januari 2010 bedroeg de rekening-courantschuld blijkens de aangifte Inkomstenbelasting over dat jaar € 642.531,- en op 31 december 2010 € 352.745,-. Volgens de aangifte Vennootschapsbelasting van PDM Holding B.V. bedroeg de schuld in 2012 € 460.404,-. In 2013 bedroeg de rekening-courantschuld volgens de man € 486.712,-.

De echtgenote van de man is werkzaam als verhuurmakelaar (eenmanszaak), in welke onderneming de man in 2012 werkzaamheden heeft verricht. Blijkens de aangifte Inkomstenbelasting 2013 bedroeg de winst voor ondernemersaftrek in dat jaar € 23.544,-. Daarnaast ontving de echtgenote van de man in dat jaar een uitkering van het UWV van € 6.122,-.

Het spaartegoed van de man en zijn echtgenote bedroeg blijkens de betreffende aangiften Inkomstenbelasting op 1 januari 2010 € 497.814,-, op 1 januari 2011 € 76.040,- en op 1 januari 2012 € 71.865,-.

Aan huur betaalde de man € 1.350,- per maand. Met ingang van 1 mei 2013 is door de gemeente op grond van de Wet werk en bijstand voor de duur van zes maanden een woonkostentoeslag van € 950,98 per maand aan hem toegekend. In 2014 is de man met zijn gezin verhuisd. Sinds 1 mei 2014 betaalt hij 1.100,- per maand aan kale huur. Hij ontvangt geen woonkostentoeslag van de gemeente meer.

1.5

De vrouw is geboren op [geboortedatum] 1967. Zij is hertrouwd met [betrokkene 2] . Het fiscaal loon van de vrouw bedroeg in 2013 € 7.206,- en dat van haar echtgenoot € 64.939,-.

1.6

[kind 1] ontvangt studiefinanciering van € 72,- per maand en een zorgtoeslag van € 72,- per maand. Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 80,- per maand.

1.7

[kind 2] ontvangt studiefinanciering voor een thuiswonende scholier. Hij verdient ongeveer € 100,- per maand met het verrichten van werkzaamheden in de supermarkt (drie uur per week) en op de markt. Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 105,- per maand. Hij ontvangt een zorgtoeslag van € 48,- per maand.

2 Procesverloop

2.1

Bij verzoekschrift van 19 april 2013, op diezelfde dag ingekomen ter griffie, heeft de man de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, verzocht te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 8 juni 2011, subsidiair met ingang van 23 januari 2013 en meer subsidiair met ingang van 19 april 2013 op nihil wordt gesteld, althans een zodanige bijdrage met ingang van zodanige datum te bepalen als de rechtbank juist acht.

De man heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van wijzigingen van omstandigheden in de zin van art. 1:401 BW, waardoor de echtscheidingsbeschikking ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De wijzigingen van omstandigheden bestaan volgens de man erin dat hij samen met zijn huidige echtgenote een kind heeft gekregen en dat zijn echtgenote bovendien zwanger is van een tweede kind van de man. Daarnaast stelt de man dat zijn inkomsten drastisch zijn verminderd, dat de vrouw opnieuw is gehuwd en dat haar echtgenoot op grond van art. 1:395 BW eveneens onderhoudsplichtig voor de kinderen is geworden.

De vrouw en [kind 1] hebben bij verweerschrift van 17 juni 2013 gemotiveerd verweer gevoerd. De vrouw heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de man af te wijzen. De minderjarige [kind 2] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken, hetgeen hij bij brief van 15 januari 20142 heeft gedaan. Bij brief van 4 respectievelijk 8 april 2014 hebben partijen nog nadere stukken in het geding gebracht. Op 17 april 2014 heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad3.

2.2

Bij beschikking van 21 mei 2014 heeft de rechtbank (bij vervroeging), uitvoerbaar bij voorraad, bepaald:

- met wijziging van de beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 2 juli 2003 in zoverre, dat de man met ingang van 1 januari 2012 tot 19 april 2013 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] aan de vrouw dient te voldoen van € 175,- per maand, en dat de man met ingang van 19 april 2013 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dan wel de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 2] dient te voldoen van € 140,- per maand, telkens, voor zover het nog niet vervallen termijnen betreft, bij vooruitbetaling te voldoen;

- met wijziging van de beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 2 juli 2003 in zoverre, dat de man met ingang van 1 januari 2012 tot 19 april 2013 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [kind 1] dient te voldoen van € 175,- per maand, en dat hij met ingang van 19 april 2013 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1] dient te voldoen van € 140,- per maand, telkens, voor zover het nog niet vervallen termijnen betreft, bij vooruitbetaling te voldoen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er reeds op grond van het feit dat de man niet langer uitsluitend voor [kind 1] en [kind 2] onderhoudsplichtig is, voldoende aanleiding bestaat om de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] ingevolge art. 1:401 BW aan de hand van de huidige financiële gegevens van partijen te herbeoordelen (rov. 5.1). Conform de tussen partijen in januari 2012 gemaakte afspraak heeft de rechtbank het door de man verschuldigde bedrag in de periode van 1 januari 2012 tot de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 19 april 2013, op € 175,- per kind per maand bepaald (rov. 5.2). De ingangsdatum van de eventueel te wijzigen onderhoudsbijdrage heeft de rechtbank vervolgens, zoals gebruikelijk, op de datum van indiening van het verzoekschrift bepaald, te weten 19 april 2013 (rov. 5.3). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat de man thans geen inkomen dan wel vermogen heeft waarmee hij in staat is om een bijdrage ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] te voldoen (rov. 5.8). Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel, in het licht van de onderhoudsverplichting van de man jegens [kind 1] en [kind 2] , van hem worden verlangd dat hij zich op korte termijn op enigerlei wijze een zodanig inkomen verwerft dat hij een bijdrage ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] van € 140,- per kind per maand kan voldoen, te meer nu de vrouw zich door middel van haar werkzaamheden voor Homeworks en PostNL ten volle inspant om haar deel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] te voldoen en een deel van de kosten van [kind 1] en [kind 2] voor rekening van de echtgenoot van de vrouw komt (rov. 5.9).

2.3

Bij beroepschrift van 6 augustus 2014, op 7 augustus 2014 ter griffie van het hof Amsterdam ingekomen, is de man met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 mei 2014. De man heeft bij brief van 17 oktober 2014, ingekomen ter griffie op 20 oktober 2014, nadere stukken ingediend.

De vrouw, [kind 1] en [kind 2] hebben geen verweerschrift ingediend. Op 30 oktober 2014 heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de vrouw, [kind 1] en [kind 2] gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking van de rechtbank.

2.4

Bij beschikking van 13 januari 20154 heeft het hof Amsterdam de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“4.1 De door de rechtbank bij beschikking van 2 juli 2003 vastgestelde behoefte van € 365,- per kind per maand wordt op zichzelf niet betwist en staat derhalve vast. In 2013 bedraagt deze behoefte op grond van de wettelijke indexering € 460,- per kind per maand.

