Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2097

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
14/01454
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3262, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Intimidatie. Art. 285a Sr. De opvatting dat het afleggen van een verklaring a.b.i. art. 285a Sr louter mondeling kan geschieden is onjuist. V. zv. het middel klaagt over het bewezenverklaarde medeplegen faalt het.

2. Slagende bewijsklacht medeplegen diefstal. De HR spreekt de verdachte om redenen van doelmatigheid alsnog vrij van het medeplegen en kwalificeert het overigens onder 3 bewezenverklaarde als "diefstal". Voor terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling wat betreft de strafoplegging bestaat onvoldoende grond nu de aard en de ernst van hetgeen onder 1 en 3 overigens is bewezenverklaard in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01454

Mr. Machielse

Zitting 8 september 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 17 februari 2014 voor 1: medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, en 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een werkstraf van 30 uren. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelast.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de veroordeling voor feit 1. Ten onrechte heeft het hof het door een derde laten afgeven van een schriftelijke verklaring op het politiebureau onder artikel 285a lid 1 Sr doen vallen. Iemand dwingen tot het opmaken van een schriftelijke verklaring die daarna bij de politie wordt bezorgd, wordt door deze strafbepaling niet bestreken. Bovendien is niet de verklaring die [betrokkene 1] heeft ondertekend aan de politie bezorgd, maar een exemplaar dat is ondertekend door een medeverdachte. Voorts is de ingeleverde verklaring niet opgemaakt door [betrokkene 1] . Evenmin is er bewijs voor dat verdachte medepleger is van het intimideren van [betrokkene 1] . Dat verdachte wel betrokken is geweest bij het opstellen van een valse verklaring en het doen toekomen van die verklaring aan de politie, doet hieraan niets af.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte:

"hij op 7 september 2012, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk mondeling, zich jegens een persoon (te weten [betrokkene 1] ) heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid naar waarheid of geweten ten overstaan van een (politie)ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar

- tegen die [betrokkene 1] gezegd' "mijn zoon moet vrijkomen, anders heb jij een probleem",

- die [betrokkene 1] -zakelijk weergegeven - voorgesteld om de aangifte tegen (ondermeer) verdachte [betrokkene 2] 's zoon in te trekken, en

- zich zodanig boos en/of imponerend en/of dwingend gedragen of voorgedaan, dat die [betrokkene 1] bang was geworden en (daarom) heeft meegewerkt aan hetgeen hem gevraagd werd, en

- die [betrokkene 1] met een auto naar een politiebureau gereden (ten einde die aangifte in te trekken), en

- vervolgens (toen de politie [betrokkene 1] adviseerde daartoe een brief aan de officier van justitie te schrijven) die [betrokkene 1] met een auto naar een internetcafé gereden, en

- in dat café een verklaring op naam van die [betrokkene 1] opgesteld, waarin - zakelijk weergegeven - wordt gesteld dat die [betrokkene 1] een leugenachtige aangifte had gedaan, en

- die schriftelijke verklaring door een derde bij een politiebureau laten bezorgen".

3.3. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. het als bijlage bij het voornoemde proces-verbaal gevoegde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (pag. 4 t/m 6), proces-verbaalnummer PL091A 2012207153-1, gesloten en getekend op 18 september 2012 door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Utrecht, inhoudende de aangifte van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van bedreiging en beïnvloeding van getuige. Op 6 september 2012 heb ik aangifte gedaan van diefstal met geweld en van afpersing. Dit was een aangifte met het proces-verbaalnummer: PL0910 2012199095. In deze aangifte deed ik aangifte tegen [betrokkene 2] . Hij was samen met [betrokkene 3] . In het kort komt het er op neer dat ik voor 20 euro moest tanken voor [betrokkene 2] . Ik had hier geen geld voor. Ik heb vervolgens een formulier moeten invullen bij de BP zodat ik niet meteen hoefde te betalen. Ik ben heel erg bang voor [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Een dag later moest ik voor [betrokkene 3] tanken. Dit was ook voor 20 euro. Ik ben bang dat als ik dit niet doe, ze me iets aan doen.

