Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2102

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/02537
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3638, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Het in deze zaak van toepassing zijnde art. 385.3 Wetboek van Strafvordering van Curaçao (SvC) is gelijkluidend aan art. 342.2 Sv. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452, welke ook gelden voor art. 385.3 SvC. V.zv. het middel betoogt dat de betrokkenheid van verdachte bij de overvallen telkens uitsluitend steunt op de verklaringen van aangeefsters, mist het feitelijke grondslag. ’s Hofs oordeel dat, in hetgeen het Hof in de bewijsmotivering van die overvallen ook heeft betrokken, voldoende steun is te vinden voor de verklaringen van aangeefsters, is niet onbegrijpelijk. Ambtshalve: strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02537

Zitting: 8 september 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij vonnis van 10 december 2013 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 14 augustus 2013 bevestigd met verbetering en aanvulling van de bewijsconstructie, In dit laatste vonnis is verdachte wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van het voorarrest.

  2. Mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In deze zaak gaat het om vijf overvallen op winkels of eetgelegenheden op Curaçao in de periode van 15 februari 2013 tot en met 12 april 2013, waarbij telkens geld is buitgemaakt na dreiging met een mes of puntig voorwerp.

  4. Het hof heeft het vonnis in eerste aanleg bevestigd, met verbetering van een bewijsmiddel - het hof heeft een zin uit een getuigenverklaring geschrapt - en met aanvulling van bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 en feit 5.

  5. In het eerste middel wordt geklaagd dat artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (SvC, conform SvNA) de aanvulling van bewijsoverwegingen niet toelaat bij een bevestiging van het vonnis.

  6. Artikel 406 SvC luidt:

“Artikel 406

1. In het geding in hoger beroep bevat het vonnis van het Hof, in de gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde beslissingen.

2. In de andere gevallen bevestigt het Hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg met gehele of gedeeltelijke overneming, dan wel met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis, wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.

3. […]

4. In geval van vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg is het Hof niettemin bevoegd gedeelten daarvan, door daarnaar te verwijzen, in zijn vonnis over te nemen, voor zover zij niet aan nietigheid lijden. Indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aan nietigheid lijdt, kan niettemin het vonnis, voor zover dit niet aan nietigheid lijdt, worden bevestigd.

5. Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn vermeld, kan het Hof er mee volstaan het vonnis alleen te dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.

6. […]”

7. Deze bepaling is nagenoeg gelijkluidend aan de bepalingen 423 en 423a Sv, zoals die luidden voor de invoering van de Wet stroomlijnen hoger beroep en luidden voor zover hier relevant:

“Artikel 423 (oud)

1. Het gerechtshof bevestigt het vonnis, hetzij met geheele of gedeeltelijke overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met geheele of gedeeltelijke vernietiging van het vonnis, wat de rechtbank had behooren te doen.

2. […]

3. In geval van vernietiging van het vonnis is het gerechtshof niettemin bevoegd bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen, voor zoover deze niet aan nietigheid lijden.

4. […]”

“Artikel 423a (oud)

Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn vermeld, kan het gerechtshof er mede volstaan het vonnis alleen te dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechtbank had behoren te doen.”

8. De Memorie van Toelichting bij artikel 423 (oud) Sv (art. 399 in het wetsontwerp) houdt het volgende in:

“Het derde lid brengt eene gewenschte vereenvoudiging aan. Ook bij de nietigste vormfout moet het Hof thans na vernietiging van het vonnis a quo, zelfstandig in zijn arrest eene met redenen omkleede beslissing geven ten aanzien van de punten in art. 211 Wetboek van Strafvordering vermeld, ook dan wanneer het zich, behoudens bedoelde vormfout, geheel met de motivering en de beslissing des eersten rechters vereenigt. Dit is ijdel formalisme, volkomen nutteloos werk en doet bovendien aan het aanzien van den eersten rechter schade. Het derde lid verklaart daarom het Hof bevoegd, bepaalde gedeelten van het vonnis welke niet aan nietigheid lijden in zijn arrest over te nemen. Het kan dus c.q volstaan, onder aanwijzing van die deelen van het vonnis welke het verklaart over te nemen, alleen eene zelfstandige nieuwe motivering of beslissing te geven ten aanzien van die punten welke daaraan naar zijn oordeel behoefte hebben.”1

9. Bij de invoering van de Wet stroomlijnen hoger beroep (1 maart 2007) werd artikel 423 Sv aangepast. Het luidt thans als volgt:

“Artikel 423

1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.

2. […]

3. In geval van vernietiging van het vonnis is het gerechtshof niettemin bevoegd bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen.

