Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2051

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-07-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
15/02876
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3016, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Bopz. Machtiging voortgezet verblijf, art. 15 Wet Bopz; voorwaarden. Moet na toepassing van art. 8a Wet Bopz, dat niet tot gewijzigd verzoek leidt, nieuw onderzoek door onafhankelijke arts plaatsvinden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak nummer: 15/02876

Parketdatum: 31 juli 2015 [betrokkene] ,

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later

tegen

Officier van Justitie Den Haag,

verweerder in cassatie.

In deze Bopz-zaak is een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 Wet Bopz verleend, nadat de rechtbank de Officier van Justitie op grond van art. 8a Wet Bopz had verzocht zijn verzoek tot het verlenen van deze machtiging te heroverwegen. De verlening van de machtiging wordt in cassatie bestreden.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Op 6 februari 2015 heeft de officier van justitie in het arrondissement Den Haag aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 e.v. Wet Bopz). Betrokkene verbleef toen onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis Parnassia te Den Haag.(1) Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 5 februari 2015 gevoegd van de waarnemend geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [A].

1.2.

Op 2 maart 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat gehoord, alsmede verpleegkundig specialist [B] en een medewerkster van de afdeling personeel en verzorging. In haar beschikking van dezelfde datum stelt de rechtbank vast dat met de verzochte machtiging kennelijk niet wordt beoogd dat betrokkene wordt opgenomen met het oog op een feitelijk verblijf in het ziekenhuis, zodat er voor verlening van de verzochte machtiging geen ruimte is. De rechtbank besluit de behandeling van het verzoek aan te houden ten einde onder toepassing van art. 8a Wet Bopz de Officier van Justitie de gelegenheid te bieden zich uit te laten over de vraag of het verzoek wordt gehandhaafd of wordt ingetrokken dan wel wordt vervangen door een verzoek tot voorwaardelijke machtiging. Bij brief van 18 maart 2015 heeft de Officier van Justitie te kennen gegeven zijn eerdere verzoek te handhaven onder verwijzing naar bij de brief gevoegde informatie, bestaande uit een door de verpleegkundig specialist en psychiater [C] ondertekende brief d.d. 17 maart 2015 en een geneeskundige verklaring d.d. 11 juli 2014.(2)

1.3.

Op 26 maart 2015 heeft wederom een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat gehoord, alsmede de verpleegkundig specialist. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend tot en met 6 februari 2016.

1.4.

Namens betrokkene is – tijdig(3) – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Het cassatiemiddel omvat twee onderdelen.

Onderdeel 1

2.2

Onderdeel 1 bevat, kort samengevat, de klacht dat het rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is dat de rechtbank in haar beschikking van 26 maart 2015 niet tot uitgangspunt heeft genomen haar tussenbeschikking van 2 maart 2015, waarin zij naar aanleiding van haar vaststelling dat met de verzochte machtiging kennelijk niet wordt beoogd te komen tot een feitelijk verblijf van betrokkene in het ziekenhuis de Officier van Justitie in de gelegenheid heeft gesteld zich erover uit te laten of het ingediende verzoek wordt gehandhaafd dan wel wordt ingetrokken dan wel wordt vervangen door een verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging. In verband hiermee had het volgens het onderdeel in de rede gelegen dat een onafhankelijk arts zou zijn ingeschakeld om betrokkene te onderzoeken en dat met betrokkene over voorwaarden zou zijn gesproken. Dat is niet is gebeurd. Op het verweer van de advocaat van betrokkene dat dit onafhankelijk psychiatrisch onderzoek niet heeft plaatsgevonden, is de rechtbank in haar beschikking van 26 maart 2015 niet ingegaan.

2.3

De klacht in onderdeel 1 is te beoordelen tegen de achtergrond van de inhoud en strekking van artikel 8a Wet Bopz. Op grond van dat artikel heeft de rechtbank immers in haar beschikking van 2 maart 2015 aan de Officier van Justitie de gelegenheid geboden zich nader over het door hem ingediende verzoek uit te laten. Art. 8a Wet Bopz(4) bepaalt: “Indien de rechtbank op grond van het door haar ingestelde onderzoek zich afvraagt of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de verzochte niet passender is, kan zij dit gevoelen aan de officier van justitie kenbaar maken; zo nodig bepaalt de rechtbank daarbij dat de behandeling op een later tijdstip wordt voortgezet.” Deze bepaling strekt er toe aan te geven hoe de verhouding tussen de officier van justitie en de rechter is met betrekking tot een door eerstgenoemde aan laatstgenoemde gedaan verzoek. Daaromtrent overweegt de Hoge Raad in rov. 3.2.2 van zijn beschikking d.d. 29 april 2005 onder meer het volgende:

“Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.8 en 2.9 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd een oplossing te bieden voor het probleem dat volgens de opstellers van het (gewijzigde) amendement dat tot dit artikel heeft geleid, de rechtbank niet de bevoegdheid heeft en behoort te hebben ambtshalve een andere machtiging te verlenen dan door de officier van justitie is verzocht. Daarom is bepaald dat, indien de rechtbank een andere maatregel passender acht, zij op de voet van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie hiermee kan confronteren, het aan hem overlatend te bezien of er grond is het verzoek te wijzigen dan wel het voorliggende verzoek nader te beargumenteren. (…)”

Art. 8a Wet Bopz brengt mee, zoals uit deze passage valt af te leiden, dat de rechter niet ambtshalve kan overgaan tot verlening van een andere machtiging dan verzocht, indien hij die andere machtiging meer op zijn plaats acht. Hij dient de officier van justitie de gelegenheid te bieden om zijn eerdere verzoek in te trekken of om al dan niet met nadere onderbouwing bij zijn eerdere verzoek te blijven of om een gewijzigd verzoek met de vereiste onderbouwing in te dienen(5). Blijft de officier van justitie bij zijn eerdere verzoek dan zal de rechter de toewijsbaarheid van dat verzoek alsnog hebben te beoordelen.

2.4

In het onderhavige geval is de Officier van Justitie bij zijn eerder gedane verzoek gebleven met een verdere onderbouwing. Daardoor heeft zich niet een ten opzichte van het eerste verzoek gewijzigde situatie voorgedaan die aanleiding gaf om nogmaals een onafhankelijk arts in te schakelen voor een onderzoek van betrokkene en om met betrokkene over voorwaarden te spreken. Hierop stuiten de klachten in onderdeel 1 af.

Onderdeel 2

2.5

Aan het slot van onderdeel 2 wordt er over geklaagd dat de rechtbank in haar beschikking van 26 maart 2015 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij een zodanig klemmend, uit een stoornis van de geestvermogens voortvloeiend en niet buiten een ziekenhuis af te wenden gevaar aanwezig acht dat het gerechtvaardigd is te achten dat betrokkene voor een periode van een jaar van haar vrijheid wordt beroofd. Ter onderbouwing van die klacht wordt erop gewezen dat de rechtbank in haar tussenbeschikking van 2 maart 2015 heeft overwogen dat de behandelaar ter zitting heeft aangegeven dat het ziekenhuis psychiatrisch niet veel voor betrokkene kan doen, dat door de advocate van betrokkene is aangevoerd dat in het zorgplan vermelde medicatie in belangrijke mate somatische medicatie is en betrokkene geen gevaar voor anderen via HIV-besmetting meer kan zijn, dat er geen recent onafhankelijk medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de behandelaars voornamelijk teruggrijpen op niet meer actuele informatie uit 2014.

2.6

Art. 15 lid 2 Wet Bopz bepaalt dat de machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter:

a. de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, en

b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

Uit de tweede alinea van de in de beschikking van 26 maart 2015 opgenomen ‘Beoordeling’ blijkt dat deze voorwaarden voor verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf door de rechtbank tot uitgangspunt zijn genomen.

2.7

In verband met genoemde voorwaarden verdient nog opmerking dat, zoals ook in de formulering van de voorwaarden ligt besloten, het doel van de rechterlijke machtiging tot onvrijwillige opneming niet zozeer gelegen is in het komen tot een genezen/behandelen van de geestesstoornis zelf maar in het beschermen van de betrokkene tegen de aan de geestesstoornis verbonden gevaren voor hem en/of anderen.(6) Voorwaarde b ziet op de eis van proportionaliteit, nl. dat de kans op verwezenlijking van het gevaar zo groot dient te zijn dat uit dien hoofde de vrijheidsbeneming te rechtvaardigen valt.(7)

2.8

Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.