4.2

De man heeft in zijn eerste grief gesteld dat bij de behoefte van [kind 1] en [kind 2] rekening dient te worden gehouden met hun bijverdiensten in die zin dat de behoefte daarmee verminderd dient te worden. In zijn pleitnota stelt de man dat, nu de kinderen geen inzage in hun inkomsten hebben gegeven, zijn bijdrage om die reden op nihil dient te worden gesteld. Bij de behandeling ter zitting in hoger beroep heeft de man echter, nadat [kind 1] en [kind 2] nader omtrent de eventuele bijverdiensten hebben verklaard (zoals opgenomen onder 2.7 en 2.8 van deze beschikking), medegedeeld dat hij begrijpt dat zij daarmee thans niet in eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat het door [kind 1] en [kind 2] gestelde - niet betwiste - inkomen, hun behoefte niet noemenswaardig heeft verminderd in die zin dat het aandeel van de man daarin, gelet op zijn hierna te noemen draagkracht, - ook, met inachtneming van de onderhoudsverplichting van de vrouw en haar echtgenoot alsmede een eventuele zorgkorting ten aanzien van [kind 2] - lager dan € 140,- per kind per maand zou zijn.

4.3

De grens van de onderhoudsverplichting van de man is daarmee bepaald. In geschil is of de man draagkracht heeft voor het betalen van deze bijdrage. De man heeft in dit verband aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank, dat voldoende aannemelijk is geworden dat de man thans geen inkomen dan wel vermogen heeft waarmee hij in staat is een bijdrage te voldoen (rechtsoverweging 5.8 van de bestreden beschikking), vast staat omdat de vrouw en de kinderen geen incidenteel appel hebben ingesteld.

De man miskent hiermee dat zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door het verweer van de vrouw en de kinderen in zijn geheel wordt betwist. Voornoemde overweging van de rechtbank dient dan ook in het licht van het verweer van de vrouw en kinderen in hoger beroep te worden bezien, nog daargelaten dat - indien één van de grieven van de man in hoger beroep zou slagen, het hof - gelet op de devolutieve werking daarvan -, ook het verweer in eerste aanleg dient te beoordelen. Het hof zal aldus de draagkracht van de man met inachtneming van alle daartegen gevoerde verweren beoordelen.

4.4

De grieven II tot en met V van de man komen er in de kern op neer dat hij geen draagkracht heeft voor het betalen van de door de rechtbank vastgestelde bijdrage. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat hij op korte termijn verdiencapaciteit heeft. Hij wijst erop dat hij sinds 2009 geen inkomen uit zijn B.V. meer heeft en dat het feit dat - zoals de rechtbank heeft overwogen - hij in het verleden aanzienlijke bedragen aan zijn onderneming heeft onttrokken en geen reserves heeft opgebouwd, niet van invloed kan zijn op zijn huidige verdiencapaciteit.

Daarnaast heeft de rechtbank nagelaten een draagkrachtberekening te maken, waarbij rekening wordt gehouden met de lasten van de man. De man stelt dat de keuzes die hij de afgelopen jaren heeft gemaakt erop waren gericht de B.V. weer winstgevend te maken en dat deze keuzes de man achteraf niet kunnen worden verweten. Daarnaast betwist hij dat hij lichtvaardig met de besteding van zijn financiële middelen is omgegaan en hij deze gebrekkig heeft verantwoord.

De vrouw, [kind 1] en [kind 2] hebben de stellingen van de man gemotiveerd betwist en wijzen tevens op het uitgavenpatroon van de man, dat volgens hen niet in overeenstemming is met het inkomen zoals hij dat stelt.

4.5

Het hof overweegt dat het, gelet op de stellingen van de man en de gemotiveerde betwisting door de vrouw en de kinderen, op de weg van de man ligt te onderbouwen dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage te betalen. Daartoe dient hij in ieder geval voldoende inzicht in zijn financiële omstandigheden te verschaffen. Voor de beoordeling van de vraag of de man daarin is geslaagd acht het hof het volgende van belang. Vast staat dat de man - terwijl hij, naar eigen zeggen, reeds sinds 2009 geen inkomsten uit zijn B.V. meer ontving - een (aanzienlijke) huur van € 1.350,- per maand voor zijn woning betaalde en dat hij, na beoordeling door de gemeente in het kader van de bijzondere bijstand, voor de duur van zes maanden een woonkostentoeslag van € 950,98 per maand heeft ontvangen. Bij de verlening van deze bijzondere bijstand is, volgens de toekenningsbeschikking van 26 augustus 2013 van de gemeente, aan de man de verplichting opgelegd dat hij zich inschrijft als woningzoekende bij Woningnet en op zoek gaat naar goedkopere huisvesting, waarvoor wel recht bestaat op huursubsidie. Met de beschikking verkreeg de man bij “Het Vierde Huis” urgentie voor andere woonruimte. Daarmee heeft hij voor een periode van zes maanden voorrang gekregen voor een huurwoning in de gemeente Aalsmeer. Ter zitting in hoger beroep is echter gebleken dat de man, na de mondelinge behandeling in eerste aanleg, alwaar zijn woonsituatie eveneens ter sprake is gekomen, opnieuw een woning heeft betrokken met nagenoeg dezelfde hoge lasten, te weten € 1.100,- (kale huur) per maand. Hij ontvangt thans geen woonkostentoeslag meer en heeft evenmin, gelet op de hoogte van de huur, recht op huurtoeslag. De man heeft geen (afdoende) verklaring gegeven voor het opnieuw aangaan van dergelijke hoge vaste woonlasten, hetgeen zeker op zijn weg had gelegen gezien de woonkostentoeslag en de daarmee samenhangende urgentieverklaring die hij had verkregen. In dit verband acht het hof het van belang dat de man heeft verklaard dat hij zelf al enige jaren geen inkomsten meer genereert en dat zijn gezin wordt onderhouden met de inkomsten van zijn partner. In 2013 bedroeg haar winst uit onderneming € 23.544,-; de man heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de winst over 2014 hoogstwaarschijnlijk lager zal uitvallen. Dat de partner van de man met deze inkomsten in staat is zonder nadere bijdragen de gehele huishoudkosten, inclusief de (hoge) huur en de kosten voor de kinderen van haar en de man voor haar rekening te nemen acht het hof, zonder nadere toelichting, welke echter ontbreekt, niet waarschijnlijk. In dit verband stelt het hof overigens vast dat de man weliswaar stelt dat zijn financiële situatie uitzichtloos is en dat hij niet in staat is zijn vaste lasten te voldoen, maar dat hij heeft nagelaten aan te tonen wat hij concreet heeft ondernomen om het tij te keren. Onder deze omstandigheden moet het er voor gehouden worden dat de man onvoldoende inzage in zijn financiële situatie heeft gegeven.

4.6

Verder overweegt het hof als volgt.

De man stelt dat het al geruime tijd slecht gaat met zijn onderneming en dat hij reeds vanaf 2009 geen salaris uit de onderneming meer heeft ontvangen. Hij heeft ter zitting verklaard dar er geen activiteiten in zijn B.V.’s meer worden verricht en dat deze ontbonden zullen worden. Daarnaast heeft hij een toelichting gegeven op de nieuwe activiteiten die hij in de voorgaande jaren heeft getracht te ontplooien en de daarmee samenhangende investeringen. Deze zijn echter alle mislukt, aldus de man. Hij heeft desgevraagd verklaard, - naast voornoemde pogingen om weer inkomsten uit zijn bedrijf te gener(er)en -, wel op enkele functies in loondienst te hebben gesolliciteerd, maar dat hij daarin vrij kritisch is en (enkel) een baan in de financiële sector ambieert.