4. […]”

10. In de Memorie van Toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep wordt die wijziging als volgt toegelicht:

“3.7 Bevestigen of vernietigen

[…] Vernietiging van het vonnis kan geheel of gedeeltelijk geschieden. Formeel bestaan in dat opzicht weinig beperkingen, mits de constructie maar logisch is en niet wordt voortgebouwd op aan nietigheid lijdende onderdelen. De huidige redactie van artikel 423 Sv is niet geheel helder. In het huidige artikel 423, eerste lid, Sv staat, kort gezegd, dat het vonnis in hoger beroep kan worden bevestigd, gedeeltelijk worden vernietigd of worden vernietigd. Daaruit laat zich als vanzelfsprekend afleiden, dat in geval van gedeeltelijke vernietiging er sprake zal zijn van gedeeltelijke bevestiging. De tussenzin dat bevestiging geschiedt met gehele of gedeeltelijke overneming van gronden kan evenwel de suggestie opwekken dat gedeeltelijke overneming van andere delen van het vonnis dan de gronden ook met een gedeeltelijke bevestiging niet verenigbaar zou zijn. Onzekerheid over de juiste uitleg van artikel 423, eerste lid, Sv heeft geleid tot invoering van artikel 423a Sv. Het verdient de voorkeur de ruime mogelijkheden van artikel 423, eerste lid, Sv nadrukkelijker te formuleren. Dat kan eenvoudig door met zoveel woorden te bepalen, dat ook gedeeltelijke bevestiging mogelijk is.”2

en

“In de Werkgroep hoger beroep en verzet is de voorkeur uitgesproken voor een systeem waarin de appèlrechter het vonnis bevestigt in zoverre hij daarmee instemt. Voorts kan hij in het vonnis verbeteringen aanbrengen in beslissingen en motiveringen. Dat dit in de huidige praktijk weinig

gebeurt heeft verschillende oorzaken. In bijzonder speelt mee dat bij bevestiging de appèlrechter eventueel in eerste aanleg begane en met nietigheid bedreigde vormverzuimen voor zijn rekening neemt. Dat kan tot cassatie leiden. Om die reden wordt veelal een nieuwe beslissing opgebouwd. Corstens heeft erop gewezen dat een nadeel van deze praktijk is dat niet of moeilijk valt na te gaan wat de appèlrechter niet bevalt aan de opbouw van het vonnis in eerste aanleg (G. J. M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, vierde druk, 2002, p. 715). De vernietiging wordt immers niet gemotiveerd. De appèlrechter slaat zichzelf aldus een belangrijk instrument uit handen om de rechtsontwikkeling te sturen en de rechtseenheid te bevorderen. Door de tekstuele wijzigingen in artikel 423 Sv wordt thans beoogd de bestaande huiveringen tegen bevestigen van vonnissen weg te nemen.” 3

11. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 423 Sv blijkt duidelijk dat de wetgever geen bezwaar heeft gehad tegen een bevestiging van het vonnis met toevoeging van een nieuwe (bewijs)motivering, hoewel de oorspronkelijke wettekst – die vrijwel geheel overeenkomt met het huidige art. 406 SvC – daar niet heel helder in was. Er is geen reden om aan te nemen dat artikel 406 SvC restrictiever moet worden uitgelegd dan art. 423 Sv (oud).4 Het middel, dat is gebaseerd op een te restrictieve wetsuitleg, faalt om die reden.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de betrokkenheid van verdachte bij de feiten 2 en 3 heeft doen steunen op de verklaring van één getuige, zodat de bewezenverklaring van die feiten ontoereikend is gemotiveerd. Anders dan het hof heeft geoordeeld kan de bewijsconstructie volgens de steller van het middel niet geheeld worden door het gebruik van schakelbewijs.

13. Het hof heeft de bewezenverklaring van de eerste rechter bevestigd. De bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 luidt:

2.

“dat hij op 11 maart 2013, in Curaçao, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, uit het de kassa van Tellsell, gevestigd in het winkelcentrum Goisco te Schottegatweg Noord 24

- enig geldbedrag in Nederlands Antilliaanse Guldens, toebehorende aan Tellsell, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] gepleegd door hem, verdachte, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken, bestaande die bedreiging met geweld uit

- het tonen van een mes aan [slachtoffer 2] en het op een dreigende toon en wijze met voornoemd voorwerp in zijn hand met een dreigende stem [slachtoffer 2] aan te manen om stil te blijven, en

- voornoemde [slachtoffer 2] te dwingen om naar het kassaregister te gaan en deze open te maken.

