Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2122

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
14/06081
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3200, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06081

Zitting: 8 september 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 27 augustus 2014 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 250,-1, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis.

2. Mr. J.M. Tason Avila, advocaat te Amstelveen, heeft namens verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

3. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 11 november 2012 te Akersloot, gemeente Castricum als bestuurder van een motorrijtuig

betrokken bij een verkeersongeval op de Boschweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [betrokkene], letsel en/of schade was toegebracht.”

4. Die bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal (...) van 12 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 november 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangever: [betrokkene]:

Ik liep op zondag 11 november 2012 in gezelschap van mijn echtgenote op de Boschweg (Akersloot). Wij liepen in noordelijke richting aan de westzijde van de Boschweg. Mijn vrouw liep voor mij. Wij liepen dus het verkeer tegemoet. Op dat moment liepen wij op de Boschweg ter hoogte van het paardenoefenveld. Ik zag dat voor dit veld een personenauto was geparkeerd. Deze stond gedeeltelijk in de berm geparkeerd. Ik zag uit tegenovergestelde richting een personenauto naderen. Ik zag dat de bestuurder van deze personenauto iets moest uitwijken om de geparkeerde personenauto te passeren. Wij waren op dat moment ter hoogte van de geparkeerde personenauto gekomen. Ik zag dat er geen ruimte was voor de tegemoetkomende bestuurder om de auto te passeren. Ik ging ervan uit dat de bestuurder zou stoppen om ons de kans te geven, door te lopen. Ik zag de bestuurder niet stopte en doorreed. Mijn vrouw zag kans in de berm te stappen maar ik kon niet opzij en werd aan mijn rechterzijde geraakt door de rechterbuitenspiegel (aan passagierszijde) van de auto. Ik draaide me om en zag dat de bestuurder van de bewuste personenauto verderop stopte. Ik liep naar de auto toe en zag dat de bestuurder uit de auto was gestapt en naar de passagierszijde was gelopen om zijn buitenspiegel te inspecteren. Ik liep op de man toe en ik zei tegen hem: had je niet kunnen stoppen om ons door te laten’. Ik hoorde de man zeggen: ‘Wat heb je daarmee te maken ik stamp je onder de grond’. De man zei geen woord meer tegen mij en stapte in zijn auto. Ik kreeg na de aanrijding pijn in mijn rechteronderarm.

2. Een proces-verbaal (…) van 28 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 november 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

Op zondag 11 november 2012 liep ik samen met mijn man te wandelen over de Boschweg te Akersloot. Ik liep voor mijn man omdat ik uit tegengestelde richting een zwart/donkerblauwe auto ons tegemoet zag komen rijden. Toen die auto mij voorbij gereden was, hoorde ik een klap. Ik draaide mij om en zag mijn man naar zijn rechterarm grijpen. Ik zag dat de rechter buitenspiegel van die auto omgeklapt was. Ik zag dat de auto stopte en zag de bestuurder uitstappen. Ik zag dat deze man hierop weer in zijn auto stapte en weg reed.

3. Een proces-verbaal (…) van 29 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van be-lang en zakelijk weergegeven, als de op 29 november 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

Op 11 november 2012 was ik met mijn paard bezig in de paardenbak aan de Boschweg te Akersloot. Ik zag een man en een vrouw naast elkaar lopen in de noordelijke richting. Zij liepen aan de kant van de weg. Ik zag toen een man in een dikke auto hun tegemoet komen. Ik hoorde een knal en keek naar het wandelende stel, wat aan de rechterkant van de weg liep. Ik zag de auto stoppen en een stuk achteruit rijden. Ik zag de bestuurder uitstappen.

4. Een proces-verbaal (…) van 4 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 december 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:

Op zondag 11 november 2012 was ik op de Bosweg te Akersloot. Ik reed in mijn auto. Ter hoogte van een paardenbak, aan de linkerkant van mij, zag ik dat er paarden werden getraind. Ik zag dat aan diezelfde linkerkant een kleine auto stond geparkeerd. Ik zag dat voorbij die auto 2 mensen liepen aan de rechterkant van de weg. Op een bepaald moment passeerde ik die mensen. Ik zie dat die man wanneer hij ter hoogte is van mijn rechtervoordeur zijn rechterarm optilt en een stomp geeft tegen mijn rechterbuitenspiegel. Die is vervolgens ook meteen inklapt. Ik ben na ongeveer tien meter gestopt, om stil te kunnen staan om mijn spiegels te controleren en weer in en uit te klappen. Ik ben ongeveer 5 meter teruggereden in zijn achteruit en heb mijn auto in de parkeerstand gezet. Ik ben naar hem toegelopen. Ik zei tegen die meneer ‘wat doet u nou’. Ik zag dat hij op mij af kwam lopen. Ik wilde nog met hem in gesprek gaan om zijn boosheid weg te nemen. Ik zag dat hij weg liep richting het meisje dat in de paardenbak aan het trainen was. Ik ben toen in mijn auto gestapt en naar huis gereden.