Het hof acht het begrijpelijk en ook acceptabel dat de man in de periode nadat het slechter ging met zijn bedrijf, door middel van diverse investeringen heeft geprobeerd dat bedrijf weer levensvatbaar te maken. Dat die investeringen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid behoort - tot op zekere hoogte - tot het normale ondernemersrisico en valt de man in die zin dan ook niet aan te rekenen. Wel is het hof van oordeel dat de man, in het licht van zijn onderhoudsverplichting en de in dat kader van belang zijnde inspanningsverplichting voor het genereren van voldoende draagkracht, toen na enige tijd bleek dat de investeringen geen resultaat hadden, zich had moeten inspannen om op andere wijze inkomen te verkrijgen, bijvoorbeeld door te solliciteren op een functie in loondienst. Toen de man na enige jaren moest constateren dat het hem niet lukte om inkomen als ondernemer te verwerven, had hij andere keuzes moeten maken en actief moeten solliciteren. Dat de man gelet op zijn opleiding en werkervaring niet in staat zou zijn een inkomen uit loondienst te genereren waarmee hij in ieder geval in staat is aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting te voldoen, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Het hof acht het tevens van belang dat de man in 2010, toen hij ook al enige tijd geen salaris meer ontving, een aanzienlijk deel van zijn toen nog bestaande spaartegoed van circa € 500.000,- heeft aangewend om de rekening-courantschuld aan zijn onderneming voor een groot gedeelte af te lossen. Onder omstandigheden mag immers van een alimentatieplichtige worden verwacht dat hij inteert op zijn vermogen om aan zijn verplichtingen te kunnen blijven voldoen. Dat op dat moment een noodzaak bestond om de rekening-courant schuld met € 288.492,- af te lossen heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.7

Het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat de man zijn stelling, dat hij geen draagkracht heeft en deze evenmin op korte termijn kan realiseren, onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft onvoldoende inzicht in zijn (huidige) financiële situatie gegeven en het hof gaat er vanuit dat hij (in ieder geval) in de periode vanaf 2013 in staat moet worden geacht een zodanig inkomen te kunnen genereren dat hij in staat is een bijdrage van € 140,- per kind per maand te voldoen.”

2.5

De man heeft bij cassatierekest van 13 april 2015, op diezelfde datum ter griffie van de Hoge Raad ingekomen en derhalve tijdig, cassatieberoep tegen de beschikking van het hof Amsterdam van 13 januari 2015 ingesteld. Aan de vrouw en de kinderen is uitstel verleend voor het indienen van een verweerschrift. Bij verweerschrift van 20 mei 2015 hebben de vrouw en de kinderen verzocht het door de man ingestelde cassatieberoep te verwerpen.

3 Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1

De man heeft zes cassatiemiddelen voorgesteld (I-VI). De middelen I-IV bevatten meerdere klachten.

3.2

Middel I klaagt onder 10 dat het hof de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft miskend en art. 24 Rv heeft geschonden door niet (althans niet kenbaar) te beslissen op de naar voren gebrachte grieven onder II tot en met IV en de in de toelichting op grief II naar voren gebrachte subgrieven. Volgens het middel is het hof althans ongemotiveerd voorbijgegaan aan essentiële stellingen van de man, nu de door hem aangevoerde grieven op grond van de wet en/of jurisprudentie relevant zijn, onderwerp waren van het partijdebat in hoger beroep en in beginsel dienden te worden betrokken bij de beoordeling van zijn verzoek tot wijziging op de gronden zoals door hem bij zijn inleidend verzoekschrift zijn aangevoerd. De beschikking voldoet volgens het middel om die reden niet aan de te stellen motiveringseisen en kan daarom niet in stand blijven.

In de in het cassatierekest opgenomen toelichting op middel I wordt onder 11-15 gesteld dat de feitenrechter op grond van art. 21 Rv weliswaar aan het niet aanvoeren van alle voor de beslissing van belang zijnde feiten de gevolgtrekkingen kan verbinden die hij geraden acht en dat de feitenrechter bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige een grote mate van vrijheid heeft, maar dat zulks in de onderhavige zaak niet meebrengt dat het hof aan het (feitelijke) oordeel dat de man onvoldoende inzage in zijn financiële situatie heeft gegeven de conclusie mocht verbinden dat dit een bekrachtiging van de bestreden beschikking rechtvaardigt. In de toelichting wordt erop gewezen dat de man bij zijn inleidend verzoekschrift, naast de gestelde wijziging in zijn draagkracht, twee andere wijzigingen aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat zijn draagkracht mede over [kind 4] en [kind 5] dient te worden verdeeld en dat bij de bepaling van zijn aandeel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] mede rekening met de draagkracht van de moeder en de stiefvader dient te worden gehouden. Deze wijzigingen zijn, nog steeds volgens de toelichting, door de vrouw niet weersproken en zijn reeds op zichzelf, zelfs als zich geen wijziging in zijn draagkracht zou hebben voltrokken, grond voor wijziging van de bijdrage aan [kind 1] en [kind 2] . Het enkele feit dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft en deze evenmin op korte termijn kan realiseren, naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft onderbouwd, brengt gelet op het vorenstaande dan ook niet - althans niet zonder meer, dat wil zeggen: zonder enige motivering - met zich dat het hof de overige grieven van de man ongemotiveerd onbehandeld mocht laten. Dit is, aldus de toelichting op middel I onder 16, temeer zo nu tussen partijen in confesso is dat er inderdaad sprake is van een verminderde draagkracht zodat de conclusie in ieder geval niet kan zijn dat de man een hogere draagkracht heeft dan ten tijde van de vaststelling van de bedragen waarvan wijziging is verzocht. Voor zover dit (impliciet) in het oordeel van het hof ligt besloten, is dit oordeel - zonder nadere toelichting - onbegrijpelijk want innerlijk tegenstrijdig met het oordeel van het hof over de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 april 2013, over welke periode de rechtbank de draagkracht van de man heeft vastgesteld op € 525,-, welk oordeel door het hof is bekrachtigd.

3.3

Voor zover de klachten van het middel berusten op de veronderstelling dat het hof niet (kenbaar) zou hebben beslist op de grieven II-IV (en de grieven vervat in de toelichting op grief II), missen zij feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4.4 (in cassatie op zichzelf onbestreden) overwogen dat “(d)e grieven II tot en met V van de man (…) er in de kern op neer(komen) dat hij geen draagkracht heeft voor het betalen van de door de rechtbank vastgestelde bijdrage” en heeft die aldus opgevatte grieven in de rov. 4.5-4.6 besproken. Dit heeft geleid tot het oordeel in rov. 4.7 dat de man (in ieder geval) in de periode vanaf 2013 in staat moet worden geacht een zodanig inkomen te kunnen genereren dat hij in staat is een bijdrage van € 140,- per kind per maand te voldoen.