( i) Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 maart 2015 heeft de behandelaar opgemerkt:

“(…) Het gedrag van betrokkene is niet veranderd; zij is nog steeds boos. De zelfzorg van betrokkene is nog onveranderd slecht. Als zij nu naar huis zou gaan dan zou zij vervallen in haar oude patroon. (…) Betrokkene heeft bescherming en zorg nodig. Betrokkene zal zich buiten dit psychiatrisch ziekenhuis gaan verwaarlozen en zij zal andere mensen in gevaar brengen. (…) Psychiatrisch gezien kunnen wij niet zoveel voor betrokkene betekenen. Somatisch gezien is het van belang dat wij betrokkene zoveel mogelijk stabiliseren en haar structuur bieden. (…) Wij hebben met betrokkene afgesproken dat we het drie maanden gaan aankijken in hoeverre zij vooruitgang boekt en of zij dan na die periode naar een intensieve woonvorm, te weten Dorestad, kan gaan. Wij achten het niet mogelijk dat betrokkene nog zelfstandig zal kunnen gaan wonen.”

(ii) In de geneeskundige verklaring d.d. 5 februari 2015 wordt de vraag in rubriek 3, sub a: “op grond van welke symptomen, gedragingen en feiten oordeelt u dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens?”, als volgt beantwoord:

“1. Betrokkene is bekend met een gedragsstoornis bij een borderline persoonlijkheidsstoornis.

2. Ze verwaarloosde haar woonomgeving, gaf overlast aan de buren en bedreigde haar buren.

3. Somatisch is er sprake van een infectie met HIV, waarbij zij in de prostitutie bleef werken.

4. Mijdt behandeling, inclusief voor de HIV.

(…)”

Als diagnose wordt vervolgens in rubriek 3, sub d (lees: c) een borderline persoonlijkheidsstoornis vermeld. De vraag in rubriek 3, sub d: “waarom oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens van betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn?”, wordt aldus beantwoord:

“Borderline persoonlijkheidsstoornis is een chronische stoornis en is, evenmin als de gedragsstoornis, ondanks opname en behandeling niet verdwenen is.”

(iii) In de geneeskundige verklaring d.d. 5 februari 2015 wordt de vraag in rubriek 4, sub a: “op grond van welke gedragingen van betrokkene oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens een gevaar oplevert voor betrokkene zelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen?” als volgt beantwoord:

“Betrokkene verwaarloosde haar woonomgeving, gaf overlast aan de buren en bedreigde haar buren en bleef in de prostitutie werken ook zonder condoom, ondanks haar infectie met HIV. Mijdt behandeling. Slaat ook afdelingspersoneel als het haar niet zint.”

Blijkens rubriek 4, sub b bestaat het gevaar uit maatschappelijk ten onder gaan, ernstige zelfverwaarlozing en anderen infecteren met HIV.

(iv) In het zorgplan van 16 januari 2015 is op blz. 2 onder het kopje ‘1. Probleem-/Doelstelling/ Psychiatrie’ als problematiek van betrokkene opgenomen:

“ - Gedragsproblemen als boosheid, agressie, splitten, manipuleren vanuit persoonlijkheidsstoornis

- Angst en achterdocht bij borderline persoonlijkheidsstoornis; dan ook vaak boosheid en agressie

- Weinig ziekte-besef en inzicht

- (…)”

en op blz. 4 onder het kopje ‘3. Probleem/Doelstelling/ADH/HDL’:

“ - Mevrouw heeft de neiging zichzelf te verwaarlozen wanneer zij geen begeleiding krijgt tijdens de basiszorg.”

en op blz. 5 onder het kopje ‘5. Probleem-/Doelstelling/Communicatie’:

“- Mw. kan op agressieve, boze toon met anderen (medewerkers, patiënten) communiceren, dit kan boosheid en/of ruzies uitlokken. Mogelijk speelt angst hierbij een rol.”

( v) In het “Voortgangsverslag ihkv de BOPZ” d.d. 26 januari 2015 van de behandelend arts van betrokkene wordt vermeld:

“Mw. accepteert medicatie, weigert verder alle vormen van behandeling (fysiotherapie mbt oefenen met lopen met rollator, lichamelijk onderzoek, gedraagt zich agressief bij specialisten in ziekenhuis; mag al niet meer bij pijnpoli en uroloog komen wanneer ze zich niet anders gedraagt). Mw. is zeer dwingend in het vragen van bepaalde medicatie (pijnmedicatie/ antibiotica) en probeert deze middelen af te dwingen. Op de afdeling weert mw. contact af met medebewoners en medewerkers. Uit zich vaak boos en verbaal agressief, vooral als zij het idee heeft dat er iets van haar verlangd wordt. Dit maakt het omgaan met haar en het toewerken naar meer zelfstandigheid heel moeilijk.