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2014. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Na het ongeval heb ik mijn auto laten uitrijden en daarna heb ik mijn auto tot stilstand gebracht. Ik ben gestopt om te controleren of ik schade had aan mijn spiegels en vervolgens ben ik met mijn auto achteruit gereden in de richting van meneer. Ik ben uitgestapt en heb aan meneer gevraagd wat hij deed. De meneer stond op dat moment met gebalde vuisten voor mij. Vervolgens is hij naar [getuige 2] gelopen in het weiland terwijl zijn vrouw bleef staan. Toen de meneer weg liep naar [getuige 2] ben ik ook weggelopen. Dit vond allemaal plaats in een tijdsbestek van 40 seconden.”

5. Het hof heeft daarnaast nog het volgende overwogen ten aanzien van de bewezenverklaring:

“Op zondag 11 november 2012 liepen aangever en zijn vrouw in noordelijke richting aan de westzijde van de Boschweg te Akersloot. Om een auto te passeren die gedeeltelijk in de berm stond geparkeerd, zijn zij een gedeelte over de weg gelopen. Vanuit tegenovergestelde richting naderde een personenauto waarvan verdachte de bestuurder was. Op het moment dat aangever en zijn vrouw over de weg langs de geparkeerde auto lopen, komt aangever in botsing met het voertuig van verdachte, waardoor de buitenspiegel van het voertuig werd ingeklapt en aangever letsel heeft opgelopen.

De verdachte en de aangever hebben verschillende lezingen gegeven met betrekking tot de aanraking tussen aangever en het voertuig van de verdachte. Aangever heeft verklaard dat het voertuig tegen hem is aangereden en verdachte heeft verklaard dat aangever bij het passeren zijn rechterarm heeft opgetild en met zijn rechtervuist een klap tegen de rechterspiegel van zijn voertuig heeft gegeven.

Het hof overweegt dat voor de verklaring van aangever onvoldoende steun te vinden is in het dossier. Weliswaar verklaren de echtgenote van verdachte en een getuige over het horen van een klap, maar geen van beiden heeft de aanraking tussen aangever en het voertuig waargenomen. Het hof zal er derhalve van uit gaan dat de verdachte het ongeval niet heeft veroorzaakt en dat de aangever al dan niet opzettelijk in een verkeerssituatie met zijn rechtervuist of rechterarm tegen het voertuig van de verdachte is aangekomen waardoor er een botsing is veroorzaakt tussen aangever en het voertuig van de verdachte.

Uit VR 1988, 36 blijkt dat ook het opzettelijk veroorzaken van een aanrijding dan wel botsing een verkeersongeval in de zin van artikel 7 Wegenverkeerswet (WVW) oplevert. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte betrokken is geweest bij een verkeersongeval, hetgeen meebrengt dat hij de plaats van het ongeval niet had mogen verlaten, tenzij hij behoorlijk de gelegenheid had geboden tot vaststelling van zijn identiteit en de identiteit van zijn motorvoertuig.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en tevens van de identiteit van dat motorrijtuig. De verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij zijn voertuig tot stilstand had gebracht, naar de aangever is toegelopen, maar dat aangever op dat moment niet naar hem, maar naar een derde is toegelopen, waarop de verdachte weer in zijn voertuig is gestapt en is weggereden. Uit het dossier en de verklaring van de verdachte blijkt dat de aangever naar een eventuele getuige van de botsing is toegelopen. Gelet hierop heeft de verdachte naar het oordeel van het hof niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de aangever door van hem weg te lopen, geen prijs stelde op kennisneming van de identiteit van verdachte en/of diens voertuig. Daar komt bij dat de verdachte vervolgens naar eigen zeggen na zeer korte tijd (het tijdsbestek tussen het tot stilstand brengen van zijn voertuig en het later weer wegrijden, heeft volgens de verdachte ongeveer 40 seconden bedragen) is weggereden zonder zijn gegevens achter te laten. Door aldus te handelen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof onvoldoende gelegenheid geboden tot vaststelling van zijn identiteit.”