3.4

Voor zover het middel (in het bijzonder onder 15) betoogt dat de man bij zijn inleidende verzoekschrift naast de gestelde wijziging in zijn draagkracht twee andere wijzigingen aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd (te weten dat zijn draagkracht mede over [kind 4] en [kind 5] dient te worden verdeeld én dat bij de bepaling van zijn aandeel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] mede rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de moeder en de stiefvader) en dat deze beide (door de vrouw niet weersproken) wijzigingen reeds op zichzelf grond waren voor wijziging van de bijdrage aan [kind 1] en [kind 2] , stel ik voorop dat aan de bestreden beschikking niet ten grondslag ligt dat zich géén voor de toepassing van art. 1:401 BW relevante wijziging van omstandigheden zou hebben voorgedaan. In de door het hof bekrachtigde beschikking had de rechtbank juist vastgesteld dat “reeds op grond van het feit dat de man niet langer uitsluitend voor [kind 1] en [kind 2] onderhoudsplichtig is voldoende aanleiding (bestaat) om de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] ingevolge artikel 401, Boek 1, BW aan de hand van de huidige financiële gegevens van partijen te herbeoordelen” (rov. 5.1 van de beschikking van 21 mei 2014), terwijl tegen dit oordeel in hoger beroep geen grieven waren gericht. Ook het hof is derhalve uitgegaan van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de door de man verschuldigde kinderalimentatie rechtvaardigde. Voor zover het middel op een andere opvatting van de bestreden beschikking berust, mist het eveneens feitelijke grondslag.

Overigens merk ik ten overvloede op dat de door de rechtbank uitgevoerde herbeoordeling van de door de man verschuldigde kinderalimentatie daadwerkelijk tot een wijziging van de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 2 juli 2003 heeft geleid. Voor die wijziging heeft de rechtbank Noord-Holland in haar beschikking van 21 mei 2014 aansluiting gezocht bij de in januari 2012 door partijen gemaakte afspraak dat de man tijdelijk € 175,- per kind per maand zal voldoen, en wel in dier voege, dat de verschuldigde bijdrage is bepaald op een bedrag van € 175,- per kind per maand over de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2013, en op een bedrag van € 140,- per kind per maand met ingang van 19 april 2013. Het hof, dat de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd, heeft deze wijziging van de beschikking van 2 juli 2003 in stand gelaten.

3.5

In de bestreden beschikking kan ten slotte niet worden gelezen dat, anders dan het middel onder 16 voor mogelijk houdt, het hof (impliciet) ervan zou zijn uitgegaan dat de man een hogere draagkracht heeft dan ten tijde van de beschikking waarvan wijziging is verzocht (en dat deze hogere draagkracht de beide, hiervóór onder 3.4 bedoelde wijzigingen van omstandigheden zouden kunnen ondervangen).

Volledigheidshalve teken ik in dit verband nog aan dat, anders dan in de toelichting op middel I onder 16 wordt gesteld, de rechtbank de draagkracht van de man over de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2013 niet op € 525,- heeft vastgesteld5 en dat het hof een dergelijke vaststelling (dus) ook niet heeft bekrachtigd. Daarbij komt dat het hof de beschikking waarvan beroep alleen heeft bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en de procedure in appel niet zag op de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 20136.

3.6

Middel II klaagt onder 17 dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:392 lid 1 sub a BW en art. 1:397 lid 2 BW blijk heeft gegeven door op geen enkele wijze bij zijn oordeel te betrekken dat de man op grond van de wet (art. 1:392 lid 1 sub a BW) mede onderhoudsplichtig is jegens [kind 4] en [kind 5] , en op de voet van art. 1:397 lid 2 BW samen met [betrokkene 1] ieder naar rato van hun draagkracht in de kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen dient bij te dragen, welke rechtsfeiten niet zijn betwist. Volgens het middel kan de bestreden beschikking om die reden niet in stand blijven.

Voor zover de bestreden beschikking aldus dient te worden begrepen dat deze omstandigheden niet relevant zijn nu de man zijn stelling dat er sprake is van een wijziging in zijn draagkracht en dat hij niet in staat is noch in staat geacht kan worden de bijdragen te voldoen onvoldoende heeft onderbouwd, heeft het hof, volgens het middel onder 18 miskend dat het feit dat de draagkracht van de man over meer kinderen moet worden verdeeld op zichzelf reeds grond voor wijziging kan opleveren.

Voor zover de bestreden beschikking aldus moet worden begrepen dat het hof de omstandigheid dat de man mede onderhoudsplichtig is jegens [kind 4] en [kind 5] bij zijn oordeel heeft betrokken - en aldus in zijn overwegingen besloten zou liggen dat de man, rekening houdend met zijn aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 4] en [kind 5] , nog immer in staat zou zijn om een bijdrage van € 140,- per kind per maand voor [kind 1] en [kind 2] te voldoen -, klaagt het middel onder 19 dat de bestreden beschikking niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen voldoet. Het hof had, nog steeds volgens het middel, kenbaar moeten ingaan op de grieven van de man en uit de beschikking kan niet worden afgeleid dat het hof dat heeft gedaan en welke de gedachtegang van het hof op dit punt is geweest.

3.7

Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof zou hebben miskend dat de man ook jegens [kind 4] en [kind 5] onderhoudsplichtig is. Zoals hiervóór (onder 3.4) reeds aan de orde kwam, was het feit dat de man niet langer uitsluitend jegens [kind 1] en [kind 2] onderhoudsplichtig was, voor de rechtbank juist aanleiding de voor [kind 1] en [kind 2] verschuldigde bedragen opnieuw te beoordelen, hetgeen tot een (door het hof bekrachtigde) wijziging van de alimentatiebeschikking van 2 juli 2003 ten voordele van de man heeft geleid. Om die reden faalt niet slechts de klacht met betrekking tot een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:392 lid 1 sub a BW en art. 1:397 lid 2 BW, maar ook de klacht dat het hof zou hebben miskend dat het feit dat de draagkracht van de man over meer kinderen moet worden verdeeld, op zichzelf reeds een grond voor wijziging kan opleveren (zie ook hiervóór onder 3.4).

Het middel bevat onder 19 geen concrete verwijzingen naar grieven die in verband met de onderhoudsplicht van de man jegens [kind 4] en [kind 5] nadere bespreking zouden behoeven, maar ik neem aan dat de klacht in het bijzonder ziet op het gestelde in het beroepschrift onder 21:

“21. De rechtbank heeft niet betrokken in zijn overwegingen en oordeelsvorming dat de man ook onderhoudsplichtig is voor zijn twee andere kinderen uit zijn huidige huwelijk. Daarnaast neemt de rechtbank ten onrechte in zijn overwegingen niet mee dat de man onderhoudsplichtig naast [kind 1] en [kind 2] ook onderhoudsplichtig is voor [kind 4] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] en [kind 5] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] . De rechtbank had dan in ieder geval de vastgestelde draagkracht gelijkelijk over zijn vier kinderen moeten verdelen. Alsdan blijft er een bijdrage over voor [kind 2] en [kind 1] van totaal € 140,- per maand.”

