Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2193

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
15/01001
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:513, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Hoogezandse brand. Geen van de vier aangevoerde gronden kan tot herziening leiden. De HR wijst de aanvraag tot herziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01001 H

Zitting: 27 oktober 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[aanvrager]

I De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd

  1. Het gerechtshof Leeuwarden heeft bij arrest van 17 december 2009 aanvrager wegens 1. “doodslag” en 2. “opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

  2. Het arrest is onherroepelijk geworden met de verwerping van het hiertegen ingesteld cassatieberoep bij arrest van HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4647.

II Verloop van herzieningsprocedure

3. Het herzieningsverzoek dat namens aanvrager is ingediend door mr. G.G.J. Knoops en mr. L. Vosman, advocaten te Amsterdam, is op 25 februari 2015 bij de Hoge Raad ingekomen.

4. De aanvraag is op 2 april 2014 aangevuld met de tekst van de publicatie van het rapport van het project Gerede Twijfel naar aanleiding van onderhavige strafzaak: K. van den Doel, J. Tjebbe, K. Marouf, Ch. Edelman, G. Beijers, J. van der Kemp & PJ. van Koppen, De Hoogezandse brand: Een tijdlijn als alibi, dat is uitgegeven door Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2015. Hiervan was de proefdruk reeds als bewijsmiddel 2 bij het herzieningsverzoek gevoegd.

5. Op 27 mei 2015 is de Procureur-Generaal van het parket bij de Hoge Raad gevraagd conclusie te nemen in deze herzieningszaak, aan welk verzoek ik namens de Procureur-Generaal voldoe.

6. De herzieningsaanvraag is door mr. Knoops mondeling toegelicht op de zitting van de Hoge Raad d.d. 8 september 2015.

7. Op 11 september 2015 heeft mr. Knoops de Hoge Raad gewaarmerkte afschriften van passagetijden van schepen door de sluizen Gaarkeuken en Oostersluis op 11 en 12 december 1996 doen toekomen.

III Beschrijving van de zaak

8. Het gaat in deze zaak kort samengevat om het volgende. In de nacht van 11 op 12 december 1996 is brand gesticht in de woning van aanvrager in Hoogezand, waarna zijn vrouw, [slachtoffer] , levenloos in de woning is aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat haar dood naar alle waarschijnlijkheid al voor de brand was veroorzaakt doordat zij met een hard voorwerp op haar hoofd was geslagen en door een klieving van haar halsslagader en strottenhoofd. Of zij nog leefde tijdens de brand kon in het onderzoek niet worden uitgesloten.

Aanvrager heeft steeds gesteld dat hij met zijn auto, terugkomend vanuit Niezijl, bij de woning aankwam toen deze al in brand stond en dat hij noch betrokken is bij de dood van zijn vrouw noch bij de brandstichting. Hij heeft het toenmalige alarmnummer 06-11 gebeld, is naar binnen gegaan en heeft zijn twee kinderen in veiligheid gebracht. Aanvrager is als verdachte aangemerkt, daartoe in 1997 en 2004 aangehouden, maar steeds ook weer in vrijheid gesteld wegens gebrek aan bewijs. Uiteindelijk is hij alsnog vervolgd en op 10 juni 2008 door de rechtbank te Groningen schuldig bevonden aan doodslag op zijn vrouw en brandstichting.

Hangende het hoger beroep heeft aanvrager van juni tot september 2008 in voorlopige hechtenis verbleven in de penitentiaire inrichting Ter Apel. Daar is hij in contact gekomen met een medegedetineerde [betrokkene 1] , die hij – in de lezing van [betrokkene 1] – heeft gevraagd of [betrokkene 1] niet iemand weet, die inmiddels overleden is en die hij de schuld in de schoenen zou kunnen schuiven. [betrokkene 1] heeft daarop een zekere [betrokkene 2] genoemd. Vervolgens heeft aanvrager – nog steeds volgens [betrokkene 1] – [betrokkene 1] overgehaald tegen betaling bij de politie te verklaren dat hij samen met [betrokkene 2] zijn vrouw [slachtoffer] zou hebben beroofd, waarbij [betrokkene 2] haar om het leven zou hebben gebracht en ze het huis in brand zouden hebben gestoken. Wat aanvrager dan nog niet weet is dat [betrokkene 1] ‘dubbelspel’ speelt en de politie op de hoogte houdt van hetgeen hij samen met de aanvrager in scene zet. [betrokkene 1] verklaart daarbij tegenover de politie dat aanvrager jegens hem heeft bekend ‘dat hij het gedaan heeft’. Later blijkt uit onderzoek van de politie dat [betrokkene 2] ruim voor de datum waarop zich de gebeurtenissen hebben afgespeeld waarbij het [slachtoffer] werd omgebracht, is overleden.

Tegenover het hof heeft aanvrager ontkend dat hij [betrokkene 1] zou hebben gevraagd een en ander in scene te zetten en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene 1] zelf een van de daders moet zijn. Het hof achtte echter de belastende verklaring van [betrokkene 1] ten overstaan van de politie, die steun vindt in andere bewijsmiddelen, geloofwaardig.

IV De aanvraag

9. De herzieningsaanvraag berust op een drietal gegevens (nova) die bij het onderzoek ter terechtzitting aan het hof niet bekend waren en die zouden moeten leiden tot een herziening van de veroordeling op grond van art. 457 lid 1 sub c Sv, met dien verstande dat vrijspraak thans een waarschijnlijke uitkomst zou zijn. Het gaat om, zakelijk weergegeven, de volgende gegevens:

‘Novum 1’, een nieuwe verklaring van de getuige [betrokkene 1] d.d. 22 april 2013

In deze verklaring, die is afgelegd tegenover de raadslieden van aanvrager, komt [betrokkene 1] terug op zijn eerdere verklaringen dat aanvrager jegens hem heeft bekend. Tevens wordt een deskundigenonderzoek van prof.dr. P.J. van Koppen ingebracht met betrekking tot deze laatste verklaring van [betrokkene 1] .

‘Novum 2’, nieuwe gegevens ten aanzien van de tijdlijn

Gesteld wordt dat uit nieuwe feiten, namelijk een onderzoek van het Project Gerede Twijfel en het overzicht van de passagetijden van schepen door de sluizen Gaarkeuken en Oostersluis op 11 december 1996 blijkt dat de reconstructie van de politie van het alibi van aanvrager, dat hij voorafgaande aan de brand op en neer naar Niezijl zou hebben gereden en pas bij de woning arriveerde toen deze al in brand stond, op onjuiste gegevens is gebaseerd.

‘Novum 3’ nieuwe gegevens aangaande het brandonderzoek.

Aangevoerd wordt dat uit het onderzoek van het Project Gerede Twijfel en een nieuwe rapportage van een forensisch branddeskundige, Philipsen, volgt dat niet vaststaat dat er daadwerkelijk sprake was van brandstichting, het waarschijnlijk is dat de brand is ontstaan voordat aanvrager thuis kwam en dus niet langer gesteld kan worden dat aanvrager tijd en gelegenheid heeft gehad om brand in zijn woning te stichten.

10. De als nova gepresenteerde gegevens zal ik later bespreken. Als eerste zal ik de bewezenverklaring en bewijsconstructie van het hof weergeven en daarna kort het wettelijk kader schetsen waaraan het herzieningsverzoek wordt getoetst.

V Bewezenverklaring en bewijsconstructie

11. In het arrest waarvan herziening wordt gevraagd is ten laste van aanvrager bewezenverklaard dat:

“1. hij omstreeks 11 december 1996 te Hoogezand opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] met een hard voorwerp op het hoofd geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2. hij omstreeks 11 december 1996 te Hoogezand opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [a-straat 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een gedeelte van die woning brand gesticht, ten gevolge waarvan die woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die woning aanwezige goederen en levensgevaar voor in die woning aanwezige personen ( [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] ) te duchten was.”

12. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal met mutatienummer PLO140/96-685652, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 2] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, van 18 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.39 van de ordner B 1 van een dossier van de regiopolitie Groningen met het kenmerk RBT 96-06 , sluitingsdatum 18 maart 1997, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van de verbalisanten:

Proces-verbaal van het door ons verrichtte onderzoek naar de oorzaak van een op 12 december 1996 plaats gehad hebbende brand in de woning aan de [a-straat 1] in Hoogezand. Naderhand bleek dat [slachtoffer] bij deze brand om het leven was gekomen.

De woning had een ingang, welke bestond uit een portaal waarin zich de buitendeur bevond. Achter de buitendeur bevond zich een gang van waaruit onder meer een kantoor kon worden betreden.

De brand had zich beperkt tot de gang en het links van deze gang gelegen kantoor.

In het kantoor bevond zich een kluis. Wij zagen dat de kluisdeur open stond en dat de kluissleutels in het slot zaten. In de kluis werden geen restanten van een inhoud van de kluis aangetroffen.

Het slachtoffer werd na de brand in het kantoor aangetroffen, liggend op haar rug.

Op het slachtoffer werd een materiaal (noot Hof: hier destijds omschreven als delen van een systeemplafond) aangetroffen.

Van het tapijt rondom een extreme inbranding werd door ons een brandmonster genomen (SVO 1). Eveneens werd een brandmonster genomen van het kledingmateriaal dat werd aangetroffen op en rond het slachtoffer (SVO 4 en 5).

Er werd een brandmonster genomen van het zand dat zich onder de kruipruimte van het pand, onder de plaats van eerder genoemde inbranding, bevond (SVO 3).

De SVO's zijn naar het gerechtelijk laboratorium in Rijswijk gebracht voor onderzoek naar de aanwezigheid van vluchtige stoffen.

Gelet op het brandbeeld en het feit dat een technisch verklaarbare oorzaak van het ontstaan van de brand kan worden uitgesloten, kan worden gesteld dat er vuur ter plaatse is gebracht.

2. Een proces-verbaal, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier bij de regiopolitie Groningen, van 10 maart 2004, opgenomen in paragraaf Z 149 van de ordner A van een dossier van de regiopolitie Groningen met het kenmerk 04-030898, sluitingsdatum 22 juli 2005 (onderzoek review) zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Er is in het verleden ten onrechte gedacht dat strips van een systeemplafond op het lichaam van het slachtoffer lagen na de brand in het perceel [a-straat 1] in Hoogezand in de nacht van 11 op 12 december 1996. De eigenaar van dat pand heeft verklaard dat in het kantoor geen systeemplafond aanwezig was.

Op 10 maart 2004 heb ik telefonisch contact opgenomen met [aanvrager] . Daarnaar gevraagd bevestigde [aanvrager] dat er ten tijde van de brand een stellingkast in het kantoor had gestaan.

3. Een schriftelijk stuk, houdende een door dr. G.J.Q. van der Peyl, werkzaam bij het gerechtelijk laboratorium van het ministerie van justitie in Rijswijk, opgemaakt rapport van 19 december 1996, opgenomen als bijlage bij paragraaf 2.1.39 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van dr. G.J.Q. van der Peyl:

Betreft: brandversnellende middelen-onderzoek naar aanleiding van een brand in Hoogezand op 12 december 1996, met als slachtoffer [slachtoffer] .

In de monsters 1 en 5 werd een geringe hoeveelheid motorbenzine aangetoond. Aanwijzingen werden verkregen voor de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid motorbenzine in de monsters 3 en 4.

4. Een proces-verbaal, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4] , inspecteur bij de regiopolitie Groningen, van 16 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.36 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Op 12 december 1996 is het lijk van het vermoedelijke slachtoffer [slachtoffer] , gewoond hebbende te Hoogezand, [a-straat 1] , overgebracht naar het laboratorium voor gerechtelijk pathologie te Rijswijk en overgedragen aan de gerechtelijk patholoog dr. C.J.J. Hens voor het verrichten van de gerechtelijke sectie.

Voor identificatiedoeleinden zijn de onder- en bovenkaak van het lijk verwijderd en overgedragen aan de forensisch ordontoloog dr. B. van der Kuijl.

5. Een schriftelijk stuk, houdende een door C.J.J. Hens, arts en patholoog, werkzaam bij het laboratorium voor gerechtelijke pathologie van het ministerie van justitie in Rijswijk, opgemaakt verslag van sectie van 26 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.39E van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van C.J.J. Hens:

Op 12 december 1996 heb ik een schouwing verricht van het lijk van [slachtoffer] , gewoond hebbende te Hoogezand, [a-straat 1] , dood aangetroffen te Hoogezand op 12 december 1996. Het lijk werd aan mij overhandigd door [verbalisant 4] van de regiopolitie Groningen.

Bij de sectie is het volgende gebleken:

Lijk van een vrouw met sterke verbranding en verkoling.

Er was een breuklijn rechts in de schedel. Er was aan de voorzijde bloeding onder het harde hersenvlies. Deze bevindingen waren het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd, zoals door slaan met een hard voorwerp kan worden opgeleverd.

Er was een scherprandige klieving van de halsslagader rechts met rafelige klieving van het strottenhoofd. Deze verwondingen hadden het uiterlijk van letsels zoals die door snijden met een scherp voorwerp kunnen worden opgeleverd.

Deze letsels zouden zonder meer tot de dood hebben geleid.

Het feit dat er weinig carboxy/hemoglobine in het bloed aantoonbaar was en er weinig roetbestanddelen in de lagere luchtwegen waren, zou er op kunnen wijzen dat de verbranding niet bij leven heef plaatsgevonden. Er kan echter niet met zekerheid worden uitgesloten dat de verbranding bij leven heeft plaatsgehad en dat de dood snel is ingetreden door de uitgebreide brandletsels met de hiermee gepaard gaande traumatische shock.

6. Een schriftelijk stuk, opgemaakt door B. van der Kuijl, tandarts en forensisch ordontoloog, van 13 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.39C van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van B. van der Kuijl:

Op 13 december 1996 heb ik een onderzoek ingesteld naar de kaken, door C.J.J. Hens genomen uit het stoffelijk overschot van een onbekende vrouw, aangetroffen op 12 december 1996 na een brand in de woning [a-straat 1] in Hoogezand.

De gegevens uit het onderzoek werden vergeleken met de tandheelkundige behandel gegevens van [slachtoffer] .

Naar aanleiding van dit onderzoek kan worden gesteld dat de overeenkomsten een zodanige specifiteitswaarde hebben dat op grond van de tandheelkundige gegevens de identiteit met een waarschijnlijkheid van 75% kan worden vastgesteld.

7. Een proces-verbaal, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 5] , brigadier bij de regiopolitie Groningen, van 18 maart 1997, opgenomen in paragraaf 0.5 (0.5.3) van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Op 12 december 1996 werd omstreeks 01.15 uur door personeel van de brandweer in het kantoor van het pand [a-straat 1] in Hoogezand het stoffelijk overschot van een persoon aangetroffen.

Aan de hand van de tandheelkundige gegevens van de kaken en die van de behandelkaart van de tandarts Kuiper, kon B. van der Kuijl de identiteit met een waarschijnlijkheid van 75% vaststellen.

Op de plaats delict werden op en nabij het slachtoffer enige sieraden en mouwophouders, alsmede restanten van kleding aangetroffen die nadien bleken te zijn van [slachtoffer] .

Op grond van bovenstaande kon voor 100% zekerheid de identiteit van het slachtoffer worden vastgesteld, zijnde [slachtoffer] , gewoond hebbende op het adres [a-straat 1] te Hoogezand.

8. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 6] , inspecteur bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 7] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, van 15 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.70 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 5] :

Ik ken [aanvrager] en [slachtoffer] al heel lang. [aanvrager] was een goede vriend van mij. We zagen elkaar vrijwel dagelijks.

In 1990 gaf [aanvrager] toe dat hij geld van mij wilde lenen en dat hij dat geld nodig had omdat hij gokschulden had. In die tijd heb ik [slachtoffer] verteld over de gokverslaving van [aanvrager] .

Dat was een schok voor [slachtoffer] . Zij was wel op de hoogte van zijn gokverslaving, op grond van een incident dat eerder had plaatsgevonden. Er is toen - na overleg tussen [aanvrager] , [slachtoffer] en mij - gedurende een jaar een gokverbod voor [aanvrager] ingesteld. Na afloop van dat jaar begon [aanvrager] weer te gokken. Ik heb [aanvrager] daarmee geconfronteerd en er is toen weer een gokverbod voor de duur van een jaar ingesteld.

In november 1996 vertelde [betrokkene 6] mij dat [aanvrager] weer vaak in het casino kwam.

9. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 8] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, en J.H. Feiken, brigadier bij de regiopolitie Groningen, van 14 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.72 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 5] :

[slachtoffer] wist wel dat [aanvrager] vroeger had gegokt in het casino en zij wist ook van de toenmalige gokschulden. Ik had haar daarover verteld.

Wanneer [slachtoffer] had geweten dat [aanvrager] de laatste jaren weer aan het gokken was, dan had zij hem verlaten. Ik weet dit zeker, omdat zij dit wel eens heeft gezegd tegen mij.

10. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 9] , brigadier bij de regiopolitie Groningen, van 13 januari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.108 van de ordner B 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 7] :

Ik ken [aanvrager] en [slachtoffer] al ruim zes jaar. Ik kom regelmatig bij hen op visite. Ongeveer twee jaar geleden heb ik van [betrokkene 5] gehoord dat [aanvrager] veel gokte.

Het is mij bekend dat [slachtoffer] ongeveer acht tot tien jaar geleden heeft gehoord dat [aanvrager] gokte. [aanvrager] heeft destijds beloofd nooit meer te gokken. Ik weet zeker dat [slachtoffer] er niet van op de hoogte was dat [aanvrager] echter nog gokte.

Het is mij bekend dat [slachtoffer] [aanvrager] op 11 december (het hof begrijpt: 1996) ‘s middags in de parkeergarage bij het casino in Groningen heeft getroffen. [slachtoffer] was niet het type dat daar niets van zou zeggen. Ik ben ervan overtuigd dat ze daar vreselijk kwaad over is geworden en dat ze thuis hierover heeft gepraat met [aanvrager] .

11. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6] , inspecteur bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 8] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, van 15 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.111 van de ordner B 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 8] :

Ik ken [slachtoffer] vanaf 1982 en ik ken [aanvrager] vanaf 1983.

In mei 1987 waren [aanvrager] , [slachtoffer] , mijn man en ik aan het varen op een meer in Sneek. Wij werden toen aangesproken door medewerkers van de waterpolitie. Zij verzochten [aanvrager] om direct contact op te nemen met zijn ouders.

Later vertelden mijn schoonouders mij dat zij van [betrokkene 9] hadden gehoord dat [aanvrager] in de problemen zat vanwege zijn gokgedrag en dat er mensen bij de ouders van [aanvrager] waren geweest om geld op te eisen. [aanvrager] zou een schuld van zeker tienduizend gulden bij die mensen hebben. Dit zou hebben plaatsgevonden op het moment dat wij waren aangesproken door de waterpolitie.