Een aantal dagen later liet [betrokkene 2] mij de rekening van het tanken zien en hij zei mij dat ik deze moest betalen of hij me anders dood zou maken. Hierna heeft hij mij met zijn gebalde vuisten in mijn zij geslagen. Hierna heeft hij mijn BlackBerry uit mijn handen getrokken.

Ik heb toen gelijk 112 gebeld en heb aangifte gedaan van diefstal van geweld. Op 7 september 2012 werd ik gebeld door de vader van [betrokkene 2] . Hij vroeg me bij hem langs te komen. Ik zei hem dat ik dat niet wilde. Even later belde mijn vader. Hij vroeg mij of ik naar het tennispark wilde komen. Hij vertelde dat hij

samen was met de vader van [betrokkene 2] . Toen ik daar aan kwam zag ik mijn vader, [betrokkene 3] , zijn broer [verdachte] en de vader van [betrokkene 2] . Ik zag dat ze allemaal, behalve mijn vader, boos keken.

Ik hoorde de vader van [betrokkene 2] tegen mij zeggen: "Mijn zoon moet vrijkomen anders heb jij een probleem". Ik zag dat hij mij hierbij aan keek. Ik voelde mij op dat moment bedreigd door de vader van [betrokkene 2] .

Hij stelde voor dat we naar het politiebureau zouden gaan zodat ik mijn aangifte zou intrekken.

Hierna zijn we in de auto van de vader van [betrokkene 2] gestapt. De vader van [betrokkene 2] reed. [verdachte] ging mee.

Onderweg vroeg de vader van [betrokkene 2] mij: "Wat ga je tegen de politie zeggen". Ik was op dat moment heel verdrietig omdat ik de aangifte niet in wilde intrekken. Ik zei dit ook erg verdrietig. Toen we parkeerden bij het politiebureau zei de vader van [betrokkene 2] tegen mij dat ik alleen het politiebureau in moet gaan. Ik zei hem dat ik samen met mijn vader naar binnen wilde. De vader van [betrokkene 2] zei: "Nee, ga alleen".

In het politiebureau sprak ik met een vrouw achter de balie die mij vertelde dat als ik mijn aangifte wilde intrekken, ik een brief aan de officier van justitie moet schrijven.

Ik liep weer naar de auto en ik vertelde dit aan de vader van [betrokkene 2] . Hij zei: "Kom, we gaan naar de Kanaalstraat om een brief te schrijven. Hierna reden we naar een internetcafé in de Kanaalstraat.

Ik, [verdachte] en de vader van [betrokkene 2] gingen het internetcafé binnen. Mijn vader bleef buiten.

Ik wilde helemaal mijn aangifte niet intrekken. Dit heb ik ook geen moment gezegd. Ik was alleen maar heel erg bang dat ze me iets aan zouden als overal tegen in zou gaan.

[verdachte] typte op de computer een brief. Hij noemde alles hardop wat hij op schreef. Hij vroeg mij mijn 06 nummers. Ik noemde deze. Hierna printte hij de typte brief drie keer uit en zei me dat ik hem moest lezen. Ik las de brief. Ik was het er niet mee eens maar zei dit niet.

Vervolgens vroeg de vader van [betrokkene 2] naar mijn legitimatie. Ik gaf hem mijn idkaart. Ik zag dat de vader van [betrokkene 2] naar mijn i.d. keek en mijn handtekening na deed. Hierna zijn we naar buiten gegaan. Ik vertelde mijn vader buiten wat er binnen gebeurd en dat ik dit echt niet ging doen.

Hierna stapten we weer in de auto.

