Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:22

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-01-2015
Datum publicatie
17-04-2015
Zaaknummer
14/02966
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1077, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Rechtsmacht Nederlandse rechter. Ambtshalve onderzoek naar de rechtsmacht (HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7065, NJ 2005/403 en HR 18 februari 2011, ECLI:HR:NL:2011:BO7116, NJ 2012/333). Verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging buitenlands arbitraal vonnis (art. 1076 Rv). Verbonden met de rechtssfeer van Nederland (art. 3 onder c Rv). Verjaring of verval van bevoegdheid tot tenuitvoerlegging krachtens recht van het land waar arbitraal vonnis is gewezen: weigeringsgrond voor erkenning of tenuitvoerlegging? Art. 1076 lid 1 onder A en B Rv. Verdeling bewijslast. Bewijsaanbod, beroep op schriftelijk bewijs (HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPr 2015/57
JOR 2015/253
JIN 2015/111 met annotatie van M. Teekens
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/02966

Mr. P. Vlas

Zitting, 23 januari 2015

Conclusie inzake:

de rechtspersoon naar buitenlands recht OAO Severnoe Rechnoe Parokhodstvo (Northern River Shipping Company),

gevestigd te Archangelsk, Russische Federatie

(hierna: NRSL)

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht Kompas Overseas Inc.,

gevestigd te Panama City, Panama

(hierna: Kompas)

In deze zaak komt de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter terecht het verlof tot tenuitvoerlegging heeft verleend van een op 26 maart 2002 door de Internationale Commerciële Arbitragerechtbank te Moskou, Russische Federatie, uitgesproken arbitraal vonnis.

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 NRSL is een rivierrederij. Haar schepen varen op de grote Russische rivieren, maar ook naar bestemmingen in onder meer Europa. Op 17 september 1997 hebben Kompas en NRSL een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een schip (de ‘Volgo-Balt - 153’). Op 21 oktober 1997 heeft NRSL het schip aan Kompas geleverd.

1.2 [A] is directeur van Kompas. [A] heeft de Russische nationaliteit en was tot eind 2004 woonachtig in de Russische Federatie. Daarna is [A] het land ontvlucht. Op 20 april 2006 heeft de United Nations High Commissioner for Refugees [A] de status van vluchteling verleend. Thans woont [A] in Nederland.

1.3 Op 5 oktober 2001 heeft Kompas op de voet van het in de koopovereenkomst opgenomen arbitraal beding tegen NRSL een arbitraal geding aanhangig gemaakt bij de Internationale Commerciële Arbitragerechtbank te Moskou, Russische Federatie (hierna: het scheidsgerecht). Dit geding betrof een vordering van Kompas voor door haar gederfde winst door het mislopen van een charter van Amador Enterprises Inc. Het scheidsgerecht had ook al op 5 november 1998 en 22 juli 1999, althans 27 juli 1999, geschillen tussen partijen op grond van de koopovereenkomst beslecht. Deze laatste geschillen betroffen klachten van Kompas over de kwaliteit van het schip die hebben geresulteerd in toekenning van schadevergoeding aan Kompas, die NRSL heeft betaald, en de teruglevering van het schip door Kompas aan NRSL.

1.4 Bij arbitraal vonnis van 26 maart 2002 (hierna: het arbitraal vonnis) heeft het scheidsgerecht NRSL veroordeeld tot betaling aan Kompas van een bedrag van in totaal US $ 909.461,97. NRSL heeft tot op heden een bedrag van US $ 1.000,- aan Kompas voldaan.

1.5 Op 20 juni 2002 heeft het Moscow City Court Kompas verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis en het verzoek van NRSL tot vernietiging van het arbitraal vonnis afgewezen. Vervolgens heeft het Supreme Court of the Russian Federation op 13 augustus 2002 het door NRSL ingestelde hoger beroep tegen het verlof tot tenuitvoerlegging afgewezen en de beslissing van het Moscow City Court bekrachtigd.

1.6 In november 2002 heeft NRSL het scheidsgerecht verzocht het arbitraal vonnis te vernietigen op grond van nieuwe feiten (kort gezegd: vervalsing van stukken door Kompas). Dit verzoek heeft het scheidsgerecht op 31 januari 2003 afgewezen. Bij brief van 25 maart 2003 heeft het scheidsgerecht dit aan NRSL bevestigd. In deze brief schrijft het scheidsgerecht verder dat de zaak conform het reglement van het scheidsgerecht als gesloten moet worden beschouwd na de definitieve uitspraak in de zaak en dat het reglement niet voorziet in de mogelijkheid van heropening van de zaak, behalve in gevallen waarin het gaat om correctie, interpretatie of een aanvulling van de uitspraak.