[slachtoffer] wist vóór dit voorval dat [aanvrager] wel eens naar het casino ging, maar zij wist tot dit voorval niet dat [aanvrager] in de problemen zat door zijn gokgedrag. Ik weet dat [aanvrager] en [slachtoffer] vervolgens grote ruzie hebben gehad over het gokken en de gokschulden van [aanvrager] .

[slachtoffer] heeft in 1987 tegen mij gezegd dat zij [aanvrager] zou verlaten indien zij er achter zou komen dat hij weer ging gokken. [slachtoffer] vreesde de gokwereld. Zij was na het voorval met de ouders van [betrokkene 9] erg bang geworden.

In de periode vanaf 1987 tot op heden hoorde ik van onder meer [betrokkene 5] dat [aanvrager] nog steeds grof gokte.

[betrokkene 10] (het hof begrijpt: [betrokkene 10] ) heeft mij verteld van de confrontatie in de parkeergarage van het casino (het hof begrijpt: het casino in Groningen) op 11 december 1996. [betrokkene 10] vertelde mij dat [slachtoffer] die bewuste dag kwaad was geworden toen zij [aanvrager] in de parkeergarage had getroffen. [slachtoffer] was kwaad omdat [aanvrager] haar had voorgelogen dat hij niet meer in het casino kwam. Op de vraag van [slachtoffer] "Wat doe je hier?" had [aanvrager] geantwoord: “Ik moest hier even zijn”, waarop [slachtoffer] had gezegd: "Je liegt. Je gokt nog steeds." Volgens [betrokkene 10] heeft [slachtoffer] ook nog gezegd: “Hier zullen we het vanavond nog uitgebreid over hebben. Hier is het laatste woord nog niet over gezegd”.

12. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 6] voornoemd, en [verbalisant 10] , opsporingsambtenaar bij de regiopolitie Groningen, van 12 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.51 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 11] :

Mijn dochter [slachtoffer] heeft een flinke tijd geleden, zeker een aantal jaren geleden, tegen mij gezegd dat zij haar relatie met [aanvrager] zou beëindigen wanneer zij zou bemerken dat hij nog gokte. [slachtoffer] had een afkeer van gokken.

Via de ouders van [aanvrager] heb ik gehoord van de gokschuld van [aanvrager] in het verleden. [betrokkene 12] heeft verteld dat een casino-verbod voor [aanvrager] was geregeld.

13. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 6] voornoemd, en [verbalisant 10] , voornoemd, van 13 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.50 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 13] :

Begin december 1996 heb ik aan [slachtoffer] gevraagd of mijn zoon [aanvrager] zich mogelijk bezig hield met “zijn praktijken”. Ik doelde daarmee, en [slachtoffer] begreep dat ook, op het gokken door [aanvrager] . Volgens [slachtoffer] was dat niet zo.

In een verder verleden heeft [aanvrager] meerdere gokschulden gehad. Mijn man en mijn zoon [betrokkene 9] hebben er toen voor gezorgd dat die schulden werden betaald.

14. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 11] , brigadier bij de regiopolitie Drenthe, en [verbalisant 12] , brigadier bij de regiopolitie Drenthe, van 16 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.78 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 10] :

Afgelopen woensdag (het hof begrijpt: woensdag 11 december 1996) hebben [slachtoffer] en ik onze auto’s geparkeerd in de parkeergarage van het casino in Groningen. Daarna zijn we naar het pannenkoekenschip gegaan. Omstreeks 17.45 of 17.50 uur zijn we naar onze auto’s gelopen.

Toen ik bij de auto met [slachtoffer] stond te praten, zag ik dat [aanvrager] in zijn auto van één van de parkeerdekken kwam rijden.

[aanvrager] vertoonde een ander gedrag dan normaal. Toen [slachtoffer] [aanvrager] zag in de parkeergarage, hoorde ik haar zeggen: “Ik had al zo’n voorgevoel”. Gezien de reactie van [slachtoffer] , was zij duidelijk teleurgesteld.

15. Een proces-verbaal, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6] voornoemd en [verbalisant 13] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, van 20 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.23 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van de verbalisanten:

[betrokkene 6] ( [betrokkene 6] ) deelde ons op 13 december 1996 het volgende mee:

[aanvrager] is een goede vriend van mij.

Ik weet dat [slachtoffer] [aanvrager] op 11 december 1996 betrapt heeft bij het casino. Dat was toevallig, want [slachtoffer] was daar in de buurt met een vriendin.

[aanvrager] was al op zeer jonge leeftijd verslaafd aan gokken. Zijn vader is in die tijd bedreigd door personen bij wie [aanvrager] een gokschuld had. Ik weet dat [aanvrager] toen ook geld heeft geleend van [betrokkene 5] .

16. Een schriftelijk stuk, houdende een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door [verbalisant 11] voornoemd en [verbalisant 12] voornoemd, van 13 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.67 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 14] :

Ik werk in de kapsalon in Assen. Op woensdag (het hof begrijpt: woensdag 11 december 1996) barstte de bom tussen [betrokkene 15] en mij aan het einde van de middag.

Er ontstond een woordenwisseling tussen ons. ‘s-Avonds, tegen 19.45 uur, heb ik [aanvrager] gebeld en heb hem meegedeeld wat er die middag was voorgevallen. [aanvrager] deelde mij mee dat er de volgende dag na het werk een werkbespreking zou worden gehouden.

Het (telefoon)gesprek was een kort en rustig gesprek. Ik heb er beslist niet op aangedrongen dat [aanvrager] onmiddellijk naar [betrokkene 15] (het hof begrijpt: [betrokkene 15] ) moest gaan.

17. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 6] voornoemd, en [verbalisant 10] , voornoemd, van 11 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.68 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 14] :

Op de woensdag van de brand (het hof begrijpt: woensdag 11 december 1996) heb ik een conflict gehad met [betrokkene 15] . 's Avonds heb ik [aanvrager] gebeld op het nummer 0598 - [001] en heb hem verteld dat ik wat ruzie had gehad met [betrokkene 15] . [aanvrager] zei dat hij de volgende dag op de zaak terug zou komen.

18. De verklaring die de verdachte heeft afgelegd ter terechtzitting van het hof van 30 juni 2009, zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 11 december 1996 was ik in de parkeergarage van het Holland Casino in Groningen. Ik kwam toen uit het casino. [slachtoffer] was in de parkeergarage met een vriendin en een aantal kinderen.

De kinderen zijn bij mij in de auto gestapt en [slachtoffer] is in haar eigen auto gestapt en we zijn vervolgens achter elkaar aan naar huis gereden.

Omstreeks 20.00 uur belde [betrokkene 14] , een jonge medewerkster van de kapsalon in Assen, mij op mijn vaste telefoon. Er was die dag onenigheid in de kapsalon in Assen geweest tussen [betrokkene 14] en de bedrijfsleider [betrokkene 15] . Het was niet een enorm paniektelefoontje van [betrokkene 14] , maar zij was wel wat overstuur. Ik heb ongeveer vijf minuten met [betrokkene 14] gesproken en ik heb haar in dat telefoongesprek gerustgesteld en beloofd dat ik de volgende dag op de kwestie terug zou komen.

Ik wilde die avond naar [betrokkene 15] gaan.

Ik heb toen niet naar [betrokkene 15] gebeld. Ik vond het niet nodig om hem eerst te bellen voordat ik naar hem toe ging. Ik ben via Groningen naar Niezijl gereden. Ik ben toen echter te ver doorgereden. Ik heb onderweg nog gevraagd naar de weg naar Niezijl. Ik heb ruim een uur tot anderhalf uur gedaan over de rit van mijn woning in Hoogezand naar de woning van [betrokkene 15] in Niezijl. In Niezijl heb ik nog naar de weg gevraagd. Het is niet in mij opgekomen om [betrokkene 15] te bellen om hem de weg naar zijn woning te vragen. [betrokkene 15] was echter niet thuis. Toen ik [betrokkene 15] niet thuis aantrof, heb ik wat rondgereden in Niezijl en ik ben een paar keer terug gegaan naar de woning van [betrokkene 15] om daar op hem te wachten. Ik ben ongeveer anderhalf uur in Niezijl gebleven en heb gewacht op de thuiskomst van [betrokkene 15] . Ik ben daarna naar huis gereden.

Toen ik thuis kwam in Hoogezand, draaide ik mijn auto de oprit bij de woning op. Ik reed de oprit op. Ik heb de motor van de auto en de lampen aangelaten. Ik heb met mijn GSM het alarmnummer 06-11 gebeld.

Ik probeerde contact te krijgen met het alarmnummer 06-11 en ik ben de oprit afgelopen naar de straat en ik heb op straat gezocht naar mensen die mij konden helpen. Er kwam een bus langs. Ik rende mee met die bus en ik hield die bus aan.

Op het moment dat de bus stopte, kreeg ik contact met het alarmnummer 06-11.

U vraagt mij wanneer ik zag dat de voordeur open stond. Ik zag dat de voordeur open stond pas op het moment dat ik naar de voordeur liep en vóór de voordeur stond.

Toen ik met de beide kinderen op het platte dak was, heb ik om hulp geroepen.

[betrokkene 1] is één van de mededaders die verantwoordelijk is voor het om het leven brengen van [slachtoffer] en voor de brandstichting.

Ik wijs er op dat [betrokkene 16] pas acht jaren later met zijn verklaring komt. [betrokkene 16] is mijns inziens gestuurd door [betrokkene 17] . Ze willen het mij in de schoenen schuiven.

19. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 14] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 15] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, van 27 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.12 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van de verbalisanten:

De afstand van Niezijl tot Hoogezand is volgens de kortst mogelijke route 35 kilometer en werd door ons, met in achtneming van de ter plaatse geldende maximum snelheid, gereden in 31 minuten.

20. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6] , voornoemd en [verbalisant 13] voornoemd, van 12 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.120 van de ordner B 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van de verdachte:

Ik werk als vertegenwoordiger bij Wella Nederland, een groothandel in haarverzorgingsproducten, in het Noorden van het land.

Mijn vrouw [slachtoffer] heeft een kapperszaak in Assen. Deze zaak staat op haar naam.

Ik bewaarde Fl. 340.000,- tot Fl. 360.000,- in de kluis in het kantoorgedeelte van mijn woning.

Toen ik op 11 december 1996 naar [betrokkene 15] in Niezijl reed, heb ik onderweg in een cafetaria in Niekerk de weg naar Niezijl gevraagd omdat ik verdwaald was.

Toen ik terug kwam in Hoogezand en bij mijn woning uit de auto was gestapt, zag ik rook uit mijn woning komen. Mijn auto stond op de oprit, met de sleutelbos in het contact. Aan de sleutelbos hing de huissleutel.

Ik ben de woning in gegaan. De voordeur van mijn woning stond open. Ik zag dat overal rook was. Ik heb [betrokkene 3] uit haar slaapkamer gehaald en via de overloop, door de badkamer naar de zolderdeur gebracht. Ik ben terug gegaan om [betrokkene 4] te halen. Toen ik met mijn kinderen op het dak stond, was de buurman er ook. Vervolgens kwam de brandweer.

21. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 16] , brigadier bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 9] , van 23 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.123 van de ordner B 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van de verdachte:

Nadat ik 06-11 aan de lijn had gehad, ben ik naar de voordeur van de woning gerend. De voordeur stond op een kier. Ik ben naar boven gegaan en heb de kinderen in veiligheid gebracht.

22. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbeiofte opgemaakt door

[verbalisant 14] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 16] voornoemd, van 15 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.132 van de ordner B 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakclijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van de verdachte:

Op 11 december 1996 kwam ik [slachtoffer] tegen het einde van de middag toevallig tegen in de parkeergarage van het casino in Groningen.

Ik ben ‘s avonds vertrokken naar Niezijl. Ik wist niet waar Niezijl lag.

23. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door J.H. Feiken, brigadier bij de regiopolitie Groningen, van 21 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.91 van de ordner B 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 18] :

In het begin van de nacht van 12 december 1996 ben ik met een bus door de Hoofdstraat in Hoogezand gereden. Mijn aandacht werd getrokken door een man (het hof begrijpt: [aanvrager] ) die rechts naast de bus met de bus mee rende. Ik remde af om te stoppen.

Ik bracht de bus vlak voor de halte tot stilstand. Ik hoor van u dat deze halte voor het perceel [a-straat 2] is. Dat kan wel kloppen.

als relaas van de verbalisanten:

De bushalte voor het perceel [a-straat 2] bevindt zich ongeveer 120 meter voorbij de woning van [aanvrager] en [slachtoffer] aan de [a-straat 1] .

als verklaring van [betrokkene 18] :

Ik deed de voorste deur van de bus open. Ik zag dat de man buiten de bus bleef staan.

Hij stond voor de deuropening, met een telefoon aan zijn oor. Ik hoorde dat hij in mijn richting zei: “Politie”. Vrijwel onmiddellijk daarna zag ik dat de man terug ging naar de achterkant van de bus. Ik heb niets tegen de man kunnen zeggen. De man heeft mij niets gevraagd of verteld buiten het woord “Politie”. Ik begreep er niets van.

24. Een proces-verbaal, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 5] , brigadier bij de regiopolitie Groningen, van 19 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.6 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Op 12 december 1996 kwam bij de meldkamer van de brandweer van Groningen een brandmelding binnen. De beller noemde zich [aanvrager] . Het gesprek wordt hieronder weergegeven. De aanduiding B staat voor: centralist brandweer.

De aanduiding S staat voor: [aanvrager] .

S: Ik heb brand in de woning [a-straat 1] .

B: Welke plaats?

S: Hoogezand. Mijn vrouw en twee kinderen liggen boven.

Ik kan er niet in, want de voordeur staat in brand.

25. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 8] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 9] voornoemd, van 24 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.57 van de ordner B 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 19] :

Ik woon naast de woning aan de [a-straat 1] te Hoogezand. In de nacht van 11 op 12 december 1996 zag ik een vuurzee in het kantoor van die woning. Ik zag dat [aanvrager] met zijn beide kinderen op het platte dak van de dansstudio stonden. Ik vroeg hem waar zijn vrouw was. Hij antwoordde dat zijn vrouw niet op bed lag, maar wel thuis moest zijn.

Toen ik [aanvrager] aansprak, kwam hij vrij rustig over. Hij maakte op mij beslist geen paniekerige indruk.

26. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 2] , hoofdagent bij de regiopolitie Groningen, van 23 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.93 van de ordner B 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 20] :

Ik ben op 12 december 1996 als brandweercommandant ter plaatse geweest bij de brand in het perceel [a-straat 1] te Hoogezand. Ik heb daar met de bewoner [aanvrager] gesproken. Aangezien zijn vrouw vermist werd, heb ik hem gevraagd waar zij zich vermoedelijk bevond in de woning.

[aanvrager] maakte op mij een rustige indruk. Gezien de omstandigheden, vond ik de reactie van [aanvrager] koel.

27. Een proces-verbaal van verhoor van getuige, opgemaakt door G.H. Boekaar, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Groningen, van 7 april 2009, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 20] :

Ik was destijds brandweercommandant en tijdens de bewuste nacht (het hof begrijpt: in de nacht van 11 op 12 december 1996) officier van dienst.

Ik heb met [aanvrager] gesproken direct nadat ik ter plaatse aankwam. Ik was vrij snel ter plaatse, uiterlijk drie minuten nadat ik via de pieper de brandmelding had gekregen.

28. Een schriftelijk stuk, houdende het vonnis van de rechtbank Groningen van 10 juni 2008, voor zover inhoudende het veroordelende dictum en het bevel tot gevangenneming van de verdachte [aanvrager] .

29. Een schriftelijk stuk, houdende een schermprint van de bevolkingsadministratie van de penitentiaire inrichting Ter Apel met betrekking tot de gedetineerde 1129905 (het hof begrijpt: [aanvrager] ), voor zover inhoudende:

Begindatum: 12/06/2008 Einddatum: 12/09/2008.

30. Een schriftelijk stuk, houdende een verklaring van mr. D.C. Keuning, werkzaam bij De Haan Advocaten & Notarissen, opgemaakt door mr. D.C. Keuning, van 2 december 2009, opgenomen in de ter terechtzitting van het hof van 3 december 2009 aan het hof overgelegde pleitnotitie van mr. E.J. de Mare, voor zover inhoudende:

als verklaring van mr. D.C. Keuning:

In de maand juli 2008 was mijn kantoorgenoot mr. E.J. de Mare afwezig wegens vakantie. Op zeker moment nam [aanvrager] vanuit de P.I. Ter Apel telefonisch contact op met mijn kantoor, waarbij hij naar mij vroeg. Op 17 juli 2008 kreeg [aanvrager] mij aan de telefoon. Hij wilde mij dringend spreken, omdat er belangrijke ontwikkelingen in zijn zaak waren. Ik heb toen een bezoekafspraak met [aanvrager] laten maken.

Op 21 juli 2008 heb ik de P.I. Ter Apel bezocht. [aanvrager] vertelde mij toen dat hij in de P.I. Ter Apel een medegedetineerde had ontmoet die heel wat wist te vertellen over de werkelijke toedracht van de dood van [slachtoffer] . [aanvrager] heeft mij toen ook de naam [betrokkene 1] genoemd. Ik heb het relaas van [aanvrager] aangehoord, maar zelf geen verdere actie ondernomen omdat ik wist dat mijn kantoorgenoot De Mare in de daarop volgende week weer op kantoor zou zijn.

31. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 17] , brigadier bij de regiopolitie Groningen, en [verbalisant 18] , brigadier bij de regiopolitie Drenthe, van 18 augustus 2008, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisanten:

Op 7 augustus 2008 werd verbalisant [verbalisant 17] telefonisch benaderd door een mij bekende persoon, genaamd [betrokkene 1] . Hij gaf te kennen gedetineerd te zijn in de penitentiaire inrichting in Ter Apel en dat hij informatie wilde verstrekken over gesprekken die hij daar had gevoerd met de daar eveneens gedetineerde [aanvrager] .

De inhoud van deze gesprekken zou belastend zijn voor [aanvrager] .

Op 14 augustus 2008 hebben verbalisanten [verbalisant 17] en [verbalisant 18] een verkennend gesprek gevoerd met [betrokkene 1] . Verbalisant [verbalisant 18] heeft een notitie gemaakt van de uitlatingen van [betrokkene 1] .

32. Een schriftelijk stuk, houdende een verklaring van [betrokkene 1] , op 14 augustus 2008 afgelegd tegenover [verbalisant 17] voornoemd, en [verbalisant 18] voornoemd, voor zover inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 1] :

Voorstel [aanvrager] : weet je een inbreker/junk die inmiddels overleden is; ik kan proberen om hem op te voeren als inbreker en moordenaar van [slachtoffer] .

Ik kwam toen op de proppen met [betrokkene 2] .

Ik heb geveinsd dat ik meeging in zijn voorstel.

