Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2081

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
14/04784
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3020, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmaatverweer gevoerd i.h.k.v. door het Hof als onrechtmatig geoordeelde ontruiming ex art. 551a Sv. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte ten onrechte geen gelegenheid is gegeven tot het aanhangig maken van een kort geding en heeft de ontruiming daarom onrechtmatig geoordeeld. Die enkele omstandigheid is gelet op ECLI:NL:HR:2013:1737 niet toereikend om daaraan het rechtsgevolg van strafvermindering te verbinden. V.zv. het middel klaagt dat het Hof o.g.v. die vaststelling tot strafvermindering had moeten overgaan is het derhalve tevergeefs voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04784

Zitting: 25 augustus 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 4 augustus 20141 de verdachte ter zake van primair “medeplegen van kraken” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (14/04562), [medeverdachte 2] (14/04564), [medeverdachte 3] (14/05052), [medeverdachte 4] (14/05053) en [medeverdachte 5] (14/05204), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.M.G. Hulsman, advocaat te Delft, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, is voorbijgegaan aan het verweer strekkende tot toepassing van art. 9a Sr dan wel strafvermindering, in verband met de (i) de onrechtmatige ontruiming ex art. 551a Sv, (ii) het blanco strafblad van de verdachte en (iii) de gegrondheid van de klacht met betrekking tot de toegang van de advocaat tot de verdachte voorafgaande aan zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris.2

5. Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2014 is ter zake het volgende aangevoerd3:

“Onrechtmatige ontruiming

1. Inmiddels heeft de Hoge Raad bij arrest bepaald dat het Hof bij een verweer van de verdediging dat zich beroept op onrechtmatige ontruiming, moet beoordelen of de ontruiming proportioneel was, getoetst aan de uitgangspunten van een civiele rechter in kort geding in een dergelijke situatie dat het geschil voorligt of er ontruimd mag worden. Daarbij, zo geeft de Hoge Raad aan, geldt als uitgangspunt het recht van de eigenaar over zijn pand te mogen beschikken zo hem goeddunkt.

2. Een van de redenen waarom de activiteit, die niet nader wordt omschreven dan als kraken, nog steeds plaatsvindt ondanks het risico voor een misdrijf veroordeeld te worden, is omdat er nog steeds woningnood is met betrekking tot betaalbare huurwoningen en eigenaren gebruik maken van hun recht over een pand te mogen beschikken, door er niet over te beschikken en niets mee te doen.

3. Het parlement is mede akkoord gegaan destijds met invoering van de Wet Kraken en Leegstand, omdat ook de leegstand aangepakt zou worden. Het kraken is strafbaar gesteld en wordt gehandhaafd, maar de facultatieve middelen die zijn ingevoerd met betrekking tot registratie en aanschrijving van eigenaren van panden die onnodig leegstaan, heeft niet plaatsgevonden. Daarmee wordt door regulering van de overheid niet voldaan aan het nemen van de verantwoordelijkheid aan het uitvoering geven aan het sociale grondrecht op een woning.

4. Om de hiervoorgaande reden reeds is een ontruiming die niet getoetst is aan het huisrecht onrechtmatig.

5. De KG rechter zich op basis van de vereiste individuele belangenafweging uit kunnen spreken over een afweging ten aanzien van de voorgenomen inbreuk op het huisrecht bij ontruiming. Daarbij geldt tevens dat in de afweging van belangen meegewogen dient te worden of er voldoende alternatieve woonruimte in de omgeving beschikbaar is. In het voorliggende geval gaat het dan om de afweging of er voldoende betaalbare woonruimte beschikbaar is in Utrecht. In Utrecht is er een tekort aan betaalbare woonruimte en bestaat een lange wachtlijst voor met name studenten die huisvesting zoeken, zoals in andere grote steden in Nederland.

