Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2039

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2015
Datum publicatie
03-11-2015
Zaaknummer
13/04773
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3207, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO + constatering schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04773

Zitting: 8 september 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 10 september 2013 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming danwel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 13/04771 en 13/04772. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Mr. E.M. Witjens en mr. Th.J. Kelder, beiden advocaat te 's-Gravenhage, hebben namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen en het tot vrijspraak strekkende verweer vanwege het ontbreken van dat opzet op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden is verworpen.

  5. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 17 januari 2004 tot en met 31 december 2006 te Eindhoven in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de verplichting neergelegd in artikel 62 van de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (Wajong), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (Wajong), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, telkens - zakelijk weergegeven - toen en daar niet aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) gemeld dat hij met een onderneming (eenmanszaak) zich heeft laten inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost-Brabant en dat hij werkzaamheden had verricht en dat hij inkomsten had ontvangen.”

6. Het hof heeft naar aanleiding van het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen:

“De verdachte heeft de feitelijke handelingen, zoals deze zijn ten laste gelegd en door het hof bewezen zijn verklaard, niet ten gronde betwist. Door en namens verdachte is betwist dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, aangezien hij daartoe vanwege zijn stoornissen niet in staat is (bleek).

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft een aanvraagformulier arbeidsongeschiktheidsuitkering Wajong, gedateerd op 17 september (het hof begrijpt) 2003, ingediend bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna UWV) (zie bijlage 3 bij het proces-verbaal werknemersfraude met proces-verbaalnummer 447312). Verdachte heeft dit aanvraagformulier ook ondertekend, waarmee hij te kennen geeft dat het hem bekend is dat overtreding van de mededelingsverplichting - onder meer - kan leiden tot strafvervolging door de officier van justitie.

Op de eerste pagina van voornoemd aanvraagformulier staan de van belang zijnde veranderingen die dienen te worden doorgegeven aan het UWV. Eén van die van belang zijnde veranderingen die in het formulier wordt genoemd, is ‘het gaan verrichten van werkzaamheden’. Voorts blijkt uit het aanvraagformulier dat inkomsten alsmede het werken als zelfstandige dienen te worden opgegeven. Verdachte heeft echter geen van deze gegevens nadien aan het UWV verstrekt.

Nu het door verdachte ingediende aanvraagformulier melding maakt van de op de aanvrager rustende verplichtingen ten aanzien van welke gegevens aan het UWV moeten worden verstrekt, had verdachte naar het oordeel van het hof minstgenomen redelijkerwijze moeten vermoeden dat de inschrijving van zijn eenmanszaak in de Kamer van Koophandel, het verrichten van werkzaamheden en het ontvangen van inkomsten van belang waren.

De verdediging heeft bepleit dat het bij verdachte aan opzet heeft ontbroken, vanwege de stoornissen waaraan hij lijdt. Het hof stelt voorop dat een geestelijke stoornis van de verdachte slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake. Het hof is van oordeel dat het bestaan van feiten of omstandigheden waaruit dient te worden afgeleid dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, niet aannemelijk zijn geworden. Anders dan de raadsman acht het hof het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.”

7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 227b Sr. Het daarin omschreven delict draait om het opzettelijk nalaten, waaronder voorwaardelijk opzet is begrepen, van het verstrekken van relevante informatie. Het vereist dat de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat bepaalde gegevens van belang (kunnen) zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van zo'n verstrekking of tegemoetkoming, dat hij beseft dat hij die gegevens op een bepaald tijdstip en een bepaalde plaats behoorde te verstrekken, en dat hij zich bewust is van zijn nalatigheid aan die verplichting te voldoen.1 Zoals mijn ambtgenoot Aben opmerkte, heeft de wetgever daarmee vooral de nadruk gelegd op het cognitieve aspect van dit misdrijf (het weten of redelijkerwijs vermoeden), en minder op het volitieve aspect (het willen). Daardoor kan het opzet relatief eenvoudig worden afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte aan de uitkeringsinstantie geen informatie heeft verstrekt, hoewel hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat en op welke gronden hij bepaalde gegevens (tijdig) diende te verstrekken.2