1.7 In februari 2003 heeft NRSL het Moscow City Court verzocht het op 20 juni 2002 verleende verlof tot tenuitvoerlegging te vernietigen, omdat Kompas een in de arbitrageprocedure ingediend bewijsstuk ter onderbouwing van haar schadeclaim zou hebben vervalst. Op 14 april 2003 heeft het Moscow City Court dit verzoek gehonoreerd en partijen verwezen naar het Arbitrazh (Commercial) Court of the City of Moscow. Laatstgenoemde rechter heeft op 16 januari 2004 het vonnis van het Moscow City Court vernietigd en het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis (alsnog) toegewezen. Het Federal Arbitrazh (Commercial) Court of the Russian Federation heeft het vonnis van het Arbitrazh (Commercial) Court op 24 maart 2004 bekrachtigd.

1.8 Op 26 oktober 2004 heeft het High Arbitrazh (Commercial) Court of the Russian Federation het verlof tot tenuitvoerlegging (gedeeltelijk) vernietigd op grond van mogelijke strijd met de openbare orde en het verzoek tot tenuitvoerlegging terugverwezen naar het Arbitrazh (Commercial) Court te Moskou. Dit gerecht kreeg de opdracht het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging opnieuw te beoordelen.

1.9 Kompas heeft haar verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging in december 2004 ingetrokken, hetgeen is bevestigd in een uitspraak van het Arbitrazh (Commercial) Court van 15 december 2004.

1.10 Op 19 mei 2005 heeft het scheidsgerecht schriftelijk bericht aan Kompas dat het arbitraal vonnis (van 26 maart 2002) in kracht van gewijsde is gegaan.

1.11 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Amsterdam op 2 februari 2011, heeft Kompas de voorzieningenrechter verzocht om – kort gezegd – verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis op grond van art. 1076 Rv.

1.12 Bij beschikking van 10 mei 2012 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in Nederland (met dien verstande dat op het ingevolge het arbitraal vonnis door NRSL aan Kompas te betalen bedrag een bedrag van US $ 1.000,- als reeds betaald in mindering moet worden gebracht), en NRSL veroordeeld in de kosten van het geding.

1.13 NRSL heeft hoger beroep ingesteld en tevens op de voet van art. 360 lid 2 Rv een incidenteel verzoek ingediend tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking totdat inhoudelijk op het hoger beroep is beslist, althans tot zekerheidstelling door Kompas, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

1.14 Het hof Amsterdam heeft bij beschikking van 16 oktober 2012 in het incident de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing waarvan beroep geschorst totdat op de hoofdzaak in hoger beroep is beslist. Voorts heeft het hof in de hoofdzaak NRSL ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, en bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

1.15 Tijdens de mondelinge behandeling op 24 januari 2013 zijn beide partijen verschenen en zijn pleitnota’s overgelegd. De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden teneinde een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven. Nadat duidelijk is geworden dat geen schikking kon worden bereikt, heeft het hof bij beschikking van 8 april 2014 de beschikking van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

1.16 In zijn beschikking van 8 april 2014 heeft het hof – kort weergegeven – overwogen dat niet is uitgesloten dat indien vast zou komen te staan dat de veroordeling in het arbitraal vonnis is verkregen op grond van een vervalst document, verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis zou moeten worden geweigerd wegens strijd met de openbare orde, en dat het aan NRSL is om haar stelling dat sprake is geweest van een vervalsing voldoende aannemelijk te maken. Volgens het hof is NRSL hierin in hoger beroep niet geslaagd (rov. 3.9-3.11). Ten aanzien van de door NRSL aangevoerde grief dat de weigering van een Russische rechter om het arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen naar Russisch recht hetzelfde effect heeft als een vernietiging van het arbitraal vonnis, heeft het hof geoordeeld dat de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen dat de weigering van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis in het land waar dat vonnis is gewezen, niet op grond van art. 1076 lid 1 Rv leidt tot weigering van erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland, tenzij de grond waarop de tenuitvoerlegging is geweigerd in het land waar het arbitraal vonnis is gewezen overeenkomt met één van de weigeringsgronden van art. 1076 Rv. Volgens het hof is hiervan geen sprake (rov. 3.16). Over de door NRSL aangevoerde grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte Nederlands recht heeft toegepast bij de beantwoording van de vraag of het recht om een arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen is verjaard, overweegt het hof dat art. 1076 Rv op dit punt geen weigeringsgrond bevat en dat, nu het verzoek tot tenuitvoerlegging is gebaseerd op Nederlands recht, de vraag of het recht op tenuitvoerlegging is verjaard naar Nederlands recht moet worden beantwoord (rov. 3.18).

1.17 NRSL heeft tegen de beschikking van het hof van 8 april 2014 tijdig2 beroep in cassatie ingesteld. Kompas heeft een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen, uiteenvallend in verschillende subonderdelen, en is gericht tegen rov. 3.7 t/m 3.11, 3.16 en 3.18 van de bestreden beschikking.