De rechtbank heeft in rov. 5.8 van haar beschikking geoordeeld “dat van de man, in het licht van zijn onderhoudsverplichting jegens [kind 1] en [kind 2] , verlangd kan worden dat hij zich op korte termijn op enigerlei wijze een zodanig inkomen verwerft dat hij een bijdrage ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] van € 140,00 per kind per maand kan voldoen (…)”. De man heeft in zijn hierboven geciteerde beroepschrift dit oordeel aldus uitgelegd, dat voor de kinderen van de man (onder wie ook [kind 4] en [kind 5] ) volgens de rechtbank een totaalbedrag van € 280,- beschikbaar zou zijn. Dat is naar mijn mening echter niet wat de rechtbank heeft bedoeld. Kennelijk heeft de rechtbank bedoeld dat van de man kan worden gevergd dat hij zich een zodanig inkomen verwerft, dat hij, uiteraard mede gelet op zijn andere verplichtingen, waaronder zijn onderhoudsverplichting jegens [kind 4] en [kind 5] , in staat is in de kosten van [kind 1] en [kind 2] met € 140,- per kind per maand bij te dragen. Dat laatste is kennelijk ook het oordeel dat het hof in rov. 4.7 heeft overgenomen; in die rechtsoverweging heeft het hof, kennelijk doelend op de onderhoudsplicht van de man jegens [kind 1] en [kind 2] , overwogen: “(…) het hof gaat er vanuit dat hij (in ieder geval) in de periode vanaf 2013 in staat moet worden geacht een zodanig inkomen te kunnen genereren dat hij in staat is een bijdrage van € 140,- per kind per maand te voldoen.” Waar rechtbank en hof bij de vaststelling van de ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] verschuldigde bijdrage kennelijk niet zijn uitgegaan van een bepaald, voor alle kinderen van de man beschikbaar totaalbedrag, was de in het beroepschrift gesignaleerde noodzaak om ook [kind 4] en [kind 5] in de verdeling van een dergelijk bedrag te betrekken niet aan de orde en behoefde het hof daarop ook niet nader in te gaan.

Ook de klachten van middel II zijn daarom tevergeefs voorgesteld.

3.8

Middel III klaagt onder 20 dat het hof, door geen (althans niet kenbaar) rekening te houden met de onderhoudsverplichting van de moeder én de onderhoudsverplichting van de stiefvader, van een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:392 lid 1 sub a BW (ten aanzien van de moeder), art. 1:395 BW respectievelijk 1:395a lid 2 BW en art. 1:397 lid 2 BW is uitgegaan en heeft miskend dat de onderhoudsplicht van de stiefvader in beginsel van gelijke rang is als de onderhoudsverplichting van de man respectievelijk de vrouw.

Volgens het middel onder 21 heeft het hof miskend dat het enkele feit dat de man wellicht in staat is om € 140,- per kind per maand te betalen nog niet automatisch met zich brengt dat hij daartoe - gelet op de aanwezigheid van twee andere onderhoudsplichtigen - rechtens ook kan worden gehouden, gelet op het bepaalde in art. 1:397 lid 2 BW jo 1:392 lid 1 sub a, 1:395 en 1:395a lid 2 BW.

Het middel vervolgt onder 22 dat het hof - gelet op de door de man aan zijn verzoek ten grondslag gelegde wijzigingsgronden en de in appel naar voren gebrachte grieven - de draagkracht van de moeder respectievelijk stiefvader niet zonder nadere motivering buiten beschouwing had mogen laten.

Voor zover de beschikking aldus gelezen dient te worden dat het hof van oordeel is dat het aandeel van de man in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] (rekening houdend met de resterende behoefte na aftrek van eigen inkomsten) € 140,- per kind per maand bedraagt, voldoet de beschikking niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen nu niet kenbaar is wat de gedachtegang van het hof op dit punt is geweest, aldus het middel onder 23.

3.9

De klacht onder 20 faalt, omdat het hof zich zeer wel bewust is geweest van de samenloop van de onderhoudsverplichting van de man met die van de vrouw en haar huidige echtgenoot jegens [kind 1] en [kind 2] . In rov. 4.2 heeft het hof, in verband met de behoefte van [kind 1] en [kind 2] , als volgt overwogen:

“(…) Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat het door [kind 1] en [kind 2] gestelde - niet betwiste - inkomen, hun behoefte niet noemenswaardig heeft verminderd in die zin dat het aandeel van de man daarin, gelet op zijn hierna te noemen draagkracht, - ook, met inachtneming van de onderhoudsverplichting van de vrouw en haar echtgenoot alsmede een eventuele zorgkorting ten aanzien van [kind 2] - lager dan € 140,- per kind per maand zou zijn” (onderstreping toegevoegd; LK).

3.10

Ook de klacht onder 21 is tevergeefs voorgesteld. Anders dan het middel veronderstelt, was het hof zich blijkens de hiervoor geciteerde passage uit rov. 4.2 van de aanwezigheid van twee andere onderhoudsplichtigen bewust. Alhoewel het hof de hiervoor (onder 3.9) geciteerde passage op de behoefte van [kind 1] en [kind 2] heeft toegespitst, heeft het de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage van de man voor [kind 1] en [kind 2] van € 140,- per kind per maand kennelijk met de onderhoudsverplichting van de vrouw en die van haar echtgenoot verenigbaar geoordeeld, óók in die zin dat, mede gelet op de ook op de vrouw en haar echtgenoot jegens die kinderen rustende onderhoudsplichten, die bijdrage niet uitgaat boven de rechtens van de man gevergde proportionele bijdrage in de (door de rechtbank per 1 januari 2013 op € 459,93 per kind gestelde7) kosten van [kind 1] en [kind 2] . Het hof heeft dat oordeel weliswaar niet nader aan de hand van een concrete vergelijking van de draagkracht van elk van de drie onderhoudsgerechtigden verantwoord, maar daartoe bestond ook geen aanleiding, nu het hof de grieven II-V van de man (in cassatie onbestreden) aldus heeft opgevat dat deze in de kern de draagkracht van de man betroffen (rov. 4.4). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat het zich, na de (overigens door middel VI bestreden) verwerping van grief I van de man (met betrekking tot de behoefte van [kind 1] en [kind 2] ), kon beperken tot de vraag of een bijdrage van € 140,- per kind per maand de draagkracht van de man al dan niet overtreft, en niet nader behoefde te treden in de vraag of een dergelijke bijdrage al dan niet overeenkwam met het aandeel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] dat rechtens van de man kon worden gevergd, gelet op de draagkracht van elk van de drie onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin elk van hen tot de onderhoudsgerechtigden staat (art. 1:397 lid 2 BW).

3.11

De klacht onder 22 dat het hof - gelet op de door de man aan zijn verzoek ten grondslag gelegde wijzigingsgronden en de in appel naar voren gebrachte grieven - de draagkracht van de moeder respectievelijk stiefvader niet zonder nadere motivering buiten beschouwing had mogen laten, mist eveneens doel. Het hof, dat de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd, heeft evenals de rechtbank een relevante wijziging van omstandigheden, die tot een herbeoordeling van de door de man verschuldigde onderhoudsbijdragen aanleiding gaf, aanwezig geoordeeld. Die herbeoordeling heeft de rechtbank vervolgens tot een wijziging van de laatste alimentatiebeschikking geleid, in die zin dat de door de man verschuldigde onderhoudsbijdragen zijn verlaagd, voor de periode met ingang van 19 april 2013 tot € 140,- per kind per maand. In hoger beroep heeft de man weliswaar met zijn grief I de behoefte van [kind 1] en [kind 2] ter discussie gesteld, maar niet met het argument dat ook de moeder en de stiefvader naar rato in die behoefte dienen te voorzien. De grieven II-V betreffen volgens de daaraan door het hof gegeven (en in cassatie onbestreden) uitleg in de kern de draagkracht van de man (en dus niet de verdeling van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] over de drie onderhoudsplichtigen8).