Uiteindelijk heeft [aanvrager] mij verteld dat hij [slachtoffer] had doodgeslagen met een klap op haar achterhoofd. Voor dat doel had hij een broodplank gebruikt. Ook vertelde hij details, zoals de plaatsen waar benzine was uitgegoten in het kantoortje. Hij instrueerde mij om te zeggen dat [slachtoffer] al vóór 22.00 uur doodgemaakt was, want uit het dossier was gebleken dat een telefoontje op dat tijdstip al onbeantwoord was gebleven.

[aanvrager] heeft de beschikking over het dossier. Aan de hand van elementen uit dat dossier moest ik mijn verhaal opbouwen.

[aanvrager] heeft mij een vorstelijke beloning in het vooruitzicht gesteld als het plan lukt. Op voorhand krijg ik heel binnenkort al € 3.500,-. [aanvrager] zal proberen dat bedrag uit te laten betalen door zijn broer [betrokkene 9] .

33. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 17] voornoemd, en [verbalisant 18] voornoemd, van 20 augustus 2008, voorzover inhoudende:

als relaas van de verbalisanten:

Op 20 augustus 2008 werd [betrokkene 1] door ons verhoord. Het verhoor werd audiovisueel opgenomen.

als verklaring van [betrokkene 1] :

Het initiatief om dit gesprek plaats te laten vinden ging van mij uit. Ik heb bepaalde zaken gehoord en heb besloten dit te vertellen.

Ik heb [aanvrager] hier tijdens mijn detentie in de gevangenis in Ter Apel ontmoet.

Ik weet van de zaak waarvoor hij is veroordeeld. Hij heeft me dat zelf verteld.

Op een gegeven moment kwam [aanvrager] met de opmerking dat hij iemand zocht die inmiddels dood was. Toen ik hem vroeg waarom, antwoordde hij: dan kan ik hem de schuld geven.

Ik heb toen de naam [betrokkene 2] genoemd. (...)

We (het hof begrijpt: de verdachte en [betrokkene 1] ) hadden een gesprek over TNO en de mogelijkheid dat hij toch veroordeeld zou worden. Hij zocht een alternatief. Zeg maar: iemand die dood was en die de schuld kon krijgen. (...)

Later in de gesprekken merkte [aanvrager] op dat ikzelf eigenlijk een hele sterke en stabiele persoon was. (...)

Toen vroeg hij mij: Wil jij dat niet doen? (...) Op mijn vraag wat hij bedoelde, zei hij: “Iemand die bekent dat hij heeft ingebroken, het huis in de fik heeft gestoken en [slachtoffer] heeft vermoord”.

Toen heb ik gezegd: Ik wil wel kandidaat zijn om het in scène te zetten dat ik het gedaan heb. (...) Hij zei dat het goed was, jij kunt het wel sterk overbrengen. (...)

Mijn doel was om vast te stellen of hij (het hof begrijpt: [aanvrager] ) het had gedaan. Eigenlijk ging ik voor het geld. Hij (het hof begrijpt: [aanvrager] ) had tegen mij gezegd: “Je krijgt een geldbedrag”. Pas later, toen hij me had gezegd wat hij had gedaan, toen hij met details kwam en toen ik de foto’s zag, kwam het in mij op om jullie (het hof begrijpt: verbalisanten) te bellen.

Ik heb ook een geweten, vandaar dat ik naar de politie ben gegaan om dit te vertellen.

Het plan werd dat [betrokkene 2] samen met mij de inbraak zou hebben gedaan. [betrokkene 2] zou de moord hebben gepleegd en ik was daarbij aanwezig.

Ik zei tegen [aanvrager] : "Wanneer ik die moord heb gepleegd, moet ik wel daderkennis hebben, anders wordt mijn verhaal zo onderuit gehaald". [aanvrager] vertelde mij toen details. Hij zei dat er een rek, zo'n ijzeren rek aan de muur, over haar heen gegooid was.

[aanvrager] zei dat ik moest vertellen dat ze gekleed was in een rok en dat ze haar kleding had omgewisseld, dat er een mouwophouder was en dat er een ijzeren rek over haar heen gegooid was. Hij vertelde dat er een wond was op haar achterhoofd en een snee in haar nek. (...)

Enkele dagen geleden heeft [aanvrager] het dossier gekregen en toen liet hij mij foto’s van het huis en het lichaam zien.

Alles wat ik weet, heb ik uit de mond van [aanvrager] gehoord. (...)

Ik zeg nu gewoon wat ik moest zeggen. Nou, we zijn om elf uur dus gekomen. We gingen via de voordeur. [slachtoffer] deed open. We namen haar mee in de woonkamer. [slachtoffer] werd daar vastgehouden door [betrokkene 9] en ik ging het huis doorzoeken. [aanvrager] heeft voor dat doel voor mij een plattegrond van het huis getekend, want op dat moment beschikte hij nog niet over het dossier. Met een wenteltrap ging je naar boven, daar lagen de kinderen. Wat ook belangrijk was, dat er een zwart bankstel was, dat moest ik onthouden. En dat ik naar boven was geweest, dat ik de kinderen zag liggen, dat ik via de badkamer naar zolder kon. Dat bij binnenkomst door de voordeur gelijk links het kantoor was waar zich om de hoek de kluis bevond. Dat moest ik vertellen.

En dan de sleutels. Later hebben we daar een fout in gemaakt want ik ben ook bij de advocaat van [aanvrager] geweest. Deze vroeg me ook waar de sleutels waren aangetroffen. Ik moest van [aanvrager] zeggen dat deze in het potje lagen in de woonkamer. Maar achteraf bleek deze aan de sleutelbos te hebben gezeten. Dat heeft [aanvrager] gecorrigeerd, dat ik dat anders moest vertellen. We zaten dus binnen en zogenaamd moesten we haar mishandelen. Daarna moesten we haar meenemen naar de kluis. Die moest ze opendoen. Toen ze die open had gedaan had [betrokkene 9] haar een klap op haar hoofd gegeven. We hebben benzine moeten gooien. We moesten benzine halen uit het busje.

Er was benzine gevonden in bepaalde hoeken van het kantoortje. Om het verhaal te bekrachtigen moesten we benzine gooien. We hebben het in de fik gestoken, om de sporen uit te wissen. (...)

[aanvrager] zei tegen mij dat hij het had gedaan en dat hij mij bepaalde informatie kon vertellen die alleen de dader kan weten. (...)

[aanvrager] is later teruggekomen op het tijdstip van het onbeantwoord gebleven telefoontje.

Dat zou niet om 22.00 uur, maar om 23.00 uur zijn geweest. (...)

[aanvrager] vroeg of ik met zijn advocaat wilde praten. (...)

De instructies van [aanvrager] aan mij waren om de advocaat te overtuigen.

Ik zou van [aanvrager] € 3.500,- krijgen wanneer de advocaat met het verhaal mee gaat. Daarover komt binnenkort uitsluitsel. Ik zou dat geld dan op kunnen halen bij een broer van [aanvrager] , genaamd [betrokkene 9] , die drogist is in Winschoten.

Ik zou straf krijgen en acht jaar moeten zitten. [aanvrager] zou mij dan elke maand € 250,- geven. [aanvrager] zou een schadevergoeding van de staat krijgen, dat zou een half miljoen zijn, waarvan ik de helft zou krijgen. Als dat niet het geval zou zijn, zou hij me in ieder geval € 100.000,- geven.

Ik moest zeggen dat ik 322.000,- in de kluis had aangetroffen.

als relaas van verbalisant [verbalisant 18] :

Nog even terugkomen op die beloning van € 3.500,-. Zou je dat als een soort aanbetaling ontvangen?

als verklaring van [betrokkene 1] :

Ja. De broer van [aanvrager] is al op bezoek gekomen. [aanvrager] heeft zijn broer laten komen en ze hebben samen gepraat en dat is geregeld.

34. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 17] voornoemd, en [verbalisant 18] voornoemd, van 10 september 2008, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisanten:

Uit de politie ten dienste staande gegevens is kunnen blijken dat met de door [betrokkene 1] genoemde [betrokkene 2] zeer waarschijnlijk werd gedoeld op [betrokkene 2] . Van [betrokkene 2] is bekend dat hij in de negentiger jaren verkeerde in kringen van drugsgebruikers en zich schuldig maakte aan misdrijven, zoals inbraken.

Hij bleek inderdaad te zijn overleden, evenwel op een datum voorafgaand aan de dood van de echtgenote van [aanvrager] , namelijk op 17 februari 1996.

35. Een schriftelijk stuk, houdende een verklaring van [betrokkene 1] , op 10 september 2008 vastgelegd op briefpapier van het kantoor van De Haan Advocaten & Notarissen.

36. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 18] voornoemd, van 19 november 2008, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Op 17 november 2008 werd aan mij door de advocaat-generaal van het ressortsparket in Leeuwarden een afschrift van een document ter hand gesteld dat even daarvoor aan de advocaat-generaal was overhandigd door de raadsman van [aanvrager] . De inhoud van dit document was een uitgebreide verklaring van [betrokkene 1] . Deze verklaring zou blijkens het onderschrift en de ondertekening zijn afgelegd in Ter Apel op 10 september 2008.

De advocaat-generaal deelde mij mee dat deze verklaring was afgelegd tegenover de raadsman van [aanvrager] .

Vanwege het feit dat het mij bekend was dat [betrokkene 1] reeds op 14 en 20 augustus 2008 en op 4 september 2008 tegenover de politie had gemeld wat de werkelijke toedracht van de gebeurtenissen was en wat het werkelijke motief voor zijn “fake” bekentenis was, heb ik een nader onderzoek ingesteld.

Doel hiervan was om vast te stellen hoe de loop der gebeurtenissen is geweest en om vast te stellen waarom [betrokkene 1] na afronding van zijn onderhoud met de politie (op 4 september 2008) reden meende te moeten hebben om tegenover de raadsman van [aanvrager] alsnog (op 10 september 2008) een zogenaamde “bekennende verklaring” af te leggen.

20 augustus 2008: de verklaring van [betrokkene 1] wordt door de politie onder videoregistratie opgenomen.

10 september 2008: [betrokkene 1] ondertekent in Ter Apel een verklaring waarin hij gedetailleerd beschrijft wat zijn bijdrage is geweest bij de gewelddadige dood van [slachtoffer] . Uit de bezoekerslijst in de administratie van de P.I. in Ter Apel kan blijken dat [betrokkene 1] op deze dag bezoek heeft gehad van advocaat De Mare.

12 september 2008: uit de administratie van de penitentiaire inrichting in Ter Apel blijkt dat de verdachte [aanvrager] op deze datum is overgeplaatst naar een andere inrichting.

12 september 2008: het proces-verbaal d.d. 10 september 2008 waarin de uiteenzettingen van [betrokkene 1] bij de politie zijn beschreven, wordt door mr. Wolters overhandigd aan de raadsman van de verdachte [aanvrager] . Voor zover bij politie en justitie bekend, heeft de operatie tot dan toe onder volledig embargo plaatsgevonden en kan de verdachte en zijn verdediging nog niet eerder op de hoogte zijn geweest van de in dat proces-verbaal beschreven gebeurtenissen.

[betrokkene 1] vertelde mij op 18 november 2008 - daarnaar gevraagd - dat hij destijds enkele dagen voor de ondertekening van het onderhavige document was benaderd door de advocaten De Haan en De Mare en dat hij op beider vraagstelling antwoord had gegeven op de wijze zoals in het document is weergegeven. In dat onderhoud, zo verklaarde [betrokkene 1] , is hij bewust doorgegaan met het door [aanvrager] en hemzelf ontworpen scenario, omdat hij op dat moment nog steeds samen met [aanvrager] op dezelfde vleugel gedetineerd was. Ook toen hem enkele dagen later (kennelijk op 10 september 2008) het document ter ondertekening was voorgelegd door raadsman De Mare, durfde hij om dezelfde reden de ondertekening niet te weigeren.

Hij verklaarde dat zijn angst was gericht op de confrontatie met [aanvrager] als deze (via zijn raadsman) op de hoogte zou worden gesteld van het “dubbelspel” van [betrokkene 1] .

Het argument van de angst voor de confrontatie met [aanvrager] bij het bekend worden van het “dubbelspel” zoals door [betrokkene 1] beschreven, was eerder door [betrokkene 1] aan mij gemeld en was destijds de reden dat [aanvrager] op 12 september 2008 op initiatief van het openbaar ministerie is overgeplaatst.

37. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 19] , brigadier bij de regiopolitie Drenthe, van 25 juni 2009, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Op 25 juni 2009 werd aan [betrokkene 1] gevraagd:

Kun je ons nog eens duidelijk vertellen waarom je bij de advocaat een andere verklaring hebt afgelegd dan bij de politie.

[betrokkene 1] antwoordde hierop:

Ik had de betaling ontvangen en moest tussen het afleggen van de verklaring bij de advocaat en het ondertekenen, ongeveer een week later, het verhaal wel vol blijven houden.

38. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 18] voornoemd, van 10 november 2008, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Op 30 september (het hof begrijpt: 30 september 2008) werd ik gebeld door een redacteur van het televisieprogramma Peter R. de Vries, misdaadverslaggever, met de mededeling dat zij telefonisch waren benaderd door [betrokkene 1] . [betrokkene 1] had meegedeeld dat hij betrokken was geweest in een plan van [aanvrager] , door te doen voorkomen dat hij ( [betrokkene 1] ) betrokken was geweest bij de moord op [slachtoffer] .

Op 1 oktober 2008 heb ik een onderhoud gehad met Peter R. de Vries. De Vries verklaarde het volgende:

[betrokkene 1] heeft ons gisteren tamelijk gedetailleerd verteld welke plannen [aanvrager] en hij hadden bedacht. Hij meldde aan zijn moeder opdracht te hebben gegeven om het door [aanvrager] beloofde voorschot van € 2.500,- op te halen bij een broer van [aanvrager] .

39. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 19] voornoemd, en [verbalisant 20] , buitengewoon opsporingsambtenaar bij de regiopolitie Drenthe, van 10 oktober 2008, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisanten:

Op 10 oktober 2008 verscheen op verzoek van ons de ex-vriendin van [betrokkene 1] , [betrokkene 21]

als verklaring van [betrokkene 21] :

Ik begrijp dat het gaat over het geld dat ik voor [betrokkene 1] moest halen bij de ETOS in Winschoten.

[betrokkene 1] heeft mij gevraagd daar een bedrag tussen € 2.000,- en € 2.500,- op te halen.

Ik heb het geld opgehaald op een vrijdag. Dat was een week voordat [betrokkene 1] weekendverlof had.

De vader van [betrokkene 1] is toen met mij mee geweest naar Winschoten.

In de ETOS kreeg ik van een man een vierkant wit doosje met een blauw deksel, waarin later meer dan € 2.000,- in bleek te zitten.

40. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 19] voornoemd, en [verbalisant 20] voornoemd, van 17 oktober 2008, voor zover inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 21] :

Ik ben op 5 september 2008 met de vader van [betrokkene 1] naar de ETOS in Winschoten geweest. In de ETOS heb ik gevraagd naar [betrokkene 9] .

41. Een schriftelijk stuk, houdende een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door [verbalisant 18] voornoemd van 23 oktober 2008, voor zover inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 22] , zijnde de moeder van [betrokkene 1] :

Mijn zoon [betrokkene 1] belde mij op een vrijdag in het begin van de maand september (het hof begrijpt: september 2008) vanuit de gevangenis in Ter Apel. [betrokkene 1] vroeg mij toen of ik voor hem naar een ETOS-winkel in Winschoten wilde gaan om daarbij een man van de winkel een bedrag van € 2.500,- op te halen. Ik heb daarop afwijzend gereageerd.

De volgende dag belde [betrokkene 1] en hij deelde mij mee dat het allemaal al geregeld was. Hij vertelde mij dat zijn ex-vriendin [betrokkene 21] het geld had opgehaald en dat hij zijn vader had gevraagd om [betrokkene 21] met de auto te vervoeren.

42. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 18] voornoemd, en [verbalisant 19] voornoemd, van 27 oktober 2008, voor zover inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 23] :

Ik ben de vader van [betrokkene 1] en woon in Almere. Op een vrijdag in de maand september (het hof begrijpt: september 2008) belde [betrokkene 1] mij. Hij vertelde mij dat zijn moeder die dag geld voor hem moest gaan ophalen bij een ETOS-winkel in Winschoten. Dit kon echter niet doorgaan, omdat zij het niet wilde doen. Hij vroeg mij of ik zijn ex- vriendin [betrokkene 21] wilde ophalen en of ik haar met de auto naar een ETOS-winkel in Winschoten wilde brengen. Hij vertelde dat het om een bedrag van € 2.500,- ging.

Ik was bereid mijn zoon te helpen en ik ben met [betrokkene 21] naar Winschoten gereden. [betrokkene 21] vertelde mij dat zij in de winkel moest vragen naar [betrokkene 9] . In Winschoten kocht ik een parkeerticket.

als relaas van de verbalisanten:

De getuige overhandigde ons een parkeerticket, onder meer vermeldende: datum 05/09/08, De Venne, Winschoten.

als verklaring van [betrokkene 23] :

Ik zag dat [betrokkene 21] uit een winkel stapte waar de naam ETOS op stond. Ik zag dat ze een doosje in haar hand had en ik hoorde haar zeggen dat het gelukt was. Ik zag dat [betrokkene 21] het doosje opende en dat zij daar bankbiljetten uit pakte. Ze vertelde hoe het in de ETOS- winkel was verlopen met de man van de ETOS.

43. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 18] voornoemd, van 6 januari 2009, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Zaak: [aanvrager] .

In de verklaringen van de getuigen [betrokkene 21] en [betrokkene 23] is het doosje beschreven waarin het geld heeft gezeten dat in de ETOS-winkel in Winschoten is overgedragen aan [betrokkene 21] .

Vanwege de ontkenning van [betrokkene 9] dat hij op enigerlei wijze betrokken was geweest bij een dergelijke afdracht van geld, werd dezerzijds aan de getuige [betrokkene 21] verzocht om eventuele bewijsstukken te overleggen die haar beschrijving van de gebeurtenissen zou kunnen onderbouwen.

Op 17 december 2008 meldde zij telefonisch dat zij het betreffende doosje had teruggevonden in een schuur bij haar woning en heeft zij dat doosje aan mij overhandigd. Van het betreffende doosje zijn foto’s gemaakt.

44. Een schriftelijk stuk, behorende bij het als bewijsmiddel 43 aangehaalde proces-verbaal van bevindingen, houdende twee foto-afdrukken van een wit doosje met blauw deksel.

45. Een proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 18] voornoemd, en [verbalisant 19] voornoemd, van 15 oktober 2008, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisanten:

Wie werken er in uw ETOS-zaak in Winschoten?

als verklaring van [betrokkene 9] :

Er werken acht vrouwen.”