6. In het middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte althans op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen in art. 7 WVW 1994 staat beschreven. Het middel bevat daaromtrent drie klachten en voordat ik deze bespreek zal ik eerst de tekst van art. 7 Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994) weergeven.

7. Art. 7 WVW 1994 luidt, voor zover hier van belang:

“1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:

a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;

b. (…).

2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig.“

8. De eerste klacht houdt in dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is geweest van een verkeersongeval als bedoeld in art. 7 WVV 1994.

9. Noch in art. 7 WVW 1994, noch overigens elders in de WVW 1994, is aangegeven wat wordt verstaan onder een verkeersongeval. De memorie van toelichting bij de totstandkoming daarvan houdt echter in dat het een verzamelbegrip is voor de in art. 30 van de oude WVW 1935 genoemde gevallen, te weten: een botsing, een aan- of overrijding of een handeling ter voorkoming daarvan. Volgens Krabbe wordt genoemd begrip in het spraakgebruik ruimer genomen en is er al sprake van een ongeval indien personen of voorwerpen heftig tegen elkaar aankomen zelfs als dat in verband met art. 7 WVW bij nader inzien geen schade heeft veroorzaakt.2 Uit een uitspraak van de Hoge Raad in 1986 kan verder worden afgeleid dat ook een opzettelijke veroorzaakte botsing of aanrijding een (verkeers)ongeval in de zin van art. 7 WVW oplevert.3 Of sprake is van een verkeersongeval hangt daarnaast af van de vraag of het zich heeft voorgedaan in een verkeerssituatie. Voor de bepaling van wat onder wegverkeer moet worden verstaan is in de eerste plaats de activiteit beslissend, niet of het al dan niet op de (openbare) weg heeft plaatsgevonden. Er zijn verkeersgedragingen mogelijk buiten de weg, terwijl op de weg andere dan verkeersactiviteiten kunnen voorkomen. Daaruit volgt dat niet elk ‘ongeval’ of incident dat op de weg gebeurt ook een verkeersongeval is.4 Wegverkeer ziet op gedrag op de weg dan wel gedrag dat op de weg uitwerking heeft en het gaat dan om gedragingen van voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders, ruiters en geleiders die zich verplaatsen en deelnemen aan het verkeer, of wel het verplaatsen van personen en/of goederen al dan niet met behulp van vervoermiddelen.

10. Bij de vraag of gedragingen kunnen worden aangemerkt als verkeersgedrag kan daarnaast onder meer van belang zijn of die gedragingen betrokken zijn op of verband houden met het algemene verkeer op de weg, en of bij de uitvoering van de gedragingen sprake kan zijn van interactie met willekeurige verkeersdeelnemers. De te beantwoorden vraag is of er een band is tussen het gedrag en het verkeer op de weg en of bij die gedraging de vrijheid en veiligheid van andere verkeersdeelnemers in het geding zijn, aldus Krabbe.5 Verkeersgedragingen kunnen slechts door verkeersdeelnemers worden gepleegd, maar de wegenverkeerswetgeving ziet dus ook op niet specifieke verkeersgedragingen, mits dat gedrag maar concreet is gerelateerd aan het verkeer op de weg.6

11. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van een botsing die gelijk is te stellen met een verkeersongeval in de zin van art. 7 WVW. Er zou enkel sprake zijn geweest van (een poging tot) vernieling en het zou niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om dat gelijk te stellen met een verkeersongeval. Nu kan ik de raadsman wel enigszins volgen in zijn stelling. Als de aangever opzettelijk een slag tegen de spiegel heeft gegeven zou dat immers ook aangemerkt kunnen worden als (een poging tot) vernieling of beschadiging als bedoeld in art. 350 Sv. Gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt meen ik echter dat het hof op grond van de context waarin een en ander zich heeft afgespeeld heeft kunnen oordelen dat hier sprake is geweest van een ‘botsing’ tussen aangever en de auto van verdachte en dus van een verkeersongeval als bedoeld in art. 7 WVW. Hier is immers sprake geweest van een incident waarbij aangever en de auto van verdachte tamelijk heftig tegen elkaar aan zijn gekomen, terwijl een en ander - anders dan bij een ‘gewone’ vernieling - plaatsvond op de openbare weg en naar aanleiding van een confrontatie waarbij aangever en verdachte beiden als verkeersdeelnemer waren betrokken. Er was dus een band tussen de gedragingen en het verkeer op de weg. Gelet daarop heeft het hof mijns inziens zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat hier sprake is geweest van een verkeersongeval als bedoeld in art. 7 WVW.7

