Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2111

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
14/04698
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3250, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 283 Sv. Gemachtigd raadsman, gelegenheid om het laatst het woord te voeren. Art. 283 Sv is van overeenkomstige toepassing ingeval de vraag aan de orde is of de rechter in h.b. kan toekomen aan een beoordeling van de zaak zelf (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AS7542). Uit het pv van de ttz in h.b. blijkt niet dat de gemachtigde raadsman van de verdachte nogmaals het woord heeft kunnen voeren nadat de AG andermaal het woord had gevoerd. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het zesde lid in verbinding met het derde lid van art. 283 Sv gegeven voorschrift niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is in het onderhavige geval waarin het Hof de verdachte n-o heeft verklaard in het h.b., van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04698

Mr. Machielse

Zitting 8 september 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft op 10 september 2014 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat dit eerst na het verstrijken van de appeltermijn is ingesteld.

2. Mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat de gemachtigd raadsman ter terechtzitting in hoger beroep niet het recht is gelaten het laatst te spreken.

3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt in dat verdachte niet is verschenen, maar wel een advocaat die verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Vervolgens betoogt de AG dat verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep moet worden verklaard omdat hij in het grievenformulier heeft aangegeven dat hij op de hoogte was van de zitting (in eerste aanleg) maar niet aanwezig kon zijn in verband met zijn werk. De advocaat heeft geantwoord dat het grievenformulier niet is opgemaakt in het handschrift van verdachte maar dat een ander dat heeft gedaan. Het grievenformulier dateert van 2013 en het gaat om een terechtzitting in eerste aanleg van 2011. Het gaat de advocaat te ver om aan een en ander de conclusie te verbinden dat verdachte destijds op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg. De AG verklaart daarop dat hij zich kan voorstellen dat verdachte nog wel weet dat hij toen moest werken en dat deze zitting een van de laatste uitnodigingen was om te verschijnen na een lange reeks. Vervolgens verklaart het hof het onderzoek gesloten en doet het onmiddellijk uitspraak.

3.3. In deze zaak heeft het hof zonder onderzoek van de zaak zelve de niet-ontvankelijkheid van het appel uitgesproken. De steller van het middel is klaarblijkelijk van oordeel dat artikel 311 Sv hier van toepassing is. Maar artikel 283 Sv lijkt meer voor deze situatie geschreven. Het zesde lid van artikel 283 Sv schrijft de rechter voor de verdachte in de gelegenheid te stellen zijn standpunt toe te lichten voordat het onderzoek wordt gesloten.1 Voor de advocaat die gemachtigd en toegelaten is om de verdediging te voeren, geldt hetzelfde.

Artikel 283 Sv is bij Wet van 15 januari 1998, Stb. 1998, 33 (Wet herziening onderzoek ter terechtzitting) in de plaats gekomen van artikel 279 Sv, dat een vergelijkbare inhoud had. Het zesde lid van artikel 279 Sv hield ook in dat de rechtbank zonder onderzoek van de zaak ambtshalve de nietigheid van de dagvaarding, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie of haar eigen onbevoegdheid kon uitspreken, na de officier van justitie en verdachte te hebben gehoord. Blok en Besier beschrijven de procedure aldus dat de officier van justitie kan antwoorden op het voorgedragen preliminaire verweer, waarna het debat nog kan worden voortgezet, met dien verstande echter dat de verdachte recht heeft op het laatste woord. Maar artikel 279 Sv verbond aan het verzuim van dat voorschrift niet de straf van nietigheid, anders dan artikel 311 Sv. Het belang van verdachte bij dat laatste woord is volgens deze auteurs ook niet zo groot, omdat de verwerping van een preliminair verweer er niet aan in de weg staat dat dit verweer alsnog bij pleidooi of laatste woord wordt opgeworpen.2 Over artikel 283 Sv schrijven Corstens en Borgers dat de ambtshalve beslissing van de rechtbank moet worden voorafgegaan door het horen van de officier en de verdachte. Als de verdachte een preliminair verweer voert, krijgt de officier van justitie de gelegenheid daarop te reageren. De verdachte kan dan repliceren, de officier dupliceren en tenslotte kan de verdachte nogmaals het woord voeren. In een voetnoot verwijzen deze auteurs naar HR 14 juni 1960, NJ 1960, 597 m.nt. BVAR waarin vanwege het verzuim om verdachte het laatste te laten spreken niet werd gecasseerd.3

Maar er is een verschil tussen de situatie waarin de verdachte een preliminair verweer voert en de situatie waarin de ontvankelijkheid van het hoger beroep van verdachte aan de orde is. In de tweede situatie dreigt een beslissing van niet-ontvankelijkheid van het appel zonder inhoudelijke behandeling en heeft de verdediging niet een tweede kans bij pleidooi of laatste woord om dat te voorkomen.4 Omdat de AG in de onderhavige zaak bij repliek nog een inhoudelijke opmerking heeft gemaakt, had het hof naar mijn oordeel de gemachtigd advocaat in de gelegenheid moeten stellen daarop nog te reageren.

Het bestreden arrest kan naar mijn oordeel niet in stand blijven.

4. Het voorgestelde middel geeft mij aanleiding te concluderen tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7542.

2 Mr. A.J. Blok en mr. L.Ch. Besier, Het Nederlandsche Strafproces, Tweede Deel, Haarlem 1925, p. 41.

3 Corstens/Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, 7e druk, p. 602.

4 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Vegter voor HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1122.