13. Het arrest van het hof bevat de volgende bewijsoverwegingen:

“Uit het strafdossier blijkt dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde reeds langdurig gokverslaafd was. Diverse personen uit de directe familie- of kennissenkring van de verdachte hebben verklaringen afgelegd met als inhoud en/of strekking dat het gokgedrag van de verdachte problematisch was, in die zin dat er sprake was van casinoverboden en/of financiële problemen. Voorts hebben diverse personen uit de directe familie- of kennissenkring van de verdachte verklaard dat [slachtoffer] , de vrouw van de verdachte, op de hoogte was van het gokgedrag van de verdachte in het verleden en dat zij dat gokgedrag toen ten strengste had afgekeurd en niet had toegestaan.

Enkele personen uit de directe familie- of kennissenkring van de verdachte hebben tenslotte verklaard dat [slachtoffer] tegen hen heeft gezegd dat zij zou gaan scheiden van de verdachte wanneer zij er achter zou komen dat hij weer gokte en dat [slachtoffer] niet wist dat de verdachte in 1996 weer het casino bezocht.

Op 11 december 1996 is er aan het einde van de middag een onverwachte, toevallige ontmoeting geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] , in de parkeergarage van het casino in Groningen, waarna beiden, ieder in hun eigen auto, naar hun woning in Hoogezand zijn gegaan.

Door [betrokkene 10] , een vriendin van [slachtoffer] die bij deze ontmoeting aanwezig was, is op 14 december 1996 verklaard dat de verdachte bij die ontmoeting ander gedrag vertoonde dan normaliter, en dat zij uit de reactie van [slachtoffer] kon opmaken dat [slachtoffer] duidelijk teleurgesteld was de verdachte daar toen tegen te komen.

Op 11 december 1996, omstreeks 19.45 uur à 20.00 uur heeft [betrokkene 14] , een medewerkster van de kapsalon van [slachtoffer] in Assen, gebeld naar de huistelefoon van de verdachte en heeft hem, in een volgens haar rustig verlopen en kort gesprek, verteld over een (hevige) woordenwisseling die zij die middag op het werk had gehad met [betrokkene 15] , de bedrijfsleider van die kapsalon. De verdachte heeft hierop tegen [betrokkene 14] gezegd dat hij de volgende dag op deze kwestie terug zou komen. Vervolgens heeft, zo verklaard hij, de verdachte besloten om [betrokkene 15] die avond nog te bezoeken en is naar diens woning in Niezijl gereden.

Het is voor het hof een groot vraagteken waarom het telefoongesprek tussen de verdachte en [betrokkene 14] voor de verdachte aanleiding is geweest om nog dezelfde avond de autorit naar Niezijl te maken, nu dat telefoongesprek op zich geen dringende aanleiding lijkt te hebben kunnen vormen voor deze actie van de verdachte.

Ook blijft het gissen waarom de verdachte, alvorens van huis te vertrekken, in verband met de geruime afstand die hij naar de woning van [betrokkene 15] moest afleggen, geen telefonisch contact heeft opgenomen met hem, teneinde na te gaan of hij thuis zou zijn en om hem van zijn voorgenomen komst op de hoogte te brengen.

Opmerkelijk is voorts dat de verdachte, die als rayonvertegenwoordiger in kappersartikelen veelvuldig in de noordelijke provincies op pad was, heeft verklaard dat hij niet goed wist hoe hij naar Niezijl moest rijden en dat hij aanvankelijk verkeerd gereden is, waardoor zijn autorit naar Niezijl geruime tijd in beslag heeft genomen. Opvallend acht het hof ook dat, waar de verdachte zegt de weg te zijn kwijtgeraakt, hij niet op dat moment vanuit zijn auto telefonisch contact opneemt met [betrokkene 15] , maar in plaats daarvan de weg gaat vragen in een cafetaria. Opmerkelijk is ook nog dat de verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij [betrokkene 15] niet thuis aantrof in Niezijl, daar ruim anderhalf uur voor de woning heeft gewacht, dan wel heeft rondgereden in de buurt, in afwachting van de thuiskomst van [betrokkene 15] .

Eén en ander kan - gelet op het onder 1 en 2 ten laste gelegde - voeding geven aan de gedachte dat de verdachte zich hiermee een alibi voor de avond van 11 december 1996 heeft willen verschaffen en daartoe tijdsverloop heeft gecreëerd.

Vervolgens is de verdachte op een gegeven moment onverrichterzake teruggereden naar zijn woning in Hoogezand. Bij zijn woning aangekomen, heeft de verdachte volgens zijn eigen verklaring de auto de oprit opgereden en is hij uit zijn auto gestapt, waarna hij rook uit de woning zag komen. Hierop heeft de verdachte volgens zijn eigen verklaring zijn auto met draaiende motor en ontstoken verlichting laten staan en heeft hij zijn sleutelbos, met daaraan de sleutel van de voordeur van de woning, in het contactslot laten zitten en is hij met zijn mobiele telefoon het toenmalige alarmnummer 06-11 gaan bellen. De verdachte is daarbij gedurende enige tijd bij zijn woning vandaan gelopen, naar zijn zeggen omdat hij om hulp wilde vragen. De verdachte heeft vervolgens een juist passerende bus laten stoppen, zonder contact te maken met de chauffeur en hem om hulp te vragen. Toen de verdachte - staande bij de bus - contact kreeg met een medewerker van de alarmcentrale, heeft de verdachte volgens die medewerker verteld dat er drie mensen in de woning aanwezig waren en dat hij de woning niet binnen kon omdat de voordeur helemaal in brand stond.

Ook dit gedrag van de verdachte roepen naar het oordeel van het hof vraagtekens op.

Waarom heeft de verdachte de motor van zijn auto laten draaien en de verlichting van zijn auto laten branden toen hij de oprit was opgereden en uitgestapt? Waarom heeft de verdachte zijn sleutelbos, met daaraan de sleutel van de voordeur van de woning, in het contactslot van zijn auto laten zitten? Op grond waarvan heeft de verdachte verondersteld dat zijn vrouw en twee kinderen nog in de woning aanwezig waren en wellicht al niet de woning hadden verlaten? En waarom heeft de verdachte in het eerste geval niet onmiddellijk geprobeerd de woning in te gaan, om te proberen zijn vrouw en twee kinderen uit de woning te halen? Waarom heeft de verdachte, op het moment dat hij de buschauffeur tot stoppen had gebracht, die buschauffeur in het geheel niet om hulp gevraagd? Waarom heeft de verdachte niet om hulp geroepen, om buurtbewoners te alarmeren teneinde hulp te mobiliseren? Waarom heeft de verdachte aan de alarmcentrale gemeld dat hij de woning niet binnen kon omdat de voordeur helemaal in brand stond op een moment waarop de verdachte dat volgens zijn eigen verklaring nog helemaal niet geconstateerd had?

Eén en ander kan - gelet op het onder 1 en 2 ten laste gelegde - voeding geven aan de gedachte dat de verdachte hiermee heeft geprobeerd de indruk te wekken dat hij eerst aankwam bij zijn woning nadat de brand in zijn woning reeds was gesticht en dat hij tijdsverloop heeft gecreëerd, teneinde die brand voldoende tot ontwikkeling te laten komen.

Vervolgens is de verdachte zijn woning in gegaan, terwijl er op de begane grond brand was. De verdachte heeft verklaard dat op dat moment de voordeur van de woning deels open stond. Het is de verdachte gelukt zijn kinderen in veiligheid te brengen.

Het is opmerkelijk dat de verdachte hierbij - volgens zijn eigen verklaring - de beide kinderen één voor één in veiligheid heeft gebracht, in plaats van beide kinderen tegelijk, en dat hij daarbij ook nog eens eerst het kind dat zich het dichtst in de buurt van de door de verdachte gebruikte uitgang bevond in veiligheid heeft gebracht en daarna het kind dat zich het verst van die uitgang bevond en dat hij pas daarna voor het eerst om hulp heeft geroepen.

Ook hier rijst de gedachte dat de verdachte hiermee heeft geprobeerd tijdsverloop te creëren, teneinde de brand verder tot ontwikkeling te laten komen voordat anderen ter plaatse zouden komen.

Het is - gelet op de omstandigheid dat zijn woning in brand stond, zijn vrouw nog in de woning moest zijn en niet te vinden was - eveneens opmerkelijk dat de verdachte zowel op zijn buurman, als op de commandant van de brandweer, die beiden kort na de melding van de brand aan de alarmcentrale ter plaatse waren, een rustige indruk maakte.

Bij een in de nacht van 11 op 12 december 1996 ingesteld nader onderzoek door de brandweer en de politie in de woning van de verdachte is na enige tijd het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen. Het stoffelijk overschot bevond zich - zo is uit later onderzoek gebleken - onder de restanten van een metalen stellingkast, op de vloer van het kantoorgedeelte in de woning. Dit kantoor bevond zich - bezien vanaf de buitenzijde van de voordeur van de woning - schuin links van de voordeur van de woning.

In dat kantoorgedeelte was tevens een kluis, waarvan de kluisdeur openstond, met de sleutels van de kluis in het slot. In die kluis - waarin zich volgens de verdachte een geldbedrag van Fl. 340.000,- tot Fl. 360.000,- heeft bevonden - werden geen restanten van enige kluisinhoud aangetroffen.

Uit een op 12 december 1996 ingesteld technisch onderzoek naar de oorzaak van de brand en naar het brandbeeld in de woning van de verdachte is gebleken dat de brand zich heeft beperkt tot de hal achter de voordeur en het links van de hal gelegen kantoorgedeelte en dat een technisch verklaarbare oorzaak van het ontstaan van de brand kan worden uitgesloten.

Uit onderzoek van enkele in het kantoorgedeelte genomen brandmonsters is gebleken van de aanwezigheid van een brandversnellend middel, te weten motorbenzine. Onder meer op restanten van de kleding waarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] was gekleed, is eveneens motorbenzine aangetroffen.

Uit het op 26 februari 1997 opgemaakte verslag van de sectie op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] blijkt dat er sprake is van een breuklijn rechts in de schedel en van een bloeding aan de voorkant onder het harde hersenvlies. Deze letsels zijn het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd, zoals het slaan met een hard voorwerp. Daarnaast blijkt uit dat verslag van een scherprandige klieving van de rechter halsslagader, met een rafelige klieving van het strottenhoofd. Deze verwondingen laten zich aanzien als letsels die kunnen worden veroorzaakt door het snijden met een scherp voorwerp.

De beschreven letsels zouden zonder meer tot de dood hebben geleid.

Voorts blijkt uit dat verslag dat er weliswaar aanwijzingen zijn dat [slachtoffer] niet meer leefde op het moment dat de brand uitbrak, maar dat niet met zekerheid uitgesloten kan worden dat de verbranding bij leven heeft plaatsgehad en dat de dood daarna is ingetreden door de brandletsels en de daarmee gepaard gaande traumatische shock.

Uit het strafdossier, zoals dat in de loop der jaren is ontstaan, blijkt dat de verdachte niet consistent heeft verklaard over zijn eigen lezing van de gebeurtenissen op de avond van 11 december 1996, ook niet in de periode vlak na de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Voorts stelt het hof vast dat uit de verhoren blijkt dat de verdachte gaandeweg steeds meer zijn medewerking aan het onderzoek door de politie heeft geweigerd. Deze houding valt niet goed te begrijpen, tegen de achtergrond van het door de verdachte ingenomen standpunt dat hij onschuldig is.

In die houding van de verdachte lijkt wel te passen het gegeven dat hij meerdere keren een ander of anderen aanwijst als degene of degenen die (mogelijk) verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Nader onderzoek door de politie naar de mogelijke betrokkenheid van een ander of anderen heeft echter telkens geen concreet resultaat opgeleverd, in die zin dat niet aannemelijk is geworden dat een ander of anderen dan de verdachte verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting.

Tijdens de behandeling van de strafzaak in hoger beroep heeft de verdachte op 30 juni 2009 zich op het standpunt gesteld dat andere personen, te weten [betrokkene 1] en één of twee anderen, onder wie mogelijk [betrokkene 17] en/of [betrokkene 16] , verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Het hof heeft deze stellingname van de verdachte (nader) laten onderzoeken. Mede uit dit nadere onderzoek komt het volgende naar voren.

Na op 10 juni 2008 door de rechtbank te Groningen te zijn veroordeeld, bij welke gelegenheid de gevangenneming van de verdachte is bevolen, was de verdachte in de periode van 12 juni 2008 tot 12 september 2008 ingesloten in de penitentiaire inrichting Ter Apel.

In deze periode, te weten op 17 juli 2008, heeft de verdachte telefonisch contact gehad met mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen en kantoorgenoot van de beide raadslieden van de verdachte.

Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft mr. D.C. Keuning de verdachte op 21 juli 2008 bezocht in de penitentiaire inrichting in Ter Apel. De verdachte heeft toen aan mr. D.C. Keuning verteld dat hij in de penitentiaire inrichting een medegedetineerde had ontmoet die heel veel wist te vertellen over de werkelijke toedracht van de dood van [slachtoffer] .

De verdachte heeft daarbij de naam [betrokkene 1] genoemd. Mr. D.C. Keuning heeft daarop besloten de zaak te laten rusten totdat de raadsman van de verdachte, mr. E.J. de Mare terug zou zijn van vakantie.

[betrokkene 1] heeft op 7 augustus 2008 telefonisch contact opgenomen met de hem bekende verbalisant [verbalisant 17] en heeft [verbalisant 17] verteld dat hij belastende informatie had over een medegedetineerde, te weten de verdachte [aanvrager] .

Op 14 augustus 2008 heeft [betrokkene 1] vervolgens een verkennend gesprek met de verbalisanten [verbalisant 17] en [verbalisant 18] gevoerd. De inhoud van dat gesprek is neergelegd in een verslag. Naar aanleiding hiervan heeft de politie [betrokkene 1] op 20 augustus 2008 verhoord, van welk verhoor een videoregistratie is vervaardigd.

Tijdens dat verhoor heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij tijdens zijn detentie door [aanvrager] is benaderd met het verzoek om tegen een forse financiële beloning een scenario met betrekking tot de gewelddadige dood van [slachtoffer] naar buiten te brengen. [betrokkene 1] en [aanvrager] hebben daarop samen een scenario ontwikkeld dat inhield dat een inmiddels overleden junk/inbreker, genaamd [betrokkene 2] , samen met [betrokkene 1] de woning van [aanvrager] was binnengedrongen en [slachtoffer] had gedwongen de kluis te openen, waarna het geld uit de kluis was gehaald en [slachtoffer] door [betrokkene 2] was vermoord, waarna [betrokkene 2] brand had gesticht om sporen te wissen. Dat verhaal zou volgens [betrokkene 1] door hem aan de raadsman van [aanvrager] moeten worden verteld. [betrokkene 1] zou voor zijn rol binnenkort reeds een voorschot van € 3.500,- ontvangen via een broer van [aanvrager] .

[betrokkene 1] heeft voorts verklaard door [aanvrager] te zijn benaderd en aanvankelijk meegegaan te zijn in diens voorstel, waarna beiden een gedetailleerd scenario hebben uitgewerkt, gebaseerd op informatie uit het strafdossier dat in het bezit was van [aanvrager] .

[betrokkene 1] zou op een gegeven moment echter in gewetensnood zijn gekomen en daarom de politie hebben benaderd.

Op 10 september 2008 heeft [betrokkene 1] vervolgens - conform zijn volgens hem met [aanvrager] besproken plan - een verklaring afgelegd ten overstaan van de verdediging.

Deze verklaring van [betrokkene 1] is vastgelegd op briefpapier van het kantoor van de verdediging en is door [betrokkene 1] ondertekend.

In een proces-verbaal van bevindingen van 19 november 2008 heeft verbalisant [verbalisant 18] uiteengezet wat de achtergrond van laatstgenoemde handelwijze van [betrokkene 1] zou zijn geweest. Kort gezegd zou [betrokkene 1] zijn dubbelrol hebben volgehouden totdat hij was overgeplaatst en daarmee veilig was voor mogelijke wraakacties van [aanvrager] jegens hem. [betrokkene 1] heeft dit nadien bevestigd.

Op 30 september 2008 heeft verbalisant [verbalisant 18] via een redactiemedewerker van het TV- programma Peter R. de Vries, misdaadverslaggever, vernomen dat [betrokkene 1] hen had benaderd met informatie over het plan van [aanvrager] .

In een gesprek op 1 oktober 2008 heeft Peter R. de Vries aan verbalisant [verbalisant 18] meegedeeld dat [betrokkene 1] hem had verteld over de inhoud van het plan van [aanvrager] en dat [betrokkene 1] had gezegd dat hij zijn moeder had opgedragen een aan hem beloofd voorschot van € 2.500,- op te halen bij een broer van [aanvrager] .

Verificatie van dit laatste gegeven bij de ex-vriendin van [betrokkene 1] en de ouders van [betrokkene 1] heeft uitgewezen dat op 5 september 2008 een broer van [aanvrager] , [betrokkene 9] ,

€ 2.500,- aan de ex-vriendin van [betrokkene 1] heeft overgedragen.

De verdachte heeft ontkend dat hij op eigen initiatief [betrokkene 1] heeft benaderd en voorgesteld een scenario op te stellen met als doel de indruk te wekken dat een ander of anderen verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting. De broer van de verdachte heeft ontkend geld te hebben overgedragen.

Nader onderzoek door de politie naar de mogelijke betrokkenheid van [betrokkene 1] en een ander of anderen, onder wie [betrokkene 17] heeft geen concreet resultaat opgeleverd, in die zin dat niet aannemelijk is geworden dat een ander of anderen dan de verdachte verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting.

Ter terechtzitting van het hof op 3 december 2009 heeft de verdachte naar aanleiding van het nadere onderzoek verklaard dat [betrokkene 1] en één of twee anderen in zijn woning zijn geweest, maar hij niet met zekerheid kan zeggen wie. Volgens de verdachte hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 17] er achter gezeten.

Gelet op al het bovenstaande - in onderling verband en onderlinge samenhang bezien - zijn er sterke aanwijzingen aanwezig dat de verdachte verantwoordelijk is voor de gewelddadige dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om die beide delicten te begaan.

Niet ondenkbaar is dat er in de avond van 11 december 1996 in de woning van de verdachte sprake is geweest van een escalerende ruzie tussen de verdachte en [slachtoffer] , wellicht over het gokgedrag van de verdachte. Eén en ander kan er, zonder nader bewijs, echter niet toe leiden het wettig en overtuigend bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde aanwezig te achten.

Door de ontwikkelingen in de strafzaak in de fase van het hoger beroep en de daaruit voortvloeiende (nadere) onderzoeksresultaten wordt dit echter anders.