3.12

Ten slotte klaagt het middel onder 23 dat de bestreden beschikking, voor zover zij aldus dient te worden gelezen dat het hof van oordeel is dat het aandeel van de man in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] (rekening houdend met de resterende behoefte na aftrek van eigen inkomsten) € 140,- per kind per maand bedraagt, niet voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen, nu niet kenbaar is wat de gedachtegang van het hof op dit punt is geweest. Ook die klacht acht ik niet gegrond. Naar mijn mening heeft het hof in rov. 4.2 niet meer bedoeld dan dat de (geringe) eigen inkomsten van [kind 1] en [kind 2] hun behoefte niet dusdanig verminderen, dat het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 140,- als gevolg daarvan het deel van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] waarin de man dient te voorzien, zou overtreffen. Alhoewel een exacte en cijfermatige onderbouwing van dit oordeel ontbreekt (daartegen richt zich middel VI), acht ik de gedachtegang van het hof (die heeft geleid tot een verwerping van grief I), ook zonder nadere motivering, op zichzelf niet onbegrijpelijk.

Volledigheidshalve wijs ik nog erop dat het hof, kennelijk doelend op het bedrag van € 140,- per kind per maand, in rov. 4.3 van de “grens” van de onderhoudsverplichting van de man heeft gesproken. Kennelijk heeft het hof daarmee bedoeld dat de door de behoefte van [kind 1] en [kind 2] bepaalde bovengrens van de onderhoudsbijdrage van de man € 140,- per kind per maand bedraagt, nu de rechtbank de onderhoudsbijdrage van de man op dat bedrag heeft vastgesteld en de grief van de man, die op een lagere dan de door de rechtbank in aanmerking genomen behoefte van [kind 1] en [kind 2] was gericht, faalt.

3.13

Middel IV klaagt onder 24 dat het hof geen (althans niet kenbaar) rekening heeft gehouden met de schulden van de man en de daarover verschuldigde rente en niet heeft beslist op de in dat kader aangevoerde grieven. Volgens het middel heeft het hof aldus oordelend miskend dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht, ongeacht of daadwerkelijk op die schulden wordt afgelost. Onder 25 herinnert het middel eraan dat het hof in rov. 2.5 heeft vastgesteld dat de rekening-courantschuld van de man volgens de relevante belastingaangiften op 1 januari 2010 € 642.531,- bedroeg, op 31 december 2010 € 352.745,-, in 2012 € 460.404,- en dat die schuld volgens de man in 2013 € 486.712,- bedroeg. Voorts herinnert het middel onder 26 eraan dat de man in zijn beroepschrift onder 20 respectievelijk 26-29 heeft geklaagd over het feit dat de rechtbank met zijn schuld aan Nuon9 respectievelijk zijn rekening-courantschuld geen rekening heeft gehouden. Onder 27 klaagt het middel dat, voor zover het oordeel van het hof aldus dient te worden begrepen dat de man zijn schulden onvoldoende heeft onderbouwd, dat oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de vaststelling van het hof in rov. 2.5, alsmede in het licht van het partijdebat en de door de man overgelegde stukken. Voor zover het bestreden oordeel aldus dient te worden begrepen dat de man onvoldoende zou hebben aangetoond dat hij rente over de rekening-courantschuld is verschuldigd, is dat oordeel volgens het middel onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat en van de alimentatiebeschikking waarvan wijziging werd verzocht en die nog van een rente van 4,9% over de rekening-courantschuld uitging.

3.14

Aan het slot van rov. 4.5 heeft het hof geconcludeerd dat onder de eerder in die rechtsoverweging vermelde omstandigheden het ervoor moet worden gehouden dat de man onvoldoende inzage in zijn financiële situatie heeft gegeven. Het hof heeft in dat verband in rov. 4.5 in aanmerking genomen (i) dat de man aanvankelijk een aanzienlijke huur van € 1.350,- per maand betaalde (waarvoor hij gedurende zes maanden bij wijze van bijzondere bijstand een woonkostentoeslag van € 950,98 heeft ontvangen), maar ondanks voorrang voor een woning waarvoor recht op huursubsidie bestaat, weer een woning heeft betrokken voor nagenoeg dezelfde hoge lasten, te weten € 1.100,- (kale huur) per maand, terwijl hij geen woonkostentoeslag meer ontvangt en geen recht heeft op huursubsidie, (ii) dat de man heeft gesteld dat zijn gezin wordt onderhouden uit de inkomsten van zijn partner, maar dat, nu de winst uit haar onderneming in 2013 € 23.544,- bedroeg en over 2014 hoogst waarschijnlijk lager zal uitvallen, niet waarschijnlijk is dat deze inkomsten daarvoor zonder nadere bijdragen voldoende zijn, (iii) dat de man weliswaar heeft gesteld dat zijn financiële situatie uitzichtloos is, maar heeft nagelaten aan te tonen wat hij heeft ondernomen om het tij te keren. Wat de onder (i) en (ii) vermelde omstandigheden betreft, lijkt het hof te suggereren dat de man mogelijk over meer middelen (inkomsten of vermogen) beschikt dan hij in de procedure heeft verantwoord. Die omstandigheden behoeven daarop echter niet te wijzen. Dat de man naar het oordeel van het hof te hoge woonlasten heeft, impliceert niet dat hij die te hoge woonlasten ook zonder bezwaar kan opbrengen; te hoge woonlasten kunnen overigens bij de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud worden verdisconteerd door deze gedeeltelijk buiten aanmerking te laten, maar dat is niet wat het hof heeft gedaan. Ook het feit dat de inkomsten van de partner van de man onvoldoende lijken om de kosten van zijn huidige gezin geheel te dragen, behoeft niet erop te wijzen dat de financiële situatie van de man beter is dan hij heeft voorgesteld; dat het uit de stellingen van de man af te leiden gezinsinkomen van de man en zijn partner tekortschiet, zou ook erop kunnen wijzen dat reeds de kosten van het huidige gezin van de man tot een verder oplopen van diens schulden (of het verder interen op diens vermogen) leiden. De omstandigheid onder (iii) betreft niet zozeer de vraag of voldoende inzicht bestaat in de actuele financiële situatie van de man (en zijn partner), maar de (reeds door de rechtbank in ontkennende zin beantwoorde) vraag of de man, mede gelet op zijn onderhoudsplicht jegens [kind 1] en [kind 2] , voldoende heeft gedaan en voldoende doet om zijn financiële situatie te verbeteren. Op dat laatste aspect is het hof in rov. 4.6 vervolgens uitgebreid ingegaan, om uiteindelijk te concluderen dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij, gelet op zijn opleiding en werkervaring, niet in staat zou zijn een inkomen uit loondienst te genereren waarmee hij in ieder geval in staat is aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting te voldoen.

De conclusie dat het ervoor moet worden gehouden dat de man onvoldoende inzage in zijn financiële situatie heeft gegeven, heeft, gelet op het vorenstaande, in elk geval geen betrekking op de door hem gestelde schulden. Zou het hof dat anders hebben bedoeld, dan zou ik dat oordeel reeds in het licht van rov. 2.5 onbegrijpelijk achten.