Ik zag dat de vader van [betrokkene 2] de uitgeprinte met de door hem nagemaakte handtekening in zijn linkerhand vast had en de twee andere brieven in zijn rechterhand. Ik zag dat mijn vader de twee brieven uit de hand van de vader van [betrokkene 2] trok en deze verscheurde. Hierna zijn we uitgestapt.

Diezelfde avond werd ik gebeld door [verdachte] . Hij zei mij: "Kom naar buiten". Ik zei: "Nee", en heb de telefoon opgehangen.

2. het als bijlage bij het voornoemde proces-verbaal gevoegde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (pag. 11 t/m 13), proces-verbaalnummerPL09IA 2012207153-8, gesloten en getekend op 24 oktober 2012 door [verbalisant 1] voornoemd, inhoudende de verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

V: Heb jij op enig moment zelf een handtekening gezet op de brief.

A: Op één uitgeprinte brief zette ik een krabbeltje dat niet mijn handtekening was. Ik deed dit omdat ik bang was. Dit krabbeltje leek in niets op mijn handtekening. Ze hebben mij onder druk gezet door tegen mij te zeggen dat ik moest tekenen. Dit zei voornamelijk alleen [verdachte] . Hij zei tegen mij dat [betrokkene 2] moest vrijkomen. Ik moest tekenen.

3. het als bijlage bij het voornoemde proces-verbaal gevoegde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangever (pag. 14 t/m 17), proces-verbaalnummer PL091A 2012207153-18, gesloten en getekend op 30 oktober 2012 door [verbalisant 1] voornoemd, inhoudende de verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

V: Vind jij dat de vader van [betrokkene 2] jou onder druk gezet heeft om de aangifte tegen zijn zoon in te trekken?

A: Ja, dat vind ik wel. Hij zei mij dat ik dit moest doen.

V: Vind je dat [verdachte] je onder druk heeft gezet.

A: Ja ook. Hij zei hetzelfde en hij vertelde me dat [betrokkene 2] zielig was en vrij moest komen.

4. het als bijlage bij het voornoemde proces-verbaal gevoegde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (pag. 24 t/m 30), proces-verbaalnummer PL091A 2012207153-13, gesloten en getekend op 26 oktober 2012 door [verbalisant 2] voornoemd, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

V: Heb je wel eens bij [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 1] in één auto gezeten.

A: Ja

V: Welk auto was dat?

A: Dat was de auto van [betrokkene 4]. Toen gingen we met zijn allen in gesprek.

O: Volgens [betrokkene 1] en zijn vader zijn jullie eerst naar het politiebureau gegaan voordat jullie naar het internetcafé zijn gegaan.

A: Ja, dat klopt.

5. het als bijlage bij het voornoemde proces-verbaal gevoegde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (pag. 31 en 32), proces-verbaalnummer PL091A 2012207153-16, gesloten en getekend op 27 oktober 2012 door [verbalisant 2] voornoemd, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

De brief is afgegeven bij het politiebureau Marco Polo. De brief is voor mij door [betrokkene 6], een jongen die ik ken uit de wijk, op de balie neergelegd.

6. het als bijlage bij het voornoemde proces-verbaal gevoegde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen (pag. 39 t/m 48), proces-verbaalnummer PL091A 2012207153-3, gesloten en getekend op 23 oktober 2012 door [verbalisant 2] voornoemd, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit onderzoek was komen vast te staan dat de internetwinkel genaamd was "Safin Belhuis". Deze internetwinkel had de beschikking over een camerasysteem. Vervolgens zijn camerabeelden op 18 september 2012 opgehaald bij "Safin Belhuis".

Op 9 oktober 2012 heb ik, verbalisant de camerabeelden bekeken. Ik zag onder andere het volgende:

(opmerking verbalisant: het is mij bekend dat de aangever [betrokkene 1] een lichte nekbrace draagt).

19.45.36 uur: De aangever komt binnen lopen, in het gezelschap van een jongen. Deze jongen droeg een spijkerbroek, wit shirt met korte mouw en verticale zwarte strepen op de mouwen.