8. Ten eerste merk ik op dat ik, anders dan kennelijk de steller van het middel, in de bewijsoverwegingen van het hof niet lees dat het hof heeft miskend dat er zowel sprake moet zijn van opzettelijk nalaten van het verstrekken van de benodigde gegevens, als van het weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat die gegevens van belang zijn. Het hof heeft vastgesteld dat het aanvraagformulier inhoudt welke gegevens aan het UWV moeten worden verstrekt, dat verdachte gelet daarop minstens had moeten vermoeden dat de inschrijving van zijn eenmanszaak bij de Kamer van Koophandel, het verrichten van werkzaamheden en het ontvangen van inkomsten van belang waren, dat hem blijkens de ondertekening van het formulier bekend is dat overtreding van de mededelingsverplichting onder meer kan leiden tot strafvervolging, maar dat hij geen van genoemde gegevens aan het UWV heeft verstrekt. Daarin ligt als zijn oordeel besloten dat verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat de gegevens van belang waren én dat hij bewust of opzettelijk heeft nagelaten om deze te verstrekken. Gelet daarop faalt ook de klacht dat het hof niet de stelling heeft weerlegd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het nalaten de bedoelde informatie te verstrekken.

9. Voor zover verder wordt betoogd dat de motivering van de bewezenverklaarde opzet met de verwijzing naar het (onvolledig ingevulde) aanvraagformulier te kort schiet, geldt het volgende. In de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen ligt als oordeel van het hof besloten dat en waarom verdachte uit het aanvraagformulier heeft kunnen opmaken dat hij bedoelde gegevens moest verstrekken en verdachte zich dat ook redelijkerwijs had moeten realiseren, dat verdachte mede gelet daarop bewust of opzettelijk heeft nagelaten om die gegevens te verstrekken en dat niet is gebleken dat verdachtes gestelde geestelijke stoornissen zodanig waren dat deze aan dat oordeel in de weg stonden. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De gebezigde bewijsmiddelen houden immers onder meer in i) dat verdachte op het aanvraagformulier, hoewel daarnaar gevraagd, niet heeft aangegeven dat hij werkzaamheden ging (of was gaan) verrichten en dat hij als zelfstandige had gewerkt en daarmee iets verdiende, en ii) dat hij door de ondertekening van dat formulier heeft verklaard het formulier volledig en naar waarheid te hebben ingevuld. Uit die bewijsmiddelen volgt voorts dat een eenmanszaak van verdachte stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat hij werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft gehad, en dat hij zelf heeft verklaard een en ander niet te hebben gemeld aan het UWV. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte redelijkerwijs in ieder geval het vermoeden moet hebben gehad dat het ging om gegevens die hij diende te verstrekken en dat hij deze desondanks niet heeft verstrekt en dus dat verdachte tenminste met voorwaardelijk opzet heeft nagelaten de bedoelde gegevens te vermelden op het formulier. Invullen en tekenen zijn immers bewuste gedragingen en alvorens een handtekening te zetten moet verdachte zich gerealiseerd hebben dat hij de formulieren naar waarheid moest invullen en dat het invullen van belang was voor zijn recht op een uitkering, zodat het niet anders kan zijn dan dat hij zich heeft afgevraagd of hij het formulier correct had ingevuld.3 Dat de raadsman kennelijk meent dat uit de (gebezigde) bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte uit het aanvraagformulier heeft kunnen opmaken dat hij bedoelde gegevens moest verstrekken, dan wel dat verdachte zich dat mede als gevolg van (de beperkingen van) zijn ‘subjectieve geestelijke vermogens’ heeft gerealiseerd, doet aan het voorgaande niet af nu het hof het aanwezige bewijsmateriaal niet-onbegrijpelijk anders heeft gewaardeerd dan de raadsman. Die waardering (en selectie) van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO bedoelde motivering.

11. Het tweede middel bevat de klacht dat de inzendingstermijn in cassatie is overschreden.

12. Namens verdachte is op 18 september 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn bij de Hoge Raad op 28 januari 2015 binnengekomen waardoor de inzendtermijn van acht maanden met ruim acht maanden is overschreden. Daarover wordt dus terecht geklaagd. Daarbij komt dat meer dan twee jaren zullen zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op het moment dat de Hoge Raad uitspraak doet, en dat de overschrijding van de inzendtermijn dus niet meer door een voortvarende behandeling kan worden gecompenseerd. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.

13. Overigens heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1994-1995, 23 993, nr. 3 (MvT), p. 12-13. Zie ook NLR, aant. 4 bij art. 227b (bijgewerkt tot 1 oktober 2000 door A.J.A. van Dorst).

2 Conclusie van 14 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1076. Aben verwijst daarbij naar de bespreking door De Hullu van de “kern van opzet” in: J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 233.

3 Zie bijvoorbeeld ook de hiervoor genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Aben en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Bleichrodt van 27 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BK1751 (in beide zaken deed de Hoge Raad de zaak af met toepassing van art. 81RO).