Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2054

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
14/03497
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3026, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzoek tot aanhouding ottz. De HR stelt revelante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1314 voorop. Gelet op hetgeen is vooropgesteld en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsman aan zijn verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden de afwijzing van het verzoek niet dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03497

Zitting: 15 september 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte] 1

1. Verzoeker is bij arrest van 7 juli 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2. Namens verzoeker heeft mr. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof het recht op rechtsbijstand door een gemachtigd raadsman heeft geschonden dan wel ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak heeft afgewezen.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2014 houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

wonende te [woonplaats] ,

is niet verschenen.

De raadsman van verdachte, mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem, is evenmin verschenen.

De griffier heeft telefonisch contact gezocht met het kantoor van de raadsman. Blijkens mededeling van de secretaresse was de raadsman niet op het kantoor aanwezig. Voorts deelde zij mede dat zo spoedig mogelijk contact zal worden opgenomen met de raadsman en dat het hof nader zal worden bericht.

De voorzitter maakt melding van een aanhoudingsverzoek van de raadsman, welk verzoek zowel via de e-mail als telefonisch bij de bode is binnengekomen. Het via de e-mail binnengekomen aanhoudingsverzoek is aan dit proces-verbaal gehecht.

De advocaat-generaal voert het woord - zakelijk weergegeven -:

De dagvaarding van verdachte in hoger beroep is op 16 juni 2014 in persoon aan hem betekend en de secretaresse van de raadsman was akkoord met de geplande zittingsdatum. Kennelijk is geen initiatief van verdachte uitgegaan om contact op te nemen met zijn raadsman, hetgeen voor risico en rekening van verdachte dient te blijven. Het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen.

Het hof trekt zich terug voor het houden van beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen. De dagvaarding van verdachte in hoger beroep is op 16 juni 2014 in persoon aan veroordeelde betekend en op 20 mei 2014 is een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman verstrekt.2 De secretaresse van de raadsman is bovendien akkoord gegaan met de geplande zittingsdatum. Gelet op deze omstandigheden zal het hof het aanhoudingsverzoek van de raadsman afwijzen.”

5. Het aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte e-mailbericht houdt het volgende in:

“Geachte [B] ,

Hierbij bevestig ik ons telefoongesprek van hedenmorgen. Door een groot misverstand is mr. G.F. Schadd niet ter zitting verschenen.

Mr. G.F. Schadd was zeer zeker gemachtigd cliënt ter zitting bij te staan.

Excuses voor het hierdoor ontstane ongemak.

Vriendelijk verzoek ik u de zitting aan te houden voor een door u nader te bepalen tijdstip..

Namens mr G.F.Schadd,

hoogachtend,

[A]

secretaresse”

6. Het bestreden verstekarrest houdt onder meer in:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis3 en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken.

Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

7. Op grond van voormelde stukken kan worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden:

- verzoeker en de raadsman is op juiste wijze kennisgegeven van de terechtzitting in hoger beroep;

- verzoeker was kennelijk niet voornemens ter terechtzitting te verschijnen en heeft zijn raadsman uitdrukkelijk gevolmachtigd hem aldaar te verdedigen4;

- de raadsman is niet verschenen ter terechtzitting van het Hof;

- naar aanleiding van zijn onverklaarde afwezigheid heeft de griffier navraag gedaan bij de secretaresse van de raadsman;

- het Hof heeft op de terechtzitting gewacht op de nadere berichtgeving van de secretaresse van de raadsman omtrent diens niet-verschijning;

- uit de desbetreffende e-mail van de secretaresse blijkt dat de raadsman als gevolg van een misverstand niet ter terechtzitting is verschenen;

- zowel telefonisch als via de e-mail is bij het Hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak tot een door het Hof nader te bepalen tijdstip binnengekomen;

- het aanhoudingsverzoek is door het Hof afgewezen omdat de dagvaarding van verzoeker in hoger beroep in persoon aan verzoeker is betekend, een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman is verstrekt en bovendien de secretaresse van de raadsman akkoord is gegaan met de geplande zittingsdatum.

8. Vooropgesteld dient te worden dat, naar de Hoge Raad reeds in zijn arrest van 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294 heeft overwogen, bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting de rechter een afweging dient te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Deze belangenafweging geldt niet alleen wanneer het aanhoudingsverzoek ertoe strekt de verdachte de zitting in persoon te laten bijwonen. Ook in het geval van een verzoek van de raadsman om aanhouding in verband met zijn verhindering dienen de betrokken belangen te worden afgewogen. Naast de hierboven genoemde belangen dient in zo een geval ook het recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze te worden meegewogen.5

9. In zijn arrest van 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1783 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“2.3.