19.45.47 uur: Bij de aangever en de jongen met wit shirt komt nog een oudere man staan, die is gekleed in donkere broek en bruin gekleurde blouse met korte mouw. Verder heeft de man een baard.

19.45.51 uur: De jongen in het witte shirt met korte mouwen neemt een papiertje aan, dat hij van de medewerker van de internetwinkel krijgt.

19.45.55 uur: De aangever met de man met baard en de jongen in het witte shirt, verder de internetwinkel in.

19.46.09 uur: De jongen met het witte shirt neemt plaats achter de computer. De aangever gaat naast deze jongen zitten. De man met de bruine blouse blijft naast de aangever staan.

(opmerking verbalisant: ten tijde dat de aangever, de jongen met het witte shirt en de man met baard bij de computer bezig zijn, was te zien dat de jongen in het witte shirt bezig is achter de computer. Hier bedoel ik mee dat de jongen in het witte shirt het toetsenbord voor zich had en aan het typen was)

19.49.48 uur: De jongen met het witte shirt en de man met baard zijn bezig op de computer. De aangever zit achterover in zijn stoel en bemoeit zich er niet mee.

19.59.44 uur: De jongen met het witte shirt loopt weg bij de computer en loopt naar de balie, aan de voorzijde van de internetwinkel.

19.59.55 uur: De jongen in het witte shirt is in gesprek met de man achter de balie. De man loopt van achter de balie met de jongen mee.

20.00.43 uur: De aangever en de man met baard lopen naar de balie.

20.01.07 uur: De man met baard krijgt een aantal printjes van de man achter de balie. De man met baard betaalt de man achter de balie.

20.01.20 uur: De man met baard geeft 1 printje aan de aangever, die hij dubbel vouwt en vast houdt.

20.01.23 uur: De man met baard legt de overige twee printjes op de balie.

20.01.34 uur: De aangever ondertekent de twee printjes met een pen.

20.01.52 uur: De jongen met het witte shirt komt er weer bij staan en pakt het printje, die de aangever nog in zijn handen had, uit de handen van de aangever.

20.01.58 uur: De man met baard krijgt een envelop van de man achter de balie.

20.02.13 uur: De man met baard neemt de envelop en de printjes in de hand en loopt met de aangever en de jongen met het witte shirt weer naar buiten.

Als bijlage is een aantal fotoprints bij proces-verbaal gevoegd. Op deze fotoprints is de aangever (met nekbrace), in gezelschap van de jongen met het witte shirt, alsmede de man met de bruine blouse en baard.

7. het als bijlage bij het voornoemde proces-verbaal gevoegde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage (pag. 49 en 50), proces-verbaalnummer PL0910 2012207153-4, gesloten en getekend op 16 oktober 2012 door [verbalisant 3], agent van politie Utrecht, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 9 oktober 2012 kreeg ik een mail van een collega van politie Utrecht met het verzoek voor een herkenning van een persoon. In deze mail was een viertal printjes bijgevoegd en heb deze vervolgens bekeken. Hierop heb ik nog eens de camerabeelden bekeken en kwam ik tot een volle 100% procent herkenning van de volgende persoon:

Naam: [verdachte]

Voornaam [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum] 192

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

lk herkende deze persoon aan de draaiende camerabeelden en aan het fotoprintje 07/09/2012 19.45.40. Tevens herkende ik hem duidelijk in zijn gelaat. Degene om wie het gaat op het printje betreft de persoon met het witte shirt en de zwarte biezen op zijn mouwen.

8. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, als bijlage (pag. 55) gevoegd bij het als bijlage bij het voornoemde proces-verbaal gevoegde in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pag. 53), proces-verbaalnummer: PL0910 2012207153-2, gesloten en getekend op 18 september 2012 door [verbalisant 4], bijzonder opsporingsambtenaar domein generieke opsporing van politie Utrecht, welk geschrift het volgende inhoudt:

Geachte Meneer/Mevrouw.

