Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2186

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
13/05012
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3313, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft beslist dat de toegewezen vordering b.p. vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf de in het arrest genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening. Nu het vonnis van de Rb niet een toewijzing inhoudt van de door de b.p. in e.a. gevorderde vergoeding van de wettelijke rente, en het Hof heeft vastgesteld dat de b.p. zich niet opnieuw heeft gevoegd in h.b., heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden (vgl. ECLI:NL:HR:2001:ZD1865).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/05012

Mr. Harteveld

Zitting 25 augustus 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 16 oktober 2013 wegens 1. “mishandeling” en 2. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd. Het Hof heeft tevens de tenuitvoerlegging gelast van een bij vonnis van de Rechtbank Maastricht van 13 april 2010 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

2. Namens de verdachte heeft mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente.

3.2. Uit de stukken van het geding kan het volgende worden afgeleid. De benadeelde partij heeft zich op grond van art. 51g lid 1 Sv middels een voegingsformulier in het voorbereidend onderzoek gevoegd. De bijlage bij het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” houdt in dat de benadeelde partij vergoeding vordert van een bedrag van € 1.522,- vermeerderd met de wettelijke rente. Deze bijlage maakt deel uit van de vordering van de benadeelde partij. De Rechtbank Maastricht heeft bij vonnis van 11 december 2012 verdachte veroordeeld en de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.272,- toegewezen. De Rechtbank heeft daarbij niet bepaald dat het schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw in hoger beroep gevoegd. Ingevolge art. 421 lid 2 Sv duurt de voeging van rechtswege in hoger beroep voort voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.272,- toegewezen en bepaald dat het toegewezen bedrag wordt vermeerder met de wettelijke rente. Het Hof heeft in zijn arrest overwogen dat de Rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft gegeven met betrekking tot de wettelijke rente bij de vordering van de benadeelde partij.

3.3. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het Hof het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag niet had mogen vermeerderen met de wettelijke rente, nu de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd en ingevolge art. 421 lid 2 Sv de voeging van rechtswege in hoger beroep voortduurt voor zover de schadevergoeding is toegewezen.

3.4. Uit de bijlage bij het voegingsformulier kan zonder meer worden opgemaakt dat de benadeelde partij ook de wettelijke rente vordert. De Rechtbank heeft in haar vonnis de vordering van de benadeelde partij weergegeven als bestaande uit een bedrag aan materiële schade en een bedrag aan immateriële schade. De Rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade geheel en ten aanzien van de immateriële schade gedeeltelijk toegewezen en de vordering ten aanzien van de immateriële schade voor het overige afgewezen. Het vonnis bevat geen beslissing ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente. Daaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de Rechtbank dit gedeelte van de vordering over het hoofd heeft gezien.

3.5. Ingevolge art. 421 lid 2 Sv duurt de voeging van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen. Art. 421 lid 3 Sv bepaalt dat de benadeelde partij zich, binnen de grenzen van haar eerste vordering, in hoger beroep kan voegen voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen. Voorts geldt dat de rechter in hoger beroep niet een hoger bedrag kan toekennen dan in eerste aanleg door de rechtbank is toegekend. Dit volgt uit HR 10 juli 2001 (ECLI:NL:HR:2001:ZD1865, NJ 2001/604). De Hoge Raad casseerde in die zaak, omdat de appelrechter een hoger bedrag aan materiële schade had toegekend dan de rechter in eerste aanleg. Dat het totale toegewezen bedrag lager uitviel dan het door de rechtbank toegewezen bedrag deed daaraan niet af.

