Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2045

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
14/04537
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3475, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; verrekening. Toepassing sanctie art. 1:135 lid 3 BW bij opzettelijk verzwijgen van een tot het te verrekenen vermogen behorend goed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/2
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/04537

Mr. F.F. Langemeijer

2 oktober 2015

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

In deze huwelijksvermogensrechtelijke zaak gaat het om vergoeding van in een gemeenschappelijke woning geïnvesteerd privévermogen. Daarnaast betreft het een verrekening krachtens huwelijkse voorwaarden, waarbij de rechter de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW heeft toegepast wegens verzwijging van te verrekenen vermogensbestanddelen.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende1:

1.1.1.

Partijen zijn op 30 augustus 1993 met elkaar gehuwd na het sluiten van huwelijkse voorwaarden. De door het hof geciteerde akte van huwelijkse voorwaarden houdt onder meer in: uitsluiting van elke gemeenschap van goederen (artikel 1); een beding dat partijen verplicht tot vergoeding van hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot (artikel 3) en een periodiek verrekenbeding (artikel 8).

1.1.2.

Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden.

1.1.3.

Op 17 juli 2000 heeft de man een aan hem in privé toebehorende woning aan de [c-straat] te [plaats C] verkocht voor f. 349.000,- (€ 158.369,-). Na aftrek van de hypotheekschuld bedroeg de overwaarde € 75.707,-. Van de netto-opbrengst is op 27 juli 2000 een gedeelte groot € 34.033,15 besteed aan aflossing van het overbruggingskrediet dat partijen hadden gesloten ten behoeve van de aankoop van de hierna te noemen woning in [plaats A] .

1.1.4.

Op 10 juli 2000 hebben partijen samen een woning gekocht aan de [b-straat] te [plaats A] voor f. 540.559,17 (€ 245.295,-) inclusief kosten koper. Daartoe hebben zij een hypothecaire geldlening gesloten voor f. 547.500 (€ 248.445,-).

1.1.5.

Op 27 februari 20072 hebben partijen een woning aan de [a-straat] te [plaats B] in gemeenschappelijke eigendom verkregen voor € 294.097,62 (inclusief kosten koper). De woning te [plaats A] was op dat moment nog niet verkocht. Ter financiering hebben partijen een hypothecaire geldlening gesloten voor het bedrag van € 350.000,-, bestaande uit een overbruggingskrediet van € 156.000,- en een hypotheek van € 181.000,-.

1.1.6.

De woning te [plaats A] is op 30 juli 2008 verkocht voor € 375.000,-. Met de opbrengst van deze verkoop zijn de ten behoeve van de aankoop van die woning aangegane hypothecaire geldlening ten bedrage van pro resto € 245.759,50 en het overbruggingskrediet ten bedrage van pro resto € 120.045,67 afgelost.

1.1.7.

De rechtbank te Roermond heeft bij beschikking van 8 oktober 2008 de echtscheiding van partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 14 januari 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2.

Op 5 juli 2010 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en onder meer – voor zover in cassatie van belang − gevorderd dat de man zal worden veroordeeld om de voormalige echtelijke woning aan de [a-straat] te [plaats B] over te nemen, althans mee te werken aan verkoop van deze woning aan een derde, daarbij uitgaande van een waarde van deze woning van € 350.000,- althans een door de rechtbank vast te stellen waarde.

1.3.

De man heeft verweer gevoerd en in reconventie onder meer vergoeding van € 75.577,74 geëist ter zake van door hem geïnvesteerd privévermogen dat uiteindelijk terechtgekomen is in een eenvoudige gemeenschap van goederen3, te weten de gemeenschappelijke eigendom van de voormalige echtelijke woning. Het gaat om de netto-opbrengst van zijn woning te [plaats C] (waarvan volgens hem € 34.033,51 is aangewend voor de aflossing van het overbruggingskrediet en de rest zou zijn besteed aan kosten van renovatie van de woning te [plaats A] ). Partijen waren daarnaast verdeeld over een aantal geschilpunten van uiteenlopende aard, die in cassatie niet langer aan de orde zijn.

1.4.

Bij vonnis van 12 januari 2011 en opnieuw bij vonnis van 22 februari 2012 heeft de rechtbank een deskundige benoemd om de waarde van de (nog steeds niet verkochte) woning te [plaats B] vast te stellen. Bij vonnis van 29 juni 2011 heeft de rechtbank verscheidene beslissingen genomen. Als peildatum voor de verrekening heeft de rechtbank 28 maart 2008 aangehouden, in navolging van partijen. Als peildatum voor de waarde van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van eigendom hield de rechtbank de datum van feitelijke verdeling aan. Verder overwoog de rechtbank dat de man financieel niet in staat is zelf de woning over te nemen, zodat verkoop aan een derde nodig is (rov. 3.3.3 Rb). In zijn rapport van 12 april 2012 heeft de deskundige de waarde van de voormalige echtelijke woning te [plaats B] per 19 maart 2012 getaxeerd op een vraagprijs van € 248.000,- en een laatprijs (minimumprijs) van € 218.000,-.