3.

dat hij op 25 maart 2013, in Curaçao, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, uit Living Fashion gevestigd in het Goisco Winkelcentrum te Schottegatweg Noord 24,

- enig geldbedrag in Nederlands Antilliaanse Guldens, toebehorende aan [slachtoffer 3] en aan Living Fashion, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen

[slachtoffer 3] gepleegd door hem, verdachte, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken, bestaande die bedreiging met geweld uit

- het tonen en richten van een mes aan [slachtoffer 3] en

- het aanmanen van [slachtoffer 3] met een dreigende stem om naar de kassa te gaan en

- het vervolgens aanmanen van [slachtoffer 3] met een dreigende stem om terug te gaan naar het bureau waar zij voorheen zat, en

- het dwingen van [slachtoffer 3] tot het openmaken van de la van het bureau en een sigarendoos inhoudende geld uit een la te halen zodat hij het geld kon wegnemen en

- [slachtoffer 3] te dwingen om haar tas tevoorschijn te halen, om haar portemonnee eruit te halen zodat hij het geld in de portemonnee kon wegnemen.

14. Met betrekking tot feit 2 en feit 3 bestaat het bewijs telkens uitsluitend uit een aangifte en een fotoherkenning door de aangever. Er is geen bewijs uit een andere bron. Het gerecht in eerste aanleg en het hof hebben een verband gelegd tussen de feiten 2 en 3 en de feiten 1, 4 en 5 en zodoende een schakelbewijsconstructie gehanteerd. De feiten 1, 4 en 5 hebben betrekking op:

feit 1) het wegnemen van geld uit de kassa van de Burger King, voorafgegaan en vergezeld van het tonen van een vijl aan de medewerkster op 15 februari 2013;

feit 4) het wegnemen van geld uit de kassa van Rituals Coffee House, voorafgegaan en vergezeld van het tonen en richten van een mes aan/op de medewerkster op 25 maart 2013 en

feit 5) het wegnemen van geld uit de kassa van de Hollandse Bakkerij, voorafgegaan en vergezeld van het tonen van een mes aan de medewerkster op 12 april 2013.

15. Aan de bewezenverklaring van de vijf feiten zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 16 februari 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 1], aangeefster, zakelijk weergegeven:

Ik ben kassier bij Burger King, gevestigd te Gosieweg nummer 128, te Curacao. Op vrijdag 15 februari 2013 bevond ik mij achter de kassa en was bezig een klant te helpen. Ik zag een man uit de richting van de toiletten komen. Hierna had de klant mij betaald. Ik nam het geld over en deed de kassa open om de rekening te voldoen. Op dat moment was de man over de balie gesprongen en kwam naast mij staan. Hij zei tegen mij met een dreigende stem in de papiamentse taal "juffie". Ik zag dat hij zoiets als een grote vijl van pedicure in zijn rechterhand op een dreigende manier vasthield. Ik ben erg geschrokken. Ik voelde dat mijn leven en veiligheid erg in gevaar was. Ik zag dat de man geld uit de kassa begon te pakken.

Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 17 februari 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 15 februari 2013 bevond ik mij op mijn werk in de Burger King, Gosieweg, Curaçao. Ik zat op een stoel te wachten tot ik met mijn werk moest beginnen. Een man vroeg mij waar het toilet was. Kort hierna zag ik de man van het toilet komen en in de richting van de balie lopen. Daarna zag ik de man naar buiten rennen. Ik was in de richting van de man aan het kijken. Vervolgens had men tegen mij gezegd dat de man zojuist een beroving op kassier [slachtoffer 1] had gepleegd.

Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 16 februan 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 2], Zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 15 februari 2013 bevond ik mij op mijn werk in de Burger King, Gosieweg, Curaçao. Ik stond achter de balie met mijn rug naar de balie. [slachtoffer 1] stond bij de kassa een klant te helpen. Hierna hoorde ik de kassa opengaan en voelde [slachtoffer 1] tegen mij slaan. Ik draaide om te kijken wat er gaande was. Ik zag de omschreven man achter de balie bij de kassa staan en ik zag dat hij geld uit de kassa pakte en in zijn broekzak stopte. Hierna sprong hij over de balie en rende naar buiten. Ik ben erg geschrokken.

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:

Ik herken de man onder fotonummer 6 als de dader. Gedurende het voorval stond ik achter de kassa en ik had hem heel goed gezien voor en gedurende de overval. Ik herken hem onder andere aan zijn gezicht, zijn oogopslag en zijn baard.

Opmerking verbalisant: fotonummer 6 betreft de verdachte, [verdachte].

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van getuige [getuige 2], zakelijk weergegeven:

De man onder fotonummer 2 is de dader. Hij is dezelfde dader waarover ik in mijn verklaring heb gesproken. Ik herken hem aan zijn gezicht en de vorm van zijn neus.

