Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2199

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
14/05651
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3203, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oplegging schadevergoedingsmaatregel mogelijk bij schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Art. 36f Sr en art. 9a Sr. Gelet op de wetsgeschiedenis moet art. 36f.1 Sr worden gelezen alsof de woorden “tot een straf” daarin niet voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05651

Zitting: 22 september 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 4 november 2014 de verdachte ter zake van “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld, maar met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte is cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr aan de verdachte heeft opgelegd.

4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Verklaart zoals hiervoor is overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

(…)

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

(…)

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 2.970,90 (tweeduizend negenhonderdzeventig euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 39 (negenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting tér zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”

5. De steller van het middel betoogt met een beroep op art. 1, tweede lid, Sr dat op basis van het gewijzigde art. 36f Sr geen ruimte (meer) bestaat voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel in het geval het hof art. 9a Sr toepast en de verdachte geen straf oplegt.

6. Art. 36f Sr is in de periode tussen het plegen van het feit en de berechting daarvan gewijzigd bij Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer.1 Door de invoeging van het door mij gecursiveerde gedeelte luidt het eerste lid van art. 36f Sr met ingang van 1 januari 2014 voor zover relevant als volgt:

“Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering. (…).”

7. De memorie van toelichting bij deze wijzigingswet houdt onder meer het volgende in:2

“De wijziging in het eerste lid bevat een technische wijziging. De rechter kan een schadevergoedingsmaatregel en een straf opleggen. Gebleken is dat de Hoge Raad reeds enkele malen heeft overwogen dat de bewoordingen van het bestaande artikel 36f, eerste lid, niet toelaten dat aan een verdachte die door de rechter van alle rechtsvervolging wordt ontslagen (bij voorbeeld omdat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard en met een last op grond van artikel 37 Sr in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen) een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Het betreft hier Hoge Raad 12 oktober 2004, NS 2004/389, en Hoge Raad 25 januari 2005, NS 2005/51. Hetzelfde geldt als de verdachte niet tot gevangenisstraf wordt veroordeeld, maar wel de maatregel tbs met dwangverpleging kan worden opgelegd. Onlangs wees de rechtbank te Breda d.d. 1 maart 2011, rekening houdend met deze rechtspraak, een vordering tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel af.(…).”

8. Zonder twijfel stond art. 36f Sr voorafgaande aan de hier bedoelde wetswijziging toe dat de maatregel van schadevergoeding werd opgelegd in het geval de rechter aanleiding zag om de verdachte schuldig te verklaren maar hem op de voet van art. 9a Sr geen straf of (andere) maatregel op te leggen. De redactie van het vigerende art. 36f Sr lijkt echter uit te wijzen dat de wetgever de rechter die ruimte heeft ontnomen; alleen in geval van strafoplegging of de oplegging van een vrijheidsbenemende maatregel is de rechter (nog) bevoegd tevens de maatregel van schadevergoeding op te leggen, althans zo laat de redactie van het vigerende art. 36f Sr zich lezen.

9. De wetsgeschiedenis leert echter anders.3 De totstandkoming van de betreffende wijzigingswet strekte er uitsluitend toe om tegemoet te komen aan de belangen van het slachtoffer van een delict. De toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, aan wie dit wetgevingstraject was toevertrouwd, achtte het onwenselijk dat de strafrechter geen schadevergoedingsmaatregel kon opleggen ingeval de dader ontoerekeningsvatbaar was en van alle rechtsvervolging werd ontslagen. Het wetsvoorstel voorzag in een harmonisering van de reikwijdte van deze maatregel met die van de vordering van de benadeelde partij in het strafgeding.4 Ook in het burgerlijk recht vormt ontoerekeningsvatbaarheid op zichzelf geen beletsel voor aansprakelijkheid.5 Een beperking van het toepassingsbereik van art. 36f Sr, te weten ingeval van veroordeling een limitering tot die gevallen waarin ter zake straf is opgelegd, werd met deze wijzigingswet allerminst beoogd. Daarvoor biedt de wetsgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt. Het lijkt de staatssecretaris simpelweg te zijn ontschoten dat zich ook gevallen (kunnen) voordoen waarin aanleiding is om de veroordeelde géén straf op te leggen.

10. De uitleg waarin de meerbesproken wetswijzing - in het geval van een veroordeling - heeft geleid tot een beperking van het toepassingsbereik van art. 36f, eerste lid, Sr, acht ik dus niet in overeenstemming met de kennelijke bedoeling van de wetgever. Ik hecht hieraan meer dan aan een strikt grammaticale uitleg van de vigerende redactie van deze bepaling. Het middel getuigt in mijn ogen dus van een onjuiste rechtsopvatting en faalt daardoor.