1.5.

Bij vonnis van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, de man veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning te [plaats B] aan een derde voor een koopsom gelijk aan of hoger dan € 218.000,-. De rechtbank heeft bepaald dat de overwaarde (na aftrek van makelaarscourtage) tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld. De rechtbank heeft de vordering van de man tot vergoeding van door hem geïnvesteerd privévermogen afgewezen4.

1.6.

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. De vrouw heeft in de door de man aangebrachte appelzaak tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft de vrouw haar eis vermeerderd, waarbij zij heeft gevorderd de man te veroordelen om het saldo (per 28 maart 2008) van twee polissen bij Nationale Nederlanden aan haar te vergoeden, althans de helft van de waarde daarvan alsnog met haar te verrekenen. Aan deze vermeerderde eis heeft zij ten grondslag gelegd dat de man het bestaan van deze polissen opzettelijk heeft verzwegen, althans deze polissen verborgen heeft gehouden (art. 1:135 lid 3 BW).

1.7.

Het hof heeft de beide beroepszaken gevoegd behandeld. Bij tussenarrest van 4 februari 2014 heeft het hof, voor zover in cassatie nog van belang, beslist dat de vordering van de man tot vergoeding van het bedrag dat uit zijn privévermogen zou zijn besteed aan de kosten van renovatie van de woning te [plaats A] (€ 40.070,55) moet worden afgewezen. Vast staat dat vanuit het privévermogen van de man een bedrag van € 34.033,51 is gevloeid in een tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap (de woning te [plaats A] en later de woning te [plaats B] die partijen tezamen in eigendom hebben); volgens het hof heeft de man in beginsel recht op vergoeding van het nominaal bedrag (rov. 4.5.7). Het hof vermeldde dat de woning te [plaats B] tijdens procedure in appel onder voorbehoud is verkocht voor € 188.000,-. Na aftrek van de restant-hypotheekschuld van € 181.000,- zou dan een overwaarde resteren van ongeveer € 7.000,-. Ter voldoening van het recht van de man op vergoeding dient de overwaarde van de gemeenschappelijke woning volledig aan de man te worden toegedeeld. Het hof achtte geen grond aanwezig om het meerdere (het verschil tussen € 34.033,51 en ongeveer € 7.000,-) aan de man toe te kennen. Dat de woning na de peildatum zozeer in waarde is gedaald, is een omstandigheid die voor rekening van de man komt, nu hij in de periode van daling de woning aan zichzelf toebedeeld wenste te zien (rov. 4.5.9). Met betrekking tot de grief van de vrouw dat de man verantwoordelijk is voor (waarde drukkend) achterstallig onderhoud van de woning, heeft het hof overwogen dat de vrouw bij die grief geen belang meer heeft omdat, zelfs al zou de man verantwoordelijk zijn voor achterstallig onderhoud, er toch geen overwaarde resteert waarop de vrouw aanspraak zou hebben.

1.8.

De in het tussenarrest bedoelde verkoop aan een derde heeft blijkbaar geen doorgang gevonden. Bij eindarrest van 10 juni 2014 heeft het hof de man wederom veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning voor een koopsom gelijk aan of hoger dan € 218.000,-, onder bepaling dat (na aftrek van makelaarscourtage) het restant van de overwaarde aan de man wordt toebedeeld.

1.9.

Met betrekking tot de waarde van de polissen bij Nationale Nederlanden (€ 39.564,65 en € 4.033,-) heeft het hof in het eindarrest van 10 juni 2014 geoordeeld dat deze geheel aan de vrouw dient te worden vergoed, met toepassing van art. 1:135 lid 3 BW (rov. 7.2 – 7.5).

1.10.

De man heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale beroep en (gedeeltelijk voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, met re- en dupliek.

2 Bespreking van het principaal en het incidenteel cassatieberoep

2.1.

Onderdeel 1 van het cassatiemiddel van de man heeft betrekking op de afwikkeling van de eenvoudige gemeenschap (de woning te [plaats B] ). Ook het (gedeeltelijk voorwaardelijke) incidenteel cassatiemiddel van de vrouw houdt hiermee verband. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel van de man gaat over de waarde van de polissen bij Nationale Nederlanden en de toegepaste sanctie van art. 1:135 lid 3 BW.

Vergoeding van geïnvesteerd privévermogen (kosten van renovatie)

2.2.