2.2

Onderdeel 1 klaagt in de kern genomen dat het hof ten onrechte heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van het verzoek van Kompas tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis van 26 maart 2002. Voor zover moet worden aangenomen dat in het oordeel van het hof ligt besloten dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van dat verzoek, is dat oordeel rechtens onjuist althans niet volgens de eisen van de wet gemotiveerd, aldus het onderdeel.

2.3

Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld. De onderhavige procedure inzake het verzoek tot verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis is gebaseerd op art. 1076 Rv. Weliswaar zijn de Russische Federatie en het Koninkrijk der Nederlanden beide partij bij het Arbitrageverdrag van New York van 10 juni 19583, maar art. VII lid 1 Arbitrageverdrag staat toe dat voor de erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitrale uitspraak gebruik wordt gemaakt van de wetgeving of de internationale overeenkomsten van het land waar op die uitspraak beroep wordt gedaan. Voor de tenuitvoerlegging van het onderhavige arbitraal vonnis in Nederland, kan derhalve beroep worden gedaan op art. 1076 Rv.4

2.4

Art. 1076 lid 6 Rv verklaart art. 985 tot en met 991 Rv van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter van de rechtbank in de plaats treedt van de rechtbank, de termijn van hoger beroep en cassatie twee maanden bedraagt en geen stukken behoeven te worden overgelegd waaruit blijkt dat het arbitraal vonnis uitvoerbaar is in het land waar het is gewezen.5 Ingevolge art. 985 jo. 1076 lid 6 Rv is voor de kennisneming van het verzoek tot verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitrale uitspraak bevoegd de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de wederpartij van de verzoeker woonplaats heeft en die van het arrondissement waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd. Het betreft hier niet alleen een regeling van de relatieve competentie, maar ook van de internationale bevoegdheid (rechtsmacht).6 In dit verband is het van belang te wijzen op art. 10 Rv, welke bepaling de functie van ‘sluitsteen’ heeft in het geheel van bepalingen inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, opgenomen in de eerste afdeling van de eerste titel van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 1-14 Rv).7 Volgens art. 10 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in het geval van art. 767 Rv, alsmede indien dit voortvloeit uit de bepalingen tot aanwijzing van een bevoegde rechter, niet zijnde de algemene bepalingen inzake relatieve competentie voor de dagvaardingsprocedure (art. 99-110 Rv) en voor de verzoekschriftprocedure (art. 262-270 Rv). Art. 10 Rv kan een rol spelen wanneer door de bepalingen van de eerste afdeling – in de woorden van de wetgever – ‘niet in rechtsmacht is voorzien èn voorzover uit de specifieke bepaling zelf niet voortvloeit dat zij alleen op interne relatieve bevoegdheid betrekking heeft’.8

2.5

Uit het bepaalde in art. 10 Rv volgt dat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van het verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis kan worden gebaseerd op art. 985 Rv jo. art. 1076 lid 6 Rv, wanneer de rechtsmacht niet voortvloeit uit een andere bepaling opgenomen in de genoemde eerste afdeling.9 De bevoegdheidsgronden van art. 985 Rv jo. art. 1076 lid 6 Rv werken voor het bepalen van de internationale bevoegdheid derhalve niet exclusief, maar gelden krachtens art. 10 Rv als ‘sluitsteen’. Zou bijvoorbeeld de verzoeker van het verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats hebben, dan komt aan de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toe op grond van art. 3, aanhef en onder a, Rv. Komt de Nederlandse rechter niet op grond van art. 2 t/m 8 Rv rechtsmacht toe, dan heeft de rechter desalniettemin op grond van art. 9, aanhef en onder a, Rv rechtsmacht indien het geschil ‘een rechtsbetrekking betreft die ter vrije bepaling van partijen staat en de gedaagde of belanghebbende in de procedure is verschenen niet uitsluitend of mede met het doel de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten, tenzij voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter geen redelijk belang aanwezig is’.10

2.6

De onderhavige procedure betreft het verkrijgen van het verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis, waarin NRSL (op grond van een door Kompas ingestelde vordering voor door haar gederfde winst wegens een misgelopen charter) is veroordeeld tot betaling van een geldsom. Een dergelijke rechtsbetrekking (een geschil van vermogensrechtelijke aard) staat ter vrije bepaling van partijen.11

2.7

NRSL is in de onderhavige procedure verschenen, en heeft – nadat zij zich aanvankelijk tegen de beoordeling van de zaak door de Nederlandse rechter heeft verzet12 – de rechtsmacht van de Nederlandse rechter aanvaard op grond van art. 9, aanhef en onder a, Rv. In dat verband kan worden gewezen op de volgende passage in het nader verweer van NRSL in eerste aanleg13:

‘12. (…) Het probleem moet toch eens worden opgelost, en NRSL heeft geen belang bij vertraging.

