Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2084

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-10-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
15/00986
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3480, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Familierecht, procesrecht. Gebruiksvergoeding voormalige echtelijke woning. Verzoek wel in gewijzigd petitum opgenomen, maar niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 15/00986

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 9 oktober 2015

Conclusie inzake:

[de vrouw]

(de vrouw)

tegen

[de man]

(de man)

In deze echtscheidings- en verdelingszaak gaat het in cassatie uitsluitend nog om de vraag of het hof met zijn oordeel dat de vrouw een gebruiksvergoeding voor de voormalige echtelijke woning dient te betalen aan de man, heeft miskend dat de man dienaangaande niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, een verboden ambtshalve aanvulling van de feiten in de zin van art. 24 Rv. heeft gegeven, en/of de vaste rechtspraak van de Hoge Raad omtrent het aanvoeren van grieven heeft miskend.

1. Feiten 1 en procesverloop 2

1.1 Partijen zijn op 29 april 1987 in algehele gemeenschap van goederen getrouwd.

1.2 Bij beschikking van 15 februari 2012 heeft de rechtbank Midden-Nederland3 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 16 mei 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.3 De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 4 april 2012 bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 679,- per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal voldoen. Verder heeft de rechtbank in die beschikking bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in de (voormalige) echtelijke woning (hierna: de woning) aan de [a-straat 1] te [plaats] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken, op voorwaarde dat de vrouw de woning ten tijde van de inschrijving bewoont, en de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden.

1.4 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindbeschikking van 13 februari 2013 heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.5 De vrouw is, onder aanvoering van tien grieven, van deze laatste beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Zij heeft het hof daarbij verzocht deze beschikking te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling vast te stellen zoals door de vrouw in het beroepschrift is verzocht, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de man niet voldoet aan de beschikking van het hof.

1.6 De man heeft bij verweerschrift tevens incidenteel appel de grieven bestreden en het hof verzocht de vrouw in haar verzoeken in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen. Tevens heeft de man, onder aanvoering van veertien grieven4, incidenteel hoger beroep ingesteld en het hof verzocht de beschikking van de rechtbank van 13 februari 2013 te vernietigen en opnieuw recht te doen overeenkomstig hetgeen hij in het petitum van zijn verweerschrift tevens houdende hoger beroep onder I tot en met VII heeft verzocht.

De vrouw heeft een verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep ingediend.

Nadien is op 22 november 2013 nog een journaalbericht met bijlagen van de advocaat van de vrouw bij het hof ingekomen5.

1.7 Het hof heeft de zaak ter zitting van 3 december 2013, in aanwezigheid van partijen en hun advocaten, behandeld. Partijen hebben bij die gelegenheid in principe overeenstemming bereikt over de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor wat betreft de door de een aan de ander verschuldigde overbedelingssom. De afspraken tussen partijen zijn gemaakt onder de bij niet-vervulling ontbindende voorwaarde, dat het bod dat in november 2013 is gedaan op de woning te Manado, Sulawesi, in Indonesië gestand zal worden gedaan en deze woning voor 1 maart 2014 zal zijn geleverd aan de nieuwe eigena(a)r(en) en de verkoopopbrengst van minimaal € 31.333,- zal zijn bijgeschreven op een bankrekening van de Stichting derdengeldenrekening [A]6.

1.8 Vervolgens heeft het hof bij beschikking van 24 december 2013, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, bepaald dat partijen uiterlijk op 15 maart 2014 het hof schriftelijk berichten of de hierboven bedoelde ontbindende voorwaarde in vervulling is gegaan, met kopie aan de wederpartij.

1.9 De man en de vrouw hebben bij journaalbericht, op respectievelijk 31 januari 2014 en 14 maart 2014 ingekomen bij het hof, bericht dat het bod op de woning in Indonesië niet gestand is gedaan. De man heeft voorts bij genoemd journaalbericht een akte na tussenbeschikking tevens houdende akte vermeerdering van eis ingediend. De vrouw heeft tegen de vermeerdering van eis bezwaar gemaakt7.

1.10 Het hof heeft uit de hiervoor genoemde correspondentie in zijn beschikking van 4 december 2014 de gevolgtrekking gemaakt dat de ontbindende voorwaarde waaronder de door partijen gemaakte afspraken omtrent de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn aangegaan in vervulling is gegaan, zodat deze afspraken zijn komen te vervallen en het hof alsnog dient te beslissen op de voorliggende geschilpunten (rov. 4.2).

1.11 Het hof is vervolgens eerst ingegaan op de vermeerdering van eis door de man.

Dienaangaande heeft het hof overwogen dat de door de man in zijn nadere akte geformuleerde standpunten en vermeerdering van eis, mede gelet op het bezwaar daartegen van de vrouw, in strijd is met de twee-conclusie-regel en de eisen van een behoorlijke procesorde, dat er geen aanleiding bestaat om in dit geval een uitzondering op genoemde regel te maken en dat de nadere akte, tevens houdende akte vermeerdering van eis, dan ook in zoverre buiten beschouwing wordt gelaten (rov. 4.3).