Subonderdeel 1.1 richt klachten tegen het oordeel dat de vordering van de man tot vergoeding van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen (nl. de netto-opbrengst van de woning te [plaats C] ) zou hebben geïnvesteerd in de renovatie van de gemeenschappelijke woning te [plaats A] , onvoldoende is onderbouwd. Het hof overwoog dat de man geen stukken heeft overlegd waaruit kan blijken dat de gestelde kosten voor deze renovatie inderdaad zijn gemaakt en voorts dat het opknappen van een echtelijke woning normaliter wordt gerekend onder de kosten van de huishouding5. Wat het eerste betreft acht de man het bestreden oordeel onbegrijpelijk, omdat het door hem in het geding gebrachte kostenoverzicht door de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd, zou zijn betwist. Wat het tweede betreft klaagt de man dat het hof een ongeoorloofde verrassingsbeslissing heeft gegeven, omdat de vrouw in de procedure bij het hof niet had aangevoerd dat de gestelde kosten van de renovatie moeten worden beschouwd als kosten van de huishouding.

2.3.

De man had in eerste aanleg gesteld dat hij vanuit zijn privévermogen € 40.070,55 heeft besteed aan de renovatie van de gemeenschappelijke woning te [plaats A]6. Ter onderbouwing had de man als productie 16 een door hemzelf opgesteld overzicht ingebracht, waarin de uitgaven zijn uitgesplitst naar datum, bedrag, type materiaal en leverancier. Voor de op 29 november 2010 gehouden comparitie van partijen had de man als productie 33 ingebracht een “door vrouw opgesteld overzicht van geschatte kosten verbouwing [b-straat] ”. Dit overzicht omvat een handgeschreven begroting voor de woning te [plaats A] , die in totaal uitkomt op f 16.950,-.

2.4.

Bij conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie (blz. 3) heeft de vrouw met zoveel woorden betwist dat de man deze bedragen in de woning te [plaats A] heeft geïnvesteerd. Subsidiair betwistte zij dat het maken daarvan tot een waardestijging van de woning heeft geleid. Zij stelde niet bekend te zijn met het kostenoverzicht in prod. 16 van de man. Bovendien blijkt volgens de vrouw niet dat het in dit overzicht genoemde bedrag van € 40.070,55 afkomstig is uit privémiddelen van de man. Het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat de vrouw daarmee de stellingen van de man met betrekking tot de renovatiekosten zodanig concreet heeft betwist dat de juistheid van deze stellingen niet kon worden aangenomen: het hof heeft immers overwogen dat het op de weg van de man had gelegen zijn desbetreffende stelling met stukken nader te onderbouwen. Dat oordeel is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk.

2.5.

Voor zover de man met deze klacht wil zeggen dat hij de volgens het hof ontbrekende onderbouwing voldoende heeft geleverd door de bescheiden die hij in het geding had gebracht, faalt de klacht evenzeer. Het overzicht dat de man als productie 16 had overgelegd heeft het hof niet behoeven op te vatten als een voldoende onderbouwing dat de daarin vermelde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan, noch dat zij met privévermogen van de man zijn gefinancierd. Het overzicht in prod. 33 van de man gaf slechts een overzicht van begrote kosten, zonder dat daarbij is vermeld dat, door wie en vanuit welk vermogen deze kosten zijn voldaan. Nu een verdergaande toelichting of een onderbouwing met documenten ontbrak, kon het hof tot het oordeel komen dat de man deze betwiste stelling onvoldoende had onderbouwd.

2.6.

Nu deze overwegingen zelfstandig het oordeel dragen dat de vordering van de man met betrekking tot de gestelde investering in renovatiekosten dient te worden afgewezen, behoeft het discussiepunt of de gestelde kosten behoren tot de gewone kosten van de huishouding in de zin van art. 1:84 BW geen bespreking meer. Subonderdeel 1.1. faalt.

Vergoeding van geïnvesteerd privévermogen (overig)

2.7.

De overige klachten van middelonderdeel 1 betreffen het oordeel van het hof over de vordering van de man tot vergoeding van het bedrag dat hij vanuit zijn privévermogen zou hebben gestoken in de aankoop van de gemeenschappelijke woning te [plaats A] en indirect in de aankoop van de gemeenschappelijke woning te [plaats B] . De man stelt, onder verwijzing naar HR 10 januari 1992, NJ 1992/651 m.nt. E.E.A. Luijten, dat, ook al is de gemeenschappelijke woning in waarde gedaald, hij jegens de vrouw aanspraak behoudt op vergoeding van het volledige nominale bedrag dat hij uit privé-middelen in de eenvoudige gemeenschap heeft ingebracht (welke aanspraak naar zijn mening ook zou kunnen worden gebaseerd op het bepaalde in art. 3:172 en/of 3:166 lid 3 en/of 3:192 BW; zie subonderdeel 1.4). Redelijkheid en billijkheid doen daaraan niet af; voor zover dat wel het geval mocht zijn en het hof op die grond de aanspraak van de man heeft gematigd, heeft het hof volgens het middelonderdeel ontoereikend gemotiveerd waarom de man het risico van de waardedaling zou moeten dragen.