Opmerking verbalisant: fotonummer 2 betreft de verdachte, [verdachte].

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 19 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van getuige [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Ik herken de man onder fotonummer 5 als de dader. Ik herken hem aan zijn gezicht en zijn oogopslag. Op de dag van het voorval was zijn baard iets korter. Een week na het voorval toen ik naar huis liep, kwam ik die zelfde man weer tegen in de buurt van de Burger King waar ik werk. Ik was hevig geschrokken.

Opmerking verbalisant: fotonummer 5 betreft de verdachte, [verdachte].

Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 11 maart 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 4], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 2], aangeefster, zakelijk weergegeven:

Ik werk als verkoopster bij TellSell, winkelcentrum Goisco, Schottegatweg Noord, Curaçao. Op 11 maart 2013 bevond ik mij alleen in de zaak. Op dat moment trad een voor mij onbekende man de zaak binnen. Hij vroeg mij voor een fiets spinner. Ik gaf hem te kennen dat wij die niet in voorraad hebben. Op dat moment haalde de man een mes van onder zijn t-shirt tevoorschijn en maande mij met een dreigende stem aan om stil te blijven. Ik werd gedwongen om naar het kassaregister te gaan en deed de lade open. De man nam de dagopbrengst vanuit de lade weg.

Een proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 23 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als aanvullende verklaring van [slachtoffer 2], aangeefster, zakelijk weergegeven:

Vandaag zag ik op de voorpagina van de krant "Vigilante" een foto van een man, die door de politie werd aangehouden in verband met verschillende voorvallen van berovingen. Het betreft de foto rechts bovenaan de pagina, alwaar je een man kunt zien met een oranje hemd aan. Toen ik bedoelde man op die foto zag, herkende ik hem meteen als dezelfde dader die mij op 11 maart 2013 had beroofd. Ik herkende hem aan zijn gezicht, postuur en alles. Hij zag er precies zo uit als gedurende de beroving. Voormelde krant betreft de "Vigilante", gedateerd dinsdag 23 april 2013, nr. 5274.

Opmerking verbalisant: de man op voormelde foto betreft de verdachte [verdachte].

Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 29 maart 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 3], aangeefster, zakelijk weergegeven:

Ik ben verkoopster bij Living Fashion, Schottegatweg Noord 24, Unit P, Goisco Building, Curaçao. Op 25 maart 2013 omstreeks 15.55 uur bevond ik mij alleen in de winkel. De beschreven man kwam bij de deur staan en gedroeg zich als een klant. Hij liep naar binnen en begon mij vragen over de tegels te stellen. Op het moment dat ik bij hem kwam, zag ik dat hij een mes van tussen zijn broekband en lichaam met zijn rechterhand haalde. Hij hield deze op een bedreigende manier in mijn richting. Ik ben erg geschrokken. Ik voelde mijn leven en veiligheid erg in gevaar. Hierna maande hij mij met een dreigende stem om naar de kassa te gaan. Ik zei hem dat wij geen kassa hebben. Hij schreeuwde mij meermalen om naar de kassa te gaan. Onder bedreiging ben ik naar het bureau gelopen waar ik eerder aan zat. De man dwong mij met het mes de la van het bureau voor hem open te maken en een sigarendoos uit de la te halen. Vervolgens nam hij drie rollen kwartjes of dubbeltjes weg. Hierna dwong hij mij met het mes om mijn tas te pakken en mijn portemonnee eruit te halen. Hierna maande hij mij mijn portemonnee open te maken en nam mijn geld weg. Ik bleef met trillend lichaam en huilend op de stoel zitten. De man liep uit de winkel weg.

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 19 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van getuige [slachtoffer 3], zakelijk weergegeven:

Ik herken de man onder fotonummer 4 als de dader. Ik herken hem aan zijn gezicht en het gedeelte van zijn ogen. Ik heb hem heel goed gezien. Verder had hij zelf met mij gesproken en vragen gesteld voordat hij mij had beroofd. Hij is dezelfde man die ik als dader had vermeld in mijn verklaring.

Opmerking verbalisant: fotonummer 4 betreft de verdachte, [verdachte].

Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 maart 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 5], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 4], aangeefster, zakelijk weergegeven:

Vandaag, 25 maart 2013 omstreeks 16.00 uur, was ik in Rituals Coffeehouse, Goisco Building, Schottegatweg Noord, Curaçao bezig met werkzaamheden. Op een gegeven moment zag ik een voor mij onbekende man naar binnenlopen. Hij vroeg of wij hele taart verkopen. Ik zeg hem dat hij bij Goisco moet gaan. Hierna zei hij tegen mij "ik ben voor het kassageld gekomen" en haalde tegelijkertijd een mes tevoorschijn. Ik maakte de geldkas open. Ik zag dat hij over de toonbank ging hangen en het geld uit de kassa pakte. Er was een briefje van 100 gulden op de grond gevallen. Hij richtte het mes op mij en zei het voor hem op te rapen. Door angst pakte ik het geld en gaf het aan hem. Hierna liep hij weg.

Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 maart 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 5], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Vandaag, 25 maart 2013 omstreeks 16.00 uur, stond ik in Rituals Coffeehouse, Goisco Building, Schottegatweg Noord, Curaçao. Op het moment dat ik drank bezorgde, zag ik een voor mij onbekende man het café binnen lopen. Hij vroeg mij of wij hele taart verkopen. Mijn collega antwoordt dat hij bij Goisco moet gaan. Hierna haalde hij een mes tevoorschijn en vroeg waar het kassageld was. Ik schrok en ging bij de klant staan. Ik zag hoe mijn collega naar de geldkassa liep, geld daaruit haalde en aan de man gaf. Hierna zag ik hoe de man over de balie hing en geld uit de kassa pakte. (AG: doorhaling van mijn hand, in verband met de verbetering die het hof heeft aangebracht in de bewijsconstructie)

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 21 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van aangeefster [slachtoffer 4], zakelijk weergegeven:

Ik herken de man onder fotonummer 10. Hij is de dader. Ik herken hem aan zijn gezicht en model van zijn baard. Hij had ook enkele vlekjes in zijn gezicht volgens mij. Hij is dezelfde dader waarover ik in mijn verklaring heb gesproken.

Opmerking verbalisant: fotonummer 10 betreft de verdachte, [verdachte].

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 21 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van getuige [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Ik herken de man onder fotonummer 8 als de dader. Hij is dezelfde dader waarover ik in mijn verklaring heb gesproken. Ik herken hem aan zijn gezicht. Op de dag dat hij de zaak binnenliep had ik hem gesproken en hierdoor had ik zijn gezicht goed gezien.

Opmerking verbalisant: fotonummer 8 betreft de verdachte, [verdachte].

Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 15 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 6], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 5], aangeefster, zakelijk weergegeven:

Ik werk bij de Hollandse Bakkerij in Curaçao. Heden, 12 april 2013, bevond ik mij op mijn werk, samen met een andere verkoopster, [betrokkene 1]. Ik stond bij de kassa. Plotseling kwam een man binnen die ik direct als klant herkende. Hij had een mes in zijn hand en kwam direct op mij af. Hij bleef mij op een dreigende manier zeggen om de kassa open te maken en ik had deze open gemaakt. Hij nam alle bankbiljetten van honderd (100), vijftig (50) en vijfentwintig (25) gulden en liet de bankbiljetten van tien (10) gulden en de losse munten in het kasregister zitten. Hij rende naar buiten. Ik moet verklaren dat bedoelde man een klant van ons is. Hij had anderhalf jaar geleden bij ons gesolliciteerd. Volgens mij is hij werkzaam als bewaker bij Jan Thiel Resort, omdat hij soms met een roze t-shirt met erop gedrukt "Jan Thiel Beach Security" komt. Als ik hem weer zie, herken ik hem direct.

Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 7], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 4], zakelijk weergegeven:

Ik werk bij de Hollandse Bakkerij, in Curaçao. Heden, 12 april 2013, bevond ik mij aan mijn werk samen met mijn collega [betrokkene 2]. Ik zat op een bank in de hoek te eten. Op een gegeven moment zag ik een mij van aanzien bekende man binnen komen. Hij is mij bekend omdat hij altijd hier komt om iets te kopen. Normaliter heeft hij altijd een roze t-shirt aan, met "Jan Thiel Beach Security" er op afgedrukt. Hij liep deze keer direct achter de toonbank, naar mijn collega. Hij bedreigde haar met een mes. Hij eiste van haar om de kassa open te maken. Hij begon te schreeuwen en bedreigde [betrokkene 2], waarna zij op de knop drukte om de kassa open te maken. De dader pakte alle bankbiljetten van Naf 100,- en Naf 50,- eruit. Vervolgens rende hij de bakkerij uit.

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van aangeefster [slachtoffer 5], zakelijk weergegeven:

Ik herken de man onder fotonummer 3 als dezelfde dader als waarover ik in mijn verklaring heb gesproken. Ik ken deze man heel goed. Hij is of was een vaste klant van ons. Sinds het gebeurde zie ik hem niet meer. Ik herken hem aan zijn gezicht. Gedurende het voorval droeg hij een pet, maar zijn gezicht was zichtbaar. Tevens had hij met mij gepraat tijdens het voorval en ik herkende zelf zijn stem ook.