1.12 Vervolgens heeft het hof – kort samengevat en voor zover thans van belang – in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep de beschikking van de rechtbank van 13 februari 2013 vernietigd, en opnieuw beschikkende, de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.13 De vrouw heeft tegen deze beschikking van het hof tijdig8 cassatieberoep ingesteld. Zij heeft daarbij het voorbehoud gemaakt dat zij nog niet beschikt over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en dat zij na ontvangst wellicht haar verzoekschrift of de toelichting daarop wijzigt of aanvult. Dat is bij brief van 23 maart 2015 gebeurd.

De man heeft geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 richt zich in vier subonderdelen tegen rechtsoverweging 4.24, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

“De man verzoekt in hoger beroep de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van een gebruiksvergoeding van € 250,- per maand voor het gebruik van de woning te [plaats] over de periode van 16 november 2012 tot de dag waarop de vrouw de woning zal hebben ontruimd. De vrouw heeft dit verzoek van de man niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Verder staat vast dat de vrouw vanaf 16 augustus 2011 alleen in de woning woont en dat de man sinds de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, dus sinds 16 mei 2012, niet kan beschikken over zijn aandeel in de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. Het hof acht het redelijk dat de man daarvoor van de vrouw een vergoeding ontvangt, waarmee hij als niet-gebruiker wordt gecompenseerd voor het gemis aan rendement. Het hof zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.”

2.2

Subonderdeel 1.1 klaagt, zakelijk weergegeven, dat het hof heeft miskend dat ten aanzien van “de nieuwe vordering van de man” – lees: het nieuwe verzoek – op de voet van de art. 21 en 149-150 Rv. de formele eis geldt dat stellingen voldoende concreet moeten zijn onderbouwd en dat pas wanneer aan deze ‘stelplicht’ is voldaan, op de gedaagde de verplichting rust die stellingen gemotiveerd te weerleggen. Nu de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, behoefde de vrouw het verzoek van de man niet (gemotiveerd) te betwisten, zodat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de vrouw het verzoek van de man niet (gemotiveerd) heeft betwist.

2.3

Ter toelichting wordt in het subonderdeel (onder I.1.1- I.1.3) opgemerkt (i) dat de man ter zake het nieuwe verzoek enkel heeft volstaan met het formuleren van een petitum en dat hij heeft nagelaten dit verzoek in het lichaam van zijn verweerschrift dan wel ter zitting van het hof voldoende concreet te onderbouwen; (ii) dat partijen over een gebruiksvergoeding noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep enig debat hebben gevoerd; (iii) dat het nieuwe verzoek van de man de vrouw niet is opgevallen, hetgeen zou blijken uit haar stapsgewijze verweer tegen de door de man in het incidenteel hoger beroep aangevoerde grieven en (iv) dat de man in strijd is met de goede procesorde zijn nieuwe verzoek zodanig verholen heeft opgesteld dat dit de vrouw niet is opgevallen, zodat zij daartegen geen verweer heeft kunnen voeren.

2.4

Ik stel voorop dat de beoordeling van de vraag of een partij een verzoek van de wederpartij voldoende heeft betwist een feitelijke kwestie is waarover in cassatie slechts zeer beperkt kan worden geklaagd. Ik merk vervolgens op dat, anders dan het subonderdeel betoogt, de man in het lichaam van zijn verweerschrift tevens incidenteel appel wel degelijk (zij het summier) melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat de vrouw aan hem geen gebruiksvergoeding voor de woning betaalt, en dat de man hierdoor wordt benadeeld9. Het ‘nieuwe’ verzoek komt derhalve niet voor het eerst en uitsluitend in het petitum onder VII aan de orde. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 3 december 2013 dat (de advocaat van) de vrouw expliciet een (eveneens summiere) opmerking heeft gemaakt over dat verzoek10, waarmee de stelling dat het nieuwe verzoek de vrouw niet is opgevallen feitelijke grondslag mist. Tegen die achtergrond geeft het bestreden oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

Subonderdeel 1.1 faalt derhalve.

2.5

Subonderdeel 1.2 klaagt dat voor zover het hof zijn oordeel dat het redelijk is dat de man een gebruiksvergoeding voor de woning ontvangt, zodat zijn daartoe strekkende verzoek zal worden toegewezen, (al of niet mede) heeft gebaseerd op de derde volzin van rechtsoverweging 4.24, het hof zich schuldig heeft gemaakt aan een verboden ambtshalve aanvulling van de feiten in de zin van art. 24 Rv. Het hof overweegt in die derde volzin als volgt:

“Verder staat vast dat de vrouw vanaf 16 augustus 2011 alleen in de woning woont en dat de man sinds de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, dus sinds 16 mei 2012, niet kan beschikken over zijn aandeel in de overwaarde van de voormalige echtelijke woning.”