2.8.

In HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938, NJ 2007/395 heeft de Hoge Raad de rechtspraak met betrekking tot een eenvoudige (bijzondere) gemeenschap tussen echtgenoten die met uitsluiting van iedere gemeenschap zijn gehuwd samengevat als volgt:

“Wanneer echtgenoten gezamenlijk een goed in eigendom verkrijgen en met betrekking tot dat goed een bijzondere gemeenschap tussen hen ontstaat, is dat goed in beginsel voor rekening en risico van beide echtgenoten naar verhouding van hun aandeel in de aldus ontstane gemeenschap met betrekking tot dat goed. Uit art. 3:166 lid 2 BW vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privévermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. Wel heeft bij verdeling van de gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Niet geheel uitgesloten is, dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt (HR 10 januari 1992, nr. 14 631, NJ 1992, 651) […]. Hetgeen na aftrek van het totaal van die vergoedingen van de waarde of, bij vervreemding, van de opbrengst van het goed resteert, komt iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap – en dus niet naar evenredigheid van hetgeen hij ten behoeve van de verkrijging heeft besteed uit zijn privévermogen - toe.” (rov. 3.4.3)

Ter zijde: voor vergoedingsrechten die – anders dan in de onderhavige zaak − na 1 januari 2012 zijn ontstaan heeft, in afwijking van de laatste zin van het zo-even geciteerde arrest, te gelden7 dat de opbrengst van het goed aan iedere echtgenoot toekomt naar evenredigheid van hetgeen hij ten behoeve van de verkrijging heeft besteed uit zijn privévermogen (evenredigheidsbeginsel); niet naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap (in casu: 50/50)8.

2.9.

Waar men uit het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 1992, NJ 1992/651, nog zou hebben kunnen afleiden dat het vergoedingsrecht rechtstreeks op de andere echtgenoot kan worden verhaald, ook als de gemeenschap nog een verhaalsmogelijkheid biedt, volgt uit het arrest van 21 april 2006 dat het vergoedingsrecht in de eerste plaats op de gemeenschap moet worden verhaald9. Voor zover het gemeenschapsvermogen geen verhaal meer biedt, kan de tot de vergoeding gerechtigde echtgenoot het resterende bedrag voor de helft (dan wel naar rato van de verhouding waarin de echtgenoten in een tekort van de gemeenschap moeten dragen10) rechtstreeks vorderen van de andere echtgenoot11.

2.10.

In de vakliteratuur is nog gewezen op HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5576, NJ 2012/607, wat betreft het vergoedingsrecht van art. 1:95 lid 2 (oud) BW12. In rov. 3.3 van dat arrest overwoog de Hoge Raad als volgt:

“Een betaling door een echtgenoot uit diens privévermogen ten behoeve van de huwelijksgoederengemeenschap kan leiden tot een vordering ter hoogte van die betaling van die echtgenoot op die gemeenschap, maar niet […] tot een zodanige vordering van die echtgenoot op de andere echtgenoot.”

Deze overweging laat onverlet dat een echtgenoot, voor zover hij voor zijn vergoedingsrecht geen verhaal heeft op het gemeenschapsvermogen, voor de helft van het resterende bedrag verhaal kan hebben op de andere echtgenoot. Tegen deze achtergrond ligt het in de rede dat zowel voor vergoedingsrechten in het kader van een huwelijksgoederengemeenschap als voor vergoedingsrechten uit hoofde van een tussen de echtgenoten bestaande beperkte of eenvoudige gemeenschap, de aangehaalde maatstaf van HR 21 april 2006 geldt.

2.11.

Niet is uitgesloten dat op grond van redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval de hoogte van het nominale vergoedingsrecht moet worden aangepast13. Een dergelijke billijkheidscorrectie is toegepast in gevallen waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om geen rekening te houden met de waardestijging van de goederen die in de gemeenschap vallen14. Er is m.i. geen reden om de billijkheidscorrectie tot die situaties te beperken. In zijn arrest van 10 januari 1992 heeft de Hoge Raad immers willen uitdrukken dat de redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden een uitzondering kunnen maken op het beginsel dat wanneer echtgenoten een goed op beider naam verkrijgen, dat goed voor rekening en risico van beide echtgenoten komt, hetgeen tot gevolg heeft dat een waardestijging aan ieder voor de helft toekomt en een waardedaling door ieder voor de helft wordt gedragen. De billijkheidscorrectie kan meebrengen dat het vergoedingsrecht hoger uitvalt in geval van een waardestijging, maar ook dat het vergoedingsrecht lager uitvalt in geval van een waardedaling.