13. Om dezelfde reden heeft NRSL besloten het (op zichzelf naar haar oordeel zeker gegronde) bevoegdheidsverweer prijs te geven. Uit de bijeenkomsten na de schorsing van de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat Kompas, meer in het bijzonder haar directeur en enig aandeelhouder [A], hoe dan ook de strijd tegen NRSL wenst te vervolgen. Handhaving van het bevoegdheidsverweer zou tot een beschikking houdende onbevoegdheid van de voorzieningenrechter hebben geleid maar niet tot een oplossing van het probleem. Uit de houding van Kompas was duidelijk dat dan een hoger beroep of een nieuw verzoek, dan wel enige actie in aan andere jurisdictie zou volgen. NRSL is actief in een aantal landen (voor een rederij ligt dat voor de hand), en een onbevoegdheid zou alleen kunnen leiden tot verplaatsing van het probleem en vertraging in de inhoudelijke afdoening daarvan.

14. Dat neemt niet weg dat NRSL van mening was en blijft dat er op zichzelf geen grond voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter was, om redenen aangegeven in het verweerschrift en toegelicht op 24 mei 2011. Maar die bevoegdheid kan natuurlijk wel gevestigd worden doordat de verwerende partij ervoor kiest zich niet (meer) op de onbevoegdheid te beroepen, en dat is nu gebeurd (art. 9 sub a Rv.)’.

2.8

Hieruit volgt dat NRSL uitdrukkelijk haar bevoegdheidsverweer heeft prijsgegeven en zich heeft onderworpen aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, zodat kan worden gesproken van een impliciete (stilzwijgende) forumkeuze voor de Nederlandse rechter in de zin van art. 9, aanhef en onder a, Rv. NRSL heeft vervolgens (slechts) inhoudelijk verweer gevoerd tegen het verzochte verlof voor de tenuitvoerlegging.

2.9

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft in de beschikking van 10 mei 2012 geen overweging gewijd aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en is kennelijk ervan uitgegaan dat de rechtsmacht voortvloeit uit de stilzwijgende aanvaarding daarvan. In hoger beroep heeft NRSL hiertegen geen grief gericht. NRSL heeft zich (ook) in de appelprocedure op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op basis van een na de mondelinge behandeling in eerste aanleg tussen partijen gesloten overeenkomst. In dat verband kan worden gewezen op de volgende passage in het beroepschrift van NRSL, waar ter toelichting op grief II wordt opgemerkt14:

‘(d) ook heeft de rechtbank ten onrechte onvermeld gelaten dat volgens NRSL er oorspronkelijk geen basis was voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter, en dat die rechtsmacht alleen tot stand is gekomen door een pas na de mondelinge behandeling tussen partijen gesloten overeenkomst in dat opzicht.

Ook die overeenkomst had een geschiedenis, en de rechtbank had toch ten minste deze basis van de rechtsmacht moeten vermelden omdat deze niet los is te zien van de overige stellingen van NRSL’.

2.10

Het is mij uit de gedingstukken in feitelijke aanleg niet duidelijk geworden of NRSL en Kompas op enig moment in de procedure een uitdrukkelijke forumkeuze in de zin van art. 8 lid 1 Rv zijn overeengekomen ten gunste van de Nederlandse rechter. Deze vraag kan hier echter buiten beschouwing blijven, omdat aangenomen moet worden dat NRSL de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in ieder geval stilzwijgend heeft aanvaard op de voet van art. 9, aanhef en onder a, Rv.

2.11

Met het prijsgeven van haar bevoegdheidsverweer in eerste aanleg heeft NRSL haar recht verwerkt om zich in een later stadium van de procedure alsnog op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter te beroepen. Op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet tijdig een beroep worden gedaan en wel in eerste aanleg vóór alle weren ten gronde. Deze regel dient de goede procesorde en is voor het commune bevoegdheidsrecht opgenomen in art. 11 Rv.15

2.12

Gelet op het vorenstaande behoefde het hof geenszins ambtshalve een onderzoek te doen naar de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin is sprake van schending van de motiveringsplicht. Het eerste onderdeel faalt derhalve.

2.13

Voor zover in het onderdeel (1.d) nog de klacht gelezen kan worden dat het hof ambtshalve had moeten onderzoeken of sprake is van een redelijk belang voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, faalt het onderdeel eveneens. In art. 9, aanhef en onder a, Rv is, zoals hierboven reeds is opgemerkt, geregeld dat de rechter rechtsmacht toekomt, indien de verweerder of de belanghebbende voor de rechter verschijnt zonder de bevoegdheid te betwisten, ‘tenzij voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter geen redelijk belang aanwezig is’. De eis van ‘redelijk belang’ is ontleend aan de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van de uitdrukkelijke forumkeuze en is nadien opgenomen in art. 8 lid 1 Rv.16 De wetgever heeft gemeend dat bij stilzwijgende aanvaarding van rechtsmacht op grond van art. 9, aanhef en onder a, Rv het voorbehoud van het redelijk belang eveneens moet worden gemaakt. Dit voorbehoud zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een rol spelen.17 Voor de vraag wat onder ‘redelijk belang’ bij stilzwijgende aanvaarding van rechtsmacht wordt verstaan, verwijst de parlementaire geschiedenis naar hetzelfde begrip ten aanzien van de uitdrukkelijke forumkeuze van art. 8 lid 1 Rv en worden als voorbeelden van redelijk belang genoemd: neutraliteit van de rechter, deskundigheid met betrekking tot de lex fori of het onderwerp van geschil, tegengaan van forumshopping (rechtszekerheid).18 In de onderhavige procedure heeft NRSL aangegeven belang te hebben bij een snelle uitspraak (zie hierboven onder 2.7). Kennelijk heeft de rechtbank aangenomen dat in deze zaak geen sprake is van het ontbreken van redelijk belang. Nu daartegen in hoger beroep geen grief was gericht, behoefde het hof niet ambtshalve te onderzoeken of redelijk belang voor het aanvaarden van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ontbrak.