Opmerking verbalisant: fotonummer 3 betreft de verdachte, [verdachte].

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 april 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, onder meer inhoudende, als verklaring van getuige [getuige 4], zakelijk weergegeven:

Ik herken de man onder fotonummer 1 als dezelfde dader die de beroving bij ons had gepleegd. Ik zag hem vanaf het moment dat hij de zaak binnen liep en herkende hem meteen. Dit gezien ik op dat moment op een bank in de hoek dichtbij de entree zat te eten. Ik herken hem aan zijn gezicht. Hij wist regelmatig inkopen hier te doen en droeg af en toe een rosekleurig T-shirt, met "Janthiel Beach Security" erop afgedrukt.

Opmerking verbalisant: fotonummer 1 betreft de verdachte, [verdachte].

De verklaring van de verdachte, op 24 juli 2013 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik bij "Jan Thiel Beach Security" heb gewerkt.”

16. De door het hof bevestigde overweging van de rechter in eerste aanleg met betrekking tot het schakelbewijs voor feit 2 luidt:

“Ten aanzien van feit 2 overweegt het Gerecht dat de herkenning van de verdachte door aangeefster wordt ondersteund door het feit dat bij deze overval dezelfde modus operandi is gehanteerd als bij de andere feiten. Deze modus operandi wordt gekenmerkt door het feit dat de overvaller een winkel binnengaat, zich door middel van het stellen van vragen of andere gedragingen voordoet als een klant en vervolgens een medewerker - telkens onder bedreiging van een steekwapen - dwingt om de kassa te openen.”

17. Het hof heeft daar de volgende overweging met betrekking tot het schakelbewijs voor feit 3 aan toegevoegd:

“Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van het tenlastegelegde feit 3 is door de verdediging betoogd dat het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte slechts berust op de verklaring van één getuige, te weten die van aangeefster. Het Hof acht dit feit bewezen mede op grond van het feit dat bij deze overval dezelfde modus operandi is gebruikt als bij de overige feiten, welke erdoor wordt gekenmerkt dat de dader zich in de winkel eerst voordoet als een gewone klant, dan een steekwapen tevoorschijn haalt waarmee hij een personeelslid bedreigt en vervolgens (kas)geld wegneemt. Verder is deze overval gepleegd op een locatie die, hetgeen een feit van algemene plaatselijke bekendheid is, in dezelfde omgeving is gelegen als de plaatsen waar de andere overvallen zijn gepleegd en in welke de verdachte woonachtig is.”

18. Het derde lid van artikel 385 SvC, dat overeenkomt met het tweede lid van art. 342 Sv, bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Dit voorschrift betreft de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. De vraag of aan het zogenoemde bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel nader heeft gemotiveerd. Vereist is in ieder geval dat de verklaring van de getuige voldoende wordt ondersteund door bewijsmateriaal uit een andere bron, hetgeen het geval zal zijn als het verband tussen die verklaring en het andere bewijs niet te ver verwijderd is.5

19. Schakelbewijs kan dienen als steunbewijs voor een getuigenverklaring. Steun wordt dan ontleend aan een bewijsmiddel waaruit blijkt dat de verdachte een ander, soortgelijk strafbaar feit heeft begaan.6 De vergelijking tussen de feiten dient te leiden tot de conclusie dat de gang van zaken bij die feiten op essentiële punten overeenkomt. Het gaat daarbij met name om het aan de verdachte toe te rekenen gedrag, de modus operandi en de situationele omstandigheden.7 De waarde van het schakelbewijs kan mede worden bepaald door het tijdsbestek waarbinnen de soortgelijke feiten zijn gepleegd.8 Indien het verband tussen de ‘alleenstaande’ getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal niet zonder meer duidelijk is, dient het hof zijn oordeel dat voldaan is aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv expliciet te motiveren.9

20. In cassatie wordt in dit kader slechts getoetst of aan het bewijsminimum is voldaan en of het oordeel van de rechter dat het schakelbewijs als steunbewijs kan worden aangemerkt begrijpelijk is.

21. Het gerecht in eerste aanleg en het hof hebben blijkens de bewijsmotiveringen de volgende verbanden gelegd tussen de getuigenverklaringen ten aanzien van feit 2 en feit 3 en de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 4 en 5:

  1. De modus operandi van feit 2 (overval op Tellsell) komt overeen met de modus operandi van de andere feiten. De kenmerkende overeenkomsten zijn dat de overvaller een winkel binnengaat en zich voordoet als klant om vervolgens een medewerker onder bedreiging van een steekwapen te dwingen tot het openen van een kassa (AG: volgens de door het hof overgenomen bewijsmotivering van het gerecht in eerste aanleg).