2.12.

Subonderdeel 1.2 gaat ten onrechte ervan uit dat aan de man rechtstreeks verhaal toekomt op de vrouw voor het volledige, nominale bedrag van de meerinbreng, aan welk recht de redelijkheid en billijkheid niet kunnen afdoen. Gelet op het voorgaande, faalt deze klacht.

2.13.

Subonderdeel 1.4 faalt voor zover het wil betogen dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt voor het volledige deel van het nominale vergoedingsrecht waarvoor de gemeenschap geen verhaal biedt. Een dergelijk verhaalsrecht kan ook niet worden gegrond op het bepaalde in art. 3:172 en/of 3:166 lid 3 BW en/of 3:192 BW. Nog afgezien van het feit dat art. 3:192 BW in de onderhavige zaak niet van toepassing is, zou dat immers betekenen dat de vrouw het volledige risico zou dragen van de investering van de man in de eenvoudige gemeenschap. Het onderdeel faalt overigens bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het hof niet heeft geoordeeld dat een vergoedingsgerechtigde echtgenoot uitsluitend jegens de gemeenschap zijn recht op vergoeding kan uitoefenen. Het hof heeft in rov. 4.5.9 van het tussenarrest geoordeeld dat de man ter zake van zijn vergoedingsrecht verhaal toekomt op de netto-opbrengst van een toekomstige verkoop van de woning te [plaats B] . Vervolgens heeft het hof beoordeeld of aan de man ook nog een vordering zou toekomen op de vrouw, indien en voor zover de netto-opbrengst onvoldoende zou zijn om de vergoeding aan de man te voldoen. Het hof heeft, in het licht van de redelijkheid en billijkheid, die vraag ontkennend beantwoord: de waardedaling van de gemeenschappelijke woning is – in de rechtsbetrekking tussen de man en de vrouw onderling − toe te schrijven aan de man, omdat hij te lang is blijven vasthouden aan het standpunt dat de woning aan hem zou moeten worden toegedeeld.

2.14.

Subonderdeel 1.3 is geschreven vanuit het uitgangspunt dat voor zover de man geen verhaal heeft op de eenvoudige gemeenschap, hem voor de helft van het resterende bedrag een verhaalsrecht op de vrouw toekomt. Niet kan worden uitgesloten dat op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, bezien in verband met de omstandigheden van het geval, de hoogte van het nominale vergoedingsrecht van de man naar beneden dient te worden bijgesteld. Het hof heeft deze billijkheidscorrectie niet gegrond op enkel de omstandigheid dat de man de voormalige echtelijke woning aanvankelijk aan zichzelf toebedeeld wilde zien. De vrouw heeft in cassatie, m.i. terecht, doen betogen dat het juist onbegrijpelijk zou zijn indien zij – naast het mislopen van de winst die na dadelijke verkoop van de woning aan een derde had kunnen worden gerealiseerd – ook nog eens het risico zou moeten dragen van het niet (langer) kunnen verhalen van het vergoedingsrecht op de gemeenschap15. Het hof heeft kennelijk bedoeld dat de gevolgen van de door de man gemaakte keuze – te parafraseren als het, gegeven zijn mogelijkheden voor financiering, te lang blijven vasthouden aan het standpunt dat hij deze woning zou kunnen overnemen, zulks terwijl de waarde daarvan op de onroerend goed-markt daalt − niet uitsluitend ten laste van de vrouw behoren te komen. De waardering hiervan is voorbehouden aan het hof; onbegrijpelijk voor de lezer is het oordeel niet.

2.15.

Subonderdeel 1.5 is voorwaardelijk voorgedragen, voor het geval dat het hof aansluiting heeft gezocht bij art. 1:87 BW. Nu dit niet zo is, faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt.

Het incidenteel cassatiemiddel

2.16.

Het bovenstaande brengt mee dat het door de vrouw voorwaardelijk voorgedragen incidenteel cassatiemiddel geen bespreking meer behoeft.

2.17.

Het onvoorwaardelijk gedeelte van het incidenteel cassatieberoep van de vrouw is gericht tegen de beslissing dat de man enig vergoedingsrecht kan uitoefenen ten laste van de netto-opbrengst van de gemeenschappelijke woning te [plaats B] . De vrouw klaagt dat het hof een gedeelte van grief V van de vrouw niet heeft behandeld. Primair maakte de vrouw in haar grief V bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank dat de overwaarde van de woning te [plaats B] tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld. De vrouw wenste dat zou worden uitgegaan van een overwaarde, gebaseerd op een waarde in het economisch verkeer van deze woning ten bedrage van € 273.500,-, met het argument dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat wordt afgeweken van een verdeling bij helfte. De vrouw had het hof verzocht het aandeel van de vrouw in de overwaarde alsnog vast te stellen op € 46.250,- (zijnde de helft van het verschil tussen de door de vrouw voorgestelde waarde van € 273.500,- en de restant-hypotheekschuld), althans op € 25.256,- (zijnde de helft van de overwaarde, indien wordt uitgegaan van een waarde van de woning van € 231.512,-).

