Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2194

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
14/01316
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3171, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer(exces). De motivering van de verwerping van het beroep op noodweer(exces) is niet begrijpelijk, nu met de vaststellingen van het Hof, zoals deze uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken, niet valt te verenigen hetgeen waarvan het Hof in zijn overwegingen t.a.v. de strafbaarheid van de verdachte uitgaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01316

Mr. Harteveld

Zitting 25 augustus 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 3 maart 2014 verdachte ter zake van “poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen, met aftrek van voorarrest, en tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M. Berndsen, advocaat te Utrecht, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweerexces.

3.2. Door het Hof is bewezenverklaard dat:

“primair:

hij op 6 september 2013 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [betrokkene] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en - eenmaal met kracht tegen het hoofd heeft geschopt terwijl [betrokkene] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”

Het Hof heeft aangaande het beroep op noodweer(exces) het volgende overwogen:

“Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft zich ter zitting beroepen op noodweer en noodweerexces. De gronden die de raadsman daarvoor heeft aangevoerd, heeft hij neergelegd in de door hem ter zitting overgelegde pleitnota.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op donderdag 6 september 2013 in de vroege ochtend treffen verdachte en aangever elkaar toen verdachte samen met vrienden wat wilde gaan drinken op het Janskerkhof. Verdachte werd aangesproken door een negroïde man, naar later bleek de aangever, die hem een mongool noemde. Verdachte sprak de latere aangever hierop aan. Er ontstond een woordenwisseling en een vechtpartij waarbij aangever de eerste klap uitdeelt en verdachte een vuistslag in het gezicht geeft. Hij merkt nog op dat twee vrienden van hem tussen beide kwamen. Wat er daarna gebeurd is weet verdachte niet meer. Ook aangever, die door de bedrijfsleider van café waar hij was naar huis werd gestuurd omdat hij al genoeg gedronken had, weet zich niets te herinneren hij werd naar zijn zeggen wakker in het ziekenhuis. Van de gebeurtenissen zijn camerabeelden beschikbaar. Hieruit blijkt dat verdachte en aangever op een gegeven moment door omstanders van elkaar worden gescheiden. Na ongeveer 40 seconden komt aangever echter weer teruglopen en loopt op aangever af. Vervolgens ontstaat er een gevecht waarbij over en weer wordt geslagen. Daarbij komt aangever ten val. Omstanders proberen verdachte tegen te houden maar dat lukt niet. Verdachte loopt op aangever toe, die dan nog op de grond ligt, en schopt hem tegen zijn hoofd. Getuige [getuige 1] verklaart bij de politie dat hij het bizar vond om te zien dat de man zo hard tegen het hoofd van iemand schopte die op de grond lag en dat hij het idee had dat verdachte eerst nadacht voordat hij het slachtoffer met kracht tegen zijn hoofd schopte. Als de politie ter plaatse komt zien ze dat aangever buiten bewustzijn is en later per ambulance wordt overgebracht naar het ziekenhuis. Aangever meldt bij de politie een zware hersenschudding, last van zijn linkeroog en erg veel pijn in zijn nek te hebben.

Het hof is van oordeel dat er op het eerste moment dat verdachte werd geslagen door aangever een noodweersituatie aanwezig was. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Gebleken is, dat na een eerste confrontatie de vechtenden door een paar omstanders gescheiden werden waarmee er een einde kwam aan de noodweersituatie. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Noodweerexces

Een kleine minuut later zoekt verdachte aangever op ontstaat er opnieuw een vechtpartij; dat had het karakter van een tegenaanval. Hierbij komt aangever ten val en wordt vervolgens door verdachte met kracht tegen het hoofd geschopt.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt het hof als volgt.

Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweerexces, zal de rechter moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden wat betreft de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging in dat die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a. bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Uit het voor noodweerexces geldende vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk 'onmiddellijk gevolg' sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

In dit geval moet het hof beoordelen of het beroep dat de raadsman doet op een situatie als hiervoor bedoeld onder b. slaagt.

Uit het dossier en het onderzoek ter zitting komen geen aanwijzingen naar voren om aan te nemen dat verdachte een black-out heeft opgelopen door de klap die hij heeft gekregen van aangever.

De verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij op het moment dat hij door aangever werd uitgescholden en vervolgens een klap van aangever kreeg, uit boosheid en verontwaardiging terwijl hij onder invloed was van alcohol, aangever heeft teruggeslagen. Het hof is van oordeel dat deze genoemde significante factoren van doorslaggevend belang zijn geweest en verdachte er ook toe hebben gebracht aangever toen deze op de grond kwam te liggen en ondanks dat anderen hebben geprobeerd hem van aangever af te schermen, met kracht een schop tegen diens hoofd te geven. Het hof is dan ook op grond van het vorenstaande van oordeel dat deze gedraging niet het onmiddellijke gevolg is een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.”

3.3.

Waar het gaat om de beschrijving van het feitelijke gebeuren bevat de weergave door het Hof, onder ‘Strafbaarheid van de verdachte’ ten eerste een onduidelijkheid, daar waar het overweegt “Na ongeveer 40 seconden komt aangever echter weer teruglopen en loopt op aangever af.” Gelet op de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, met name bewijsmiddel 5, kan het Hof zo lijkt het niet anders hebben bedoeld dan dat aangever komt teruglopen en op verdachte af loopt.

Dat bewijsmiddel betreft het relaas van een verbalisant en houdt in:

“(…)

zakelijk weergegeven:

Op het Janskerkhof zijn bewakingscamera's aanwezig. Het bleek dat er opnamen waren gemaakt van 6 september 2013. Door mij werd het volgende bevonden:

04:22:11 - De aangever en de verdachte staan dicht op elkaar en lijken te discussiëren.

04:22:15 - De aangever en de verdachte worden van elkaar gescheiden door de getuigen.

04:23:03 - De aangever komt weer terug lopen en er ontstaat weer een confrontatie tussen beiden.

04:23:05 - De aangever pikt dit niet en haalt uit naar verdachte. De getuigen proberen nog steeds om de mannen te scheiden.

04:23:14 - Vervolgens ontstaat er een gevecht tussen de aangever en de verdachte.

Over en weer wordt geslagen. De twee getuigen proberen de jongens uit elkaar te halen.

04:23:15 - De aangever komt ten val, vervolgens proberen de twee getuigen om de verdachte tegen te houden maar dit lukt niet.”

In zoverre dient het bestreden arrest naar mijn oordeel verbeterd te worden gelezen, in die zin dat voor ‘komt aangever echter weer teruglopen en loopt op aangever af’ wordt gelezen ‘komt aangever echter weer teruglopen en loopt op verdachte af’.

3.4.

Minder eenduidig is de volgende, onder het kopje ‘Noodweerexces’ opgenomen overweging van het Hof: “Een kleine minuut later zoekt verdachte aangever op ontstaat er opnieuw een vechtpartij; dat had het karakter van een tegenaanval.”

Gelet op het verloop van de gebeurtenissen, zoals in de voorafgaande overwegingen door het Hof geschetst, bezien in combinatie met de gebezigde bewijsmiddelen en de voorgaande overweging van het Hof ten aanzien van het moment waarop de noodweersituatie naar ’s Hofs oordeel was geëindigd, doelt het Hof hier op dezelfde gebeurtenis als in de onder 3.3 aangehaalde overweging.

Ervan uitgaande dat het Hof heeft bedoeld de onder ‘Noodweerexces’ opgenomen overweging als zodanig te bezigen (verdachte zoekt aangever op) strookt deze overweging niet met de eerdere overweging van het Hof, noch met de gebezigde bewijsmiddelen. Zo gelezen roept deze overweging een tegenstrijdigheid in het leven, zodat deze in zoverre onbegrijpelijk is.

Het Hof lijkt echter niet op kenbare wijze gevolgen te verbinden aan de in deze overweging schijnbaar voorgestelde gedraging van verdachte (een tegenaanval van diens zijde, die ontaardde in een nieuwe vechtpartij), zodat het niet onmogelijk lijkt ook hier de verklaring voor ’s Hofs overweging in een verschrijving te zoeken. Ik stel dan ook voor dat ook deze overweging verbeterd kan worden gelezen, in die zin dat voor ‘zoekt verdachte aangever op’ wordt gelezen ‘zoekt aangever verdachte op’. Wel moet ik daarbij opmerken dat de leesbaarheid van het bestreden arrest inmiddels aardige deuken heeft opgelopen. Als het hierbij bleef zou ik echter – met herhaald verbeterde lezing – het Hof met enige moeite nog kunnen volgen.