Op grond van voormelde stukken kan worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden:

- de verdachte en de raadsvrouwe is op juiste wijze kennisgegeven van de terechtzitting in hoger beroep;

- de verdachte was niet voornemens ter terechtzitting te verschijnen en heeft zijn raadsvrouwe uitdrukkelijk gevolmachtigd hem aldaar te verdedigen;

- de raadsvrouwe is niet verschenen ter terechtzitting van het Hof;

- naar aanleiding van haar onverklaarde afwezigheid heeft de griffier navraag gedaan waaruit is gebleken dat zij zich als gevolg van een in haar risicosfeer gelegen vergissing bij het verkeerde hof had vervoegd;

- zij heeft medegedeeld niet tijdig ter terechtzitting van het Hof te kunnen zijn en heeft voormeld faxbericht aan het Hof gezonden;

- dat faxbericht houdt in het verzoek aan het Hof: primair tot aanhouding van de behandeling van de zaak en subsidiair tot kennisneming van de bij het faxbericht gevoegde pleitaantekeningen;

- het Hof heeft de behandeling van de zaak pas voortgezet nadat de door de raadsvrouwe aangekondigde pleitaantekeningen waren ingekomen;

- het Hof heeft het subsidiaire verzoek ingewilligd doch het primair gedane aanhoudingsverzoek afgewezen "in het belang van een voortvarende rechtspleging en gelet op het feit dat het hof heeft kennisgenomen van de pleitnotities van de verdediging";

- het Hof heeft in zijn eindarrest een met redenen omklede beslissing gegeven omtrent het in de pleitaantekeningen vervatte verweer.

2.4.

Gelet op voormelde bijzonderheden waardoor deze zaak wordt gekenmerkt is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov.2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep - het in de schriftuur aangevoerde kan niet gelden als zo een toelichting - en het (rechtens te respecteren) belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof met het oog op een nieuwe behandeling.

2.5.

Gelet hierop zal de Hoge Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.”

10. Hoewel niet duidelijk is waaruit het misverstand bestaat, kan het er in cassatie voor worden gehouden dat de raadsman als gevolg van een verzuim of vergissing aan zijn kant zich niet bij het Hof had vervoegd, hetgeen – om de woorden van de Hoge Raad te volgen - uiteraard in zijn risicosfeer ligt. Dat is echter een andere kwestie dan het belang van verzoeker om, al dan niet in zijn aanwezigheid, ter terechtzitting in hoger beroep rechtsbijstand te krijgen van de raadsman van zijn keuze. Ik kom daarop hierna nog terug. Voorts neem ik aan dat de raadsman aanhouding heeft verzocht ten einde op elk ander door het Hof gewenst tijdstip de verdediging voor verzoeker te voeren. Moet nu in de onderhavige zaak het primaat komen te liggen bij de boordeling van de gronden waarop het Hof het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen en de vraag of het Hof in dat verband de vereiste belangenafweging heeft gemaakt? Of moet hier, in navolging van het oordeel van de Hoge Raad in de zaak die tot het hierboven onder 9 weergegeven arrest heeft geleid, de conclusie reeds zijn dat gelet op de voormelde bijzonderheden waardoor de onderhavige zaak wordt gekenmerkt het belang van verzoeker bij zijn cassatieberoep niet evident is en vervolgens worden onderzocht of de schriftuur al dan niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 (rov.2.6.2) bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting bevat?

11. Er is verwantschap tussen de zaak die heeft geleid tot HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1783 en de onderhavige zaak, maar ook valt te wijzen op, wellicht in de zienswijze van de Hoge Raad essentiële, verschillen tussen beide zaken. In de zaak ‘van’ HR 7 juli 2015 had het Hof gewacht op de pleitaantekeningen van de raadsvrouw en het primair gedane aanhoudingsverzoek afgewezen "in het belang van een voortvarende rechtspleging en gelet op het feit dat het hof heeft kennisgenomen van de pleitnotities van de verdediging”. Voorts had het Hof het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw ingewilligd en in zijn eindarrest een met redenen omklede beslissing gegeven omtrent het in de pleitaantekeningen vervatte verweer.