2.18.

De klacht faalt. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat zij een verdeling anders dan bij helfte verlangde, maar zij vorderde uiteindelijk een verdeling van de overwaarde waarbij ieder de helft zou krijgen, zij het berekend tegen een (fictieve) waarde van die woning van € 273.500,-, althans van € 231.512,-. In feite wenste de vrouw af te wijken van de regel dat bij het bepalen van de waarde van hetgeen verdeeld moet worden, wordt uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling16. Ter comparitie zijn partijen overeengekomen dat als peildatum voor de waarde van de bijzondere gemeenschap de datum van de feitelijke verdeling zou worden aangehouden.

2.19.

Het hof heeft in rov. 3.4 van zijn eindarrest geoordeeld dat de verdeling van de gemeenschappelijke woning zal plaatsvinden door verdeling van de netto-opbrengst nadat de woning is verkocht en geleverd voor een koopsom gelijk aan of hoger dan € 218.000,-, met dien verstande dat het hof heeft geoordeeld dat de netto-opbrengst volledig aan de man toekomt, gelet op de hoogte van zijn vergoedingsrecht. Tot een dergelijke wijze van verdeling had ook de rechtbank in haar eindvonnis van 15 augustus 2012 besloten. In hoger beroep zijn partijen kennelijk van deze wijze van verdeling uitgegaan, althans is hierover in appel geen discussie meer gevoerd17. Nu het hof niet heeft gekozen voor een toedeling van de woning aan de man, tegen vergoeding van de overwaarde aan de vrouw, maar voor verdeling van de netto-opbrengst na een verkoop aan een derde, heeft de vrouw geen belang bij deze klacht. In het laatste geval doet immers niet ter zake tegen welke datum de waarde van het goed wordt berekend: het gaat slechts om de netto-verkoopopbrengst van de woning die in feite wordt behaald18.

De twee polissen bij Nationale Nederlanden; art. 1:135 lid 3 BW

2.20.

Een echtgenoot die opzettelijk een tot het te verrekenen vermogen behorend goed verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt waardoor de waarde daarvan niet in de verrekening is betrokken, dient de waarde daarvan niet te verrekenen, maar geheel aan de andere echtgenoot te vergoeden (art. 1:135 lid 3 BW). Blijkens de toelichting heeft de wetgever met dit voorschrift beoogd het bepaalde in art. 3:194 lid 2 over te nemen, zij het aangepast voor verrekenbedingen in die zin, dat het goed niet wordt verbeurd maar de waarde daarvan aan de ander dient te worden vergoed. Voorwaarde is wel dat daadwerkelijk een verrekening heeft plaatsgevonden waarin het desbetreffende goed niet is betrokken19. Het gaat hier om een bij wet bepaalde privaatrechtelijke sanctie. In de woorden van W. Snijders:

“De bepaling is weliswaar wegens haar strafkarakter uitzonderlijk, maar het is moeilijk deelgenoten op andere wijze effectief te beschermen tegen een vorm van bedrog die in de praktijk maar al te gemakkelijk is. In het bijzonder bij de gemeenschappen waarop art. 3:194 lid 2 van toepassing is, zijn de deelgenoten, voor wat betreft de in die gemeenschap vallende baten, vaak volledig van elkaars inlichtingen afhankelijk. Zonder een regel als de onderhavige is aan verzwijging nauwelijks enig risico verbonden; het enige gevaar dat men dan loopt, is dat het verzwegene alsnog in de verdeling moet worden betrokken, hoogstens met vergoeding van enige schade ter zake van vertraging.”20

2.21.

Krachtens art. 3:194 lid 2 BW, dat op zijn beurt is ontleend aan art. 1110 (oud) BW, verbeurt een deelgenoot zijn aandeel in de gemeenschap indien die deelgenoot opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt21. Voor de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW is aanleiding wanneer een der deelgenoten het bestaan van een tot de gemeenschap behorend goed verzwijgt, terwijl hij wist dat het goed tot de gemeenschap behoort22. Gelet op de geschiedenis van de Wet verrekenbedingen, reeds aangehaald, kan voor de toepassing van art. 1:135 lid 3 BW hetzelfde worden aangenomen als bij toepassing van art. 3:194 lid 2 BW, met dien verstande dat de sanctie ingaat nadat de verrekening heeft plaatsgevonden23. Tot aan het moment van de verrekening tussen de echtgenoten kan de verrekenplichtige echtgenoot dus nog melding maken van (het bestaan van) het in de verrekening te betrekken vermogensbestanddeel, onderscheidenlijk de in de verrekening te betrekken inkomsten.