2.14

Onderdeel 2 valt uiteen in twee subonderdelen. Subonderdeel 2.1 betreft – kort weergegeven – het oordeel van het hof in rov. 3.17 en 3.18 omtrent de verjaring van het recht op tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in de Russische Federatie. Het subonderdeel klaagt dat het hof een onjuiste althans onbegrijpelijke en/of onvoldoende gemotiveerde beslissing heeft gegeven door te oordelen dat art. 1076 Rv geen weigeringsgrond bevat van de strekking dat verlof zou moeten worden geweigerd indien het recht op tenuitvoerlegging in het land waar de arbitrale uitspraak is gewezen, is verjaard. Volgens het onderdeel had het hof moeten oordelen dat de verjaring van het recht op tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in de Russische Federatie in de weg staat aan het verlenen van het verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland wegens strijd met de openbare orde.

2.15

In de onderhavige procedure heeft Kompas de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis verzocht op de voet van art. 1076 Rv. Op grond van het bepaalde in art. 1076 lid 1 Rv kan – indien geen erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag van toepassing is, of een toepasselijk verdrag toelaat zich te beroepen op de wet van het land waar de erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht – een in een vreemde staat gewezen arbitraal vonnis in Nederland worden erkend en kan daarvan in Nederland de tenuitvoerlegging worden verzocht, tenzij sprake is van één van de in dat artikellid limitatief opgesomde gronden tot weigering van erkenning en tenuitvoerlegging. Daarbij zal de rechter de gronden die in dat artikellid onder letter A zijn vermeld, niet ambtshalve mogen toepassen. De partij tegen wie de erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht zal moeten stellen en bewijzen dat zich één van die gronden voordoet. De grond onder letter B – erkenning of tenuitvoerlegging is strijdig met de openbare orde – moet evenwel ambtshalve door de rechter worden toegepast.19

2.16

De door NRSL gestelde omstandigheid dat het recht op tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis in de Russische Federatie is verjaard, is geen grond die is vermeld in art. 1076 lid 1 Rv onder letter A op basis waarvan de erkenning en tenuitvoerlegging van dat vonnis in Nederland zou moeten worden geweigerd. Een weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis kan derhalve slechts aan de orde zijn wanneer sprake is van de in art. 1076 lid 1 Rv onder letter B genoemde grond van strijd met de openbare orde.20

2.17

De vraag rijst of de verjaring of het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een buitenlandse arbitrale beslissing volgens het recht van het land van herkomst een beletsel vormt voor de formele uitvoerbaarheid van die beslissing in Nederland en dat zulks, zoals het onderdeel betoogt, dient te leiden tot weigering van het verlof tot tenuitvoerlegging wegens strijd met de openbare orde. Recentelijk heeft de Hoge Raad in een arrest over de tenuitvoerlegging van een Russische rechterlijke beslissing op de voet van art. 431 lid 2 Rv het volgende overwogen ten aanzien van de verjaring en de formele uitvoerbaarheid21:

‘3.6.7 In het kader van het EEX-Verdrag is beslist (HvJEU 29 april 1999 (zaak C-267/97), ECLI:EU:C:1999:213, NJ 2000/477 (Coursier/Fortis Bank)) dat het begrip ‘uitvoerbaar’ in art. 31 EEX-Verdrag (thans art. 38 lid 1 EEX-Verordening) uitsluitend ziet op de formele uitvoerbaarheid van de buitenlandse beslissing, en niet op de voorwaarden waaronder die beslissing in de staat van herkomst ten uitvoer kan worden gelegd. Volgens het HvJEU moet in dit verband onderscheid worden gemaakt tussen de vraag of een beslissing formeel gezien uitvoerbaar is, en de vraag of deze beslissing wegens betaling van de schuld of om een andere reden niet meer ten uitvoer kan worden gelegd.