11. Het tweede middel komt op tegen ‘s hofs oordeel dat de benadeelde partij zich in hoger beroep heeft gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

12. De politierechter heeft in het vonnis van 2 augustus 2013, voor zover thans van belang, overwogen:

“[benadeelde], wonende te [woonplaats] aan de [a-straat], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voor-geschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2970,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

-bronzen vrouwenbeeld;

-bronzen Maria beeld;

-bronzen Madonna beeld;

-bronzen langwerpige beeld;

-vitrinekast;

-bezoek SHN - Almelo.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de politierechter is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde.

De gestelde schade voor wat betreft het Madonnabeeld is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar vordering tot schadevergoeding op dit punt alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de politierechter de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De overige opgevoerde schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk.(…)”

13. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2014 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak.

De voorzitter merkt op dat de benadeelde partij haar vordering heeft gehandhaafd.”

14. Het hof heeft in de bestreden uitspraak, voor zover thans van belang, overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.970,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.475,90. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.970,90. Het hof zal naast het door de politierechter toegewezen bedrag ook het bedrag van € 495,00 voor de schade veroorzaakt aan het bronzen madonna beeld toewijzen. Hoewel bijlage 3 bij de vordering, zijnde de factuur van dit laatste beeld, in het dossier ontbreekt, past het gevorderde bedrag qua hoogte bij de bedragen van de overige beschadigde bronzen beelden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.(…)”

15. Bij de stukken die op de voet van art. 435, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een e-mailbericht, verzonden op 11 oktober 2013, ondertekend door [betrokkene], medewerker juridische dienstverlening bij Slachtofferhulp Nederland, gericht aan “Slachtofferloket LRO/FP/LP”, met als titel “bijlage 3 Telgenkamp”. In dit e-mailbericht verzoekt [betrokkene] de bijgevoegde bijlage 3, “die in de oorspronkelijke zitting ontbrak, toe te voegen aan het dossier”.6 Als bijlage 3 is gehecht een geschrift, zijnde een kopie van een aankoopnota d.d. 2 februari 2011. Dit geschrift houdt voor zover van belang, het volgende in:

“REKENING

Datum: 2 februari 2011

Nummer: 1-02-010

Voor: [A]

Adres: [a-straat]

Woonplaats: [woonplaats]

Aan u geleverd op 2 februari:
“Madonna” uitgevoerd in brons

€ 495,-

Contant voldaan d.d.2-2-2011”

16. Art. 421, derde lid, Sv, luidt:

“Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Titel IIIa van het eerste Boek is, met uitzondering van art. 51f, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge art. 51g vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.”

17. Art. 51g, eerste lid, Sv luidt:

“Bij de mededeling op grond van artikel 51a, derde lid, dat vervolging tegen een verdachte wordt ingesteld, zendt de officier van justitie een formulier voor voeging toe. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel van een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld formulier.”

18. De steller van het middel onderbouwt zijn betoog door te wijzen op een zich in het dossier bevindend wensenformulier waarop weliswaar de naam van de benadeelde partij is ingevuld, maar dat voor het overige niet is ingevuld of ondertekend. Voor zover het middel daarmee berust op de opvatting dat de in art. 421, derde lid, Sv genoemde verwijzing naar de opgave van de eerste-ongewijzigde-vordering slechts kan geschieden door middel van het in art. 51g, eerste lid, Sv genoemde formulier, faalt het.7

19. Voor zover het middel indirect opkomt tegen het kennelijk oordeel van het hof dat het e-mailbericht van [betrokkene] naar redelijke uitleg kan worden aangemerkt als een in art. 421, derde lid, Sv bedoelde verwijzing naar de eerste vordering, faalt het eveneens.8 Deze, aan het hof voorbehouden, uitleg van dit schriftelijk stuk is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat daarin, voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, de toevoeging aan het dossier wordt verzocht van de in eerste aanleg ontbrekende nota met betrekking tot het Madonnabeeld die specifiek ziet op het gedeelte van de vordering waarvoor de benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard. Vervolgens merk ik in dit verband nog op dat de overweging van het hof in de bestreden uitspraak “dat bijlage 3 bij de vordering in het dossier ontbreekt” (zie rubriek 12), berust op een kennelijke misslag.

20. Het tweede middel faalt.

21. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

22. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Wet van 26 juni 2013, Stb. 2013, 278; inwerkingtreding 1 januari 2014, Stb. 2013, 336.

2 Kamerstukken II 2011/12, 33 295, nr. 3, p. 12.

3 Kamerstukkennummer 33 295.

4 Zie art. 361, tweede lid, Sv. Indien het strafproces is uitgemond in (slechts) de oplegging van een maatregel (of de toepassing van art. 9a Sr), vormt dat geen hindernis voor de toewijzing van de (civiele) vordering van de benadeelde partij.

5 Art. 6:162, derde lid, BW jo art. 6:165 BW.

6 Gezien de poststempel is het e-mailbericht op 16 oktober 2013 als poststuk binnen gekomen bij het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.

7 HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:861, NJ 2014/229, rov. 3.5.

8 Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, p. 14 waaruit blijkt dat de voeging van de benadeelde partij “evenmin aan formele eisen is gebonden” en HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:861, NJ 2014/229, rov. 3.5.