2.22.

Het voorgaande brengt mee dat subonderdeel 2.1 tevergeefs door de man is voorgedragen. Blijkens rov. 7.4.6 van het eindarrest, heeft het hof uit de overgelegde stukken opgemaakt dat de man ten tijde van de echtscheiding kennis had van het bestaan van beide polissen, maar deze opzettelijk heeft verzwegen althans verborgen heeft gehouden. Daarin ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de man wist dat deze polissen behoorden tot het vermogen dat (omdat de bedongen periodieke verrekening achterwege was gebleven) alsnog tussen partijen verrekend moest worden. Daarvan uitgaande, heeft het hof de regel van art. 1:135 lid 3 BW correct toegepast en zijn oordeel op voor de lezer inzichtelijke wijze gemotiveerd.

2.23.

Subonderdeel 2.2 is gericht tegen het oordeel dat daadwerkelijk verrekening heeft plaatsgevonden, zoals bedoeld in dit artikellid. De rechtsklacht houdt in24 dat de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW buiten toepassing dient te blijven indien tijdens de procedure voor de burgerlijke rechter waarin de verrekening wordt vastgesteld verzwegen vermogen alsnog in de verrekening wordt betrokken: onder ‘procedure’ is hier ook de appelprocedure begrepen.

2.24.

Bij toepassing van art. 3:194 BW kan zich de vraag voordoen of het intreden van de sanctie op het tijdstip dat verdeling plaatsvindt25 wordt voorkomen indien, na het bedrog, de verzwegen goederen alsnog worden opgegeven. Snijders wil die mogelijkheid niet uitsluiten ingeval bij de boedelbeschrijving − waarmee wettelijk de verdeling wordt aangevangen (zie art. 3:194 lid 1 BW) − een bate opzettelijk is verzwegen en de betrokken deelgenoot uit eigener beweging het goed alsnog aanmeldt. Het zou anders zijn indien het goed pas boven water komt dankzij de alertheid van de overige deelgenoten26. Het hof ’s-Hertogenbosch past de sanctie bovendien ook toe ten aanzien van een deelgenoot die (slechts) ten opzichte van de Belastingdienst tot “inkeer” was gekomen27.

2.25.

Bij de toepassing van art. 1:135 lid 3 BW is niet voldoende dat het tijdstip is overschreden waarop volgens de huwelijkse voorwaarden verrekening had behoren te geschieden (bij een periodiek verrekenbeding doorgaans: aan het einde van elk kalenderjaar). De sanctie gaat eerst in nadat verrekening heeft plaatsgevonden; tot dat moment kan een verrekenplichtige echtgenoot alsnog melding maken van het bestaan van inkomsten of vermogensbestanddelen die in de verrekening behoren te worden betrokken. In het onderhavige geval zijn partijen niet zelf tot verrekening overgegaan, maar heeft de rechtbank bij vonnis van 15 augustus 2012 bepaald hoe de verrekening tussen partijen geschiedt. Uit rov. 2.2 volgt dat het vonnis zich niet beperkt tot een beslissing over een deelkwestie, maar dat het door de rechtbank vastgestelde saldo uitvoering geeft aan de verrekening die partijen volgens de huwelijkse voorwaarden moesten verrichten en waarover zij het niet eens konden worden. De hieruit voor de man en vrouw voortvloeiende verplichtingen zijn van rechtswege ingegaan op het moment dat het vonnis is uitgesproken28. Vanaf dat moment kon de sanctie van art. 1:135 lid 3 BW toepassing vinden. Daartegen kan het argument worden ingebracht dat, zo lang het vonnis van de rechtbank nog niet onherroepelijk is, de vastgestelde verrekening in hoger beroep ter discussie kan worden gesteld en, na vernietiging van het vonnis van de rechtbank, door een andere verrekening kan worden vervangen. Gelet op de ratio van de bepaling (bevordering van maximale transparantie tussen verrekenplichtige echtgenoten omtrent hetgeen in de verrekening moet worden betrokken), is aan de maatstaf van art. 1:135 lid 3 BW voldaan zodra in eerste aanleg door de rechtbank de verrekening is vastgesteld. Zo beschouwd, faalt subonderdeel 2.2.

2.27.

Subonderdeel 2.3 berust op een ongeoorloofd novum en treft daarom geen doel.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep en, voor zover de Hoge Raad daaraan toekomt, tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Zie rov. 4.1 en 4.5.3 – 4.5.7 van het tussenarrest van 4 februari 2014, hier verkort weergegeven.

