Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2089

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
14/04902
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3401, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. Overtreding relatiebeding voorafgaand aan einde arbeidsovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2015/314
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/04902

mr. G.R.B. van Peursem

2 oktober 2015

Conclusie inzake:

[verzoekster]

(hierna: [verzoekster] ),

eiseres tot cassatie,

tegen

[verweerder]

(hierna: [verweerder] ),

verweerder in cassatie.

In cassatie gaat het alleen nog om de vraag of [verweerder] het relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst met [verzoekster] heeft overtreden door tijdens zijn op non-actiefstelling na zelf genomen ontslag, maar een paar dagen voor afloop van het dienstverband, een LinkedIn-bericht uit te laten gaan aan zijn “connections” (onder wie drie bestaande relaties van [verzoekster] ) met de portee dat hij een nieuwe baan had gevonden bij een concurrent van [verzoekster] , nieuwe mailadres en telefoonnummer volgt z.s.m. De kantonrechter achtte na uitvoerige motivering het relatiebeding geschonden, maar het hof niet en deed dat (veel) korter af: het LinkedIn-bericht is niet tijdens de referentieperiode van het relatiebeding (na afloop van het dienstverband) geplaatst, zodat geen boete is verbeurd, terwijl de inhoud van het LinkedIn-bericht niet zonder meer meebrengt dat het relatiebeding is geschonden volgens het hof. Het hiertegen gerichte cassatieberoep van [verzoekster] gaat volgens mij niet op.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Het cassatieberoep is toegespitst op het relatiebeding, zodat ik de feiten en het procesverloop daartoe heb beperkt2.

1.2 [verweerder] is op 1 februari 2007 bij [verzoekster] in dienst getreden in de functie van senior manager schade, aanvankelijk voor de duur van één jaar. Met ingang van 1 februari 2008 is de arbeidsovereenkomst voortgezet voor onbepaalde tijd.

1.3 Artikel 17 (relatiebeding) van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt3:

“17.1 De werknemer zal gedurende een periode van 1 jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever geen cliënten van werkgever of de met werkgever gelieerde onderneming(en), benaderen of bedienen dan wel doen bedienen, op een wijze gelijk of gelijksoortig aan de wijze van bedienen van de werkgever of de met werkgever gelieerde onderneming(en).

Onder cliënten worden tevens verstaan potentiële cliënten, waarmee de werkgever of de met werkgever gelieerde onderneming(en) in de laatste 6 maanden van de arbeidsovereenkomst zakelijk contact heeft gehad.

17.2 Bij overtreding van het in 18.1 genoemde beding verbeurt de werknemer een onmiddellijk opeisbare boete van € 25.000,= per overtreding, tot een maximum van € 250.000,=.4

1.4 Bijlage I “functieomschrijving” behorende bij de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“Het acquireren, beheren en adviseren inzake verzekeringen betreffende de zakelijke markt.”

1.5 Bij brief van 27 april 2011 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst tegen 1 mei 2011 opgezegd.

1.6 Bij brief van 2 mei 2011 met als onderwerp: “beëindiging dienstverband” heeft [verzoekster] aan [verweerder] voor zover van belang, het volgende geschreven:

“Hierdoor bevestigen wij de ontvangst van uw schrijven d.d. 27 april jl. waarin u uw dienstverband per 01 mei a.s. opzegt.

(...)

Met inachtneming van 1 maand opzegtermijn zal de daadwerkelijke datum van uitdiensttreding per 01 juni a.s. plaats vinden.

(...)

Gezien uw functie en het commerciële belang voor onze organisatie zien wij ons genoodzaakt u tot de datum van uitdiensttreding per direct op non-actief te stellen. Derhalve hebben wij u ook de toegang tot onze systemen moeten ontzeggen.”