Ik heet [betrokkene 1] Ik schrijf dit Brief namens een aangifte die ik heb afgelegd

Datum 06/09/12

Dat [betrokkene 2] mijn heeft mishandeld en mijn blackberry heeft afgepakt.

Ik wil u vertellen dat dit niet zo is ik heb een hekel aan die jongen daarom heb ik dit allemaal verteld.

Wat ik heb gezegt over de blackberry dat ie in mijn brievenbus lag ook gelogen want die had ik verstopt die had [betrokkene 2] niet afgepakt van mij ik weet dat hij nu vastzit daarom voel ik mij ook schuldig terwijl hij helemaal niks heeft gedaan ik heb echt een zware hekel aan hem maar dat hij moet gaan vast zitten had ik niet over nagedacht ik hoop dat u mijn begrijpt en u kunt mij bereiken om er over te praten [001]/[002] ik woon op de [a-straat] [plaats] ".

3.4. Het eerste lid van artikel 285a Sr heeft de volgende inhoud:

"Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie."

3.5. Verdachte is de broer van [betrokkene 3] . Deze [betrokkene 3] is evenals [betrokkene 2] door [betrokkene 1] beschuldigd van afpersing. Als gevolg van deze beschuldiging is [betrokkene 2] aangehouden. Aangever [betrokkene 1] is vervolgens onder druk gezet om bij de politie zijn aangifte in te trekken. Dat gebeurde tijdens een ontmoeting die aangever samen met zijn vader had met [betrokkene 3] , verdachte en de vader van [betrokkene 2] . Bewijsmiddel 1 bevat de eerste verklaring van [betrokkene 1] over de ontmoeting bij het tennispark waarbij verdachte aanwezig was en, evenals de vader van [betrokkene 2] , boos keek. Aangever is onder druk gezet om mee te gaan naar het politiebureau om daar zijn verklaring in te trekken. Verdachte ging ook mee. Aangever is alleen het politiebureau binnengegaan, waar hij te horen kreeg dat hij een brief naar de officier van justitie moest schrijven als hij zijn aangifte wilde intrekken. Daarop heeft aangever zich weer bij de anderen vervoegd. De vader van [betrokkene 2] , verdachte en aangever zijn vervolgens een internetcafé binnengegaan om daar een brief aan de officier van justitie te concipiëren. Verdachte heeft de brief getypt. Hij bepaalde de inhoud daarvan. Verdachte heeft gezorgd voor drie uitdraaien van de brief en heeft de brief aan aangever laten lezen. De vader van [betrokkene 2] zette valse handtekeningen. Op een gegeven moment hebben de vader van aangever en aangever zelf zich aan de anderen onttrokken. Dezelfde avond belde verdachte nog naar aangever en beval hem naar buiten te komen, hetgeen aangever weigerde. Ook uit bewijsmiddel 2 en 6 blijkt duidelijk de grote rol die verdachte speelde bij het valselijk opmaken van de brief aan de officier van Justitie. In bewijsmiddel 3 verklaart aangever dat verdachte hem onder druk heeft gezet om de aangifte tegen [betrokkene 2] in te trekken. Uit bewijsmiddel 5 blijkt van de bemoeienis van verdachte met de bezorging van een exemplaar van de brief bij het politiebureau Marco Polo.