  2. Hetzelfde geldt voor de modus operandi van feit 3 (overval op Living Fashion) (AG: volgens de aanvullende bewijsmotivering van het hof).

  3. De locatie van feit 3 ligt in dezelfde omgeving als de plaatsen waar de andere overvallen zijn gepleegd, terwijl de verdachte daarbij in de buurt woont (AG: volgens de aanvullende bewijsmotivering van het hof).

22. De aangevers hebben in alle vijf de gevallen verdachte [verdachte] op een foto aangewezen als de dader. Bij feit 2 ging het – anders dan bij de andere feiten – niet om een herkenning middels een meervoudige fotoconfrontatie, maar om een herkenning van een foto in de krant van een man, “die door de politie werd aangehouden in verband met verschillende voorvallen van berovingen”.

23. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat deze verbanden gelegd kunnen worden en dat er derhalve steunbewijs is voor de feiten 2 en 3 niet begrijpelijk. De steller van het middel wijst erop dat bij feit 1 een vijl is gebruikt en bij de andere feiten een mes. Dat de overvaller zich als klant voordoet is weliswaar kenmerkend voor de feiten 2, 3 en 4, maar niet voor de feiten 1 en 5. Meer in het algemeen voert de steller van het middel aan dat de modus operandi niet specifiek is, evenmin als de locatie van de overvallen. In Curaçao worden veel overvallen gepleegd, terwijl het noordelijke deel van Willemstad, waar de vijf overvallen plaatsvonden, relatief dichtbevolkt is.

24. Ik ben het met de steller van het middel eens. De modus operandi in deze zaak lijkt mij tamelijk standaard, zodat deze niet echt een onderscheidende waarde heeft die een schakelbewijsconstructie kan rechtvaardigen, terwijl bovendien de kenmerken van de modus operandi, die volgens het hof kenmerkend zijn, onderling duidelijk verschillen. Slechts in drie van de vijf gevallen heeft de dader zich voorgedaan als klant. Bij die drie gevallen horen de feiten 2 en 3 ten aanzien waarvan deze schakel - de overeenkomst in de modus operandi - juist essentieel wordt geacht om het bewijsminimum te bereiken. Bij feit 5 lijkt de verdachte een zaak te hebben overvallen waar hij vaker kwam. Het personeel kende hem. Dat is een bijzonderheid die zich in de andere gevallen - in elk geval bij de feiten 2 en 3 - niet voordeed. Bij feit 3 heeft de dader muntgeld uit een sigarendoos gepakt en een medewerkster beroofd van haar portemonnee-inhoud. Dat wijkt sterk af van de andere overvallen. Aan het uiterlijk van de gebruikte wapens (de grootte en het lemmet, voor zover het niet om een vijl ging), het type etablissement (in deze zaak variërend van een fastfoodrestaurant tot een woonwinkel en een koffiebar), de bejegening van de medewerksters door de dader, de buit en de wijze waarop de dader zich de toegang tot de kassa verschafte heeft het hof geen nadere, vergelijkende overwegingen gewijd. Juist op die punten mis ik opvallende overeenkomsten die steunbewijs zouden kunnen opleveren. Zonder nadere motivering, acht ik het kennelijke oordeel van het hof dat schakelbewijs voldoende steun biedt aan de verklaringen van de aangevers van de feiten 2 en 3 dan ook niet begrijpelijk.

25. Het middel slaagt.

26. In het derde middel wordt geklaagd over de verwerping van het verweer tegen de bruikbaarheid van de resultaten van de meervoudige fotoconfrontatie als bewijs. Bij het hof heeft de raadsvrouw betoogd dat de bewijswaarde van de resultaten van de fotoconfrontaties nihil is, omdat de foto’s simultaan in plaats van sequentieel zijn getoond en voorts omdat – kort gezegd – niet duidelijk is of de fotoconfrontaties volgens de regelen der kunst zijn uitgevoerd. In het bijzonder vond de raadsvrouw dat de foto’s niet allemaal even goed voldeden aan de opgegeven signalementen. Het gerecht in eerste aanleg heeft hierop als volgt gerespondeerd:

“De raadsvrouw stelt op basis van verschillende argumenten, zakelijk weergegeven, dat aan de herkenning van de verdachte door de aangevers en getuigen weinig tot geen bewijswaarde moet worden toegekend.