Het betreft dan de rol van [betrokkene 1] zoals hij in het onderzoek naar voren komt vanaf juni 2009. De verdediging heeft - kort samengevat - omstandig betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet betrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof verwerpt dit verweer om navolgende redenen.

Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 1] , waar hij heeft verklaard dat hij tijdens zijn detentie door de verdachte is benaderd met het verzoek om tegen een forse financiële beloning een scenario betreffende de gewelddadige dood van [slachtoffer] naar buiten te brengen en dat hij op dat verzoek is ingegaan, wèl geloofwaardig. Het hof stelt voorts vast dat in dit verband een aan [betrokkene 1] beloofd voorschot van € 2.500,- is opgehaald bij een broer van [aanvrager] in diens winkel te Winschoten. Verificatie van dit laatste gegeven door de politie heeft een zodanige bevestiging, bestaande in gedetailleerde informatie omtrent die geldoverdracht, opgeleverd dat er geen twijfel over bestaat dat die geldoverdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Het hof stelt voorts vast dat uit de verklaringen van [betrokkene 1] blijkt dat de verdachte tegenover [betrokkene 1] heeft bekend verantwoordelijk te zijn voor de gewelddadige dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Het gedetailleerde scenario betreffende de toedracht daarvan, dat door de verdachte en [betrokkene 1] gezamenlijk is uitgewerkt en dat door [betrokkene 1] naar buiten moest worden gebracht en dat ook daadwerkelijk door [betrokkene 1] naar buiten is gebracht, te weten zowel naar de verdediging van de verdachte als naar de politie, is dan ook naar het oordeel van het hof (mede) gebaseerd op daderkennis van de verdachte. Het hof acht daarbij met name het volgende van belang:

- uit het verslag van het verkennend gesprek dat [betrokkene 1] op 14 augustus 2008 heeft gevoerd met de verbalisanten [verbalisant 17] en [verbalisant 18] , blijkt dat [betrokkene 1] heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

"Uiteindelijk heeft [aanvrager] mij verteld dat hij [slachtoffer] had doodgeslagen met een klap op haar achterhoofd. Voor dat doel had hij een broodplank gebruikt.

Ook vertelde hij details, zoals de plaatsen waar benzine was uitgegoten in het kantoortje.

Hij instrueerde mij om te zeggen dat [slachtoffer] al vóór 22.00 uur doodgemaakt was, want uit het dossier was gebleken dat een telefoontje op dat tijdstip al onbeantwoord was gebleven.”

- uit het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] , welk verhoor op 20 augustus 2008 plaatsvond, blijkt dat [betrokkene 1] heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

"Op een gegeven moment kwam [aanvrager] met de opmerking dat hij iemand zocht die inmiddels dood was. Toen ik hem vroeg waarom, antwoordde hij: dan kan ik hem de schuld geven.

Ik heb toen de naam [betrokkene 2] genoemd. (...)

We (het hof begrijpt: de verdachte en [betrokkene 1] ) hadden een gesprek over TNO en de mogelijkheid dat hij toch veroordeeld zou worden. Hij zocht een alternatief. Zeg maar: iemand die dood was en die de schuld kon krijgen. (...)

Later in de gesprekken merkte [aanvrager] op dat ikzelf eigenlijk een hele sterke en stabiele persoon was (...)

Toen vroeg hij mij: Wil jij dat niet doen? (...)

Toen heb ik gezegd: Ik wil wel kandidaat zijn om het in scène te zetten dat ik het gedaan heb. (...) Hij zei dat het goed was, jij kunt het wel sterk overbrengen. (...)

[aanvrager] zei dat ik moest vertellen dat ze gekleed was in een rok en dat ze haar kleding had omgewisseld, dat er een mouwophouder was en dat er een ijzeren rek over haar heen gegooid was. Hij vertelde dat er een wond was op haar achterhoofd en een snee in haar nek. (...)

Alles wat ik weet, heb ik uit de mond van [aanvrager] gehoord. (...)

Ik zeg nu gewoon wat ik moest zeggen. Nou, we zijn om elf uur dus gekomen. We gingen via de voordeur. [slachtoffer] deed open. We namen haar mee in de woonkamer. [slachtoffer] werd daar vastgehouden door [betrokkene 9] en ik ging het huis doorzoeken. [aanvrager] heeft voor dat doel voor mij een plattegrond van het huis getekend, want op dat moment beschikte hij nog niet over het dossier. Met een wenteltrap ging je naar boven, daar lagen de kinderen. Wat ook belangrijk was, dat er een zwart bankstel was, dat moest ik onthouden. En dat ik naar boven was geweest, dat ik de kinderen zag liggen, dat ik via de badkamer naar zolder kon. Dat bij binnenkomst door de voordeur gelijk links het kantoor was waar zich om de hoek de kluis bevond. Dat moest ik vertellen. En dan de sleutels. Later hebben we daar een fout in gemaakt want ik ben ook bij de advocaat van [aanvrager] geweest. Deze vroeg me ook waar de sleutels waren aangetroffen. Ik moest van [aanvrager] zeggen dat deze in het potje lagen in de woonkamer. Maar achteraf bleek deze aan de sleutelbos te hebben gezeten. Dat heeft [aanvrager] gecorrigeerd, dat ik dat anders moest vertellen. We zaten dus binnen en zogenaamd moesten we haar mishandelen. Daarna moesten we haar meenemen naar de kluis. Die moest ze opendoen. Toen ze die open had gedaan had [betrokkene 9] haar een klap op haar hoofd gegeven. We hebben benzine moeten gooien. We moesten benzine halen uit het busje. Er was benzine gevonden in bepaalde hoeken van het kantoortje. Om het verhaal te bekrachtigen moesten we benzine gooien. We hebben het in de fik gestoken, om de sporen uit te wissen. (...)

[aanvrager] zei tegen mij dat hij het had gedaan en dat hij mij bepaalde informatie kon vertellen die alleen de dader kan weten. (...)

[aanvrager] is later teruggekomen op het tijdstip van het onbeantwoord gebleven telefoontje.

Dat zou niet om 22.00 uur, maar om 23.00 uur zijn geweest. (...)

[aanvrager] vroeg of ik met zijn advocaat wilde praten. (...)

De instructies van [aanvrager] aan mij waren om de advocaat te overtuigen."”

14. Het hof heeft in de aanvulling bewijsmiddelen aan het voorgaande voorts nog het volgende toegevoegd:

“Herstel 1 -

Het hof heeft in het arrest van 17 december 2009 op pagina 10 onder meer het volgende overwogen:

(...) en dat hij daarbij ook nog eens eerst het kind dat zich het dichtst in de buurt van de door de verdachte gebruikte uitgang bevond in veiligheid heeft gebracht en daarna het kind dat zich het verst van die uitgang bevond en dat hij pas daarna voor het eerst om hulp heeft geroepen.

Thans is het hof gebleken dat deze passage op een misvatting van het hof berust.

Gelet op de verklaring van de verdachte, zoals hierboven opgenomen in bewijsmiddel 20, alsmede gelet op de zich in het strafdossier bevindende plattegrond van de bovenverdieping van de woning [a-straat 1] in Hoogezand, heeft de verdachte eerst het kind dat zich het verst van de door hem gebruikte uitgang bevond, te weten [betrokkene 3] , in veiligheid gebracht en daarna het kind dat zich het dichtst in de buurt van die uitgang bevond, te weten [betrokkene 4] .

Herstel 2 -

Het hof heeft in het arrest van 17 december 2009 op pagina 13 onder meer het volgende overwogen:

Op 10 september 2008 heeft [betrokkene 1] vervolgens - conform zijn volgens hem met [aanvrager] besproken plan - een verklaring afgelegd ten overstaan van de verdediging.

Thans is het hof gebleken dat deze passage op een misvatting van het hof berust.

Gelet op de inhoud van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen 36 en 37 heeft [betrokkene 1] bedoelde verklaring (ongeveer) één week vóór 10 september 2008 afgelegd en heeft [betrokkene 1] bedoelde verklaring op 10 september 2008 ondertekend.

Herstel 3-

Het hof heeft in het arrest van 17 december 2009 op pagina 15 onder meer het volgende overwogen:

Het betreft de rol van [betrokkene 1] zoals hij in het onderzoek naar voren komt vanaf juni 2009.

Thans is het hof gebleken dat het genoemde jaartal op een misvatting van het hof berust. Bedoeld is hier: juni 2008.


Nadere bewijsoverwegingen -

1a.

Uit de omstandigheid dat de brandweercommandant blijkens de hierboven opgenomen bewijsmiddelen 26 en 27 heeft verklaard kort na de brandmelding ter plaatse aanwezig te zijn geweest, alsmede de omstandigheid dat de buurman [betrokkene 19] blijkens de verklaring van de verdachte, zoals hierboven opgenomen in bewijsmiddel 20, als eerste ter plaatse was, heeft het hof afgeleid dat ook buurman [betrokkene 19] kort na de brandmelding ter plaatse aanwezig is geweest.

1b.

Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat van het in brand steken van onroerend goed, in dit geval: de woning aan de [a-straat 1] in Hoogezand, gemeen gevaar voor zich in die woning bevindende goederen te duchten is.

Het hof acht daarnaast bewezen dat van het in brand steken van genoemde woning levensgevaar voor de in die woning aanwezige personen (de kinderen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) te duchten is, nu genoemde kinderen ten tijde van de brand daadwerkelijk aanwezig waren in die woning, in slaaptoestand.

1c.

Uit de omstandigheid dat [betrokkene 9] , de broer van de verdachte, heeft verklaard dat er 8 vrouwen werken in zijn ETOS-zaak in Winschoten (bewijsmiddel 45), leidt het hof af dat [betrokkene 9] als enige man werkzaam is in die ETOS-zaak.

Daaruit leidt het hof af dat de man van wie [betrokkene 21] in de ETOS-zaak in Winschoten een vierkant wit doosje met een blauw deksel, waarin later meer dan € 2.000,- bleek te zitten (bewijsmiddel 39), is geweest: [betrokkene 9] , de broer van de verdachte.

2.

Het hof heeft in het arrest van 17 december 2009 op pagina 12 onder meer het volgende overwogen:

Uit het strafdossier, zoals dat in de loop der jaren is ontstaan, blijkt dat de verdachte niet consistent heeft verklaard over zijn eigen lezing van de gebeurtenissen op de avond van 11 december 1996, ook niet in de periode vlak na de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Het hof heeft hierbij acht geslagen op de volgende verklaringen:

* de verklaring van de verdachte van 12 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.120 van de ordner B 2 van een dossier van de regiopolitie Groningen met het kenmerk RBT 96-06 , sluitingsdatum 18 maart 1997, voor zover inhoudende:

Ik ben op 11 december 1996 omstreeks 20.30 uur naar de woning van [betrokkene 15] gereden.

Toen ik terug kwam in Hoogezand en voor mijn woning stond (ik was net uit mijn auto gestapt) zag ik rook uit mijn woning komen.

* de verklaring van de verdachte van 23 december 1996, opgenomen in paragraaf 2.1.123 van de ordner B 2 van een dossier van de regiopolitie Groningen met het kenmerk RBT 96-06 , sluitingsdatum 18 maart 1997, voor zover inhoudende:

30

Ik ben op 11 december 1996 omstreeks 20.30/21.00 uur naar de woning van [betrokkene 15] gereden.

Toen ik de oprit van mijn woning opreed, zag ik rook uit de woning komen. Ik ben uit de auto gestapt.

* de verklaring van de verdachte van 15 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.132 van de ordner B 2 van een dossier van de regiopolitie Groningen met het kenmerk RBT 96-06 , sluitingsdatum 18 maart 1997, voor zover inhoudende:

Ik ben op 11 december 1996 omstreeks 21.00 uur vertrokken naar de woning van [betrokkene 15] .

* de verklaringen van de verdachte, zoals gerelateerd door de verbalisanten in het procesverbaal van 17 maart 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.11 van de ordner B 1 van een dossier van de regiopolitie Groningen met het kenmerk RBT 96-06 , sluitingsdatum 18 maart 1997, voor zover de verbalisanten die verklaringen hebben voorzien van de aantekening dat de verdachte eerder anderszins heeft verklaard.

3.

Het hof heeft in het arrest van 17 december 2009 op pagina 12 onder meer het volgende overwogen:

Voorts stelt het hof vast dat uit de verhoren blijkt dat de verdachte gaandeweg steeds meer zijn medewerking aan het onderzoek door de politie heeft geweigerd.

Het hof heeft hierbij acht geslagen op de verklaringen die de verdachte vanaf 16 februari 1997 heeft afgelegd bij de politie, welke verklaringen zijn opgenomen in de paragrafen 2.1.133 tot en met 2.1.144 van de ordner B 2 van een dossier van de regiopolitie Groningen met het kenmerk RBT 96-06 , sluitingsdatum 18 maart 1997.

31

Het hof heeft in het arrest van 17 december 2009 op pagina 12 onder meer het volgende overwogen:

(...) dat hij meerdere keren een ander of anderen aanwijst als degene of degenen die (mogelijk) verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting.

Het hof heeft hierbij acht geslagen op de volgende verklaringen:

* de verklaring van de verdachte van 24 februari 1997, opgenomen in paragraaf 2.1.137 van de ordner B 2 van een dossier van de regiopolitie Groningen met het kenmerk RBT 96-06 , sluitingsdatum 18 maart 1997, waarin de verdachte heeft verklaard dat dikke […] en andere personen uit Hoogezand en ene mister X uit Delfzijl mogelijk verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting;

* de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 30 juni 2009, waarbij de verdachte heeft gesteld dat [betrokkene 1] en één of twee anderen, onder wie mogelijk

[betrokkene 17] en/of [betrokkene 16] , verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting.

4.

Het hof heeft er voor gekozen de hierboven onder Nadere bewijsoverwegingen sub 2 tot en met 4 opgenomen verklaringen niet als afzonderlijke bewijsmiddelen op te nemen, teneinde onderlinge tegenstrijdigheid van de bewijsmiddelen te voorkomen. Ter onderbouwing van genoemde onderdelen van de bewijsmotivering in het arrest dienen daarom deze nadere bewijsoverwegingen.”

VI Wettelijk en jurisprudentieel kader

15. De aanvraag is gegrond op art. 457 eerste lid aanhef en onder c Sv. Deze bepaling luidt voor zover hier van belang:

“1. Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:

a. (…)

b. (…)

c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.”

16. Uit de wettekst blijkt dat een nieuw gegeven pas wordt aangemerkt als novum, als cumulatief is voldaan aan alle drie de in art. 457 lid 1 sub c Sv genoemde vereisten, namelijk dat het gegeven niet aan de rechter ter terechtzitting bekend is geweest, dit niet verenigbaar is met de het eerdere bewijs of de eerdere uitspraak en er serieuze twijfel is dat als het wel aan de rechter bekend zou zijn geweest dit tot – voor zover in onderhavige zaak van belang – vrijspraak zou hebben geleid. De aangevoerde argumenten zullen dus de onjuistheid van de bestreden uitspraak aannemelijk moeten maken of hierover in ieder geval ernstige twijfel moeten zaaien. Daarbij zal het nieuwe gegeven moeten worden beoordeeld aan de hand van de gehele bewijsconstructie en deze als zodanig moeten ondermijnen. De enkele mogelijkheid dat de bewijsmiddelen, in combinatie met het nieuwe gegeven, een alternatief scenario of een alibi open laten, is hiervoor niet voldoende. De nieuwe gegevens zullen dat andere scenario of alibi hoogst waarschijnlijk moeten maken.1

17. Als het gaat om een belastende getuigenverklaring die na een onherroepelijke veroordeling wordt ingetrokken, dan levert dat op zichzelf nog geen novum op. De aanvrager zal in dat geval aannemelijk moeten maken dat en waarom de getuige op zijn eerdere verklaring is teruggekomen.2 Daartoe zal de getuige redenen moeten opgeven waarom hij terugkomt op een eerdere verklaring of zullen deze redenen in ieder geval uit het herzieningsverzoek moeten blijken3, waarbij niet iedere opgegeven reden, bijvoorbeeld het krijgen van “gewetenswroeging”, voldoende grond oplevert om te twijfelen aan de juistheid van de eerder afgelegde verklaring.4 Ik vat dit vereiste zo op dat pas indien er voldoende gronden zijn om te twijfelen aan de juistheid van de eerder voor het bewijs gebruikte verklaring, de vervolgvraag aan de orde komt of dit gegeven tevens de bewijsconstructie als geheel aantast. Is er los daarvan voldoende bewijsmateriaal dat de bewezenverklaring kan dragen, dan zal een ingetrokken getuigenverklaring die slechts een ondergeschikt onderdeel van de bewijsconstructie betreft niet snel als novum kunnen worden aangemerkt.5

18. Tot slot kan van een novum ook sprake zijn als uit een nieuw gegeven blijkt dat de feitenrechter bepaalde feitelijke gegevens die ter terechtzitting wel bekend waren, maar waarvan de rechter de strekking of reikwijdte niet of onvoldoende heeft onderkend, onjuist heeft geïnterpreteerd. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren doordat nieuwe wetenschappelijke inzichten een ander licht op deze feiten werpen. In een dergelijke situatie kan een nieuw deskundigeninzicht een novum vormen.6

VII De drie als ‘nova’ gepresenteerde nieuwe gegevens.

19. Het eerste gestelde novum, de herroeping van de getuige [betrokkene 1] van zijn eerdere belastende verklaringen, voor zover hij daarin heeft verklaard dat aanvrager de feiten waarvoor aanvrager is veroordeeld aan hem heeft bekend, is gericht tegen de overwegingen van het hof dat met name deze bekentenis en de daderkennis van de aanvrager in de bewijsconstructie de balans van “sterke aanwijzingen” naar wettig en overtuigend bewijs hebben doen doorslaan. Het gaat om de volgende overwegingen:

“Gelet op al het bovenstaande - in onderling verband en onderlinge samenhang bezien - zijn er sterke aanwijzingen aanwezig dat de verdachte verantwoordelijk is voor de gewelddadige dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om die beide delicten te begaan.

Niet ondenkbaar is dat er in de avond van 11 december 1996 in de woning van de verdachte sprake is geweest van een escalerende ruzie tussen de verdachte en [slachtoffer] , wellicht over het gokgedrag van de verdachte. Eén en ander kan er, zonder nader bewijs, echter niet toe leiden het wettig en overtuigend bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde aanwezig te achten.

Door de ontwikkelingen in de strafzaak in de fase van het hoger beroep en de daaruit voortvloeiende (nadere) onderzoeksresultaten wordt dit echter anders.”

20. De nieuwe feiten die betrekking hebben op de tijdlijn van de gebeurtenissen op de avond van 11 december 1996 en het brandonderzoek (‘novum II' en ‘novum III’) keren zich (voornamelijk) tegen de hiervoor geciteerde overweging van het hof dat de aanvrager tijd en gelegenheid heeft gehad beide feiten te plegen, waarmee het hof (impliciet) het alibi-verweer van de aanvrager, dat hij deze tijd en gelegenheid gelet op zijn rit naar Niezijl niet heeft gehad, heeft verworpen.