3.6.8

Van een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing als hiervoor in 3.6.7 bedoeld, is onder meer sprake indien tegen de (niet bij voorraad uitvoerbare) beslissing in het land van herkomst een rechtsmiddel met schorsende werking is ingesteld, dan wel de beslissing door een hogere rechterlijke instantie van het land van herkomst is vernietigd. Een dergelijk beletsel dient zich eveneens aan indien in de beslissing zelf is bepaald of daaruit voortvloeit dat deze slechts binnen een bepaalde termijn kan worden ten uitvoer gelegd en deze termijn nog niet is aangevangen dan wel reeds is verstreken.

Onder een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing als hiervoor in 3.6.7 bedoeld, kan echter niet worden verstaan de verjaring of het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de beslissing krachtens het recht van het land van herkomst daarvan, nu een en ander op zichzelf het gezag van de beslissing niet aantast.

3.6.9

Er is geen grond om in geval van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv andere uitgangspunten te hanteren bij de beoordeling van beletselen met betrekking tot de uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing dan hiervoor in 3.6.7-3.6.8 zijn vermeld.

Daarbij verdient opmerking dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van een beletsel met betrekking tot de uitvoerbaarheid als hier bedoeld, rusten op degene die aanvoert dat sprake is van een dergelijk beletsel’.

2.18

In lijn met het hierboven geciteerde oordeel van de Hoge Raad meen ik dat de door NRSL gestelde omstandigheid dat het recht op tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis in de Russische Federatie is verjaard, geen beletsel vormt voor de formele uitvoerbaarheid van dat vonnis in Nederland. Van strijd met de openbare orde in de zin van art. 1076 lid 1 Rv onder letter B is geen sprake. Ook de omstandigheid dat het High Arbitrazh (Commercial) Court of the Russian Federation het verlof tot tenuitvoerlegging (gedeeltelijk) heeft vernietigd (zie hierboven onder 1.8), staat niet aan erkenning en tenuitvoerlegging in de weg, nu een schorsing van de tenuitvoerlegging in het land van herkomst geen belemmering oplevert om op de voet van art. 1076 Rv verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen.22

2.19

Het in rov. 3.18 vervatte oordeel van het hof dat art. 1076 Rv geen weigeringsgrond bevat van de strekking dat het verlof tot tenuitvoerlegging zou moeten worden geweigerd (op de enkele grond dat) het recht op tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis in de Russische Federatie is verjaard, geeft – gelet op het vorenstaande en in het licht van het debat van partijen in de feitelijke instanties – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd, zodat de klacht van subonderdeel 2.1 faalt.

2.20

Subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof in rov. 3.18 ten onrechte Nederlands recht heeft toegepast op de vraag naar de verjaring van het recht op tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis. Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden, omdat de klacht is gericht tegen een overweging ten overvloede23 die de beslissing van het hof niet (zelfstandig) draagt.

2.21

Onderdeel 3 valt uiteen in twee subonderdelen (in het cassatierekest aangeduid met de nummers 3.1 en, per abuis, 3.3). Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het – onder ambtshalve aanvulling van rechtsgronden op de voet van art. 25 Rv – het verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis had moeten weigeren wegens strijd met de openbare orde, daar uit de vaststaande feiten en omstandigheden volgt dat het arbitrale vonnis tot stand is gekomen op een wijze die strijdig is met de openbare orde, meer in het bijzonder wegens schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor en/of het beginsel van ‘fair trial’ en ‘equality of arms’ (art. 6 EVRM). Daarmee heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het subonderdeel.

2.22

Naar de kern genomen klaagt het subonderdeel dat het verzochte verlof tot erkenning en tenuitvoerlegging door het hof (ambtshalve) had moeten worden geweigerd wegens strijd met de openbare orde op grond van de omstandigheid dat in de arbitrale procedure die heeft geleid tot het arbitraal vonnis van 26 maart 2002 niet zou zijn voldaan aan het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor. Meer in het bijzonder op grond van de omstandigheid dat NRSL de mondelinge behandeling in die arbitrale procedure niet heeft bijgewoond, en zij aldus geen kennis heeft kunnen nemen van de charterovereenkomst die door Kompas ten grondslag is gelegd aan haar vordering in de arbitrale procedure.

2.23

De enkele omstandigheid dat NRSL niet is verschenen op de mondelinge behandeling in de arbitrale procedure op 26 maart 2002, en aldus geen kennis heeft kunnen nemen van hetgeen tijdens die mondelinge behandeling aan de orde is gekomen, betekent niet dat daarmee per definitie sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Een dergelijke opvatting kan in zijn algemeenheid ook niet worden aanvaard, omdat een (verwerende) partij daarmee door simpelweg niet te verschijnen in een aanhangige procedure, de mogelijkheid zou hebben een in haar nadeel gewezen uitspraak aan te vechten op grond van strijd met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor. Het hof heeft in dit verband aan het slot van rov. 3.10 overwogen24:

‘Dat NRSL tweemaal niet ter zitting van het scheidsgerecht in de derde arbitrale procedure is verschenen en geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering van Kompas, omdat zij ervan uitging dat het scheidsgerecht zich onbevoegd zou verklaren of NRSL nog in de gelegenheid zou stellen inhoudelijk verweer te voeren, dient voor rekening van NRSL te blijven. Voor zover het scheidsgerecht de echtheid van de charterovereenkomst niet heeft onderzocht dient ook die omstandigheid, in het licht van het vorenstaande, voor rekening van NRSL te blijven, nu zij van de mogelijkheid daartegen bezwaar te maken bij het scheidsgerecht, geen gebruik heeft gemaakt’.