Het Gerecht verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het Gerecht zijn de voor de fotoconfrontatie geselecteerde foto's geschikt voor het beoogde doel, nu het in alle gevallen gaat om personen met een in voldoende mate met dat van de verdachte overeenstemmend uiterlijk. Ook overigens is aan het Gerecht niet gebleken van dusdanige gebreken aan de fotoconfrontaties dat daardoor aan de bewijswaarde afbreuk wordt gedaan.”

27. Het hof heeft deze overweging bevestigd en heeft daar aan toegevoegd:

“Ten aanzien van het tenlastegelegde feit 5 is door de verdediging betoogd dat de fotoherkenning had moeten plaatsvinden met foto's waarop de geportretteerden allen een pet dragen, nu de aangeefster en de getuige bij hun opgave van het signalement van de dader hebben aangegeven dat deze een pet droeg. Dit betoog faalt. Het Hof acht de fotoherkenningen door de aangeefster en de getuige betrouwbaar, nu de aangeefster daarbij heeft verklaard dat de dader een pet droeg maar zijn gezicht zichtbaar was en de getuige daarbij heeft verklaard de verdachte aan zijn gezicht te herkennen.”

Ik merk voor de volledigheid op dat een blik in het dossier leert dat geen van de personen op de getoonde foto’s een pet droeg.

28. Anders dan de steller van het middel in een bijzin onderaan pagina 7 van zijn schriftuur suggereert, heeft de raadsvrouw bij het hof geen rechtmatigheidsverweer gevoerd met betrekking tot de uitvoering van de fotoconfrontatie. Zij heeft het erop gehouden dat de resultaten van de fotoconfrontatie slechts een beperkte bewijswaarde hebben, gelet op de wijze waarop de fotoconfrontatie is uitgevoerd (simultaan) en gelet op de - naar de mening van de raadsvrouw minder geslaagde - fotoselectie. Het gaat dus in de kern om de waardering van het bewijs. De waardering van bewijs wordt in cassatie slechts op begrijpelijkheid getoetst. Het hof heeft met bevestiging van de overweging uit eerste aanleg tot uitdrukking gebracht dat het de geselecteerde foto’s geschikt achtte voor een fotoconfrontatie en dat de personen op die foto’s qua uiterlijk voldoende op elkaar leken. Gebreken die afbreuk zouden doen aan de bewijswaarde van de fotoconfrontatie zijn het hof niet gebleken. Ik acht dat oordeel niet onbegrijpelijk en ik meen dat het verweer van de verdediging op toereikende gronden is verworpen.

29. Aan het voorgaande doet overigens niet af dat – zoals de steller van het middel terecht heeft opgemerkt – de overweging dat de personen op de foto’s voldoende op verdachte lijken op zijn zachts gezegd wat ongelukkig is. Bij een fotoconfrontatie gaat het erom dat de personen op de getoonde foto’s gelijkelijk voldoen aan het signalement dat de aangever heeft opgegeven. Ik houd het erop dat uit de bevestigde overweging volgt dat de personen op de foto’s op verdachte leken en daarmee in gelijke mate als verdachte voldeden aan het signalement.

30. Het middel faalt.

31. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 10 december 2013 beroep in cassatie ingesteld. Verdachte bevond zich ten tijde van de uitreiking van de aanzegging in cassatie in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van beroep in cassatie. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Nu het tweede middel slaagt, behoeft de overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

32. Het eerste en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde in zoverre opnieuw te berechten en af te doen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1913-1914, 286, nr. 3, p. 152, Memorie van Toelichting bij de ‘Vaststelling van een Wetboek van Strafvordering’.

2 Kamerstukken II 2005-2006, 30320, nr. 3, p. 29 en 30.

3 Idem, p. 30 en 31.

4 Zie voor een vergelijkbare redenering HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1833, rov. 3.5.1 en 3.5.2.

5 HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704; HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496 m.nt. Borgers; HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 m.nt. Borgers; HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2440, NJ 2010/ 513 m.nt. Borgers; HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010/612 m.nt. Borgers; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/ 279 m.nt. Reijntjes; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, NJ 2014/252, m.nt. Reijntjes.

6 Corstens, het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 806-807.

7 Zie de conclusie van mijn ambtsgenoot Aben voor HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279, m.nt. J.M. Reijntjes (ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600) onder 5.3.1.-5.3.4 en 5.10-5.19 en B. Demeersseman, Mogelijkheden voor gebruik van schakelbewijs, Trema 2009, p. 149-156.

8 B. Demeersseman, Mogelijkheden voor gebruik van schakelbewijs, Trema 2009, p. 155.

9 HR 26 januari 2010, r.o. 3.4, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, m.nt. Borgers. HR 13 juli 2010, r.o. 2.4 en 2.5, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010, 515, m.nt. Borgers. Zie ook het overzicht in de hiervoor genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Aben, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600.