12. Ervan uitgaande dat in het bijzonder die door de Hoge Raad vastgestelde feiten en omstandigheden richtinggevend zijn geweest voor zijn eindoordeel in zijn arrest van 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1783, zou, denk ik, de gevolgtrekking daaruit voor de onderhavige zaak moeten luiden, nu die bedoelde feiten en omstandigheden zich hier juist niet voordoen, dat niet kan worden gezegd dat het belang van verzoeker bij zijn cassatieberoep niet evident is. Daaruit vloeit dan voort dat nader dient te worden bezien of het Hof het juiste beslissingsschema heeft gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek van de raadsman tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting.

13. Welnu, uit de motivering door het Hof van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijkt niet dat het Hof de vereiste afweging van belangen heeft gemaakt, waarbij ik in aanmerking heb genomen dat het Hof het aanhoudingsverzoek kennelijk als tijdig gedaan heeft beschouwd. Reeds daarom is naar mijn inzicht de afwijzing door het Hof van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd.

14. Maar ook als in ’s Hofs overweging zou moeten worden gelezen dat het heeft geoordeeld dat het belang van een spoedige berechting en/of het belang van een goede organisatie van de rechtspleging in dit geval zwaarder dient te wegen dan de overige in het geding zijnde belangen, acht ik dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De tenlastegelegde feiten zijn gepleegd in de periode van 16 januari 2012 tot en met 26 maart 2012. De Rechtbank Midden-Nederland heeft in deze zaak op 14 februari 2014 vonnis gewezen en de behandeling in hoger beroep vond plaats op 7 juli 2014. Het gaat dus niet om zodanig oude feiten dat het belang van een voorspoedige behandeling begon te dringen. Voorts blijkt uit de stukken van het geding niet van eerdere (op het conto van de verdediging te schrijven) aanhoudingen en/of vertragingen bij de behandeling van de zaak. In het algemeen is het wel zo dat de rechter in zijn afweging ten nadele van de verdediging kan betrekken dat het aanhoudingsverzoek op een eerder moment had kunnen worden gedaan. Maar (ook) die situatie doet zich hier niet voor. Uit de stukken van het geding blijkt namelijk enkel dat het gaat om een misverstand, hetgeen, als gezegd, doet vermoeden dat de raadsman per abuis niet op de zitting aanwezig was. Voorts viel in alle redelijkheid niet te verwachten dat een aanhouding van de zaak voor grote vertraging zou hebben gezorgd. De verdediging laat het blijkens zijn e-mail immers volledig aan het Hof over om een nader tijdstip voor de terechtzitting te bepalen, terwijl naar mijn inschatting bovendien in de lijn der verwachting lag dat de raadsman alles in het werk zou hebben gesteld om op zo een nadere zitting wél aanwezig te zijn.

15. Tot slot is van belang dat verzoeker door de beslissing van het Hof geen verdediging heeft kunnen voeren en hem feitelijk, door de niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep, een instantie is onthouden. Nu kan worden aangevoerd dat fouten of vergissingen van een raadsman wel vaker voor rekening en risico van de verdachte komen. Zo wijs ik op de Hofs rechtspraak over het niet tijdig of op een verkeerde locatie instellen van een rechtsmiddel.6 Anders dan in de onderhavige zaak speelt daarbij echter het belang dat duidelijk dient te zijn of een uitspraak onherroepelijk is of niet. Een dergelijk zwaarwegend belang is in de onderhavige zaak niet in het geding.

16. Ik meen dan ook dat het middel terecht is voorgesteld.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 14/03499 P waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

2 Zulks blijkt inderdaad uit de stukken van het geding.

3 In eerste aanleg is verzoeker, die volgens het vonnis een professioneel ingerichte hennepkwekerij in zijn huurwoning had, wegens hennepteelt en diefstal van elektriciteit veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en 140 uur werkstraf.

4 Ook in eerste aanleg was verzoeker ter terechtzitting niet verschenen (volgens mededeling van de raadsman omdat hij een baan had) en was de raadsman uitdrukkelijk door verzoeker gemachtigd om hem te verdedigen.

5 Zie HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421, NJ 2015/39 m.nt. Schalken, HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453, NJ 2011/142 m.nt. Schalken en HR 11 oktober 2005:ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NJ 2007/454.

6 Zie bijv. HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2479, NJ 1996/477 m.nt. Schalken en HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22.