1.7 Op 26 mei 2011 heeft [verweerder] via LinkedIn aan zogenaamde “connections” een bericht gezonden, met als onderwerp “nieuwe job”, waarvan de inhoud, voor zover van belang, als volgt luidt:

“Ik ben verheugd jullie te kunnen melden dat ik per 1-6-2011 in dienst treedt bij Branche Benefits te Assen. Eindelijk een werkgever die weet hoe het werkt in assurantieland. Alleen maar bedrijfsmatig klanten, goede binnendienst en vooral weer plezier in je werk en minstens zo belangrijk, een financieel solide bedrijf. Ik hou jullie op de hoogte van mijn nieuwe mobiele nummer en e-mailadres. Tijdelijk te bereiken op (...)”

1.8 Op 1 juni 2012 heeft [verweerder] aan mr A.T. Slofstra, de toenmalige advocaat van [verzoekster] , per e-mail het volgende geschreven:

“Inzake uw brief van 30 mei 2011 stuur ik u zowel per e-mail als per post mijn reactie in bijgevoegde bijlage.

Tevens heb ik naar al mijn linkedin relaties de volgende rectificatie gestuurd:

Mijn bericht van 26 mei jl. heeft slechts de intentie gehad u allen te informeren dat ik een nieuwe werkkring heb gevonden en mijn enthousiasme met u te willen delen.

Daarbij is op generlei wijze de bedoeling geweest mijn voormalig werkgever te benadelen of mij onheus over voormalig werkgever uit te laten.

Niettemin wil ik alle schijn vermijden dat ik negatief tegenover mijn voormalig werkgever sta en wil, overigens geheel onverplicht, hierbij mijn bericht rectificeren en voor zover deze negatief ten opzichte van mijn voormalig werkgever kan worden opgevat zal het gewraakte bericht per heden verwijderen.

Ik hoop u voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

[verweerder] ”

1.9 Op 21 oktober 2011 heeft [betrokkene] namens [A] B.V. het volgende bericht aan [verweerder] verzonden:

“Hoi [verweerder],

Ik krijg van de fiscus een brief inzake het eigen risicodragerschap.

Mijn vraag aan jou is: Hoe is de stand van zaken.

Gr. [betrokkene] ”

1.10 Op 28 maart 2012 heeft voornoemde [betrokkene] namens [A] B.V. aan [verweerder] per e-mail het volgende bericht verzonden:

“Geachte [verweerder] ,

Hierbij deel ik u mede dat ons laatste kontakt dateert van 25-11-2006. Wij hebben toen geen gebruik gemaakt van een door u gemaakt voorstel inzake het door u aangeboden verzekeringspakket. 95% van ons verzekeringspakket wordt verzekerd door ons hoofdkantoor in Duitsland en/of geregeld via een kantoor dat door ons hoofdkantoor is aangewezen.

Ik kan u verzekeren dat wij de afgelopen jaren (2009 tot 1/6/2011) geen zaken met u hebben gedaan of offertes van u hebben gekregen. Mede door bovenstaande reden zagen wij hier geen aanleiding toe, mede omdat u ( [verzoekster] ) niet tot ons regelmatige contactpersonen behoorde.

Ik hoop dat ik u hiermee van dienst ben geweest.

Met vriendelijke groet,

[betrokkene] ”

1.11 Bij inleidende dagvaarding van 2 november 2011 heeft [verzoekster] [verweerder] gedagvaard voor de (in de loop van de procedure) rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen5 (hierna: de kantonrechter). Zij heeft, na vermeerdering van haar eis6, gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 100.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag als gevolg van de door [verweerder] begane overtredingen van het relatiebeding, en voorts [verweerder] te verbieden om zich negatief dan wel onrechtmatig jegens [verzoekster] te gedragen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.12 [verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd7.

1.13 Na de comparitie van partijen op 13 februari 20128 en re- en dupliek heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 3 oktober 20129 (in conventie10) kort gezegd het Haviltex-criterium aangehaald en overwogen dat gegeven de inhoud van het e-mailbericht en het voor verzending ervan gekozen middel, niet kan worden gezegd dat er sprake is van een bericht met een (overwegend) privékarakter, maar veel meer kenmerken heeft van op relatiebeheer en relatieonderhoud gericht zakelijk contact. Voorts is overwogen dat naar de letter van art. 17 van de arbeidsovereenkomst geen overtreding van het relatiebeding aanwezig kan worden geacht. [verweerder] heeft immers niet na maar tijdens de arbeidsovereenkomst de e-mail via LinkedIn verzonden. Hoewel bewoordingen niet doorslaggevend zijn bij uitleg van deze clausule zijn ze wel van belang, temeer nu partijen niet zijn aan te merken als geheel gelijkwaardige contractspartners. Nu partijen op dit punt in het geheel geen debat hebben gevoerd worden partijen in de gelegenheid gesteld zich op dit punt uit te laten. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat het boetebeding van art. 17.2 bedoelt te verwijzen naar het relatiebeding in art. 17.1.