21. In dit kader wordt gewezen op het door Project Gerede Twijfel uitgevoerd onderzoek dat als bewijsmiddel 2 bij het herzieningsverzoek is overgelegd en nieuwe informatie over de passagetijden van schepen door de sluizen Gaarkeuken en Oostersluis op 11 december 1996. Aanvrager heeft gesteld dat hij tijdens zijn rit van Niezijl naar Hoogezand die bewuste avond twee keer heeft stilgestaan voor een open brug tussen Noordhorn en Zuidhorn. Het door Project Gerede Twijfel uitgevoerde onderzoek brengt - aldus de aanvraag - aan het licht dat bij de reconstructie die door de politie is uitgevoerd7 de passagetijden van de brug onjuist werden berekend en door het gebruik van onjuiste passagetijden van de sluis bij Gaarkeuken de door de politie uitgevoerde reconstructie ook onjuiste resultaten opleverde. Ook dit maakt het onwaarschijnlijk dat aanvrager tijd en gelegenheid heeft gehad de hem tenlastegelegde feiten te plegen.

22. In het herzieningsverzoek is uitgebreid aandacht besteed het derde gestelde novum, een aantal tekortkomingen dat het technische onderzoek dat in 1996 naar de brand werd uitgevoerd zou vertonen, waarbij eveneens wordt verwezen naar de bevindingen van de onderzoekers van het Project Gerede Twijfel. Deze bevindingen houden in dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat er sprake is geweest van het gebruik van motorbenzine als brandversnellend middel, waardoor niet meer kan worden vastgesteld dat er sprake was van brandstichting en dat het tijdstip van het ontstaan van de brand op onjuiste manier is bepaald. Het rapport van de branddeskundige Philipsen (bewijsmiddel 7) bevestigt deze tekortkomingen. Uit deze gegevens volgt dat de brand waarschijnlijk vóór 00.15 op 12 december 1996 is ontstaan, hetgeen op zijn beurt weer ondersteunt dat aanvrager gelet op zijn rit naar Niezijl geen tijd en gelegenheid heeft gehad deze brand te stichten.

23. Betoogd wordt dat deze gegevens in samenhang moeten worden bezien met het alibi van aanvrager, dat thans steun vindt in nieuwe gegevens op grond waarvan kan worden opgemaakt op welke tijdstippen de brug tussen Noordhorn en Zuidhorn gedurende de avond van 11 december 1996 open stond. Hierdoor zou de overweging van het hof dat aanvrager gelegenheid zou hebben gehad de hem tenlastegelegde feiten te plegen worden ondergraven.

24. Hieronder zal ik de gestelde nova achtereenvolgens meer in detail bespreken.

VIII ‘Novum 1’ verklaring van de getuige [betrokkene 1] op 22 april 2013

25. ‘ ‘Novum 1’ berust op hetgeen getuige [betrokkene 1] volgens een door de verdediging van de aanvrager mr. Knoops en mr. Vosman opgestelde notitie op 22 april 2013 tegenover deze raadslieden heeft verklaard.8 Ik merk hierbij op dat deze notitie niet door [betrokkene 1] , in de notitie aangeduid als ‘de heer D.’, is ondertekend. Wel is als productie/bewijsmiddel 3 bij het herzieningsverzoek een door [betrokkene 1] ondertekende verklaring d.d. 22 april 2013 overgelegd waarin [betrokkene 1] verklaart uit eigener beweging contact te hebben gezocht met het kantoor van mr. Knoops en dat hij het gesprek met de raadslieden van aanvrager uit vrije wil en uit eigen initiatief is aangegaan. De kernpassages uit de notitie die betrekking hebben op het gestelde novum luiden als volgt:

“ […]

6. De heer D. geeft aan dat [aanvrager] een scenario aan hem had gegeven. De heer D. had de naam bedacht van de heer [betrokkene 2] . Op dat moment was [aanvrager] in een staat van doen dat hij niet meer wist wat hij deed... daarom had hij ook de heer D. benaderd.

7. De heer D. geeft hij dat hij de moord niet heeft gepleegd.

8. De heer D. is nooit onder ede gehoord.

9. In juli 2008 heeft de heer D. voor het eerst (oppervlakkig) met [aanvrager] gesproken. Hij gaf aan dat [aanvrager] op zijn hoede was.

10. [aanvrager] heeft nooit tegen de heer D. gezegd dat hij de moord heeft gepleegd.

[…]

12. Bij de rechter-commissaris heeft de heer D. niet onder ede verklaard dat [aanvrager] tegen hem heeft gezegd dat hij de moord heeft gepleegd.

13. Volgens de heer D. was zijn motief: "ik werd er in meegezogen en ik heb mijn eigen conclusie getrokken."

[…]”

26. In opdracht van de verdediging van aanvrager heeft prof.dr. P.J. Van Koppen, kennelijk als deskundige, [betrokkene 1] op 4 juni 2013 bezocht met als doel, in de bewoordingen van Van Koppen: “het aanhoren van wat hij te vertellen had en het beoordelen van zijn verhaal”.9 In zijn verslag van dit gesprek10 schrijft Van Koppen onder andere:

“[…]

[betrokkene 1] vertelde aan mij hetzelfde verhaal zoals dat ik in het dossier kan worden teruggevonden. Daarop is één uitzondering. Aan de rechter-commissaris verklaarde [betrokkene 1] indertijd dat [aanvrager] [bedoeld wordt aanvrager, AG] hem had verteld dat hij het misdrijf pleegde. Dat deel van zijn verklaring wil [betrokkene 1] nu terugtrekken, [aanvrager] heeft hem nooit gezegd dat hij het had gedaan. [betrokkene 1] heeft veel meer de indruk dat [aanvrager] na de veroordeling door de rechtbank en in voorbereiding van de zaak bij het hof een kat in het nauw was.

[…]

In zijn valse bekentenis van de moord had hij verteld dat [betrokkene 2] met hem het huis was binnengedrongen en dat [betrokkene 2] [slachtoffer] om het leven had gebracht. Met die versie zou [betrokkene 1] de schuld op zich kunnen nemen, terwijl zijn schuld beperkt bleek doordat [betrokkene 2] het eigenlijk gedaan zou hebben. Hij koos [betrokkene 2] omdat hij wist dat hij dood was, maar hij wist niet precies wanneer hij was doodgegaan en wist ook niet dat [betrokkene 2] voor de moord op [slachtoffer] al was overleden.

Alle details over het misdrijf - hoe [slachtoffer] lag, de manier van snijden, de kast die over haar was gegooid, dat zij geslagen was met een broodplank - zou [aanvrager] allemaal uit het dossier hebben. [aanvrager] beschikte over een klein deel van het dossier. Als [betrokkene 1] iets aan hem vroeg, kreeg hij altijd pas de volgende dag antwoord. [betrokkene 1] nam aan dat het zo gebeurde omdat [aanvrager] de juiste gegevens in het dossier moest opzoeken. Als hij daarin gelijk heeft, is dat voor [aanvrager] ontlastend.

In dat verband is ook de broodplank interessant. De politie meent dat [slachtoffer] is doodgeslagen met een broodplank. De boordplank [bedoeld is kennelijk broodplank, AG] is niet in beslag genomen, maar later pas gezien op de foto’s die in de keuken zijn genomen. Daarop staat de broodplank rechtop, maar in gebroken toestand op het aanrecht.

De broodplank als moordwapen is een nogal onwaarschijnlijke hypothese die door de politie is geopperd. Er is geen reden om aan te nemen dat [slachtoffer] in werkelijkheid met de broodplank is geslagen. Als dat klopt, dan duidt het detail dat [betrokkene 1] vertelde over de broodplank erop dat [aanvrager] de gegevens ontleende aan het dossier en niet aan zijn eigen geheugen.

[betrokkene 1] meent dat [aanvrager] in hoger beroep op safe wilde spelen. Het denkt nu achteraf dat [aanvrager] het niet heeft gedaan. [aanvrager] was wanhopig en hij kon niet tegen de straf. ‘Hij kon niet tegen zitten’, aldus [betrokkene 1] .

Over de overige omstandigheden van de zaak vertelde [betrokkene 1] het volgende. Hij zou uiteindelijk € 1,2 miljoen krijgen. [aanvrager] zou dat betalen uit zijn schadevergoeding en uit een geheime rekening met € 200.000. Als aanbetaling zou [betrokkene 1] € 2.500 krijgen. Dat werd door zijn vriendin opgehaald bij de broer van [aanvrager] in diens drogist. Maar [betrokkene 1] vertrouwde de betaling door [aanvrager] niet meer. Dat was de reden van zijn dubbelspel.

Hij voelde zich bij zijn dubbelspel door de recherche onder druk gezet. Tegelijkertijd voelde hij zich belangrijk, als stergetuige in de zaak tegen [aanvrager] , ook tegenover andere gedetineerden. Dat is ook de reden dat hij tegen de rechter-commissaris vertelde dat [aanvrager] tegen hem bekende. In werkelijkheid had [aanvrager] steeds tegen hem gezegd dat hij er niets mee te maken had.

Ook [aanvrager] was achterdochtig. Hij had de achtergrond van [betrokkene 1] laten uitzoeken via zijn advocaat De Haan.

Scenario ’s

Over de affaire met [betrokkene 1] die de schuld op zich nam, lijken er nu twee serieuze scenario’s te bestaan. De eerste is het scenario dat het hof aannam in het arrest: [aanvrager] heeft zijn vrouw om het leven gebracht en vroeg [betrokkene 1] de schuld op zich te nemen. Het tweede is het scenario dat [betrokkene 1] nu presenteert: [aanvrager] is onschuldig, na zijn veroordeling door de rechtbank raakte hij in paniek en heeft met [betrokkene 1] geprobeerd, op basis van zijn kennis van het dossier, om zijn onschuld te bewijzen.

De aanvankelijke verklaring van [betrokkene 1] steunde het eerste scenario. De verklaring die hij nu aflegt, steunt veel meer het tweede scenario. Dat maakt de vraag van belang welke redenen er zouden kunnen zijn om het eerste dan wel het tweede verhaal van [betrokkene 1] te geloven.

Aan de hand van het verhaal van [betrokkene 1] en de manier waarop hij dat vertelde, kan niet worden bepaald of hij schuldig dan wel onschuldig is. Die toets kan alleen worden uitgevoerd aan de hand van gegevens die in het verhaal aanwezig zijn. Het enige dat ik heb gevonden dat voor die toets zou kunnen dienen is het verhaal dat [betrokkene 1] vertelde over de broodplank waarmee [slachtoffer] zou zijn doodgeslagen. De kans is niet erg groot dat de broodplank daadwerkelijk daarvoor is gebruikt. De politie meende alleen dat zulks wel het geval was. Dat betekent dat het gegeven over de broodplank waarschijnlijk niet afkomstig is uit het geheugen van [aanvrager] als dader, maar uit het dossier. Dat ondersteunt dan weer de versie waarin de informatie waarmee [aanvrager] [betrokkene 1] voerde om zijn bekentenis geloofwaardig te maken afkomstig is uit het dossier en niet uit Reiniers geheugen.

Er is nog iets bijzonders aan het verhaal van [betrokkene 1] tegenover ons. Het gehele verhaal komt behoorlijk goed overeen met het verhaal zoals dat in het dossier staat. Alles komt overeen, behalve het, overigens niet onbelangrijke, detail dat [aanvrager] tegenover [betrokkene 1] heeft bekend.

Conclusie

[betrokkene 1] vertelt nu op een bijzonder belangrijk onderdeel van de zaak een ander verhaal dan hij eerder vertelde. Hij vertelt nu dat [aanvrager] niet tegen hem heeft bekend dat hij zijn vrouw [slachtoffer] om het leven bracht. Het verhaal zoals [betrokkene 1] nu vertelt, komt overeen met het verhaal dat men zou verwachten als [betrokkene 1] eerder niet en nu wel de waarheid zou vertellen over het al dan niet bekennen door [aanvrager] . In die zin is het verhaal van [betrokkene 1] consistent met het ‘onschuldige’ scenario en kan worden geconstateerd dat de verklaring van [betrokkene 1] niet meer de veroordeling van [aanvrager] steunt. Dat betekent echter niet dat ook geconstateerd kan worden dat de verklaring van [betrokkene 1] dan ook de onschuld van [aanvrager] steunt. Dat zou alleen kunnen gelden als het motief van [betrokkene 1] stand houdt, het schoon schip maken en zijn opspelende geweten. Maar er bestaat geen methode waarmee dat motief kan worden vastgesteld.”

27. Ik heb mij afgevraagd hoe het rapport van Van Koppen in onderhavige zaak moet worden geclassificeerd. Gelet op de inhoud hiervan en de wijze waarop daar in de aanvraag gebruik van wordt gemaakt, vat ik het op als een verslag van een gesprek met de getuige [betrokkene 1] , waarmee in het kader van het onderhavige herzieningsverzoek inzicht wordt gegeven in de mogelijke motieven van [betrokkene 1] om op zijn eerder afgelegde verklaringen over de bekentenis van aanvrager terug te komen. Wat dat betreft kan dit rapport op een lijn worden gesteld met de notitie van de raadslieden van 22 april 2013 waarin zij weergeven wat [betrokkene 1] tegenover hen heeft verklaard.

28. Dat is anders waar het gaat om uitspraken over het waarheidsgehalte van de ingetrokken verklaring en uitspraken die gedaan worden over de vraag in hoeverre de verklaringen van [betrokkene 1] passen in enerzijds de hypothese dat de aanvrager de dader is van de delicten en anderzijds de hypothese dat de aanvrager onschuldig is, hetgeen gerelateerd wordt aan wat uit het dossier kan worden opgemaakt over de toedracht van de misdrijven. Dit zijn beoordelingen die Van Koppen geeft als rechtspsycholoog en dus als deskundige. In het kader van de vraag of deze als nova zouden moeten worden aangemerkt geldt dat dit afhangt van de mate van zekerheid waarmee deze uitspraken worden gedaan en of deze zwaarwichtig genoeg zijn om de bewijsconstructie als zodanig aan te tasten. Waarschijnlijkheidsoordelen over bijvoorbeeld of het ene scenario meer voor de hand ligt dan het andere zullen hiertoe in zijn algemeenheid niet voldoende zijn.

29. Ten aanzien van de betekenis die moet worden gehecht aan de conclusie die Van Koppen trekt naar aanleiding van de vraag of aanvrager al dan niet daderinformatie met [betrokkene 1] heeft gedeeld, heb ik grote aarzelingen. Ik doel daarbij op het door de politie veronderstelde ‘broodplank-scenario’ dat Van Koppen zo onwaarschijnlijk acht dat het wel aan het dossier moet zijn ontleend en dus geen daderinformatie van aanvrager kan zijn. Moet dit worden aangemerkt als een deskundigeninzicht dat als novum zou kunnen worden aangemerkt omdat het ingaat tegen de vaststelling van het hof dat aanvrager kennelijk over daderkennis beschikte toen hij de afspraken met [betrokkene 1] maakte? Mij dunkt dat de deskundigheid van Van Koppen, waarvan hij verantwoording aflegt middels het verkorte curriculum vitae bij zijn rapport, zich niet uitstrekt over de vraag of het aan [slachtoffer] toegebrachte schedelletsel kan zijn ontstaan door het geven van een klap of meerdere klappen met een broodplank.

30. In dat verband verwijs ik naar de uitvoerige bespreking van mijn ambtgenoot Aben van het novumbegrip, in zijn conclusie voorafgaand aan HR 11 juni 2013.11 De aanleiding voor deze bespiegelingen is de wetswijziging die in werking is getreden op 1 oktober 2012 waarbij het novumbegrip is verruimd. In deze conclusie stelt hij zich onder andere de vraag wat een deskundigeninzicht nu eigenlijk is en wanneer dit zou kunnen worden aangemerkt als een novum in het kader van een herzieningsprocedure. Is er een verschil tussen het deskundigeninzicht van een DNA-deskundige die overeenkomsten in DNA-kenmerken vergelijkt en de kans berekent in hoeverre DNA-kenmerken gevonden in sporenmateriaal afkomstig kan zijn van een willekeurig individu en het inzicht van een rechtspsycholoog die een bekennende verklaring van een verdachte op betrouwbaarheid onderzoekt? Aben schrijft, dat hij het antwoord hierop niet goed weet, maar wel bepaalde vermoedens heeft:

“Ik heb de indruk dat interpretaties van deskundigen in de rechtspraktijk minder snel als 'feit' zullen worden betiteld en sneller als 'gevolgtrekking' of, nog verdergaand, als een persoonlijke 'weging' zullen worden aangemerkt:

- naarmate de interpretatie met meer onzekerheden is omgeven, kortom naarmate de uitspraak meer in termen van waarschijnlijkheden is geformuleerd dan in termen van zekerheid (ofschoon dat onderscheid in werkelijkheid zeer betrekkelijk is en achter categorische uitspraken vaak een minder betrouwbare methodologie schuil gaat);

- naarmate de interpretatie zich meer begeeft op het niveau van activiteiten dan op het bronniveau;

- indien de interpretatie is gebaseerd op waarnemingen waarvoor geen technologie is aangewend en het gebruik van de zintuigen volstaat;

- naarmate de interpretatie meer tactisch feitenmateriaal omvat en in mindere mate specifiek forensisch-technisch materiaal, voor het begrip en de interpretatie waarvan specialistische kennis onontbeerlijk is;

- naarmate de interpretatie (een combinatie van) meer bewijsmateriaal in ogenschouw neemt en derhalve een meer globaal oordeel omvat over de kracht van het bewijsmateriaal dat zich in potentie leent voor een bewijsconstructie;

- naarmate de onderliggende moederwetenschap met meer subjectieve elementen is omgeven, zoals in de forensische psychiatrie, waarin rapportages vaker leiden tot uiteenlopende oordelen bij onderscheidene deskundigen.

De tegenstelling tussen enerzijds 'feit' en anderzijds 'mening, overtuiging of gevolgtrekking', die in de herzieningsjurisprudentie enkele decennia heeft standgehouden, valt dus binnen het kader van het wetenschapsbedrijf niet in volle omvang goed te hanteren. Uiteraard zijn ook wetenschappers op zoek naar de feiten. Zij trachten die te achterhalen door onderzoek te doen en door de resultaten ervan te interpreteren. Gelijk de rechter beoogt de wetenschapper ware uitspraken te doen; dat wil zeggen: uitspraken waarvan de inhoud overeenstemt met de werkelijkheid. Niettemin zijn op wetenschappelijke interpretaties gestoelde uitspraken in de regel probabilistisch van karakter. De werkelijkheid laat zich doorgaans niet met zekerheid kennen. In zoverre onderscheidt het oordeel van een wetenschapper zich niet van dat van anderen. Het kernpunt van de hier besproken wetswijziging is die van een verruiming van het novumbegrip, maar toch ook weer niet ongebreideld. We zijn dus op zoek naar een nieuwe demarcatie. Waarin onderscheidt het deskundigeninzicht zich van andere standpunten, meningen en overtuigingen? Onder welke voorwaarden vormt een 'deskundigeninzicht' een 'gegeven'?