6. Hierbij verzoek ik u herhaald en ingelast te beschouwen al hetgeen in voorafgaande procedures is aangevoerd.

7. Zo u al meent nu alsnog een oordeel te kunnen vellen op basis van de situatie destijds, heeft er, zoals eerder aangevoerd onvoldoende onderzoek door politie en openbaar ministerie plaatsgevonden om daar nu nog, achteraf gezien, op eenzelfde wijze als bij een kort geding voor de civiele voorzieningenrechter, een oordeel over te vellen.

8. Feit blijft dat het pand niet ontruimd is op last van de brandweer wegens brand onveiligheid, doch op basis van 551a Sv. Een eventuele noodzaak tot een dergelijke ontruiming na vaststelling van de vermeende onveiligheid had door terzake deskundigen, op bestuurlijke gronden dan wel openbare orde had moeten plaatsvinden. Dat was niet het geval, zoveel is geconstateerd.

9. Of er sprake was van brandonveiligheid is niet vastgesteld door terzake deskundigen.

10. Het betrokken pand werd niet gebruikt en stond leeg, het belendende pand werd door bedrijfjes wel gebruikt, hetgeen aangeeft dat er ook geen sprake kon zijn van brandonveiligheid of onveiligheid anderszins.

11. De bedrijven konden gewoon onafhankelijk functioneren, het gebruik van het pand als woonhuis door een groot aantal activistische bewoners stond daaraan niet in de weg.

12. Voorafgaand aan de leegstand werd het pand gebruikt als woonruimte door studenten. Er is in Utrecht een groot tekort aan betaalbare woonruimte voor studenten.

13. Niet is aangetoond of onderzoek gedaan naar wat in de panden heeft plaatsgevonden, nadat deze voor de leegstand waren ontruimd, om die reden kan daarover ook niets gesteld worden.

14. De politie en het openbaar ministerie hebben aan zichzelf te wijten dat ze meenden zo'n haast te moeten maken bij de ontruiming dat er onvoldoende bewijzen aanwezig zijn ook maar iets te kunnen stellen dat in de weg zou kunnen staan aan het gebruik van deze ruimten door de activistische bewoners als woonruimte.

15. Juist in een stad als Utrecht waar vanwege de studentenpopulatie zo’n groot gebrek is aan betaalbare woonruimte dient uw afweging dan ook ten faveure van het huisrecht uit te vallen.

16. Zo men al gemotiveerd had willen ontruimen, quod non, dan had men eerst nader onderzoek moeten doen hetgeen is nagelaten.

17. Om alle hiervoor aangevoerde redenen vraag ik uw hof dan ook te oordelen dat de ontruiming prematuur, en om die reden niet proportioneel en subsidiair was.

Strafmaatverweer

18. Nu de Hoge[r] Raad in haar arrest heeft aangegeven dat bij een verweer dat toeziet op onrechtmatige ontruiming, indien deze door de rechtbank wordt geconstateerd, kan leiden tot strafvermindering, vraag ik uw Hof indien het de ontruiming onrechtmatig acht gezien het gebrek aan proportionaliteit en subsidiariteit, strafvermindering terzake toe te passen en hier het rechterlijk pardon art 9a Sr van toepassing te laten zijn.

19. Hierbij vraag ik het Hof rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, met bijna 2 jaar (aanhouding vond plaats op 1 november 2010), zoals reeds door de AG bij het advies aan de HR aangegeven. Deze overschrijding is niet te wijten aan enig handelen of nalaten van de verdediging. Ik vraag u dan ook in dit voorliggende geval in het geheel geen straf op te leggen, gezien het recht op strafvermindering terzake en de ernst van de overschrijding.