1.14 Na aktewisseling heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 24 april 2013 [verweerder] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 75.000 aan [verzoekster] .

De kantonrechter heeft overwogen dat een letterlijke toepassing van het relatiebeding in die zin dat het benaderen van relaties voorafgaand aan de beëindiging van de dienstbetrekking zou zijn toegestaan daar waar dit direct na het einde van het dienstverband niet meer mag, tot ongerijmde resultaten zou leiden. Dit geldt temeer omdat de (overige) inhoud van de arbeidsovereenkomst blijkens art. 16 ervan, juist aangeeft dat alle activiteiten van de werknemer die strijdig (kunnen) zijn met de werkgever, verboden zijn. Voorts is overwogen dat gegeven de functie van [verweerder] , zijn opleidingsniveau en arbeidsverleden, [verweerder] zich ervan bewust had moeten zijn dat het via LinkedIn op 26 mei 2011 benaderen van relaties van [verzoekster] als schending van het relatiebeding zou worden aangemerkt. Aangenomen moet worden dat het relatiebeding zo moet worden uitgelegd dat het [verweerder] niet was toegestaan om tijdens de periode van op-non-actiefstelling, toen het dienstverband formeel nog bestond maar door hem reeds was opgezegd, bestaande relaties van [verzoekster] te informeren over zijn nieuwe dienstbetrekking bij een concurrent van [verzoekster] . De kantonrechter heeft ten slotte overwogen dat sprake is van drie schendingen van het relatiebeding en het beroep van [verweerder] op matiging van de boete als onvoldoende onderbouwd verworpen.

1.15 [verweerder] is, onder aanvoering van zeven grieven, bij het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden in hoger beroep gekomen. [verweerder] heeft geconcludeerd de vonnissen van 3 oktober 2012 en 24 april 2013 te vernietigen, met bepaling dat de door [verzoekster] ingediende vorderingen worden afgewezen, althans de gevorderde boetes sterk worden gematigd. [verzoekster] heeft de grieven bestreden (en tevens incidenteel geappelleerd11).

1.16 Na aktewisseling heeft het hof bij arrest van 10 juni 201412 in het principaal appel de vorderingen (in conventie) afgewezen.

1.17 [verzoekster] heeft tegen het arrest van het hofarrest tijdig13 beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2 Beoordeling van het cassatieberoep

2.1

[verzoekster] heeft één cassatiemiddel voorgesteld. Het middel omvat twee onderdelen met subonderdelen. Onderdeel 1 bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten het oordeel dat het LinkedIn-bericht temporeel buiten het bereik van het relatiebeding valt en onderdeel 2 valt met motiveringsklachten het oordeel van het hof aan dat de inhoud van het relatiebeding niet zonder meer meebrengt dat [verweerder] in strijd met het relatiebeding heeft gehandeld.

Onderdeel 1: temporele reikwijde relatiebeding

2.1

Het onderdeel richt zich met drie subonderdelen tegen rov. 5.3:

“5.3 Het relatiebeding (artikel 17 arbeidsovereenkomst, zoals hiervoor onder 3.2 vermeld) ziet op activiteiten van de werknemer gedurende één jaar na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Artikel 17 maakt een duidelijk onderscheid tussen de situatie vóór en na de arbeidsovereenkomst (vgl. de regeling voor de potentiële cliënten). De bepaling verbiedt het benaderen van (potentiële) relaties na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Dat ligt, gelet op het karakter van het beding, ook wel voor de hand, omdat een verbod relaties te benaderen de werknemer zou belemmeren in zijn functie-uitoefening. Gelet op de tussen partijen vaststaande feiten betreft dit derhalve de periode tussen 1 juni 2011 en 1 juni 2012. Het desbetreffende LinkedIn bericht (zoals hiervoor onder 3.9 vermeld) is op 26 mei 2011 geplaatst en aldus niet tijdens de referentieperiode, zodat daardoor hoe dan ook op basis van voormeld relatiebeding geen boete is verbeurd. De vordering van [verzoekster] is beperkt tot betaling van de volgens [verzoekster] verbeurde boetes, buitengerechtelijke kosten, een verbod tot - kort gezegd - vanwege deze gestelde overtreding van het relatiebeding het benaderen van relaties van [verzoekster] en de proceskosten. Voor onrechtmatig handelen jegens [verzoekster] als gevolg van plaatsing van voormeld LinkedIn bericht heeft [verzoekster] onvoldoende gesteld, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Daarnaast brengt de inhoud van voormeld LinkedIn bericht naar het oordeel van het hof niet zonder meer mee dat [verweerder] daarmee in strijd heeft gehandeld met het relatiebeding. In zoverre slagen de grieven I tot en met VI in principaal appel, terwijl grief VII geen behandeling behoeft. Dit betekent dat het vonnis, voor zover (oorspronkelijk) in conventie gewezen, zal worden vernietigd. Opnieuw recht doende zal de vordering van [verzoekster] onder I en III worden afgewezen, reden waarom ook de vordering onder II, de gevorderde buitengerechtelijke kosten, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Daarmee is grief III in incidenteel appel ongegrond.”

2.2

De rechtsklacht van subonderdeel 1.1 houdt in dat het hof de toepasselijkheid van de Haviltex-maatstaf heeft miskend door een zuiver taalkundige uitleg van het relatiebeding te geven zonder op andere relevante omstandigheden van het geval te letten.

Althans is het oordeel volgens de klacht van subonderdeel 1.2 onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat uit die motivering niet blijkt dat rekening is gehouden met de relevante omstandigheden van het geval, met name strekking van het beding en wat partijen in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Volgens de klacht is bij wegen van essentiële stelling aangevoerd dat de strekking van het beding is dat de werknemer zowel tijdens als na afloop van het dienstverband wordt verboden (potentiële) relaties van [verzoekster] te benaderen voor eigen gewin of dat van zijn nieuwe werkgever, zodat een redelijke uitleg meebrengt dat dit verbod ook geldt tijdens het dienstverband. Een andersluidende uitleg maakt het beding waardeloos, omdat het relatiebeding dan tegen einde dienstverband eenvoudig kan worden omzeild door vlak voor afloop relaties voor eigen gewin te benaderen. Daarbij is volgens de klacht van belang dat [verweerder] al sinds 2 mei 2011 op non-actief stond en dat hij per brief van 2 mei 2011 van [verzoekster] nog eens is gewezen op het relatiebeding.

Subonderdeel 1.3 klaagt dat voor zover het oordeel van het hof mede rust op de regeling voor de potentiële cliënten in het relatiebeding, zijn oordeel eveneens onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat die slechts inhoudt dat met het begrip “cliënten” mede wordt bedoeld “potentiële cliënten, waarmee de werkgever (…) in de laatste 6 maanden van de arbeidsovereenkomst zakelijk contact heeft gehad.” Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom hieruit zou blijken dat het relatiebeding een onderscheid maakt tussen de periode vóór en na het einde van de arbeidsovereenkomst.

2.3

Een relatiebeding, dat verbiedt om met (potentiële) relaties van de werkgever of als zelfstandige met de (ex-)werkgever te concurreren, vormt een variant op het klassieke concurrentiebeding. Een relatiebeding wordt in het algemeen geacht te vallen onder art. 7:653 BW14 en is te zien als een concurrentiebeding in beperkte vorm15.

2.4

De Haviltex-maatstaf geldt ook voor uitleg van een concurrentiebeding16 (en dus van een relatiebeding): de vraag hoe de verhouding van partijen contractueel is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht17. In DSM/Fox18 is de uitlegnorm als volgt nader vormgegeven:

“(…) dat zowel aan de CAO-norm als aan de Haviltexnorm de gedachte ten grondslag ligt dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.”

