Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2126

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-08-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
15/02202
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3095, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Faillietverklaring BV op verzoek van werkneemster met loonvordering. Is sprake van overgang van onderneming (art. 7:662 e.v. BW)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/02202

Mr. L. Timmerman

Zitting: 14 augustus 2015

Conclusie inzake:

Horeca Exploitatie Maatschappij Sibculo Holding B.V. (hierna: HEMS)

verzoekster tot cassatie

tegen

[verweerster] , e.v. [betrokkene] (hierna: [verweerster] ),

verweerster in cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

HEMS is op verzoek van [verweerster] door de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 11 maart 2015 in staat van faillissement verklaard. De rechtbank heeft daarbij mr. M.M. Verhoeven benoemd tot rechter-commissaris. Mr. F. Kolkman is aangesteld tot curator.

1.2

Tegen het faillissementsvonnis heeft HEMS hoger beroep ingesteld bij het Hof Arnhem-Leeuwarden. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 30 april 2015. Het hof heeft bij arrest van 7 mei 2015 het hoger beroep verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.3

HEMS heeft tegen het arrest van het hof cassatieberoep ingesteld, dit bij verzoekschrift dat is ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 14 mei 2015. In het verzoekschrift heeft HEMS zich het recht voorbehouden om na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, nadere klachten aan te voeren (zie par. 2.3 van het verzoekschrift). Van de geboden mogelijkheid om de klachten aan te vullen is door HEMS geen gebruik gemaakt.

1.4

[verweerster] is in cassatie verschenen en heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht. HEMS heeft voor de schriftelijke toelichting van de klachten verwezen haar cassatieverzoek. Tot slot heeft HEMS nog gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen (onderdelen 1 t/m 4). Een groot aantal van de met deze onderdelen aangevoerde klachten voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv (zie over deze vereisten onder meer HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, RvdW 2013/892, rov. 3.1). De overige klachten van de onderdelen zal ik hieronder kort bespreken.

2.2

Onderdeel 1 klaagt dat het hof ten onrechte geoordeeld heeft dat [verweerster] ten tijde van de aanvraag van het faillissement van HEMS een bestaand vorderingsrecht heeft op HEMS (ook wel aangeduid als ‘HEMS oud’) en niet op Horeca Exploitatie Maatschappij Sibculo B.V. (ook wel aangeduid als ‘HEMS nieuw’).

2.3

De klachten van onderdeel 1 falen. Het hof heeft gemotiveerd geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst d.d. 1 maart 2014 gesloten is tussen [verweerster] en HEMS (en niet tussen [verweerster] en HEMS nieuw) (zie rov. 3.5). Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat niet aangenomen kan worden dat sprake is geweest van een overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 e.v. BW van HEMS naar HEMS nieuw (zie rov. 3.6). Mede op basis daarvan heeft het hof vervolgens vastgesteld dat er tot 28 februari 2015 een arbeidsovereenkomst was tussen [verweerster] en HEMS, dat niet in geschil is dat [verweerster] op grond van haar arbeidsovereenkomst nog recht heeft op loonbetaling over de maanden december 2014 tot en met februari 2015, en dat de omvang van die vordering door HEMS verder ook niet is betwist (zie rov. 3.7). Het hof komt tot de slotsom dat summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillissementsaanvraag bestaande vordering van [verweerster] op HEMS (zie rov. 3.7). Dit oordeel wordt door onderdeel 1 niet met succes bestreden. Als zodanig geeft het genoemde oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en het oordeel is in het licht van de stellingen en betogen van onderdeel 1 ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel beroept zich derhalve ook tevergeefs op de stelling van HEMS dat “zelfs indien zou worden aangenomen dat verzoekster in dienst is gebleven bij HEMS oud […] het haar vrij[staat] een arbeidsovereenkomst met HEMS nieuw te sluiten per 28 februari 2014 voor bepaalde tijd van één jaar.” Hetgeen het hof in rov. 3.5 overwogen heeft, veronderstelt immers juist dat het [verweerster] (ook) vrijstond om een arbeidsovereenkomst te sluiten met HEMS nieuw. Het hof heeft echter vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst d.d. 1 maart 2014 door [verweerster] gesloten is met HEMS en niet met HEMS nieuw.

2.4

Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof ten onrechte geoordeeld heeft dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 e.v. BW. Volgens het onderdeel geeft het oordeel van het hof op deze en andere punten blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De betreffende oordelen zouden in elk geval onbegrijpelijk zijn of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel betoogt in dat verband onder meer dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Verder zou het hof onder andere onvoldoende acht hebben geslagen op hetgeen HEMS met haar grieven heeft aangevoerd.

2.5

De klachten van onderdeel 2 zijn ongegrond. Het hof heeft in rov. 3.6 gemotiveerd geoordeeld dat niet aangenomen kan worden dat sprake is geweest van een overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 e.v. BW. Dat oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, ook niet in het licht van de stellingen van het onderdeel. Zie ook de bespreking van de klachten van onderdeel 1. Een en ander behoeft hier – mede in aanmerking genomen dat de klachten van het onderdeel voor een aanzienlijk deel niet voldoen aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv – geen nadere bespreking.

2.6

Onderdeel 3 klaagt dat het hof in rov. 3.8 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld heeft dat voldaan is aan het pluraliteitsvereiste.

2.7

De klachten van onderdeel 3 zijn tevergeefs. Het hof heeft in rov. 3.8 gemotiveerd geoordeeld dat in het onderhavige geval voldaan is aan het pluraliteitsvereiste. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, ook in het licht van de stellingen van dit onderdeel, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij merk ik op dat onderdeel 3 in belangrijke mate voortbouwt op de (tevergeefse) klachten van de voorgaande onderdelen. Het onderdeel behoeft geen nadere bespreking.

2.8

Onderdeel 4 klaagt dat het hof in rov. 3.9 ten onrechte geoordeeld heeft dat HEMS niet betwist dat er onvoldoende middelen zijn om alle schuldeisers en de faillissementskosten integraal te voldoen.

2.9

Ook onderdeel 4 is tevergeefs. Het bestreden oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet ontoereikend gemotiveerd. Niet is in te zien op welke wijze de (niet nader toegelichte) stelling van het onderdeel dat “[d]e betreffende vragen […] niet aan HEMS gesteld [zijn]”, afbreuk zou kunnen doen aan de vaststelling van het hof dat HEMS niet betwist heeft dat er onvoldoende middelen zijn voor integrale voldoening van alle schuldeisers en de faillissementskosten (zie rov. 3.9). Ook voor het overige wordt het in rov. 3.9 gegeven oordeel door het onderdeel niet op adequate wijze bestreden.

2.10

Slotsom is dat geen van de aangevoerde cassatieklachten kan slagen. Het cassatieberoep dient derhalve verworpen te worden. Ik geef Uw Raad in overweging om het beroep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G