Het middel klaagt naar mijn mening terecht dat het hof de door de man gestelde schulden niet (kenbaar) in aanmerking heeft genomen. Dat laatste hangt hiermee samen dat het hof, evenals de rechtbank, ervan is uitgegaan dat de man zich inkomsten uit loondienst kan verwerven, zonder die inkomsten te kwantificeren, anders dan met de slotsom dat die inkomsten de man in elk geval in staat zullen stellen de litigieuze bijdrage van € 140,- per kind per maand voor [kind 1] en [kind 2] te voldoen. Als gevolg daarvan is ongewis welk inkomen de man zich naar het oordeel van (de rechtbank en) het hof zal kunnen verwerven, zodat ook niet kan worden gecontroleerd of het door (de rechtbank en) het hof kennelijk beoogde inkomen uit loondienst daadwerkelijk voor de litigieuze bijdrage volstaat, als óók de door de man gestelde schulden (en zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen uit zijn huidige relatie) in aanmerking worden genomen. Een en ander klemt temeer nu voor de hand ligt dat de rechtbank en het hof zich bij de vaststelling respectievelijk toetsing van de litigieuze bijdrage van € 140,- per kind per maand vermoedelijk niet zozeer door de hoogte van het potentiële inkomen van de man uit loondienst, als wel door de (in rov. 2.4 van de bestreden beschikking gereleveerde) afspraken tussen partijen hebben laten leiden. De rechtbank heeft de door de man verschuldigde bijdrage over de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2013 onder uitdrukkelijke verwijzing naar die afspraken (zie rov. 5.2 van de beschikking van de rechtbank) op € 175,- per kind per maand bepaald; het ligt voor de hand dat het voor de periode met ingang van 19 april 2013 bepaalde bedrag van € 140,- per kind per maand niet uitgaande van een bepaald potentieel inkomen en de daarop in mindering te brengen lasten is berekend, maar van het eerstgenoemde bedrag is afgeleid, in die zin dat daarop ten behoeve van de man een verdere korting (van exact 20%) is toegepast. Naar mijn mening kan niet zonder meer worden aangenomen dat de uitdrukkelijk als tijdelijk bedoelde afspraken van partijen, die waren bedoeld te voorzien in de financiële noodsituatie van de man, aan de wettelijke maatstaven voldeden, in die zin dat daarbij de schulden van de man (en zijn verdere lasten) naar behoren en ten volle in aanmerking zijn genomen. Weliswaar is op het door partijen als tijdelijk overeengekomen bedrag van € 175,- nog een verdere korting toegepast, maar het uiteindelijke bedrag van € 140,- is noch door de rechtbank, noch door het hof gemotiveerd, laat staan gerelateerd aan de door de man gestelde schulden (en zijn verdere lasten).

Ik acht de klacht van het middel dan ook gegrond.

3.15

Middel V klaagt onder 28 dat het hof niet kenbaar heeft beslist op de grief dat bij de becijfering van de door hem aan de moeder respectievelijk de kinderen te betalen bijdrage rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting. De in alinea 20 van het beroepschrift opgenomen stelling ter zake betreft volgens het middel een essentiële stelling, die het hof, gelet op de richtlijn alimentatienormen die geldt voor gevallen met een ingangsdatum gelegen na 1 april 2013, niet zonder enige motivering buiten beschouwing had mogen laten. Het middel betoogt dat, in het bijzonder nu het hof in rov. 4.2 van “een eventuele zorgkorting ten aanzien van [kind 2] ” heeft gesproken, uit de bestreden beschikking niet duidelijk wordt of het hof ook daadwerkelijk rekening heeft gehouden met een zorgkorting, zodat de beschikking niet aan de daaraan te stellen motiveringsvereisten voldoet.

3.16

De zorgkorting die in het middel wordt bedoeld, is niet mede bepalend voor de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Zij wordt berekend als percentage van de behoefte van het kind en vermindert slechts de bijdrage van de onderhoudsplichtige als de gezamenlijke draagkracht voldoende is om volledig in de behoefte van het kind te voorzien. Zoals hiervoor al aan de orde kwam, is het hof (in cassatie onbestreden) ervan uitgegaan dat met de grieven II-V slechts de draagkracht van de man aan de orde werd gesteld.

Overigens ligt in rov. 4.2 het oordeel besloten dat, óók als de man recht op een zorgkorting in de kosten van [kind 2]10 zou hebben (hetgeen het hof kennelijk niet zeker heeft geoordeeld11), zulks niet tot een bijdrage, lager dan € 140,- per maand, zou leiden.

De klacht van het middel is daarom tevergeefs voorgesteld.

3.17

Middel VI is gericht tegen de volgende passages van rov. 4.2 en 4.3:

“4.2 De man heeft in zijn eerste grief gesteld dat bij de behoefte van [kind 1] en [kind 2] rekening dient te worden gehouden met hun bijverdiensten in die zin dat de behoefte daarmee verminderd dient te worden. In zijn pleitnota stelt de man dat, nu de kinderen geen inzage in hun inkomsten hebben gegeven, zijn bijdrage om die reden op nihil dient te worden gesteld. Bij de behandeling ter zitting in hoger beroep heeft de man echter, nadat [kind 1] en [kind 2] nader omtrent de eventuele bijverdiensten hebben verklaard (zoals opgenomen onder 2.7 en 2.8 van deze beschikking), medegedeeld dat hij begrijpt dat zij daarmee thans niet in eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat het door [kind 1] en [kind 2] gestelde - niet betwiste - inkomen, hun behoefte niet noemenswaardig heeft verminderd in die zin dat het aandeel van de man daarin, gelet op zijn hierna te noemen draagkracht, - ook, met inachtneming van de onderhoudsverplichting van de vrouw en haar echtgenoot alsmede een eventuele zorgkorting ten aanzien van [kind 2] - lager dan € 140,- per kind per maand zou zijn.

4.3

De grens van de onderhoudsverplichting van de man is daarmee bepaald. (…)”

Volgens het middel onder 30 voldoet dit oordeel niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen en is het onbegrijpelijk. Het middel betoogt - aan de hand van een drietal rekenvoorbeelden, die als uitgangspunt nemen dat in hoger beroep vaststaat dat de draagkracht van de man in ieder geval niet meer bedraagt dan € 525,- per maand - dat de eigen inkomsten van de kinderen, zoals vastgesteld door het hof, wel degelijk van grote invloed zijn op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen, zodat het oordeel van het hof - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - onbegrijpelijk is, en innerlijk tegenstrijdig met het oordeel van de rechtbank dat de draagkracht van de man in de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 april 2013 € 525,- heeft bedragen, welk oordeel door het hof door bekrachtiging van de bestreden beschikking is overgenomen.

3.18

Zoals hiervóór (onder 3.5) reeds aan de orde kwam, heeft de rechtbank de draagkracht van de man in de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2013 niet vastgesteld op € 525,-, laat staan dat het hof een dergelijke vaststelling zou hebben bekrachtigd. Niettemin acht ik de klacht gegrond.