3.6. De steller van het middel ziet over het hoofd dat ook feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de gang naar het politiebureau redengevend kunnen zijn voor het bewijs van een voorafgaand medeplegen.1 Zelfs indien verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van een strafbaar feit heeft verricht is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar.2 In de onderhavige zaak wijzen de bewijsmiddelen op een belangrijke rol van verdachte op het moment dat plan A, het doen intrekken van de aangifte door [betrokkene 1] , geen doorgang kan vinden en onverwachts moet worden geswitcht naar plan B, het opstellen van een brief aan de officier van justitie. In ogenschouw dient te worden genomen dat verdachte de broer is van een van de personen die aangever heeft aangewezen als degenen die hem hebben afgeperst. Verdachte was geen toevallige passant die op een gegeven moment moet constateren dat hij in een situatie is verzeild geraakt waaraan hij eigenlijk part noch deel wil hebben. Verdachte is van het begin af aan betrokken geweest bij de ontmoeting met aangever en de verdere verwikkelingen. Hij was erbij toen aangever onder druk werd gezet en heeft aangever ook door zijn houding bedreigend bejegend. Verdachte was erbij toen aangever naar het politiebureau werd gebracht. Verdachte was erbij toen vervolgens de gang naar het internetcafé is gemaakt om daar de brief op te stellen. Verdachte heeft zelfs het opstellen van de brief voor zijn rekening genomen. Dat wijst erop hoe zeer verdachte betrokken is geweest bij de uitvoering van het plan om aangever zover te krijgen dat hij zijn verklaring - aanvankelijk op het politiebureau - zou wijzigen.

In aanmerking genomen dat in feitelijke aanleg niet is betwist dat verdachte met de vader van [betrokkene 2] een gesprek heeft gehad met aangever [betrokkene 1] over het intrekken van diens verklaring kan mijns inziens het bewezenverklaarde medeplegen, bestaande uit een bewuste en volledige samenwerking met het oog op het intrekken van de aangifte, uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Dat het opstellen van een brief aan de officier van justitie niet door artikel 285a Sr zou worden bestreken behoeft geen bespreking meer, nu het voorafgaand medeplegen naar mijn oordeel voldoende vaststaat.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de veroordeling voor feit 3. De gebezigde bewijsmiddelen kunnen de conclusie dat verdachte tezamen en in vereniging voorwerpen in het tankstation heeft gestolen niet dragen.

4.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte:

"op 15 augustus 2012 in de gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aantal blikjes drank (red buil) en een pakje scheermesjes toebehorende aan De Haan Minerale oliën b.v., (tankstation vestiging Beneluxlaan)".

4.3. De politie heeft de beschikking gekregen over beelden van een bewakingscamera die heeft vastgelegd dat verdachte op 15 augustus 2012 in het tankstation blikjes drank uit de vitrine pakte, onder zijn jas verstopte en vervolgens het tankstation verliet zonder te betalen. Ook een andere aanwezige jongeman stopte voorwerpen onder zijn jas en verliet het tankstation zonder te betalen (bewijsmiddel 2). Verdachte is herkend als de eerste persoon en Rachid Asrout als de tweede (bewijsmiddelen 3 en 4). Beiden behoorden tot een groep van de vijf jongens die in een auto waren aangekomen en die allen het tankstation zijn binnengegaan. Twee of drie jongens hebben iets afgerekend, twee anderen hebben, zo bleek uit de camerabeelden, blikjes en scheermesjes meegenomen zonder te betalen (bewijsmiddel 1).

4.4. De woorden "tezamen en in vereniging met anderen" duiden op medeplegen.3 Uit de gebezigde bewijsmiddelen is inderdaad niet zonder meer de conclusie te trekken dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de diefstal heeft gepleegd.4

4.5. Maar gelet op de strafmaxima gesteld op artikel 285a, 310 en 311 lid 1 Sr, de opgelegde werkstraf van 30 uren en het feit dat in hoger beroep de verdediging het medeplegen van feit 3 niet aan de orde heeft gesteld, is het belang van verdachte bij deze klacht niet evident. De Hoge Raad zal naar mijn mening kunnen volstaan met een verbeterde lezing van de bewezenverklaring en kwalificatie.

5. Beide voorgestelde middelen falen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 18 mei 1999, NJ 2000, 107 m.nt. Schalken.

2 Bijv. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 rov. 3.2.3.

3 HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 rov. 3.2.2.

4 Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:544.