Duidelijk is wel dat de gegrondheid van een verzoek tot herziening niet afhankelijk kan worden gesteld van alle denkbare interpretaties waartoe bewijsmateriaal aanleiding kan geven. Ergens ligt er weer een grens binnen het domein van denkbare interpretaties. De wetgever was immers evident beducht voor een uitholling van het gezag van gewijsde. Indien iedere denkbare interpretatie kan doorgaan voor een novum, zijn we wat dat betreft ver van huis.”

31. Aben bepleit dat voor de beantwoording van de vraag of een deskundigeninzicht voldoende krachtig is om een novum te creëren, kwaliteitscriteria zouden moeten worden gehanteerd onder andere met betrekking tot de toegepaste kennis en methodes en dat dit van de herzieningsrechter vergt dat deze zich daar in voorkomende gevallen in verdiept en zo nodig daartoe advies bij de in het kader van art. 462 Sv ingestelde adviescommissie, de ACAS, kan inwinnen.

32. Ik haal deze overwegingen van Aben aan, omdat ik onderschrijf dat het niet eenvoudig is een deskundigenrapport op zijn merites te beoordelen, met name als het gaat om bevindingen van een rechtspsycholoog over de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen of verdachten, waarbij de rechter een grote beoordelingsvrijheid toekomt. Ik ben het met Aben eens dat een dergelijk rapport van een rechtspsycholoog waardevolle informatie voor de rechter kan bevatten en de rechter bij het beoordelen van een verklaring van een getuige of verdachte kan helpen en kan voorzien van nieuwe inzichten. Maar het is moeilijk te bepalen wanneer een dergelijk inzicht aan de vereisten van een novum voldoet in die zin dat het een bewijsconstructie aan het wankelen brengt.

33. Ik wil hier niet betogen dat in onderhavige zaak over de door Van Koppen toegepaste kennis en methode op grond waarvan hij tot zijn deskundigenoordeel komt, advies van de ACAS zou moeten worden gevraagd, omdat Van Koppen in zijn uiteindelijke eindconclusie zodanige slagen om de arm houdt, dat zijn rapport naar mijn mening sowieso geen zelfstandig gegeven vormt, dat als novum in de zin van art. 457 eerste lid onder c Sv zou kunnen classificeren omdat het de bewijsconstructie in de kern raakt. Ik kom daar bij mijn bespreking hieronder van het eerste gestelde novum nog op terug.

IX Beoordeling van ‘novum 1’ in verhouding tot de bewijsconstructie

34. Voor de beantwoording van de vraag of de verklaring van getuige [betrokkene 1] van 22 april 2013 in combinatie met hetgeen daarover wordt gemeld in het rapport van Van Koppen moet worden aangemerkt als een nieuw gegeven in de zin van art. 457 Sv zoals hiervoor is aangegeven, is in deze zaak bepalend of deze verklaring van [betrokkene 1] zodanige ernstige twijfel oproept aan de juistheid van de veroordeling van aanvrager dat in het kader van een herzieningsprocedure vrijspraak waarschijnlijk wordt. Ik meen dat dit niet het geval is en zal dit hierna toelichten. Daarbij zal ik mij, wat de verklaring van [betrokkene 1] betreft vooral concentreren op het belangrijkste onderdeel van zijn verklaring van 22 april 2013 waarin hij stelt dat aanvrager nooit tegen hem heeft bekend de feiten te hebben gepleegd.

35. Uit de bewijsconstructie van het hof blijkt dat het hof heeft aangenomen dat aanvrager in de periode na de veroordeling van de rechtbank, in afwachting van het hoger beroep, met [betrokkene 1] het plan heeft opgevat dat deze in ruil voor een financiële beloning waarvan een deel ook daadwerkelijk is betaald, zou verklaren dat hij de beide feiten samen met een inmiddels overleden inbreker heeft gepleegd. [betrokkene 1] heeft een verklaring van deze strekking op 10 september 2008 afgelegd ten overstaan van de raadsman van aanvrager. Daaraan voorafgaande heeft [betrokkene 1] echter, naar eigen zeggen uit gewetensnood, toen hij ervan overtuigd raakte dat aanvrager schuldig was en hij de gruwelijke foto’s uit het dossier had gezien, op 7 augustus 2008 contact opgenomen met de politie. Daaropvolgend heeft hij op 14 augustus 2008 en 20 augustus 2008 tegenover de politie verklaard dat hij tijdens zijn detentie door aanvrager is benaderd om tegen betaling een gedetailleerd scenario naar buiten te brengen dat aanvrager en hij samen hebben uitgewerkt, gebaseerd op informatie uit het strafdossier dat in het bezit was van aanvrager.

36. Uit de stukken die zich in het dossier bevinden kan worden opgemaakt dat [betrokkene 1] tot drie maal toe verklaard heeft dat aanvrager tijdens hun gesprekken over het scenario tegen hem heeft bekend de feiten te hebben begaan:

a. In de notitie van het gesprek dat [betrokkene 1] , op 14 augustus 2008 met de verbalisanten [verbalisant 17] en [verbalisant 18] is daarover het volgende opgetekend:

“Ik heb geveinsd dat ik meeging in zijn voorstel en verklaarde eventueel bereid te zijn om mijzelf bekend te maken als mede-inbreker van [betrokkene 2] . Op die manier zou ik als getuige bij de moord en de brandstichting aanwezig zijn geweest.

Dat bood mij de gelegenheid om [aanvrager] vragen te stellen wat er daadwerkelijk gebeurd was, want ik moest als mede verdachte natuurlijk wel de goede antwoorden geven op vragen van politie en justitie.

Uiteindelijk heeft [aanvrager] mij verteld dat hij [slachtoffer] had doodgeslagen met een klap op haar achterhoofd. Voor dat doel had hij een broodplank gebruikt. Ook vertelde hij details zoals de plaatsen waar benzine was uitgegoten in het kantoortje. Hij instrueerde mij om te zeggen dat [slachtoffer] al voor 22.00 uur doodgemaakt was, want uit het dossier was gebleken dat een telefoontje op dat tijdstip al onbeantwoord was gebleven.

[…]

Ik kan zeggen dat [aanvrager] mij inmiddels al wel heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord zelf gepleegd heeft. Ik heb hem gevraagd om details en hij heeft mij gezegd dat hij [slachtoffer] heeft doodgeslagen met een broodplank.

[…]”

In het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van [verbalisant 17] en [verbalisant 18] van het verhoor van [betrokkene 1] op 20 augustus 2008, dat audio-visueel werd opgenomen, staan de volgende passages:

“[…]

Vraag [verbalisant 17] :

Is er nog over gesproken tussen jullie beide wat zijn rol was in het gebeuren...?

Antwoord:

Nee. Hij heeft me alleen details gezegd van hoe het gegaan moet zijn. Want hij heeft tegen mij gezegd dat hij het gedaan heeft, maar hij heeft niet gezegd hoe hij het heeft gedaan. Omdat ik de dader zou moeten worden heeft hij mij details doorgegeven. En ik heb tegen hem gezegd: je moet me wel dingen geven die kloppen. Want als ik met mijn verhaal naar buiten kom, bij de politie, en het klopt niet dan wordt ik gepakt voor meineed.

Vraag [verbalisant 17] :

Je zegt net iets opzienbarends. Je zei dat hij het gedaan heeft. Kun jij de letterlijke tekst herhalen zoals hij het tegen jou gezegd heeft ?

Antwoord:

Ja, eh..letterlijk. Ik weet dat niet meer precies. Maar hij heeft me gezegd: hij heeft het gedaan. Toen vroeg ik om specifieke daderkennis. Toen zij hij tegen mij: Eh...hoe zei hij het ook alweer. Ik heb het gedaan. Ik kan je wel bepaalde dingen geven die alleen de dader kan weten. Want ik werd die dader. Ik moest dat weten om voor dader te kunnen doorgaan. Want als ik met een verhaal zou komen dat helemaal niet klopt dan houdt het op.”

Tijdens het verhoor door de rechter-commissaris G.H. Boekaar op 17 november 2009 (RC-nr: 04/747) heeft [betrokkene 1] het navolgende verklaard:

“[…]

U vraagt wat [aanvrager] mij nu heeft verteld over deze zaak. Hij heeft mij verteld dat hij het heeft gedaan, zoals ik volgens u tegenover de politie heb verklaard (pag. 16 van de verklaring van getuige [betrokkene 1] d.d. 14 aug. 2008). Hij heeft mij toen bepaalde details verteld. U vraagt wat hij dan precies heeft verteld. Hij vertelde eerst niet veel en keek de kat uit de boom. Hij was heel paranoia en heeft mij eerst gescreend. Toen hij mij vertrouwde en ik hem zei dat ik het wel wilde doen, heeft hij mij meer verteld. Ik heb hem gevraagd naar details, omdat ik die nodig had voor de politie. Ik heb toen ook tegen hem gezegd dat ik het wel zeker moest weten dat hij het had gedaan. Toen heeft hij mij gezegd dat hij het gedaan had. Hij heeft mij gezegd dat er benzine was gegooid, dat hij met die plank op haar hoofd had geslagen, dat haar keel was doorgesneden en dat soort dingen.

Op vragen van de raadslieden antwoord ik als volgt:

U houdt mij voor dat op pagina 14 van mijn verklaring van 20 augustus 2008, die audiovisueel is opgenomen, is vermeld dat [aanvrager] mij niet expliciet heeft verteld dat hij het heeft gedaan. Hij heeft het gedaan, anders gaf hij mij die daderkennis niet. Zo heeft hij dat tegen mij gezegd. Hij heeft mij gezegd dat hij het gedaan had en hij heeft mij gezegd wat ik moest vertellen.”

37. Het hof heeft gedeelten van de verklaringen van [betrokkene 1] ten overstaan van de verbalisanten op 14 augustus 2008 en 20 augustus 2008 respectievelijk in bewijsmiddel 32 en bewijsmiddel 33 voor het bewijs gebruikt en hieruit in zijn nadere bewijsoverwegingen geciteerd. Voor zover het de expliciete bekentenis tegenover [betrokkene 1] betreft heeft het hof de hierop betrekking hebbende passage ‘Uiteindelijk heeft [aanvrager] mij verteld dat hij [slachtoffer] had doodgeslagen met een klap op haar achterhoofd. Voor dat doel had hij een broodplank gebruikt’ uit de verklaring van 14 augustus 2008 in de bewijsmiddelen opgenomen. De zinsnede uit de verklaring afgelegd op 20 augustus 2008 ‘ [aanvrager] zei tegen mij dat hij het had gedaan en dat hij mij bepaalde informatie kon vertellen die alleen de dader kan weten’ heeft het hof in zijn bewijsoverwegingen aangehaald.

38. Het hof heeft in zijn bewijsconstructie niet geput uit de verklaring die [betrokkene 1] tegenover de rechter-commissaris op 17 november 2009 heeft afgelegd, waarin [betrokkene 1] hetgeen hij over de bekentenis van aanvrager op 14 augustus en 20 augustus 2008 heeft verklaard, heeft bevestigd. De stelling in de aanvraag onder punt 61 en punt 88, dat de verklaring van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris op 17 november 2009 essentieel was in de bewijsconstructie van het hof, is dan ook op de keper beschouwd niet juist. Het hof heeft de verklaringen van 14 en 20 augustus 2008 van [betrokkene 1] ten overstaan van de politie in de bewijsconstructie gebruikt. Inhoudelijk komen alle drie de verklaringen wat de bekentenis van aanvrager aangaat en de context waarin deze moet worden geplaatst echter op hetzelfde neer.

39. Het hof heeft de verklaringen van [betrokkene 1] geloofwaardig geacht, mede doordat een deel van de in het vooruitzicht gestelde beloning daadwerkelijk is uitbetaald12 en het feit dat [betrokkene 1] met hetzelfde verhaal op 30 september 2008 Peter R. de Vries heeft benaderd.13 In dat verband heeft het hof overwogen dat het gedetailleerde scenario dat door aanvrager en getuige [betrokkene 1] gezamenlijk is uitgewerkt naar oordeel van het hof (mede) gebaseerd is op daderkennis van aanvrager.14

40. In de aanvraag wordt aangevoerd dat [betrokkene 1] in 2013 een nieuwe verklaring heeft afgelegd, die afwijkt van zijn voor het bewijs gebezigde verklaring in die zin dat aanvrager nooit tegenover getuige [betrokkene 1] bekend zou hebben: de getuige zou zelf die conclusie hebben getrokken doordat aanvrager allerlei details van de zaak wist te vertellen. Benadrukt wordt dat [betrokkene 1] op 4 juni 2013 tegenover Van Koppen heeft verklaard dat aanvrager tegen [betrokkene 1] juist steeds heeft gezegd dat hij niets met de dood van zijn vrouw te maken had. Daarbij zou de daderkennis die aanvrager volgens het hof had, zijn gebaseerd op het hem ter beschikking staande dossier. De reden voor [betrokkene 1] om terug te komen op zijn eerdere verklaringen zou gelegen zijn in de omstandigheid dat [betrokkene 1] tot het inzicht zou zijn gekomen dat hij er indertijd in werd ‘meegezogen’ en zijn ‘eigen conclusie’ had getrokken, ‘schoon schip wil maken, hetgeen samenhangt met het feit dat hij nu gelovig is geworden’ en meent dat hij met zijn onjuiste verklaring ‘heeft bijgedragen aan een slecht rechtssysteem’.15

41. In de herzieningsaanvraag wordt erkend dat [betrokkene 1] tegenover de politie en de rechter-commissaris steeds heeft verklaard dat aanvrager tegenover hem heeft bekend. Uit de verklaring die [betrokkene 1] in 2013 tegenover de raadslieden van aanvrager en tegenover Van Koppen heeft afgelegd blijkt dat hij uitsluitend op dit onderdeel van zijn eerdere verklaringen terugkomt. Hij heeft in zijn verklaring van 22 april 2013 niet herroepen dat deze – al dan niet impliciete – bekentenis van aanvrager voor hem toentertijd de aanleiding vormde uit gewetensnood de politie te informeren. Integendeel, dat heeft hij tegenover Van Koppen nogmaals bevestigd. Hij is ook gebleven bij de overige inhoud van zijn eerdere verklaringen, namelijk dat aanvrager hem gevraagd heeft tegen betaling een onware toedracht van de gebeurtenissen die zich in de nacht van 11 op 12 december 1996 hebben afgespeeld in scene te zetten.16

42. In dat licht acht ik de redenen die [betrokkene 1] vijf jaren later geeft voor het terugkomen op zijn eerder afgelegde verklaringen, kennelijk omdat hij ‘achteraf’ denkt dat aanvrager ‘het niet heeft gedaan’17 en ‘schoon schip wil maken’ en dat hij ‘nu gelovig is geworden’ bepaald niet overtuigend. De weergave van de verklaring die op 22 april 2013 is afgelegd is uiterst summier en bevat niets over de redenen waarom [betrokkene 1] op zijn eerdere verklaringen terugkomt. Het blijft duister op grond waarvan [betrokkene 1] is gaan twijfelen aan de schuld van de aanvrager en zich geroepen heeft gevoeld daarover in 2013, naar hij zegt geheel uit eigen initiatief, contact op te nemen met het kantoor van de raadslieden van aanvrager. Daar komt bij dat de gewijzigde verklaring op geen enkele manier wordt gestaafd door objectieve gegevens of bevestiging vindt in andere processtukken.

43. Het gaat, zoals Van Koppen in zijn rapport stelt, om de vraag welke redenen er zouden kunnen zijn om het eerste dan wel het tweede verhaal van [betrokkene 1] te geloven. Dat de nieuwe verklaring van [betrokkene 1] volgens Van Koppen het mogelijke scenario steunt dat aanvrager zijn ‘daderkennis’ uit het dossier dat hem ter beschikking stond heeft verkregen en dus het scenario dat aanvrager onschuldig is en in paniek met getuige [betrokkene 1] zijn onschuld heeft willen ‘bewijzen’ niet kan worden uitgesloten of zelfs waarschijnlijker maakt, zegt mijns inziens niets over de juistheid van de nieuwe verklaring van [betrokkene 1] , waarin hij slechts terugkomt op zijn eerdere verklaring voor zover aanvrager jegens hem heeft bekend.

44. Daarbij is het opmerkelijk dat het onschuldscenario dat Van Koppen schetst, uitgaat van de juistheid van hetgeen [betrokkene 1] heeft verklaard over de wijze waarop hij samen met aanvrager een en ander in scene heeft gezet. Aanvrager zou na zijn veroordeling door de rechtbank en in een soort wanhoopspoging met [betrokkene 1] ’s valse bekentenis het hof hebben willen doen geloven dat [betrokkene 1] en iemand anders verantwoordelijk waren voor de tenlastegelegde feiten, dit alles om zijn eigen onschuld te bewijzen. Nog los van het feit dat dit in de verklaring van [betrokkene 1] die hij op 22 april 2013 heeft afgelegd wel heel cryptisch is weergegeven en voor meerdere uitleg vatbaar is: “Op dat moment was [aanvrager] in een staat van doen dat hij niet meer wist wat hij deed... daarom had hij ook de heer D. benaderd”, is dit scenario als zodanig door aanvrager zelf in zijn herzieningsverzoek niet naar voren gebracht.18 Dat wekt bevreemding. Immers als op de verklaring van [betrokkene 1] zou moeten worden vertrouwd, dan zou aanvrager (nu) toch op zijn minst moeten toegeven dat hij [betrokkene 1] inderdaad heeft gevraagd om tegen een financiële beloning mee te werken aan het scenario zoals [betrokkene 1] dat aan de advocaten van aanvrager op 10 september 2008 heeft geschetst. Het lijkt er meer op dat aanvrager voor zichzelf alle opties wil openhouden, mocht het herzieningsverzoek slagen. Dat is natuurlijk zijn goed recht, maar deze houding roept ook vragen op over de aannemelijkheid van het onschuldscenario dat door Van Koppen ten tonele wordt gevoerd.