12. Het hof heeft daarbij in het midden kunnen laten of de aangever al dan niet opzettelijk met zijn rechtervuist- of arm in aanraking is gekomen met het motorvoertuig van verdachte. Voor de vraag of een en ander al dan niet een verkeersongeval oplevert is de opzet daartoe niet van belang: het gaat om de feitelijke vaststelling of zich een verkeersongeval heeft voorgedaan, niet of die al dan niet opzettelijk is veroorzaakt.8 Art. 7 WVW 1994 strekt er immers toe dat degene die ten gevolge van een ongeval is gedupeerd in de gelegenheid dient te worden gesteld de verzekering(en) van de andere bij het ongeval betrokkene te kunnen aanspreken en daartoe heeft hij gegevens van die ander nodig. Die mogelijkheid tot identiteitsvaststelling ter afwikkeling van de schade staat los van de schuldvraag en sluit dus niet uit dat later kan blijken dat vergoeding van de schade door de verzekering van de tegenpartij niet aan de orde is omdat de gedupeerde volledig zelf aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.9

13. Gelet op het voorgaande en nu in de toelichting ook niet nader wordt gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van een verkeersongeval als bedoeld in art 7 WVW 1994, kan de klacht niet tot cassatie leiden.

14. Ten tweede wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij aan een ander letsel of schade had toegebracht.

15. Het bewijs van bedoeld bewustzijn kan op grond van objectieve gegevens worden vastgesteld. Dat bewustzijn behoeft niet reeds aanwezig te zijn op het moment van het ongeval, maar kan ook na een zeer kort tijdverloop nadien intreden. Er is ook niet zozeer bewustzijn van het ongeval zelf vereist, maar van de gevolgen daarvan.10

16. In het onderhavige geval houden de gebezigde bewijsmiddelen onder meer het volgende in. Aangever heeft verklaard dat hij aan zijn rechterzijde is geraakt door de rechterbuitenspiegel van de auto, en dat de verdachte verderop stopte en uitstapte om zijn buitenspiegel te controleren. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij een klap hoorde en haar man (AG: aangever) naar zijn rechterarm zag grijpen, dat zij zag dat de rechterbuitenspiegel was omgeklapt, en dat ook zij zag dat de bestuurder even verderop uitstapte. Getuige [getuige 2] heeft eveneens verklaard dat zij een knal hoorde en dat zij daarna de bestuurder zag uitstappen. De tot bewijs gebezigde verklaring van verdachte houdt tenslotte in dat hij zag dat aangever een stomp gaf tegen de rechterbuitenspiegel. Op grond van een en ander heeft het hof kunnen oordelen dat verdachte heeft gezien (of gemerkt) dat aangever in aanraking was gekomen met de buitenspiegel van verdachtes auto en dat het, mede gezien de door de getuigen gehoorde knal of klap en het feit dat de spiegel omgeklapt was, niet anders kan zijn dan dat verdachte zich in meerdere of mindere mate ervan bewust moet zijn geweest dat de ‘botsing’ van de aangever met de spiegel dusdanig was dat de aangever mogelijkerwijs letsel of schade had opgelopen. Gelet daarop geeft het oordeel van het hof dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de aangever schade was toegebracht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat ook niet onbegrijpelijk.

17. Ook deze klacht faalt.

18. De derde klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat verdachte geen gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en van de identiteit van zijn motorvoertuig en tegen de verwerping van het daaromtrent gevoerde verweer.

19. Zoals gezegd strekt art. 7 WVW 1994 ertoe te voorkomen dat personen die betrokken zijn bij een verkeersongeval zich onttrekken aan de gevolgen van dat ongeval en te bevorderen dat de identiteit van de betrokkenen (en eventueel van hun motorvoertuig) komt vast te staan en de aansprakelijkheid voor het letsel of de schade wordt afgehandeld. Art. 7 WVW 1994 verplicht de betrokkene bij of de veroorzaker van een ongeval niet om zijn identiteit uit zichzelf mede te delen. De gelegenheid geven voor vaststelling volstaat. Dat betekent echter wel dat hij zich bloot moet geven en zich bijvoorbeeld niet kan verschuilen in de menigte of valse gegevens mag opgeven. Of al dan niet sprake is geweest van het behoorlijk de gelegenheid geven tot identiteitsvaststelling is niet in algemene termen uit te drukken, maar is afhankelijk van het concrete geval.11