2 In rov. 4.5.5 vermeldt het hof abusievelijk 27 juli 2007; vgl. prod. 2 bij CvA conventie/CvE reconventie.

3 In de gedingstukken is ook sprake van een “bijzondere gemeenschap”, zulks ter onderscheiding van een (tussen partijen niet bestaande) algehele gemeenschap van goederen.

4 Dit laatste volgt uit de afwijzing van het meer of anders gevorderde, in samenhang met het tussenvonnis van 29 juni 2011 onder 3.3.2.

5 Rov. 4.5.7 tussenarrest. Zie ook: art. 1:84 BW.

6 CvA conv/CvE reconv. onder 18.

7 Krachtens art. V lid 1 van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen in verbinding met art. 1:87 BW.

8 S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium Personen- en Familierecht, 2015, blz. 79-80 (onder verwijzing naar art. 1:87 lid 1 BW); De Bruijn-Huijgen-Reinhartz, Het Nederlandse Huwelijksvermogensrecht, 2012, blz. 315, voetnoot 288.

9 Zie ook HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7904; HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5576, RFR 2013/13, NJ 2012/607, rov. 3.3, m.b.t. de huwelijks-goederengemeenschap.

10 Asser/De Boer 2010, nr. 457.

11 HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2399, NJ 2006/60, rov. 3.4.9, en alinea 14 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense; Asser/De Boer 2010, nr. 457; Klaasen-Luijten-Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht I, Huwelijksgoederenrecht, nr. 540; De Bruijn-Huijgen-Reinhartz, Het Nederlandse Huwelijksvermogensrecht, 2012, blz. 161 en 305f; L.C.A. Verstappen, Afrekenen van meerinbreng bij mede-eigendomsverhoudingen, WPNR 2009/6814.

12 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen Deel A, blz. 418. Zie ook: Dijk-Soons, Preadvies BCN 1966, blz. 56.

13 Zie Asser/De Boer 2010, nr. 454j; HR 12 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2558, NJ 1988/150; HR 10 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0469, NJ 1992/651; HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2399, NJ 2006/60. Zie ook: M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen Deel A, 2014, blz. 378-384.

14 Bijvoorbeeld HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1856, NJ 2008/110.

15 S.t. namens de vrouw, blz. 8.

16 HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2515, NJ 1996/710 m.nt. W.M. Kleijn; HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2130, NJ 1997/593 m.nt. W.M. Kleijn; HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2851, NJ 1999/551 m.nt. W.M. Kleijn.

17 De rechter die de verdeling op voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststelt is overigens vrij in de keuze waarop die verdeling plaats zal vinden. Hij is daarbij niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd, zie HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3697, NJ 2003/534. Zie in het algemeen over de (wijzen van) verdeling: W.R. Meijer, De afwikkeling van een huwelijksgemeenschap, 2009, blz. 93-130; M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen Deel A, 2014, blz. 225-250.

18 Zo ook de rechtbank in rov. 3.3.3 van haar tussenvonnis van 29 juni 2011. Zie ook: Groene Serie, Vermogensrecht, art. 3:185, aantek. 12 (H.H. Lammers) en rov. 15-17 van Hof Den Haag 27 maart 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7806 in een vergelijkbaar geval.

19 MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27 544, nr. 3, blz. 13.

20 W. Snijders, Verleden en toekomst van art. 3:194 lid 2, in: Yin-Yang (Van Mourik-bundel), 2000, blz. 361.

21 Onder verwijzing naar Hof Arnhem 12 april 1927, NJ 1927/1249 en Meijers, WPNR 1929/3128, stelt Perrick (Asser/Perrick (4) 2013, nr. 492) dat het zoek maken of verborgen houden van goederen telkens plaatsvindt wanneer door een deelgenoot een handeling wordt verricht of iets wordt nagelaten met het oogmerk de rechten der deelgenoten of schuldeisers van de gemeenschap te verkorten. Het opzettelijk verzwijgen of het geven van onjuiste informatie omtrent het bestaan van goederen die tot de gemeenschap behoren zijn voorbeelden van een dergelijk handelen of nalaten.

22 MvA II, Parl. Gesch. 3, blz. 630. Zie verder: B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding, diss. 2008, blz. 403 - 414. Voor enkele voorbeelden van de toepassing van art. 3:194 lid 2 zie: M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen Deel A, 2014, blz. 330, voetnoot 119.

23 Zie ook Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:135, aant. 3 (A.L.G.A. Stille).

24 Onder verwijzing naar: B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding, diss. 2008, blz. 408.

25 Asser/Perrick, 3-V*, 2011/110.

26 W. Snijders, Verleden en toekomst van art. 3:194 lid 2, in: Van Mourik Bundel, 2000, blz. 366.

27 Hof ’s-Hertogenbosch, 24 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH8197.

28 Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2015, blz. 157.