Het hof is blijkens rov. 4.1 uitgegaan van een behoefte van € 460,- per kind per maand. Op de behoefte van [kind 1] zou, blijkens rov. 2.7, een bedrag van € 144,- per maand in mindering moeten worden gebracht, zodat € 316,- resteert. Het is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk waarom die vermindering van € 460,- naar € 316,- (in de woorden van het hof) “niet noemenswaardig” zou zijn. Zonder dat duidelijkheid bestaat over het inkomen dat de man zich naar het oordeel van het hof kan verwerven en over de daaruit af te leiden draagkracht van de man (alle lasten van de man, waaronder in het bijzonder zijn schulden, daarbij in aanmerking genomen), kan voorts onmogelijk worden vastgesteld dat, ook als rekening wordt gehouden met de onderhoudsplicht van de vrouw en haar echtgenoot, de bijdrage van de man in dat resterende bedrag niet minder dan € 140,- zou bedragen. Nu het hof zich niet heeft uitgelaten over de hoogte van het door de man te verwerven inkomen uit loondienst en over de daaruit af te leiden draagkracht (alle lasten van de man daarbij in aanmerking genomen), acht ik de bedoelde vaststelling onbegrijpelijk. Daarbij komt dat met de door de rechtbank vastgestelde en de door het hof bekrachtigde bijdrage de man om en nabij 1/3 van de door de rechtbank en het hof aangenomen behoefte van [kind 1] van € 460,- zou moeten dragen (waarbij voor de rechtbank - wat daarvan overigens zij - kennelijk leidend is geweest dat van drie onderhoudsplichtigen sprake was). Met een bijdrage van 1/3 x € 316,- wordt de vastgestelde bijdrage van € 140,- echter wel degelijk onderschreden.

Voor [kind 2] is dit een en ander nog duidelijker. Op zijn behoefte van € 460,- komt naast een bedrag van € 100,- ook studiefinanciering voor een thuiswonende scholier (vanaf januari 2015: € 111,53 per maand) en zorgtoeslag ad € 48,- in mindering. De mindering van de behoefte van [kind 2] komt aldus neer op (meer dan) een halvering van zijn behoefte, en is dus, anders dan het hof heeft overwogen, zeker “noemenswaardig”. Zonder concreet inzicht in het inkomen dat de man zich volgens het hof kan verwerven, in de daaruit voortvloeiende draagkracht van de man en in de verhouding tussen die draagkracht en de draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot, kan onmogelijk worden vastgesteld dat de man in de resterende behoefte van [kind 2] van om en nabij € 200,- met ten minste € 140,- zou moeten bijdragen. Daarbij komt dat de te berekenen bijdrage van de man voorts “bestand” zou moeten zijn tegen de door het hof voor mogelijk gehouden toepassing van de (als percentage van de behoefte van het kind uitgedrukte) zorgkorting, in die zin dat ook na toepassing van die zorgkorting het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 140,- niet mag worden onderschreden.

Middel VI is daarom gegrond.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rov. 2.1-2.8 van de bestreden beschikking.

2 Zie de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2014, rov. 1.3. De brief van 15 januari 2014 bevindt zich niet in de door partijen in cassatie overgelegde procesdossiers.

3 Het proces-verbaal vermeldt als datum abusievelijk 13 april 2014.

4 ECLI:NL:GHAMS:2015:1024.

5 Het bedrag van € 525,- wordt wel genoemd in het cassatierekest onder 30, als het bedrag waarvan partijen zouden zijn uitgegaan “in hun overeenkomst” (in welk verband wordt verwezen naar prod. 8 bij het inleidend verzoekschrift). Kennelijk wordt hiermee gedoeld op de tussen partijen in januari 2012 gemaakte afspraak dat de man tijdelijk € 175,- per kind per maand zou betalen, wat voor drie kinderen tot een totaalbedrag van € 525,- per maand leidde (vgl. rov. 5.2 van de bestreden beschikking en het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 17 april 2014, p. 1; op die afspraak heeft overigens niet de in het cassatierekest onder 30 genoemde prod. 8, maar prod. 10 bij het inleidend verzoekschrift betrekking). Het feit dat de rechtbank in haar beschikking van 21 mei 2014 bij deze tussen partijen gemaakte afspraak heeft aangesloten, betekent echter niet zonder meer dat ook naar haar oordeel de voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht van de man over de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 april 2013 € 525,- bedroeg, laat staan dat zij die draagkracht op dat bedrag zou hebben vastgesteld.

6 Beroepschrift tegen wijziging alimentatie, onder 4.

7 Zie rov. 5.4 van de beschikking van de rechtbank, alsmede rov. 4.1 van de bestreden beschikking. Zie ook rov. 5.5 van de beschikking van de rechtbank waarin zij is voorbijgegaan aan het betoog van de man dat op de per 1 januari 2013 op € 459,93 per kind vastgestelde behoefte de inkomsten uit een bijbaan, de zorgtoeslag en de studiefinanciering in mindering dienen te worden gebracht. Daartegen is de man in hoger beroep tevergeefs met zijn eerste grief opgekomen; zie rov. 4.2 van de bestreden beschikking, waartegen cassatiemiddel VI zich richt.

8 De onderhoudsverplichtingen van de vrouw en haar echtgenoot worden wel aan de orde gesteld in het beroepschrift in de toelichting op grief II onder 22. Strekking van het daar gestelde is dat de vrouw (en haar echtgenoot) vanaf 19 april 2013 volledig en ruim in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] kan (kunnen) voorzien (en dus niet dat de man, de vrouw en haar echtgenoot naar rato van hun draagkracht in de kosten van [kind 1] en [kind 2] dienen bij te dragen) . Grief II is blijkens het gestelde in het beroepschrift (p. 3) overigens gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 “dat van de man, in het licht van zijn onderhoudsverplichting jegens [kind 1] en [kind 2] , verlangd kan worden dat hij zich op korte termijn op enigerlei wijze een zodanig inkomen verwerft dat hij een bijdrage ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] van € 140,00 per kind per maand kan voldoen, te meer nu de vrouw zich door middel van haar werkzaamheden voor Homeworks en PostNL ten volle inspant om haar deel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] te voldoen en een deel van de kosten van [kind 1] en [kind 2] voor rekening van de echtgenoot van de vrouw komt.”

9 Blijkens de prod. 20 en 21 van de man gaat het om schulden van resp. € 377,99 en € 1.321,26, waarvoor in december 2013 resp. oktober 2013 betalingsregelingen (4 x € 75,59 en 1 x € 75,63 resp. 11 x € 110,00 en 1 x € 111,26) zijn overeengekomen.

10 Voor wat betreft [kind 1] gaat het hof kennelijk ervan uit dat de man geen aanspraak heeft op een zorgkorting, aangezien de man [kind 1] nooit ziet (zie het proces-verbaal van 30 oktober 2014, p. 2). Zie ook de pleitaantekeningen zijdens de man ten behoeve van de zitting van de rechtbank van 17 april 2014 (p. 2): “De man heeft niet meer zoveel contact met [kind 1] zodat de man voor wat betreft [kind 1] geen recht heeft op een zorgkorting”.

11 De zorgkorting wordt toegepast in de situatie dat van een verdeling van de zorg sprake is. Het hof achtte kennelijk niet zeker of de man met betrekking tot [kind 2] aanspraak op een zorgkorting zou kunnen maken. Gelet op de uitlatingen van [kind 2] tijdens de zitting bij het hof op 30 oktober 2014, is die twijfel begrijpelijk. Zie het proces-verbaal van 30 oktober 2014, p. 2: “ [kind 2] : Ik ga naar mijn vader als dat zo uitkomt. Ik heb hem 13 oktober 2014 voor het laatst gezien. Ik zie hem ongeveer twee keer per maand.”