Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2106

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
14/03250
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3216, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Betekeningsperikelen, art. 588 Sv. Betekening appeldagvaarding. Het oordeel van het Hof dat het door de verdachte opgegeven adres door een latere opgave was achterhaald, omdat de raadsvrouwe bij het instellen van het h.b. een ander adres heeft opgegeven, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

2. Art. 51 Sv. Toezenden afschrift appeldagvaarding aan raadsman. Nu een ontvangstbevestiging van de in kopie aan de cassatieschriftuur gehechte ‘stelbrief’ niet is overgelegd en ook anderszins aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, moet het ervoor worden gehouden dat deze brief niet aanwezig was in het dossier van het Hof, terwijl onvoldoende grond bestaat voor het ernstig vermoeden dat die brief ter griffie van het Hof is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt. Het middel, dat ervan uitgaat dat de raadsman zich d.m.v. een schriftelijke kennisgeving als raadsman van verdachte in h.b. heeft gesteld, kan dus niet slagen.

3. Redelijke termijn. Terechte klacht dat niet blijkt dat binnen een jaar na de uitspraak van het hof een verstekmededeling is betekend. HR vermindert de opgelegde gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03250

Mr. Machielse

Zitting 8 september 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 13 oktober 2011 bij verstek met toepassing van het tweede lid van artikel 416 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het verstekvonnis van de Politierechter Alkmaar van 26 november 2007.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de appeldagvaarding ten onrechte niet tevens is verzonden naar het buitenlands adres dat verdachte had opgegeven.

3.2. De politierechter te Alkmaar heeft verdachte op 26 november 2007 bij verstek veroordeeld. In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking, houdende mededeling van een niet onherroepelijk vonnis, welke uitreiking op 5 november 2010 aan verdachte in persoon is geschied. In deze akte van uitreiking is als adres van verdachte opgegeven [b-straat] te [plaats] .1

Op 11 november 2010 heeft mr. N.C.E.C. Luns, advocaat te Alkmaar, namens verdachte appel ingesteld. Op de appelakte is als adres van verdachte genoteerd [a-straat] te [plaats] .

Aan een zich in het dossier bevindende uitdraai uit de strafrechtsketendatabank (SKDB) is te ontlenen dat verdachte met ingang van 27 februari 2007 was ingeschreven op het adres [a-straat] te [plaats] , dat vanaf 25 september 2007 geen GBA-adres bekend was en dat met ingang van 14 oktober 2013 verdachte is ingeschreven op het adres [c-straat] te [plaats] . Tussen 25 september 2007 en 14 oktober 2013 was verdachte in Nederland niet ingeschreven, maar wel is inmiddels een adres in België bekend geworden. Niet is gebleken dat de appeldagvaarding naar dat adres is verzonden. Het hof heeft verdachte bij verstek veroordeeld en dus gemeend dat er geen grond was om de appeldagvaarding nietig te verklaren. Maar nu er een buitenlands adres van verdachte bekend was, had de procedure van het tweede lid van artikel 588 Sv gevolgd moeten worden. Niet blijkt dat dit is geschied, zodat het impliciete oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend ontoereikend is gemotiveerd.2

Het eerste middel slaagt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat aan de advocaat, die zich in hoger beroep voor verdachte had gesteld, geen afschrift van de appeldagvaarding is verzonden.

4.2. Als bijlage 1 is aan de schriftuur gehecht een brief van 9 november 2010, ondertekend door mr. D.P. Hein, advocaat te Amsterdam, waarin deze verklaart zich te stellen als raadsman van verdachte. De schriftuur bevat geen bijlage of automatisch gegenereerd bericht waaruit is op te maken dat deze brief ook inderdaad naar het hof is verzonden en daar is ontvangen. Nu een bevestiging van de ontvangst van de stelbrief ter griffie van het hof ontbreekt bij de aan de griffier van de Hoge Raad toegezonden stukken en deze stukken evenmin anderszins een aanwijzing voor zulk een ontvangst bevatten, moet het er voor worden gehouden dat de in cassatie overgelegde brief niet aanwezig was in het dossier waarover het hof kon beschikken. De klacht dat het voorschrift van de tweede volzin van artikel 59 Sv in hoger beroep niet is nageleefd treft dus geen doel.3

5. Het derde middel, dat klaagt over een schending van de redelijke termijn omdat het OM tekort is geschoten in zijn taak de tweemaal bij verstek veroordeelde verdachte van de veroordelingen op de hoogte te stellen, behoeft geen bespreking nu het bestreden arrest naar mijn oordeel wegens gegrondbevinding van het eerste middel dient te worden gecasseerd en de rechter die de zaak nogmaals zal dienen te beoordelen bij een eventuele strafoplegging met een schending van de redelijke termijn rekening zal kunnen houden.4

6. Het eerste middel is gegrond zodat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. Om doelmatigheidsreden zal de Hoge Raad de appeldagvaarding zelf nietig kunnen verklaren. Het tweede middel faalt en het derde middel behoeft geen bespreking. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen, de appeldagvaarding nietig zal verklaren en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ik vermoed dat bedoeld is de [b-straat] te [plaats] . Een [b-straat] is mij uit algemeen toegankelijke bronnen niet bekend geworden. Dat [plaats] gelegen is in België houd ik maar voor een feit van algemene bekendheid.

2 HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2676.

3 HR 13 november 2007, nr. 02849/06, NJB 2007, 2353.

4 Wel moet mij van het hart dat de stelling die in de schriftuur wordt geformuleerd, dat het vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat de behandeling van een strafzaak binnen vijf jaar dient te zijn afgerond, mij niet vanzelfsprekend lijkt.