20. Client heeft geen strafblad en het ligt dan ook in de rede daar rekening mee te houden en zo de termijnoverschrijding van bijna 4 jaar niet leidt tot het afzien van het opleggen van straf, mede met het oog op het ontbrekende strafblad alsnog de straf nader te verminderen tot een rechterlijk pardon (9a Sr), danwel een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

21. Tevens verzoek ik u, indien u alsnog meent een al dan niet voorwaardelijke straf op te moeten leggen, van oplegging van straf af te zien gezien de omstandigheden waarin mijn cliënt bij de rechtbank voorafgaande aan de voorgeleiding RC toegang heeft gehad tot mij als raadsman en is daarmee in zijn verdediging geschaad. Zoals u uit het dossier kunt afleiden is de klacht bij de rechtbank terzake in het onderdeel dat er onvoldoende ruimte heeft bestaan overleg te voeren tussen raadsman en cliënt, gegrond verklaard. Om die reden vraag ik bij een eventuele oplegging van straf alsnog af te zien van oplegging van straf ( art 9a Sr), danwel verdere strafvermindering toe te passen in het geval van mijn cliënt, met een voorkeur de straf voorwaardelijk op te leggen.”

6. Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2014 - voor zover hier van belang - het volgende in:

“(…)

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging, waarbij de raadsvrouw het woord voert overeenkomstig haar pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.

In aanvulling hierop voert de raadsvrouw aan, zakelijk weergegeven:

Naast de verweren in de pleitnota wil ik mijn eerder gevoerde verweren bij deze opnieuw voeren. Ik hoorde de advocaat-generaal zeggen dat cliënt feiten en omstandigheden moeten aanvoeren die tot een andere afweging nopen dan die van de wetgever en dat hij dat niet heeft gedaan. Dat heeft hij wel degelijk gedaan. lk kan mij niet vinden in de uitspraak van de Hoge Raad. Ik vind bovendien dat de voorkeur moet worden gegeven aan een civiele procedure in plaats van een strafrechtelijke procedure. Ik sluit mij aan bij het verweer van mr. Jebbink, namelijk dat er geen sprake was van een pand waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd.

(…)”

7. Het bestreden arrest houdt omtrent dit verweer het volgende in:

“(On)rechtmatigheid ontruiming

De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1737, overwogen dat de (on)rechtmatigheid van een op de voet van art. 551a Sv verrichte ontruiming in beginsel, met het oog op het zwaarwegend belang van aan een kraker toekomend huisrecht, moet worden getoetst door een onafhankelijke rechter. Indien voorafgaande toetsing door de burgerlijke rechter ontbreekt moet de vraag of de ontruiming rechtmatig was aan de strafrechter worden voorgelegd.

Het hof overweegt met betrekking tot de rechtmatigheid van de ontruiming het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat indien zich een of meer bijzondere omstandigheden voordoen, zoals genoemd in de beleidsbrief van het College van procureurs-generaal van 30 november 2010, een pand direct kan worden ontruimd zonder dat een eventueel kort geding hoeft te worden afgewacht. Een van de genoemde uitzonderingsgevallen betreft onder meer de situatie dat door de wederrechtelijke bewoning een gevaarlijke situatie ontstaat. Het hof leidt uit het strafdossier af dat de brandgangen in het pand waren gebarricadeerd waardoor mogelijk een gevaarlijke situatie zou ontstaan in geval van brand. Naar het oordeel van het hof leverde de situatie niet dermate acuut gevaar op dat het noodzakelijk was om direct tot ontruiming over te gaan. Het hof constateert dan ook dat er ten onrechte geen gelegenheid is gegeven tot het aanhangig maken van een kort geding en dat de ontruiming onrechtmatig is geweest.

(…)

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Weliswaar is het hof van oordeel dat de ontruiming van het pand aan de Koningin Wilhelminalaan onrechtmatig is geweest, maar het hof zal hieraan niet het rechtsgevolg van strafvermindering verbinden. Gelet op het tijdsverloop in deze zaak zal het hof een lagere straf opleggen dan door de rechtbank werd opgelegd. Alles afwegend is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 30 uur passend en geboden is.”

8. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof een ongewenst precedent schept door geen strafkorting toe te passen als reactie op de onrechtmatige ontruiming. Tevens zou het hof ongemotiveerd voorbij zijn gegaan aan het strafmaatverweer welke deze onrechtmatigheid regardeert. Voorts stelt het middel dat - naar ik begrijp - uit het arrest niet blijkt dat het hof rekening heeft gehouden met de twee andere strafmaatverweren. Aldus zou het hof zijn responsieplicht verzaakt hebben.

9. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het strafmaatverweer, dat ziet op de onrechtmatige ontruiming, het volgende. Voormeld, en eerder in deze zaak gewezen arrest van Uw Raad houdt – voor zover hier van belang – omtrent het toetsingskader omtrent onrechtmatige ontruiming het volgende in:

“3.3. Het middel is terecht voorgesteld. Het oordeel van het Hof, dat niet aan de strafrechter ter beoordeling staat of een op de voet van art. 551a Sv verrichte ontruiming al of niet rechtmatig is geschied en dat verweren die ertoe strekken dat zodanige ontruiming jegens de verdachte onrechtmatig was in de strafprocedure niet aan de orde kunnen komen, is niet juist. In art. 551a Sv, geplaatst in Titel VIII van Boek IV van het Wetboek van Strafvordering ("Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het wetboek van Strafrecht") en gemodelleerd naar art. 55, tweede lid, Sv, wordt iedere opsporingsambtenaar de bevoegdheid toegekend tot het betreden van plaatsen en tot het (doen) verwijderen van aldaar vertoevende personen onder de in die bepaling genoemde voorwaarden. De (on)rechtmatigheid van de uitoefening van deze strafvorderlijke bevoegdheid moet in beginsel met het oog op het zwaarwegend belang van aan een kraker toekomend huisrecht bij de onafhankelijke rechter ten toets kunnen komen. Indien, zoals hier, voorafgaande toetsing door de burgerlijke rechter ontbreekt, moet in deze bijzondere gevallen worden aanvaard dat de vraag of de ontruiming onrechtmatig was aan de strafrechter kan worden voorgelegd in het kader van de strafzaak tegen de verdachte van kraken, zoals blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 551a Sv de wetgever uitdrukkelijk voor ogen had.

3.4. Aantekening verdient daarbij het volgende.

Verweren die ertoe strekken dat een ontruiming op de voet van art. 551a Sv onrechtmatig is, zullen doorgaans erop zijn gebaseerd dat de ontruiming, in strijd met de in de (hiervoor in 2.3.3 weergegeven) beleidsbrief van het openbaar ministerie gestelde regels, heeft plaatsgevonden zonder dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad tegen een voorgenomen ontruiming een kort geding aan te spannen.

Indien de strafrechter bevindt dat zulk een verzuim heeft plaatsgevonden, kan dit verzuim niet gelden als een vormverzuim dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv naar de in de strafzaak aan de verdachte tenlastegelegde overtreding van art. 138a Sr.

Indien in een dergelijk bijzonder geval de strafrechter heeft vastgesteld dat door of namens het openbaar ministerie ten onrechte geen (voldoende) gelegenheid is gegeven een kort geding aanhangig te maken, zal bij de beoordeling door de strafrechter hoe in het bijzonder de door de rechter in kort geding te verrichten proportionaliteitstoets zou zijn uitgevallen, zoals is overwogen in rov. 3.5.7 van het hiervoor in 2.3.5 vermelde arrest van de Hoge Raad, de daarvoor vereiste belangenafweging alleen kunnen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.

Komt de strafrechter tot het oordeel dat de rechter in kort geding de ontruiming eerst tegen een later tijdstip of in het geheel niet zou hebben toegestaan, kan de strafrechter een schending van art. 8 EVRM constateren en eventueel, indien de ernst van de schending dit rechtvaardigt, daaraan het in de geschiedenis van de totstandkoming van art. 551a Sv genoemde rechtsgevolg van strafvermindering verbinden.”