2.24

Dit oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, en is niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd, zodat het subonderdeel faalt.

2.25

Subonderdeel 3.3 is gericht tegen oordeel van het hof in rov. 3.9 omtrent de bewijslastverdeling met betrekking tot de stelling van NRSL dat – kort gezegd – Kompas zich in de arbitrageprocedure heeft beroepen op vervalste stukken, te weten dat het aan NRSL is om haar stelling dat sprake is geweest van een vervalsing voldoende aannemelijk te maken. Het subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de door NRSL aangedragen en ten processe vastgestelde feiten en omstandigheden grond zijn voor omkering van de bewijslast in het nadeel van Kompas op grond van het beginsel van ‘fair trial’ en het beginsel van ‘equality of arms’ en/of de redelijkheid en billijkheid (art. 150 Rv).

2.26

Het subonderdeel gaat in zoverre uit van een verkeerde lezing van het arrest van het hof. In rov. 3.10 en 3.11 heeft het hof uiteengezet dat, en waarom, de door NRSL aangevoerde omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat voldoende aannemelijk is dat Kompas de charterovereenkomst heeft vervalst en dat de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis om die reden in strijd is met de openbare orde. Ook in onderlinge samenhang bezien kunnen die omstandigheden die conclusie niet dragen, aldus het hof. Daarmee bestaat er ook geen aanleiding voor een omkering van de bewijslast, zoals door het middel bepleit. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl voor verdere toetsing in cassatie geen plaats is, nu dit oordeel berust op aan het hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel faalt mitsdien.

2.27

Onderdeel 4 klaagt tenslotte dat het hof een essentieel verweer van NRSL onbesproken heeft gelaten, door niet (kenbaar) te responderen op het verweer van NRSL dat de vernietiging door de Russische hoogste rechter, gevolgd door de onherroepelijke intrekking door Kompas van haar verzoek om tenuitvoerlegging, ertoe heeft geleid dat de arbitrale uitspraak naar Russisch recht niet meer bindend is tussen partijen, en dat het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis daarom in strijd zou zijn met de openbare orde.

2.28

De vernietiging waar NRSL hier op doelt, betreft de (gedeeltelijke) vernietiging van het verlof tot tenuitvoerlegging door het High Arbitrazh (Commercial) Court of the Russian Federation op 26 oktober 2004. Het betreft niet de vernietiging van het op 26 maart 2002 gewezen arbitraal vonnis zelf. In dat verband wordt opgemerkt dat het scheidsgerecht op 19 mei 2005 – derhalve ná de vernietiging van het verlof tot tenuitvoerlegging – schriftelijk aan Kompas heeft bevestigd dat het arbitraal vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen.25

2.29

Het hof heeft het hierboven bedoelde verweer van NRSL niet onbesproken gelaten. Het hof is in rov. 3.15 en 3.16 immers ingegaan op grief XI, die betrekking heeft op dit verweer. Het hof heeft hierover geoordeeld dat – kort samengevat – de weigering van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis in het land waar dat vonnis is gewezen, niet op grond van art. 1076 lid 1 Rv leidt tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland, tenzij de grond waarop de tenuitvoerlegging in het land waar het arbitraal vonnis is gewezen is geweigerd overeenkomt met één van de weigeringsgronden genoemd in art. 1076 Rv. In dat verband heeft het hof geoordeeld dat van strijd met de Russische openbare orde niet voldoende is gebleken26 en dat in de onderhavige procedure niet voldoende aannemelijk is geworden dat het arbitraal vonnis zou berusten op vervalste stukken. De omstandigheid dat het arbitraal vonnis niet in de Russische Federatie ten uitvoer kan worden gelegd, staat daarmee niet aan de tenuitvoerlegging in Nederland in de weg, aldus het hof.

2.30

Dit oordeel van het hof geeft in het licht van het debat van partijen in de feitelijke instanties, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 4 faalt derhalve.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1-2.15 en rov. 3.1 van de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW7066; rov. 1 van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 16 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:2875, NJF 2013/114, S&S 2013/98, alsmede rov. 1 en rov. 2.1.1-2.1.15 van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1235, S&S 2014/111.