2.5

De uitleg van het relatiebeding is aan de feitenrechter voorbehouden. Zijn oordeel kan in cassatie daarom alleen op juistheid van de uitlegmaatstaf en op begrijpelijkheid worden getoetst19. De feitenrechter heeft dan ook een ruime armslag bij deze uitleg en zo’n uitleg is niet onbegrijpelijk in deze beperkte cassatie-technische zin, wanneer een andere uitleg ook mogelijk is20. Dat hier ook een andere feitelijke uitleg mogelijk is, laten de beide kantonrechtersvonnissen in deze zaak zien.

2.6

Ik denk (met [verweerder] , vgl. s.t. 17-24) dat de rechtsklacht uit subonderdeel 1.1 feitelijke grondslag mist, omdat wel de juiste uitlegmaatstaf is toegepast. Het hof noemt in zijn (toegegeven: summiere) uitleg de Haviltex-maatstaf inderdaad niet uitdrukkelijk, maar uit zijn uitleg moet volgen dat deze is gehanteerd21. Het hof past een vier-gezichtspuntenbenadering toe, waarmee hij rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het geval en dus niet heeft volstaan met een louter taalkundige uitleg. Ik licht dat als volgt toe.

2.7

Het eerste gezichtspunt is de taalkundige betekenis (na het eindigen van de arbeidsovereenkomst). Dat de taalkundige betekenis van de tekst gelezen in de context van het hele beding of uit te leggen geschrift (zelfs:) vaak van groot belang kan zijn, is uitgemaakt in DSM/Fox, hiervoor geciteerd in 2.4. Wat niet mag volgens dit arrest, is een puur tekstuele uitleg, losgezongen van die context, maar dat heeft het hof in onze zaak ook niet gedaan, zoals we hierna zullen zien. De tekst op zich ziet op activiteiten na einde dienstverband, niet ervoor (het hof onderstreept dat in rov. 5.3 voor de duidelijkheid “letterlijk”).

Een tweede gezichtspunt van het hof is dat in art. 17 zelf een onderscheid wordt gemaakt tussen de periode voorafgaand aan het einde van de overeenkomst enerzijds en de periode na beëindiging van de arbeidsovereenkomst anderzijds (Artikel 17 maakt een duidelijk onderscheid tussen de situatie vóór en na de arbeidsovereenkomst (vgl. de regeling voor de potentiële cliënten). Daarmee wordt de uit te leggen tekst naar mij voorkomt in context geplaatst. Kennelijke gedachtegang lijkt hier deze: hoewel partijen voor ogen hebben gehad dat je moet onderscheiden tussen een situatie tijdens en een situatie na ommekomst van de arbeidsovereenkomst, hebben zij er blijkbaar voor gekozen het relatiebeding alleen te laten gelden voor de periode erna (en dat hebben ze ook zo opgeschreven). Het hof maakt daarmee een koppeling tussen beide alinea’s van art. 17.1. Dat had best meer expliciet kunnen worden gemaakt, maar dit gezichtspunt komt duidelijk genoeg naar voren.

Een derde gezichtspunt dat in de Haviltex-uitleg past, is het kijken naar de strekking of het karakter van het gehele beding22. Dat het hof alleen de strekking noemt, maar daar niet werkelijk naar kijkt, zoals de klacht wil, zie ik niet. Dat het hof er een andere strekking aan toekent dan bepleit door [verzoekster] , is iets anders. Deze uitleg ligt volgens het hof, gelet op het karakter van het beding, “ook wel voor de hand”, omdat een ongeclausuleerd verbod (potentiële) cliënten te benaderen gedurende zijn arbeidsovereenkomst (waartoe de uitleg van [verzoekster] kennelijk volgens het hof zou leiden) de werknemer zou belemmeren in zijn functie-uitoefening.

Het hof heeft daarmee in de vierde plaats ook de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een gegeven uitleg als gezichtspunt gehanteerd en ook dat is een geaccepteerde uitleg-excercitie23.