3.5.

Dat geldt echter niet voor de concluderende overwegingen van het Hof ten aanzien van het noodweerexces.

3.6.

Het Hof begint met de – correcte – overweging dat uit het voor noodweerexces geldende vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging.1 Tevens stelt het Hof voorop dat bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk ‘onmiddellijk gevolg’ sprake is geweest, gewicht kan toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.2

3.7.

Vervolgens stelt het Hof (ik citeer nogmaals):

“De verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij op het moment dat hij door aangever werd uitgescholden en vervolgens een klap van aangever kreeg, uit boosheid en verontwaardiging terwijl hij onder invloed was van alcohol, aangever heeft teruggeslagen. Het hof is van oordeel dat deze genoemde significante factoren van doorslaggevend belang zijn geweest en verdachte er ook toe hebben gebracht aangever toen deze op de grond kwam te liggen en ondanks dat anderen hebben geprobeerd hem van aangever af te schermen, met kracht een schop tegen diens hoofd te geven. Het hof is dan ook op grond van het vorenstaande van oordeel dat deze gedraging niet het onmiddellijke gevolg is een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Het beroep op noodweerexces wordt verworpen ”

3.8.

Daar raak ik het zicht op de redenering van het Hof kwijt. Waar het Hof rept van “deze genoemde significante factoren” kan het bezwaarlijk op iets anders doelen dan verdachtes boosheid en verontwaardiging op het moment dat hij door aangever werd uitgescholden en vervolgens een klap van aangever kreeg. Het Hof overweegt dat deze factoren van doorslaggevend belang zijn geweest voor de gewraakte gedraging van verdachte, het schoppen tegen het hoofd van aangever en dat deze factoren verdachte tot zijn gedraging hebben gebracht.

3.9.

Maar dan overweegt het Hof “op grond van het vorenstaande” van oordeel te zijn dat "deze gedraging niet het onmiddellijke gevolg is [van] een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding."

3.10.

Onduidelijk is aldus op welke gronden het Hof tot dit oordeel komt.

Is het Hof van oordeel dat boosheid en verontwaardiging geen voor een beroep op noodweerexces relevante hevige gemoedsbeweging kunnen vormen? Dat oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.3 Voor zover het oordeel van het Hof zo moet worden begrepen dat in deze emoties in casu geen hevige gemoedsbeweging gelegen was, is dat oordeel zonder nadere motivering, die geheel ontbreekt, onbegrijpelijk.

Of moet de overweging van het Hof zo worden begrepen dat het van oordeel is dat hierin wel een hevige gemoedsbeweging is gelegen, maar dat deze niet is veroorzaakt door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding? Ook dat oordeel is, gelet op hetgeen het Hof daaraan ten grondslag heeft gelegd, niet als begrijpelijk aan te merken.

Of heeft het Hof bedoeld als zijn oordeel tot uitdrukking te brengen dat sprake is van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding, doch dat de relevante gedraging van verdachte niet als onmiddellijk gevolg hiervan kan worden aangemerkt? Ook voor dit oordeel geldt dat het niet zonder meer begrijpelijk is, terwijl de motivering tekortschiet om die onbegrijpelijkheid weg te nemen. Sterker, zoals ik die motivering begrijp is daarin vervat dat verdachtes tot de voorafgaande aanranding te herleiden boosheid en verontwaardiging hem ertoe hebben gebracht aangever tegen het hoofd te schoppen. Een dergelijke overweging lijkt, evenals andere door het Hof aan diens oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, eerder op een andere uitkomst ten aanzien van het verweer te duiden.

3.11.

Hoe dan ook heeft het Hof mijns inziens onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Aldus ben ik van oordeel dat het beroep op noodweerexces op ontoereikende gronden is verworpen.

3.12.

Het middel is terecht voorgesteld.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3569, NJ 2006/343.

2 Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459, NJ 2008/312.

3 Zie De Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2012 (vijfde druk), p. 317 en de daar aangehaalde jurisprudentie.