2 De cassatietermijn bedraagt in deze zaak twee maanden op grond van art. 1076 lid 6 Rv, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2015, het tijdstip waarop de Wet van 2 juni 2014, Stb. 2014, 200 (modernisering van het arbitragerecht) in werking is getreden. Met ingang van 1 januari 2015 geldt een cassatietermijn van drie maanden. Het gemoderniseerde arbitragerecht speelt in de onderhavige procedure geen rol, zie art. IV lid 4 van de Wet van 2 juni 2014.

3 Verdrag over de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, Trb. 1958, 145.

4 Zie o.a. H.J. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1076, aant. 1, met verdere verwijzingen.

5 Art. 1076 lid 6 Rv, zoals luidend in de versie vóór de inwerkingtreding per 1 januari 2015 van het gemoderniseerde arbitragerecht krachtens de Wet van 2 juni 2014, Stb. 2014, 200.

6 Zie ook H.J. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1075, aant. 2.

7 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 117; P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 10, aant. 1; Polak/Zilinsky (2014), T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 10, aant. 2.

8 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 117.

9 Zie ook P. Vlas en F. Ibili, De nieuwe commune regels inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, WPNR 2003/6527, p. 311.

10 Voor de volledigheid wijs ik erop dat de arbitrage is uitgezonderd van het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening nr. 44/2001 (art. 1 lid 2 onder d EEX-Vo). De procedure inzake verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitrale beslissing valt derhalve niet onder de EEX-Vo. De Herschikking van de EEX-Verordening (nr. 1215/2012; EEX-Vo II), die op 10 januari 2015 van toepassing is geworden, heeft op dit punt geen wijzigingen gebracht. Vgl. punt 12 van de Considerans van de EEX-Vo II.

11 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 111; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2012, nr. 219. Zie voorts P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 9, aant. 2; Polak/Zilinsky (2014), T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 9, aant. 3b, en art. 8, aant. 3c.

12 Zie ‘Verweer (ook inzake bevoegdheid)’ van 24 mei 2011 zijdens NRSL in eerste aanleg, onder 3-5 (opgenomen onder nr. 3 in het overgelegde A-dossier, doorgenummerde pagina 144).

13 Zie ‘Nader verweer’ van 23 november 2011 zijdens NRSL (opgenomen onder nr. 8 in het overgelegde A-dossier, doorgenummerde pagina’s 417-418).

14 Beroepschrift ex art. 359 jo. 989(2) jo. 1076(2) Rv zijdens NRSL (opgenomen onder nr. 10 van A-dossier), p. 6. In grief II heeft NRSL betoogd dat de rechtbank essentiële stellingen onvermeld heeft gelaten.

15 Zie ook Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 118. Ook ten aanzien van de stilzwijgende aanvaarding van rechtsmacht op grond van art. 24 EEX-Vo (en sinds 10 januari 2015 onder art. 26 EEX-Vo II) geldt krachtens vaste rechtspraak van het HvJEU dat betwisting van de bevoegdheid in ieder geval niet mag plaatsvinden ‘na het tijdstip van de stellingname die naar nationaal procesrecht als het eerste voor de aangezochte rechter voorgedragen verweer is te beschouwen’. Dit is vaste rechtspraak sedert HvJEG 24 juni 1981, zaak 150/80, ECLI:EU:C:1981:148, Jur. 1981, p. 1671, NJ 1981/546, m.nt. J.C. Schultsz (Elefanten Schuh/Jacqmain).

16 Zie HR 1 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4957, NJ 1985/698, m.nt. J.C. Schultsz (Piscator).

17 Zie P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 9, aant. 2; P. Vlas en F. Ibili, De nieuwe commune regels inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, WPNR 2003/6527, p. 313 en noot 22.

18 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 111 en 113.

19 Zie Meijer (2014), T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1076, aant. 2a; H.J. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1076, aant. 2.

20 Zie over deze grond o.a. Meijer (2014), T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1076, aant. 2.

21 HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, RvdW 2014/1059, rov. 3.6.7-3.6.9.

22 Zie Kamerstukken II 1985-1986, 18 464, nr. 6, p. 41: ‘Ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van rechtswege of door de rechter in het land waar het vonnis is gewezen, behoort geen grond voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland te zijn. (…) Indien de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis in het land van herkomst van rechtswege of door de rechter is geschorst, is het arbitrale vonnis nog niet vernietigd in dat land. Het zou dan voorbarig zijn, in Nederland reeds de tenuitvoerlegging te weigeren’. Vgl. Meijer, T&C (2014) Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1076, aant. 6.

23 Het hof gebruikt in rov. 3.18 de zinsnede: ‘Daar komt bij dat (…)’.

24 Vgl. ook het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 mei 2012, rov. 4.13-4.14.

25 Zie rov. 2.15 van de beschikking van de voorzieningenrechter van 10 mei 2012 en rov. 2.1.15 van de bestreden beschikking van 8 april 2014.

26 Dit omdat – na de vernietiging van het verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis en de terugwijzing door het High Arbitrazh (Commercial) Court of the Russian Federation – de procedure voor het Arbitrazh (Commercial) Court te Moskou niet is doorgezet.