10. Als ik het goed begrijp, bestaat de door de strafrechter aan te leggen toets uit een soort drietrapsraket:

(i) de strafrechter dient te beoordelen of door of namens het openbaar ministerie ten onrechte geen (voldoende) gelegenheid is geboden om een kort geding aanhangig te maken;

(ii) indien de strafrechter bevindt dat zulk een verzuim heeft plaatsgevonden, dient de strafrechter te beoordelen hoe de proportionaliteitstoetsing bij de kort geding-rechter zou zijn uitgevallen, maar alleen en indien de verdediging namens de kraker feiten en omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval bij de kort geding-rechter tot een andere afweging dan die van de wetgever zouden nopen;

(iii) heeft de strafrechter deze proportionaliteitstoetsing aangelegd en komt hij tot het oordeel dat de kort geding-rechter de ontruiming pas tegen een later tijdstip, of helemaal niet zou hebben toegestaan, dan stelt de Hoge Raad voorop dat de strafrechter kan volstaan met de constatering van een schending van art. 8 EVRM. Alleen indien de ernst van de schending dit rechtvaardigt kan de rechter aan de schending het rechtsgevolg van strafvermindering verbinden.

11. De door de verdediging in hoger beroep aangevoerde feiten en omstandigheden moeten dus voldoende aannemelijk worden gemaakt om een responsieplicht in de vorm van de voorgeschreven proportionaliteitstoetsing in het leven te roepen. Die terminologie is civielrechtelijk van aard en het gaat hier dus niet om het voeren van een verweer, maar zowel om het aanvoeren (stellen) van feiten en omstandigheden als om het aannemelijk maken van die gestelde feiten en omstandigheden. Pas in het vervolg daarop is de inhoudelijke (proportionaliteits)toetsing aangewezen. Bij disproportionaliteit is hoofdregel dat wordt volstaan met de constatering van de schending van art. 8 EVRM. Alleen als de schending ernstig is, rechtvaardigt die schending strafvermindering . En dan nog is strafvermindering niet verplicht volgens de Hoge Raad, maar is de rechter bevoegd die sanctie aan de schending te verbinden. Al met al moeten vele hobbels worden genomen voor het rechtsgevolg van strafvermindering in aanmerking komt.

12. Uit de hierboven eerder weergegeven pleitnotities volgt dat de verdediging in de onderhavige zaak - in de kern bezien - de volgende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd:

(i) in Utrecht is er een tekort aan betaalbare woonruimte, met name onder studenten;

(ii) voorafgaand aan de leegstand werd het pand gebruikt als woonruimte voor studenten;

(iii) het gebruik van het leegstaande pand als woonhuis door verdachte en zijn medeverdachten stond niet in de weg aan het functioneren van de in het belendende pand gevestigde bedrijfjes.

13. Het hof neemt een heldere beslissing, maar is uiterst karig met motiveren. Het volstaat met de constatering dat de ontruiming onrechtmatig was, maar dat daaraan niet het rechtsgevolg van strafvermindering wordt verbonden. Is de reden voor die beslissing van het hof dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk gemaakt die tot een andere afweging dan die van de wetgever nopen of is de reden dat de schending niet zo ernstig dat strafvermindering is aangewezen? Over de vraag of een inhoudelijke toets van de kort geding-rechter, indien die procedure zou zijn doorlopen, het oordeel onrechtmatig zou opleveren, laat het hof zich in het geheel niet uit.