Ik begrijp deze benadering van het hof zo dat partijen volgens het hof, deze vier elementen in aanmerking genomen, redelijkerwijs mochten verwachten dat het relatiebeding alleen ziet op na ommekomst van de arbeidsovereenkomst.

De correcte maatstaf is zo bezien niet veronachtzaamd; het is niet alleen maar taalkundige uitleg. De rechtsklacht faalt.

2.8

Uit 2.7 volgt dat ook de motiveringsklacht van subonderdeel 1.2 niet op kan gaan. In weerwil van wat deze klacht aandraagt, is de strekking van het relatiebeding (het derde gezichtspunt uit 2.7) niet alleen met de mond beleden door het hof, maar afdoende inzichtelijk inhoudelijk behandeld. Dat geldt ook voor het volgens de klacht niet behandelde element uit Haviltex “hetgeen partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten”; ik kwam in 2.7 tot de synthese dat de vier gekozen gezichtspunten van het hof er in zijn uitleg kennelijk toe leiden dat partijen op grond daarvan redelijkerwijs mochten begrijpen dat het beding werking had alleen na afloop van en niet al tijdens het dienstverband.

2.9

Het hof is daarmee tot een andere uitleg gekomen dan door [verzoekster] voorgestaan (als gezegd dat de strekking van het beding zou meebrengen dat ermee is beoogd zowel tijdens als tot één jaar na dienstverband te voorkomen dat de werknemer (potentiële) relaties van de werkgever benadert voor eigen gewin of dat van zijn nieuwe werkgever), maar dat een andere uitleg ook mogelijk is, maakt als gezegd de door het hof gegeven uitleg nog niet onbegrijpelijk bezien door de cassatiebril.

2.10

Dat een andersluidende interpretatie van het relatiebeding een dergelijk beding waardeloos zou maken (omdat het relatiebeding zo eenvoudig kan worden omzeild tegen einde dienstverband), zoals het subonderdeel verder aandraagt, is duidelijk niet de opvatting van het hof. Met de gegeven motivering in rov. 5.3 is deze andersluidende uitleg van [verzoekster] verworpen. Ik zie daarvoor twee aanwijzingen.

2.11

Eerste aanwijzing daarvoor is het in rov. 5.3 tegenover elkaar plaatsen van eventueel verbeurde boetes op grond van het relatiebeding en “onrechtmatig handelen jegens [verzoekster] als gevolg van plaatsing door [verweerder] van het LinkedIn-bericht” in andere zin. Het hof constateert dat dit aspect van de procedure zich concentreert op het eerste en dat [verzoekster] voor dat laatste (denk aan schending van art. 7:611 BW, een aspect dat is ondergesneeuwd in deze zaak) onvoldoende heeft gesteld, zodat het hof daar aan voorbij gaat. Met [verweerder] (s.t. 29) acht ik dit een aanwijzing dat het hof daarmee kenbaar maakt dat in zijn optiek [verzoekster] [verweerder] op andere gronden dan via het relatiebeding had kunnen aanspreken op plaatsing van het LinkedIn-bericht, zodat de stelling dat zonder de bepleite uitleg van [verzoekster] een werknemer tegen einde dienstverband zo ongeveer vrij spel zou hebben, niet opgaat.

2.12

Een tweede aanwijzing voor verwerping van de andersluidende uitleg van W&V is het volgende. [verweerder] heeft aangevoerd dat in andere relatiebedingen die in de praktijk voorkomen regelmatig wordt opgenomen dat tijdens de looptijd van het dienstverband geen concurrerende handelingen of benaderingen van relaties mogen plaatsvinden, maar dat [verzoekster] daar niet voor heeft gekozen (MvG onder 26-2724). Blijkbaar heeft het hof deze lezing van [verweerder] zwaarder laten wegen dan de door [verzoekster] voorgestelde visie en daarmee die laatste visie impliciet van de hand gewezen.

2.13

Het hof heeft zodoende de door het onderdeel als essentieel betitelde stellingen volgens mij wel onderkend, maar de lezing van het relatiebeding die daaruit voortvloeit, niet gevolgd.