2.6

M.i. voldoet het subonderdeel niet aan de eisen die in art. 426a lid 2 Rv. worden gesteld aan een cassatieklacht11. In de eerste plaats wordt niet duidelijk gemaakt waarom het hof zich in de derde volzin van rechtsoverweging 4.24 schuldig zou hebben gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten. Daarnaast is – mij althans – niet duidelijk wat de steller van het middel met dit subonderdeel beoogt aan te voeren. Ik lees in de hiervoor geciteerde derde volzin van rechtsoverweging 4.24 in ieder geval geen aangevulde feiten, nu tussen partijen niet in geschil is dat de man per 16 augustus 2011 de woning heeft verlaten12 en voorts de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een in cassatie niet bestreden vastgesteld feit is (zie hiervoor onder 1.2). Voor zover is bedoeld dat genoemde feiten geen rol kunnen spelen bij het toewijzen van het nieuwe verzoek van de man omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd, ligt het subonderdeel in het verlengde van het eerste subonderdeel en faalt het op die grond.

2.7

Subonderdeel 1.3 klaagt dat, voor zover het hof in rechtsoverweging 4.24 het nieuwe verzoek van de man heeft aangemerkt als grief, het hof de vaste rechtspraak van de Hoge Raad omtrent het aanvoeren van grieven heeft miskend, nu óók een eiswijziging of vermeerdering in het petitum een grief kan zijn, mits toewijzing daarvan meebrengt dat het desbetreffende deel van het dictum van de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd13. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het nieuwe verzoek van de man niet leidt een vernietiging, maar tot een aanvulling van het dictum van eindbeschikking van de rechtbank van 13 februari 2013, nu de rechtbank over de gebruikersvergoeding geen beslissing heeft gegeven.

2.8

De klachten stuiten af op de – in cassatie niet bestreden – wijze van afdoening door het hof. Het hof heeft in rechtsoverweging 5.1 overwogen dat over en weer (enkele) grieven slagen in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep en heeft vervolgens in rechtsoverweging 5.2 geoordeeld dat het omwille van de duidelijkheid de bestreden beschikking van de rechtbank in zijn geheel zal vernietigen en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen (opnieuw) zal bepalen. De toewijzing van het verzoek van de man betreffende een gebruiksvergoeding voor de voormalige echtelijke woning maakt aldus deel uit van de vernietiging van de beschikking van de rechtbank en van de vervolgens door het hof vastgestelde verdeling.

2.9

Subonderdeel 1.4 klaagt dat, voor zover het hof in rechtsoverweging 4.24 het nieuwe verzoek van de man heeft aangemerkt als grief, het hof heeft miskend dat een grief – mede gelet op het beginsel van de goede procesorde – dient te voldoen aan de ‘kenbaarheidseis’, en dat in de onderhavige procedure niet aan die eis is voldaan nu de man zijn verzoek nergens concreet heeft onderbouwd, maar enkel heeft volstaan met het formuleren van dat verzoek in het petitum van zijn verweerschrift.

Het subonderdeel bouwt op het eerste en derde subonderdeel voort en deelt in hun lot.

2.10

Onderdeel 2 bevat geen zelfstandige argumenten, en behoeft derhalve geen verdere bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 december 2013, rov. 3.1-3.4, alsmede de eindbeschikking van dat hof van 4 december 2014, rov. 2.1.

2 Voor zover in cassatie van belang.

3 Toen nog rechtbank Utrecht geheten.

4 In het incidenteel hoger beroep van de man klopt de nummering van de grieven in zoverre niet dat een grief V ontbreekt. Zie rov. 3.5 van de eindbeschikking van het hof van 4 december 2014. Aldaar overweegt het hof overigens ook dat grief XV in het incidenteel hoger beroep van de man geen zelfstandige betekenis heeft en daarom geen afzonderlijke bespreking behoeft.

5 Zie rov. 1.2 van de tussenbeschikking van het hof van 24 december 2013. Dit journaalbericht ontbreekt in het door de vrouw in cassatie overgelegde procesdossier.

6 Zie de beschikking van het hof van 24 december 2013, rov. 5.1 en 5.2.

7 Zie het journaalbericht van de advocaat van de vrouw (‘V8 Niet geregeld verzoek’), overgelegd in cassatie als nr. 17 in het procesdossier van de vrouw.

8 Het cassatierekest is op 26 februari 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

9 Zie nr. 46 van het verweerschrift, tevens incidenteel appel.

10 Zie p. 3, derde alinea, eerste zin, van dat proces-verbaal. In de vierde alinea van de op 23 maart 2015 per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen brief verwijst de vrouw nota bene zelf naar deze passage.

11 Zie de vaste rechtspraak over de eisen waaraan een rechtsklacht en een motiveringsklacht dienen te voldoen, o.m. HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6196, NJ 2013, 124, rov. 3.4.1.; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125, rov. 3.1; en HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0828 (RvdW 2013/719), rov. 3.1.

12 Zie o.m. het appelrekest van de vrouw onder 3, tweede alinea; het verweerschrift, tevens incidenteel appel van de man onder 4; en het verweerschrift in incidenteel appel onder 3, tweede alinea.

13 Het subonderdeel verwijst in dit verband naar HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154, m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.1.