14. Het Hof heeft de ontruiming alleen onrechtmatig geoordeeld, omdat geen gelegenheid is gegeven tot het aanhangig maken van een kort geding, maar overigens ontbreekt dus een expliciete inhoudelijke beoordeling van de onrechtmatigheid van de ontruiming. De vraag rijst of het Hof van oordeel is geweest dat de onder punt 12 hierboven genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om de verplichting te scheppen tot inhoudelijke toetsing van de onrechtmatigheid van de ontruiming. Daarbij kan dan nog onderscheid gemaakt worden tussen het onvoldoende stellen van de feiten en omstandigheden en het niet of onvoldoende aannemelijk maken daarvan. De gestelde feiten en omstandigheden zijn nogal algemeen en enigszins vaag. Bovendien is er op zijn minst gerede twijfel mogelijk over de vraag of de gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt. Het gaat mij echter te ver om in het kader van de cassatieprocedure de knoop door hakken en tot de slotsom te komen dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat de gestelde feiten en omstandigheden ontoereikend zijn en/of niet aannemelijk zijn gemaakt, zodat het Hof niet gehouden was zich inhoudelijk over de onrechtmatigheid van de ontruiming uit te laten.

15. Indien er van uit moet worden gegaan dat het hof ten onrechte niet aan een inhoudelijke toetsing van de onrechtmatigheid van de ontruiming is toegekomen, kan het middel desondanks niet tot cassatie leiden. Immers van de kant van de verdediging is niet gesteld dat de ernst van de schending van het huisrecht zo ernstig was dat slechts strafvermindering als rechtsgevolg in aanmerking kon komen. Ook dringt een ernstige schending van het huisrecht zich niet op. Ik wijs er op dat de bewoning van het gekraakte perceel een dag heeft geduurd. Gelet op deze omstandigheden kon het hof volstaan met de hoofdregel: een enkele constatering van de onrechtmatigheid van de ontruiming.

16. Voor zover het middel nog stelt dat het hof een ongewenst precedent schept door geen strafkorting toe te passen als ‘sanctie’ op de onrechtmatige ontruiming, geldt dat dit argument niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd. Op dit punt behoeft het middel dan ook geen verdere bespreking.

17. Voor zover het middel klaagt dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het strafmaatverweer aangaande (ii) het blanco strafblad van de verdachte en (iii) de gegrondheid van de klacht met betrekking tot de toegang van de advocaat tot de verdachte voorafgaande aan zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris, het volgende.

18. Het hof heeft in zijn uitspraak geen afzonderlijke overweging gewijd aan deze beide onderdelen van het strafmaatverweer. Kennelijk heeft het hof voornoemd verweer dus niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. In navolging van hetgeen mijn ambtgenoot Aben reeds heeft geconcludeerd in zijn conclusie voor het arrest van Uw Raad eerder in deze zaak gewezen4, meen ik dat dat oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, noch onbegrijpelijk is.5

19. Ik teken hierbij aan dat de verdediging na verwijzing in de ‘tweede feitelijke ronde’ op deze onderdelen niet een ander, of veel uitgebreider strafmaatverweer heeft gevoerd dan in de eerste ronde. De verdediging heeft het hof enkel verzocht ‘rekening te houden’ met het blanco strafblad van de verdachte. Voorts heeft zij op het punt van de toegang van de advocaat tot de verdachte niet nader onderbouwd op welke wijze en in welke mate de verdachte in zijn verdediging is geschaad, noch met argumenten geschraagd dat en waarom de schending zo ernstig was dat slechts strafvermindering of toepassing van art. 9a Sr als rechtsgevolg in aanmerking kon komen. Tot een nadere motivering was het hof derhalve niet gehouden.

20. Het middel is vergeefs voorgesteld.

21. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Na verwijzing. Zie HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1737.

2 Ik merk hier op dat de stukken die zien op de (afloop) van de klachtenprocedure bij de rechtbank zich niet bevinden in het dossier zoals dat aan de Hoge Raad is toegezonden. Evenwel zijn deze stukken als ‘productie 2’ aangehecht aan de schriftuur in cassatie, zodat Uw Raad hiervan kennis kan nemen.

3 Hier weergegeven zonder de voetnoten.

4 Conclusie van AG Aben voor HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1737 (ECLI:NL:PHR:2013:1043), bij zijn bespreking van het (toen) vierde cassatiemiddel.

5 Vgl. HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:642, NJ 2015/225 en HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:635, NJ 2015/227, m.nt. Vellinga-Schootstra.