2.14

Subonderdeel 1.3 gaat volgens mij uit van een verkeerde lezing van rov. 5.3. De klacht vangt aan met een veronderstelling die ik niet zie opgaan in rov. 5.3: “Voor zover” het oordeel dat het relatiebeding pas geldt na afloop van het dienstverband “mede rust op de regeling voor potentiële cliënten in het relatiebeding, is het eveneens onbegrijpelijk gemotiveerd”. Met de passage in rov. 5.3: “Artikel 17 maakt een duidelijk onderscheid tussen de situatie vóór en na de arbeidsovereenkomst (vgl. de regeling voor de potentiële cliënten)” heeft het hof in de hiervoor in 2.7 bepleite optiek (het tweede “context”-gezichtspunt) aangegeven dat partijen er zich van bewust zijn geweest dat je moet onderscheiden tussen wat is tijdens en wat is na afloop van het dienstverband. Als dan in de tekst van het relatiebeding alleen over na dienstverband wordt gesproken, is dat eerste (men was zich bewust van het verschil) een aanwijzing dat met dat laatste (na dienstverband) ook daadwerkelijk alleen na dienstverband is bedoeld. Meer is met de geciteerde passage volgens mij niet bedoeld, zodat de veronderstelling waar de klacht van uitgaat, niet opgaat. De volgklacht dat het hof eraan voorbij zou hebben gezien dat de regeling voor potentiële cliënten alleen zou inhouden dat met cliënten ook wordt bedoeld “prospects” waarmee in de laatste zes maanden van het dienstverband contact is geweest, gaat niet op. Uit rov. 5.5 volgt duidelijk het tegendeel. Op het voorgaande strandt subonderdeel 1.3.

Onderdeel 2: inhoud relatiebeding

2.15

Het onderdeel bestrijdt met twee subonderdelen de passage uit rov. 5.3 dat de inhoud van het relatiebeding niet zonder meer meebrengt dat [verweerder] in strijd heeft gehandeld met dat beding.

Subonderdeel 2.1 klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat geen inzicht wordt gegeven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang. Dat geldt temeer in het licht van het andersluidende oordeel van de kantonrechter.

Volgens subonderdeel 2.2 heeft het hof in elk geval zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door niet te responderen op de navolgende door [verzoekster] als essentieel aangemerkte stellingen:

(i) het enkele benaderen van relaties, ongeacht de inhoud van de berichtgeving, wordt door het relatiebeding reeds verboden;

(ii) LinkedIn is een zakelijk medium;

(iii) [verweerder] promoot in de berichten zijn nieuwe werkgever, en

(iv) [verweerder] geeft in die berichten aan de ontvangers op de hoogte te zullen houden van zijn nieuwe mobiele nummer en e-mailadres en dat hij tijdelijk bereikbaar is op zijn huidige mobiele nummer.

2.16

Als de aangevallen passage al geen overweging ten overvloede is (dat is vlgs. de s.t. van [verweerder] onder 34 het geval; volgens de s.t. van [verzoekster] onder 9 gaat het in deze zaak om twee pijlers die met respectievelijk onderdeel 1 en 2 worden aangevallen) en om die reden al niet tot cassatie kan leiden, draagt de tevergeefs in onderdeel 1 bestreden uitleg van het relatiebeding het oordeel van het hof naar mijn inzicht zelfstandig. Er bestaat zodoende geen belang bij cassatie op grond van onderdeel 2, zodat ik van inhoudelijke bespreking daarvan afzie.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan rov. 3.1-3.12 van het bestreden arrest van hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden van 10 juni 2014; vgl. ook rov. 2.1.1-2.1.9 van het tussenvonnis van de kantonrechter van 3 oktober 2012.

2 Het ook in deze procedure uitgevochten geschil over bonusbetaling speelt in cassatie geen rol meer.

3 Prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.

4 Ik ben zo vrij geweest om de nummering, die ook in het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst voorkomt, toe te voegen.