3.6. In zijn algemeenheid lijkt mij dat het hier weergegeven stelsel er op neer komt dat, indien de benadeelde partij zich niet opnieuw voegt in hoger beroep en de vordering op grond van art. 421 lid 2 Sv van rechtswege voortduurt, er vanuit wordt gegaan dat zij berust in het oordeel van de Rechtbank. Dat is niet anders indien de rechter kennelijk per abuis verzuimt om de gevorderde wettelijke rente toe te wijzen. De rente moet opnieuw worden gevorderd. Dat kan (onder meer) volgen uit HR 14 september 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7456) . In dat geval had de Rechtbank kennelijk bij vergissing verzuimd om te beslissen op de vordering van de benadeelde partij en nam het Hof, hoewel de benadeelde partij zich niet opnieuw had gevoegd in hoger beroep, een beslissing ten aanzien van de vordering. De Hoge Raad casseerde. In dit verband verdient nog opmerking dat de Hoge Raad in het omgekeerde geval, namelijk als een beslissing van het gerechtshof omtrent de wettelijke rente ten onrechte achterwege is gebleven, ook alleen dan om doelmatigheidsredenen de wettelijke rente toewijst indien de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd voor het bedrag voor de oorspronkelijke vordering.1

3.7. Terug naar de onderhavige zaak. Uit de stukken van het geding volgt dat de benadeelde partij zich niet opnieuw in hoger beroep heeft gevoegd en dat de vordering op grond van art. 421 lid 2 Sv in hoger beroep voortduurde. Dat betekent dat het Hof het door de Rechtbank toegewezen bedrag niet had mogen vermeerderen met de wettelijke rente. Ook niet wanneer er vanuit moet worden gegaan dat de Rechtbank de gevorderde rente kennelijk per abuis over het hoofd heeft gezien.

3.8. Opmerking verdient nog dat het wat de schadevergoedingsmaatregel betreft anders ligt. Ook indien de benadeelde partij de wettelijke rente niet vordert, staat het de strafrechter vrij om, indien hij de schadevergoedingsmaatregel oplegt, te bepalen dat het bedrag aan schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente.

3.9. De Hoge Raad kan de zaak op het hier bestreden punt zelf afdoen en het arrest van het Hof ten aanzien van de toewijzing van de wettelijke rente vernietigen.2 Een andere optie die ik heb overwogen is om uw Raad te adviseren om de zaak terug te wijzen. Dat opent de weg voor de benadeelde partij om zich in hoger beroep (alsnog) te voegen voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.3 Het is immers maar zeer de vraag in hoeverre een benadeelde partij, die zich primair ten aanzien van de geleden schade voegt, beseft dat, indien de vordering ten aanzien van de geleden schade (deels) wordt toegewezen, het gedeelte van haar vordering dat ziet op de wettelijke rente niet is toegewezen, als de rechter dat in eerste aanleg niet - expliciet - heeft overwogen. Daartegenover staat dat de schadevergoedingsmaatregel met inbegrip van de wettelijke rente is opgelegd. Het schrappen van de wettelijke rente bij de vordering maakt dus materieel gezien voor de benadeelde partij niet eens zoveel uit. Dat geldt overigens ook voor de verdachte, hetgeen het belang van de ondernomen operatie in cassatie tenminste relativeert.

3.10. Het middel slaagt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv.

4.2. Het oordeel van het Hof dat verdachte feit 2 op 9 juli 2012 tegenover de politie heeft bekend, is geenszins onbegrijpelijk. Daarbij neem ik tevens de procesopstelling van de verdediging in aanmerking (vgl. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1342). Blijkens het proces-verbaal van ‘s Hofs terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte aldaar namelijk opgemerkt: “Naar het oordeel van de verdediging kan feit 2 wel wettig en overtuigend worden bewezen gelet op de bekennende verklaring van mijn cliënt.”

4.3. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in cassatie is overschreden.

5.2. De verdachte heeft op 17 oktober 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 december 2014 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim zes maanden is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

5.3. Het middel slaagt.

6. Het eerste en het derde middel slagen. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor zover het Hof heeft beslist dat wettelijke rente vergoed moet worden over het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij en voor zover het de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering van die opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL4038, HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6354.

2 Vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652; HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:211.

3 Vgl. HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7456. Deze zaak verschilt van de onderhavige zaak in die zin dat het Hof had vastgesteld dat de benadeelde partij in hoger beroep wel was verschenen bij het Hof – zij het te laat om nog iets omtrent haar vordering op te kunnen merken.