20. Het hof heeft aan zijn oordeel dat verdachte niet behoorlijk de gelegenheid heeft gegeven voor de vaststelling van zijn identiteit ten grondslag gelegd dat verdachte niet in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat de aangever geen prijs stelde op kennisneming van de identiteitsgegevens van verdachte, dat verdachte binnen zeer korte tijd nadat hij uit de auto was gestapt, weer is ingestapt en is weggereden zonder zijn gegevens achter te laten. Daarin ligt ten eerste als oordeel van het hof besloten dat verdachte niet uit het gedrag van aangever, te weten het feit dat aangever van verdachte wegliep, heeft kunnen afleiden dat de aangever geen prijs stelde op verdachtes gegevens. Dat acht ik niet onbegrijpelijk, nu zoals het hof heeft overwogen, de aangever volgens zijn verklaring naar een eventuele getuige toeliep en verdachte blijkens zijn eigen tot bewijs gebezigde verklaring ook heeft gezien dat de aangever naar die persoon toeliep, terwijl het enkele weglopen naar een andere persoon mijns inziens onvoldoende is om uit af te leiden dat de aangever geen prijs stelde op de identiteitsgegevens en dat ook overigens niet uit de stukken kan worden afgeleid. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat die persoon mogelijk getuige was geweest van het incident en dus zou kunnen verklaren over wat er volgens haar was gebeurd.

21. Het hof heeft voorts niet onbegrijpelijk geoordeeld dat een (kennelijke) tijdspanne van 40 seconden tussen het moment dat verdachte de auto tot stilstand had gebracht en het moment dat hij weer wegreed en waarin de aangever dus de gelegenheid heeft gehad om de identiteitsgegevens van de verdachte te verkrijgen, onvoldoende is om te kunnen zeggen dat verdachte behoorlijk de gelegenheid heef geboden om zijn identiteitsgegevens vast te stellen. Daarbij wijs ik erop dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte met name uit zijn auto is gestapt om (de schade aan) zijn spiegels te inspecteren en deze weer uit te klappen en zijn houding niet direct de indruk wekte dat hij bereid was om zijn identiteitsgegevens aan de aangever te verstrekken. Daaruit blijkt immers dat verdachte niet heel vriendelijk reageerde op aangevers vraag of verdachte niet had kunnen stoppen om hen voor te laten, dat verdachte aangever verder alleen heeft gevraagd wat hij deed en ook niet de vrouw van de aangever, die kennelijk niet bij verdachte wegliep, in de gelegenheid heeft gesteld om zijn identiteitsgegevens te noteren. Gelet op een en ander in samenhang bekeken heeft het hof mijns inziens zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat verdachte niet behoorlijk de gelegenheid heeft gegeven om zijn identiteitsgegevens vast te stellen.

22. Het middel faalt.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Overtreding van art. 7 WVW 1994 is ingevolge art. 177 en 178 WVW 1994 een misdrijf, zodat het tweede lid van art. 427 Sv niet van toepassing is en cassatie mogelijk is.

2 H.G.M. Krabbe, De artikelen 5 en 6. Gevaar veroorzaken, hinderen en schuld aan een verkeersongeval, in: A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (reds.), Gouda Quint: Deventer 1999, p. 127-128.

3 HR 2 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AJ5420, VR 1988/36.

4 H.G.M. Krabbe, De artikelen 5 en 6. Gevaar veroorzaken, hinderen en schuld aan een verkeersongeval, in: A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (reds.), Gouda Quint: Deventer 1999, p. 125.

5 J. Remmelink, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Kluwer: Deventer 2012 (voortgezet door Otte en bewerkt door A.E. Harteveld en R. Robroek), p. 4-5, en J.B.H.M. Simmelink, Algemene opmerkingen over de WVW 1994, in: A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (reds.), Gouda Quint: Deventer 1999, aldaar p. 47-48.

6 Remmelink/Harteveld en Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, p. 4-5.

7 Vgl. bijv. ook HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1215 waarin de Hoge Raad onder meer oordeelde dat van betrokkenheid van de bestuurder van een motorrijtuig bij een verkeersongeval als bedoeld in art. 7 lid 1 WVW onder meer sprake is als dat motorrijtuig met een andere verkeersdeelnemer in aanraking komt.

8 Vgl. ook de conclusie van de procureur-generaal Fokkens van 10 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT5776, waarin hij zich op het standpunt stelde dat het hof terecht had geoordeeld dat ook een opzettelijke aanrijding moet worden beschouwd als een verkeersongeval in de zin van art. 7 WVW. Zie ook: Remmelink/Harteveld en Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, p. 116.

9 Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3 (MvT), p. 69-70. Remmelink/Harteveld en Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, p. 115.

10 Remmelink/Harteveld en Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, p. 117-118.

11 Remmelink/Harteveld en Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, p. 119.