5 Zie rov. 1.2 van het eindvonnis van de kantonrechter.

6 Bij conclusie van repliek in conventie, tevens houdende akte vermeerdering van eis, heeft [verzoekster] haar eis vermeerderd.

7 [verweerder] heeft ook een reconventionele vordering ingesteld (die ziet op een hem toekomende bonus en een onterecht verrekende bonus), maar aangezien deze geen rol speelt in cassatie zal ik deze buiten beschouwing laten.

8 Deze is gelast bij tussenvonnis van 4 januari 2012.

9 Volgens het tussenvonnis in fine “30 oktober 2012”.

10 Zie voetnoot 6.

11 Het incidenteel appel speelt in cassatie geen rol en laat ik daarom buiten beschouwing.

12 ECLI:NL:GHARL:2014:4690, JAR 2014/175, Prg. 2014/185.

13 De cassatiedagvaarding is op 5 september 2014 uitgebracht.

14 Zie o.a. Van der Grinten/Bouwens/Duk, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2015, par. 14.1; Houweling/Loonstra, Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst, 2011, par. 1.2.1 (zie in het bijzonder voetnoot 10 op p. 14); Asser/Heerma van Voss 7-V 2012/221; Christe, Arbeidsovereenkomst (losbl.), art. 7:653, aant. 21 en De Bock, Commentaar op Burgerlijk Wetboek 7, art. 7:653, aant. C.1.2.4.

15 Van der Grinten/Bouwens/Duk, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2015, par. 14.1 met verwijzing naar rechtspraak en literatuur in voetnoot 15.

16 Zie HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2844, NJ 2007, 351, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2003/107, m.nt. Vegter/Knipschild/Vegter (Ghisyawan/LAN-Alyst) en HR 18 november 1983, ECLI:NL:HR:1983: AG4691, NJ 1984/272, m.nt. G (Kluft/B en W Supermarkten). Zie voor verdere achtergronden o.a. Houweling/Loonstra, Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst, 2011, par. 3.3 e.v.; Van der Grinten/Bouwens/Duk, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2015, par. 14.1 en Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata, 2015, par. 7.4.2.4.

17 HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, m.nt. CJHB (Ermes c.s./Haviltex); zie ook HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493, m.nt. Du Perron (DSM/Fox).

18 Vindplaats vorige voetnoot.

19 Zie o.a. HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2844, NJ 2007, 351, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2003/107, m.nt. Vegter/Knipschild/Vegter (Ghisyawan/LAN-Alyst).

20 HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8198, NJ 2005/169, m.nt. Spoor (Wessanen c.s./Nutricia).

21 Zie ook rov. 2.4.1 van het tussenvonnis van de kantonrechter van 3 oktober 2012, waarin de kantonrechter expliciet de Haviltex-maatstaf noemt. Daar is niet tegen gegriefd.

22 Een geaccepteerd uitleggezichtspunt, vgl. HR 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9380, JAR 2003/17 (FNV/Recticel) en HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9444, NJ 2007/446, JAR 2003/263 ( [.../...] ).

23 Zie o.m. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6601, NJ 2011/181(Fondsen c.s./ [...] ). Dat de hier en in twee voetnoten terug genoemde arresten zijn gewezen in het kader van de CAO-norm maakt dat niet anders, nu er volgens DSM/Fox (vindplaats voetnoot 17) tussen die norm en de Haviltexnorm geen caesuur bestaat, maar een vloeiende overgang.

24 De relevante passage luidt: “26. (…) Anders gezegd: als [verzoekster] had gewild dat ook potentiele overtredingen tijdens de looptijd van het dienstverband hadden moeten worden gesanctioneerd, dan had zij zulks maar expliciet dienen te bedingen, (…). Overigens geldt dat in relatiebedingen en concurrentiebedingen die door andere bedrijven worden gehanteerd ook zeer regelmatig in de clausulering is opgenomen dat reeds tijdens de looptijd van het dienstverband geen concurrerende handelingen of het benaderen van relaties mogen plaatsvinden. 27. In casu is een voorziening voor de periode tijdens de looptijd van het dienstverband niet opgenomen en dan gaat het niet aan om deze referteperiode desondanks op te rekken.”