45. In de herzieningsaanvraag wordt geconcludeerd dat de gewijzigde verklaring en de conclusies van Van Koppen de bewijsconstructie van het hof ondergraven. Ik kan deze conclusie niet delen omdat wat mij betreft in het geheel niet duidelijk is geworden waarom [betrokkene 1] op zijn belastende verklaring is teruggekomen. Bovendien wordt er in de herzieningsaanvraag selectief gebruik gemaakt van de bevindingen van Van Koppen. In de laatste passage van zijn conclusie stelt hij namelijk dat niet geconstateerd kan worden dat de nieuwe verklaring van [betrokkene 1] de onschuld van aanvrager steunt: “Dat zou alleen kunnen gelden als het motief van [betrokkene 1] stand houdt, het schoon schip maken en zijn opspelende geweten. Maar er bestaat geen methode waarmee dat motief kan worden vastgesteld” aldus Van Koppen. En dat is mijns inziens precies waar de schoen wringt: de nieuwe verklaring van [betrokkene 1] levert onvoldoende grond op om aan te nemen dat de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaringen van deze getuige onjuist zijn. De aanleiding die [betrokkene 1] noemt voor het terugkomen op zijn eerdere belastende verklaringen is daarvoor onvoldoende, zoals de Hoge Raad in een hiervoor reeds aangehaald arrest van 14 oktober 2014 in een vergelijkbaar geval overweegt:

“Vooropgesteld dient te worden dat een aanvrager bij zijn aanvraag tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom getuigen op een hem belastende verklaring terugkomen. De door [betrokkene] opgegeven reden - te weten: "gewetenswroeging" - voor het terugkomen op zijn eerder afgelegde verklaring, zoals die voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde is gebezigd, levert echter onvoldoende grond op om aan te nemen dat deze - zeer gedetailleerde - verklaring onjuist is aangezien die enkele reden onvoldoende ondersteund en aannemelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof de verklaring van [betrokkene], die op de meeste punten overeenkomt met het overigens door het Hof gebezigde bewijsmateriaal, uitvoerig heeft getoetst op betrouwbaarheid aan de hand van verklaringen van anderen en van resultaten van technisch onderzoek.”19

46. In onderhavige zaak heeft het hof de zeer gedetailleerde verklaringen van [betrokkene 1] uitvoerig getoetst op betrouwbaarheid en daarvoor steun gevonden in ander bewijsmateriaal. Dat heeft voor het hof kennelijk de doorslag gegeven om tot een bewezenverklaring te komen. Daarbij heeft het hof in zijn bewijsoverwegingen ook een aantal andere aspecten betrokken, waaronder de proceshouding en het gedrag van de aanvrager:

  • -

    de vraagtekens omtrent de rit van aanvrager naar Niezijl in de avond van 11 december 1996 en de wijze waarop hij zich lijkt te hebben verzekerd van bewijs dat hij daar geweest is, geven het hof voeding aan de gedachte dat hij zich hiermee een alibi heeft willen verschaffen en daartoe tijdsverloop heeft gecreëerd;

  • -

    deze gedachte wordt volgens het hof versterkt door zijn gedrag bij en in de brandende woning, die bij het hof vragen oproept zoals waarom hij niet meteen naar binnen is gegaan en zich er niet om heeft bekommerd waar zijn vrouw was, toen hij de woning binnenging;

  • -

    de omstandigheid dat aanvrager in de loop der jaren niet consistent heeft verklaard over zijn eigen lezing van de gebeurtenissen en meerder keren anderen heeft aangewezen die (mogelijk) verantwoordelijk waren voor de dood van zijn vrouw en de brandstichting20 hetgeen in de fase van het hoger beroep is geculmineerd in het scenario dat aanvrager samen met [betrokkene 1] op poten heeft gezet;

- de ontkenning van aanvrager dat hij op eigen initiatief [betrokkene 1] heeft benaderd om de schuld op anderen te schuiven.

47. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een novum kan betekenis toekomen aan de proceshouding van de aanvrager. Immers, de proceshouding tijdens de behandeling van de strafzaak kan licht werpen op de geloofwaardigheid en de validiteit van de in de aanvraag geponeerde stellingen.21 Ik kan niet anders dan constateren dat hetgeen het hof over de proceshouding van aanvrager opmerkt in de herzieningsaanvraag wordt voortgezet, waarbij ik verwijs naar hetgeen ik onder punt 44 heb opgemerkt.

48. Kortom, ik ben van oordeel dat de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt waarom [betrokkene 1] op zijn aanvankelijke verklaring is teruggekomen. De bij de aanvraag overgelegde weergave van de verklaring van [betrokkene 1] van 22 april 2013 bevat geen opgaaf van redenen en de redenen die [betrokkene 1] tegenover Van Koppen heeft genoemd leveren onvoldoende grond op om aan te nemen dat zijn eerdere zeer gedetailleerde verklaringen onjuist zijn. Dan kom ik, zoals hiervoor onder 13 uiteengezet, aan de vraag of de gewijzigde verklaring de bewijsconstructie aantast niet meer toe. De bij de aanvraag overgelegde verklaring wekt ook in samenhang met het rapport van Van Koppen niet een zodanig ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, dat indien deze bij het hof bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak. Voor zover de aanvraag steunt op deze stelling, is zij daarom kennelijk ongegrond.

X Beoordeling van ‘novum 2’ in verhouding tot de bewijsconstructie

49. In de aanvraag wordt in de tweede plaats aangevoerd dat er thans sprake is van nieuwe gegevens ten aanzien van de tijdlijn. Gesteld wordt dat nieuw onderzoek door project Gerede Twijfel op basis van gegevens van het Bureau Nautisch Verkeer Provincie Groningen aantoont dat aanvrager in de nacht van 11 op 12 december 1996 niet eerder dan omstreeks 00:15 thuis kan zijn gekomen, hetgeen aansluit bij de verklaring van aanvrager inhoudende dat hij omstreeks dat tijdstip bij zijn woning arriveerde en constateerde dat er rook uit zijn woning kwam.

50. Aanvrager heeft verklaard dat hij omstreeks 20:30 uur van zijn huis naar Niezijl is gereden om daar de bedrijfsleider van zijn kapsalon, [betrokkene 15] , die eerder op de dag een conflict met werkneemster had gehad, op te zoeken.22 Onderweg heeft hij nog de weg gevraagd in een cafetaria in Niekerk en aan een vrachtwagenchauffeur in Niezijl. Toen [betrokkene 15] niet thuis bleek te zijn, volgens aanvrager kwam hij daar tussen 22.00 en 22.15 uur aan, heeft hij daar ongeveer twintig minuten gewacht, waarna hij ongeveer een kwartier door Niezijl heeft rondgereden, om vervolgens weer terug te keren naar de woning waar hij opnieuw vijftien minuten tevergeefs op de thuiskomst van [betrokkene 15] heeft gewacht. Hierna is aanvrager weggereden richting Zuidhorn omdat hij verwachtte dat de [betrokkene 15] uit die richting zou komen. Onderweg heeft aanvrager tien minuten stilgestaan voor de openstaande brug tussen Zuidhorn en Noordhorn, waarna hij nog een keer is teruggekeerd naar de woning van [betrokkene 15] . Daar heeft hij één à twee minuten gewacht, om vervolgens weer in de richting van Zuidhorn te rijden, alwaar hij opnieuw voor een geopende brug heeft gestaan. Daarna is aanvrager weer teruggereden naar Niezijl, heeft hij opnieuw twee à drie minuten gewacht bij de woning van [betrokkene 15] , waarna hij vervolgens is teruggereden naar zijn woning in Hoogezand, waar hij naar eigen zeggen omstreeks 00:15 uur is aangekomen.

51. Het hof is blijkens zijn overwegingen, uitgegaan van het scenario dat aanvrager zich daarmee een alibi heeft willen verschaffen en daartoe tijdsverloop heeft gecreëerd. In dat kader heeft het hof gewezen op een aantal opvallende zaken, te weten:

  • -

    dat het enigszins bevreemdt dat aanvrager nog dezelfde avond een bezoek aan [betrokkene 15] in Niezijl te brengen, nu daarvoor geen dringende aanleiding bestond, zonder dat deze telefonisch contact met [betrokkene 15] heeft opgenomen;

  • -

    dat het opmerkelijk is dat aanvrager, als rayonvertegenwoordiger veelvuldig op pad in de noordelijke provincies, de weg niet wist, verkeerd is gereden en in plaats van bijvoorbeeld [betrokkene 15] te bellen de weg heeft gevraagd in een cafetaria;

  • -

    dat merkwaardig is dat aanvrager, nadat deze [betrokkene 15] niet aantrof, in afwachting van diens thuiskomst ruim anderhalf uur heeft doorgebracht in Niezijl.

52. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om die beide delicten te begaan. Daarbij heeft het hof in het midden gelaten hoe laat aanvrager thuis is gekomen. Het enige bewijsmiddel dat zich in enig opzicht uitlaat over het tijdsverloop, is bewijsmiddel 19 inhoudende het relaas van de verbalisanten dat de afstand van Niezijl tot Hoogezand volgens de korts mogelijke route 35 kilometer bedraagt en met inachtneming van de geldende snelheidslimieten, door hen in 31 minuten is gereden. De reconstructie van de politie die in het nieuwe onderzoek wordt betwist heeft het hof niet voor het bewijs gebezigd.

53. Dat laatste heeft wellicht te maken met de omstandigheid dat een belangrijk deel van de informatie die aanvrager heeft gegeven met betrekking tot de uitstap naar Niezijl, afkomstig is van aanvrager zelf en het hof blijkens zijn overweging dat het er alle schijn van heeft dat aanvrager een alibi heeft geconstrueerd geen geloof heeft gehecht aan deze informatie. De enige objectieve gegevens die bevestigen dat aanvrager de betreffende avond in Niezijl is geweest zijn de omstandigheid dat hij in Niekerk in een cafetaria de weg naar Niezijl heeft gevraagd, hetgeen in de tijdlijn ligt voor de eerste keer dat hij in Niezijl is gearriveerd en dat de overbuurman van [betrokkene 15] tussen 21.50 en 22.00 uur een auto voor de woning van [betrokkene 15] heeft gezien die gelijkenis vertoonde met de auto van aanvrager. Dat was kennelijk de eerste keer dat aanvrager naar zijn zeggen bij de woning van [betrokkene 15] aankwam. Objectieve gegevens die zijn verklaring na het tijdstip van 22.00 uur kunnen ondersteunen zijn er niet.

54. In de herzieningsaanvraag worden nu de gegevens van passerende boten door de sluizen Gaarkeuken en Oostersluis ingebracht aan de hand waarvan wordt berekend op welk moment de brug tussen Noordhorn en Zuidhorn moet hebben opengestaan omdat aanvrager stelt tot twee keer toe, nadat hij weer uit Niezijl was vertrokken, richting Zuidhorn zou hebben gereden en bij een open brug tussen Noordhorn en Zuidhorn zou hebben staan wachten. Daarbij is uitgegaan van de veronderstelling dat de verklaringen van aanvrager omtrent het tijdsverloop die avond, met name na 22.00 uur juist zijn. Echter, zelfs al zou aan de hand van het nieuwe onderzoek dat is verricht door Project Gerede Twijfel kunnen worden aangenomen, dat de verklaringen van aanvrager over zijn bezoek aan Niezijl en het twee maal wachten voor een open brug aan de hand van de berekeningen op welke tijdstippen de brug tussen Noordhorn en Zuidhorn die avond open heeft gestaan juist kunnen zijn, dan nog brengt dat niet mee dat uit die vaststelling afgeleid kan worden dat de verklaringen van aanvrager dienaangaande ook inderdaad op waarheid berusten. Zo blijft de mogelijkheid bestaan dat aanvrager nadat hij enige tijd in Niezijl is geweest, eerder dan hij heeft verklaard naar zijn huis in Hoogezand is teruggereden. Ook de verklaring dat aanvrager tot twee keer toe voor de open brug bij Zuidhorn heeft gestaan hoeft niet op waarheid te berusten, bijvoorbeeld omdat aanvrager uit ervaring als rayonvertegenwoordiger weet dat die brug geregeld open staat en in dat verband om zijn alibi te versterken heeft gezegd dat hij twee maal voor die brug heeft gestaan. Maar het kan ook zijn dat hij nadat hij voor de tweede keer voor de open brug bij Zuidhorn heeft gestaan, direct en zonder te wachten of eerst weer terug te rijden naar Niezijl, naar huis is gereden. Al die mogelijkheden zijn niet onverenigbaar met de vaststelling van het hof dat aanvrager tijd en gelegenheid heeft gehad de feiten te plegen.

55. Kennelijk is ook het hof ervan uitgegaan dat de verklaringen van aanvrager met betrekking tot de tijdlijn niet (volledig) op waarheid berusten nu het uitdrukkelijk heeft gewezen op een aantal hiervoor weergegeven opvallende zaken met betrekking tot de verklaringen van aanvrager aangaande het tijdsverloop en in het midden heeft gelaten hoe laat aanvrager thuis is aangekomen. Kortom, het tijdsverloop aan de hand waarvan de analyse is opgebouwd berust op veronderstellingen die vrijwel uitsluitend zijn gebaseerd op verklaringen van aanvrager, zodat het hier niet gaat om een gegeven dat bij het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken en dat - kort gezegd - ernstige twijfel oproept of het hof wel tot een bewezenverklaring was gekomen indien het daarvan op de hoogte was geweest.

XI Beoordeling van ‘novum 3’ in verhouding tot de bewijsconstructie

56. Tenslotte bevat het derde gestelde novum nieuwe inzichten met betrekking tot het branddeskundigenonderzoek. Zo wordt onder meer aangevoerd dat uit onderzoek van het Project Gerede Twijfel is gebleken dat het onderzoek naar eventueel brandversnellende middelen niet correct en volledig is uitgevoerd, zodat niet met zekerheid gesteld kan worden dat als brandversnellend middel motorbenzine is gebruikt en opzettelijke brandstichting dus niet zomaar kan worden aangenomen. Bovendien wordt gesteld dat het tijdstip waarop de brand zou zijn ontstaan onjuist aan het hof is gepresenteerd.

57. Het hof heeft met betrekking tot de brandstichting overwogen dat ‘uit technisch onderzoek naar de oorzaak van de brand en naar het brandbeeld in de woning van de verdachte is gebleken dat de brand zich heeft beperkt tot de hal achter de voordeur en het links van de hal gelegen kantoorgedeelte’, dat ‘een technisch verklaarbare oorzaak van het ontstaan van de brand kan worden uitgesloten’ en dat ‘uit onderzoek van enkele in het kantoorgedeelte genomen brandmonsters is gebleken van de aanwezigheid van een brandversnellend middel, te weten motorbenzine hetgeen ook op restanten van de kleding van het slachtoffer is aangetroffen’. Kortom, gelet op het brandbeeld en het ontbreken van een technisch verklaarbare oorzaak voor het ontstaan van de brand, kan het bijna niet anders zijn dat er vuur ter plaatse is gebracht. De omstandigheid dat uit brandmonsters van het kantoor en op de kleding van het slachtoffer aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van motorbenzine is mijns inziens niet doorslaggevend voor dit oordeel. Dat dit oordeel anders zou uitvallen als het hof kennis gehad zou hebben van de wijze waarop het onderzoek ter plaatse is uitgevoerd, acht ik niet aannemelijk.

58. Daarnaast wordt mede aan de hand van een nieuwe rapportage van branddeskundige Philipsen ingegaan op de rapportages van TNO. Ik volsta met de vaststelling dat het hof de betreffende branddeskundigenrapportages van TNO niet aan de bewijsconstructie ten grondslag heeft gelegd, noch daaraan heeft gerefereerd. Daarom kan niet worden gesteld dat de kritiek op deze TNO-rapportages het ernstige vermoeden wekt dat dit, indien dit gegeven de rechter bekend zou zijn geweest, zou hebben geleid tot een vrijspraak.

59. Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat hetgeen in de aanvraag tot herziening is aangevoerd – ook niet in onderling verband beschouwd – een novum in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv oplevert en dat de bewijsconstructie van het hof daardoor niet wordt aangetast. Daaruit vloeit voort dat de aanvraag tot herziening naar mijn inzicht ongegrond is.

60. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de herzieningsaanvraag zal afwijzen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:287 (zaak […] ), rov. 5.5. en de daaraan voorafgaande conclusie van Hofstee die daarin verwijst naar de uitgebreide beschouwing van Aben voorafgaand aan het arrest van HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7190, NJ 2013/278 m.nt. Schalken (Zes van Breda). Zie ook Corstens/Borgers 2014, p. 956.

2 HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9316, rov. 4.1; HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:46, rov. 5.2.2. (zaak Bouterse).

3 HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:46, rov. 5.2.2. en 5.2.3.(zaak Bouterse).

4 HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2961, rov. 3.3.; in dezelfde zin HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2471, rov. 3.3.

5 Zie punt 2.1. van de conclusie van Aben voorafgaand aan HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7190, NJ 2013/278 m.nt. Schalken (Zes van Breda)

6 Zie voor een uitgebreide beschouwing over het novumbegrip de conclusie van mijn ambtgenoot Aben, voorafgaand aan HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2549.

7 Zie bewijsmiddel 19 in de aanvulling van het arrest van het hof.

8 Productie/bewijsmiddel 4 overgelegd bij het herzieningsverzoek.

9 In het herzieningsverzoek wordt onder punt 65 vermeld: “Teneinde de nieuwe verklaring van 22 april 2013 van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4) te verifiëren heeft professor Van Koppen op 4 juni 2013 met twee studenten [betrokkene 1] bezocht in de penitentiaire inrichting Leeuwarden.”

10 Productie/bewijsmiddel 5 overgelegd bij het herzieningsverzoek.

11 HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2549.

12 Zie de bewijsmiddelen 33, 37, 39 t/m 45 en nadere bewijsoverweging 1c.

13 Bewijsmiddel 38.

14 Bewijsmiddel 9.

15 Zie p. 4 van het rapport van Van Koppen, waarnaar op p. 28-29 van het herzieningsverzoek wordt verwezen.

16 Zie p. 4 van het rapport van Van Koppen.

17 Zie p. 4 van het rapport van Van Koppen en p. 5: ‘ [betrokkene 1] meent dat [aanvrager] in hoger beroep op safe wilde spelen. Het (bedoeld zal zijn hij, AG) denkt nu achteraf dat [aanvrager] het niet heeft gedaan”.

18 In het herzieningsverzoek wordt dit gepresenteerd als een scenario van [betrokkene 1] , zie onder punt 74.

19 HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2961, rov. 3.3.; in dezelfde zin HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2471, rov. 3.3.

20 Zie hiervoor met name de nadere bewijsoverweging van het hof onder 2 en 4.

21 HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2583, rov. 5.2.1.

22 Zie punt 92 van de herzieningsaanvraag. Overigens heeft het hof deze verklaring niet voor het bewijs gebezigd maar in plaats daarvan de verklaring die aanvrager op de zitting van het hof van 30 juni 2009 heeft afgelegd waarin aanvrager verklaart dat hij omstreeks 20.00 uur gebeld werd door [betrokkene 14] van de Kapsalon in Assen en geen tijdstip noemt waarop hij vervolgens naar Niezijl is gereden.