Psychiatrisch lijkt mw. vooral te lijden onder angst, mogelijk versterkt door haar borderline persoonlijkheidsstoornis.

Om bovenstaande redenen lijkt het eventueel terugkeren naar eigen huis nog erg ver weg te liggen.”

(vi) Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 maart 2015 heeft Hollaar herhaald dat ze zich niet kan voorstellen dat betrokkene zal kunnen functioneren in een eigen woning, doch dat een beschermde woning van Parnassia wel tot de mogelijkheden behoort. Betrokkene heeft aangegeven dat het niet klopt dat ze een beschermde woning wil.

2.9

Onder het hoofd ‘Beoordeling’ geeft de rechtbank in de beschikking van 26 maart 2015 als haar oordeel:

“De rechtbank is van oordeel dat bij betrokkene ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een stoornis van de geestesvermogens in de zin van Wet Bopz aanwezig zal zijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het gevaar zich blijft voordoen. De betrokkene levert door haar ziekte een gevaar op voor zichzelf en voor anderen. Het is noodzakelijk dat zij in een goede structuur verzorgd wordt en medicatie ontvangt. Hierbij komt dat de betrokkene op korte termijn vermoedelijk geen eigen woning meer heeft om naar terug te keren omdat deze zal worden opgezegd.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (kan worden gekeerd).

2.10

Deze oordelen, die mede een beoordeling van de hiervoor in 2.7 genoemde proportionaliteit omvatten, stoelen, naar in redelijkheid niet valt te betwijfelen, op wat de rechtbank ten processe is gebleken en dus mede op de hiervoor weergegeven informatie uit de processtukken. Die informatie is voldoende recent te achten en maakt voldoende duidelijk dat bij betrokkene het gevaar wegens geestesstoornis nog aanwezig is, dat er nog steeds sprake is van een reële kans dat dat gevaar zich zal verwezenlijken en dat er een noodzaak bestaat om haar in een psychiatrisch ziekenhuis op te nemen. In dat licht bezien zijn de oordelen van de rechtbank, ook al zijn zij slechts van een standaardmotivering voorzien, als voldoende gemotiveerd aan te merken.(8)

2.11

Een en ander voert tot de slotsom dat ook onderdeel 2 geen doel treft.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

voor deze:

J. Wuisman

(A-G)

1 . Op grond van de op 27 augustus 2014 verleende voorlopige machtiging (art. 2. e.v. Wet Bopz). Deze machtiging is verleend tot 7 februari 2015.

2 . De slecht leesbare kopie betreft waarschijnlijk de geneeskundige verklaring die een rol heeft gespeeld bij de verlening van een machtiging tot inbewaringstelling, voorafgaande aan de verlening van de voorlopige machtiging van 27 augustus 2014. Er wordt immers aan het slot van de verklaring gesproken van ‘onmiddellijk dreigend gevaar’ (art. 20 lid 2 sub c Wet Bopz) in plaats van gevaar.

3 . Het cassatieverzoekschrift is ingekomen op 26 juni 2015.

4 Dat artikel is blijkens art. 17 lid 2 Wet Bopz ook van toepassing, indien een verzoek tot een machtiging tot voortgezet verblijf is verzocht.

5 Zie over een en ander nader Losbladige Wet Bopz (Dijkers), art. 8a, aant. C.1 t/m C1.3.

6 . Zie conclusie A-G Langemeijer vóór HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1676, BJ 2010/36 onder 2.4.

7 . Zie de in voetnoot 6 vermelde conclusie van A-G Langemeijer onder 2.7, meer in het bijzonder de verwijzing aldaar naar de MVA op het ontwerp van wet Bopz (Kamerstukken II 1976-1977, 11 270, nr. 7, p. 7: “De ernst van het gevaar zal moeten opwegen tegen de ernst van de op te leggen dwangmaatregel.” en diens conclusie voor HR 30 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5287, BJ 2009/9 m.nt. T.P. Widdershoven. Zie over het vereiste van proportionaliteit voorts Losbladige Wet Bopz (Dijkers), art. 2, aant. C.3.2.4.

8 . Zie in dit verband paragraaf 2.10 van de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3661, RvdW 2015, 98 en HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7233, NJ 1998, 221, rov. 3.1.