Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2026

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
15/00463, 15/00464
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3246, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Persoonsverwisseling. Aanvragen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nrs. 15/00463 H en 15/00464 H

Zitting: 1 september 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[aanvraagster]

1. De aanvraagster is in de zaak met parketnummer 13/017723-11 bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 31 maart 2011 wegens “verduistering” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis. Tevens is bij dit vonnis een vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het vonnis is voorwerp van de herzieningsprocedure met als kenmerk 15/00464H. In de zaak met parketnummer 13/664053-11 en de gevoegde zaken met parketnummers 13/850342-11 en 13/850452-11 is de aanvraagster bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in dezelfde rechtbank van 7 juli 2011, wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” respectievelijk “diefstal” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.1 Dit vonnis staat centraal in de herzieningsprocedure met als kenmerk 15/00463H.

2. Namens de aanvraagster heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, aanvragen tot herziening van voornoemde vonnissen ingediend.

3. Beide aanvragen zijn gestoeld op de stelling dat een ander dan de aanvraagster de bewezen verklaarde feiten heeft begaan en dat die ander gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van de aanvraagster. Aangezien de aanvragen op dezelfde gronden rusten, zal ik in deze conclusie op beide aanvragen ingaan.

4. Ter onderbouwing van de aanvragen zijn onder meer de volgende stukken bij de aanvragen gevoegd:

- Een brief van [betrokkene 1] namens de officier van justitie aan het CJIB van 17 april 2014, waarin opdracht wordt gegeven “de executie van bovengenoemde parketnummers definitief te staken en ter verjaring op te leggen” (bijlage 3)2;

- Een verslag dat kennelijk is opgemaakt naar aanleiding van een door het openbaar ministerie uitgevoerd onderzoek naar de gestelde persoonsverwisseling. Bij dit verslag zijn twee processen-verbaal van de politie Amsterdam/Amstelland van 24 juni 2010 gevoegd. In het eerste proces-verbaal verklaart de verbalisant dat van [aanvraagster], geboren op [geboortedatum] 1992, in het verleden de in het proces-verbaal afgebeelde foto met als kenmerk PL1300:10:41501 is vervaardigd en dat de uiterlijke kenmerken van de (destijds) aangehouden verdachte overeenkomen met de die op de desbetreffende foto. De verbalisant verklaart dat het gaat om “een en dezelfde persoon”. In het tweede proces-verbaal verklaart de verbalisant dat van [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1991, in het verleden de in het proces-verbaal afgebeelde foto met als kenmerk PL1300:10:41502 is vervaardigd. De uiterlijke kenmerken van de destijds aangehouden verdachte komen volgens de verbalisant overeen met die op de bedoelde foto, waaraan wordt toegevoegd dat het gaat om “een en dezelfde persoon”. Ook zijn bij dit verslag gevoegd een kopie van het paspoort van de aanvraagster en een proces-verbaal van de politie waarop een kopie van de identiteitskaart van [betrokkene 2] is weergegeven (bijlage 5).

5. Ingevolge art. 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv kan als grondslag voor een herziening dienen een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt en wel zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

6. De vier feiten waarvoor de aanvraagster bij de twee vonnissen is veroordeeld, zijn gepleegd in de periode januari tot en met mei 2011. Telkens is daarbij een verdachte aangehouden, die aan de politie de personalia van de aanvraagster heeft opgegeven. Uit de stukken van de dossiers die ten grondslag liggen aan het vonnis van 7 juli 2011 blijkt niet dat door de politie aan de hand van een identiteitsbewijs de identiteit van de aangehouden persoon is vastgesteld. In het relaas van een verbalisant in de zaak die heeft geleid tot het vonnis van 31 maart 2011 is weliswaar vermeld dat de identiteitsgegevens op de bijgevoegde kopie van het identiteitsbewijs, welke de verdachte met zich droeg, overeenkomen met de door de verdachte opgegeven gegevens en dat de foto op het identiteitsbewijs “gelijkend is aan de verdachte”, maar een kopie van een identiteitsbewijs is niet bij het proces-verbaal gevoegd.3 Nu de verdachte in die zaak werd aangehouden voor het niet voldoen aan de verplichting een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden en ook tijdens haar verhoor op dezelfde dag verklaarde dat zij geen “ID” bij zich had en dat zij haar legitimatiebewijs was kwijtgeraakt, is aannemelijk dat de mededelingen over de “bijgevoegde kopie van het identiteitsbewijs” op een misslag berusten. Wel heeft in de vier zaken telkens een herkenning van de aangehouden persoon door een verbalisant plaatsgevonden aan de hand van een foto met nummer PL1300:10:41502, die reeds in de politiesystemen was opgenomen en die toen kennelijk op naam stond van de aanvraagster.4 In het eerder genoemde proces-verbaal van 24 juni 2010 wordt echter verklaard dat de foto met als kenmerk PL1300:10:41502 [betrokkene 2] betreft.

7. Ter onderbouwing van de herzieningsaanvragen wordt aangevoerd dat niet de aanvraagster maar een (voormalige) vriendin van de aanvraagster, te weten de eerder genoemde [betrokkene 2], telkens de aangehouden persoon betrof, en dat deze [betrokkene 2] bij haar aanhoudingen de personalia van de aanvraagster heeft opgegeven. De foto die tijdens die aanhoudingen ter herkenning is gebruikt, zou ten onrechte op naam van de aanvraagster hebben gestaan. Uit het eerder genoemde proces-verbaal van de politie van 24 juni 2010 blijkt immers dat de desbetreffende foto [betrokkene 2] betreft. Waarom de foto op een later moment niettemin aan de aanvraagster is gekoppeld, wordt uit de stukken niet duidelijk.

8. De aanvragen komen mij gegrond voor. Daarbij heeft voor mij de doorslag gegeven dat op 24 juni 2010 een herkenning van beide vrouwen heeft plaatsgevonden aan de hand van eerder gemaakte foto’s, waarbij tevens gebruik is gemaakt van eerder afgenomen vingerafdrukken van [betrokkene 2]. In een notitie die zich bij de stukken bevindt, wordt opgemerkt dat in de zaak waarin de fotoherkenning op 24 juni 2010 heeft plaatsgevonden [betrokkene 2] en de aanvraagster samen zijn aangehouden in verband met een winkeldiefstal. Bij de aanhouding heeft [betrokkene 2] de personalia van de aanvraagster opgegeven, terwijl de aanvraagster de personalia van haar zus [betrokkene 3] heeft opgegeven. Gelet op deze context, waarin beide vrouwen werden aangehouden en onderzoek heeft plaatsgevonden welke foto bij welke verdachte hoort, kan worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring in het proces-verbaal van 24 juni 2010, dat de foto met als kenmerk PL1300:10:41502 [betrokkene 2] betreft. Dezelfde foto is gebruikt bij de herkenning van de aangehouden verdachte in de zaken die ten grondslag liggen aan de vonnissen waarop de herzieningsaanvragen zien.

9. Daarbij komt dat bij het verslag van het onderzoek door het openbaar ministerie tevens een kopie van de identiteitskaart van [betrokkene 2] is gevoegd, alsmede een kopie van het paspoort van de aanvraagster. Ik ga ervan uit dat de foto’s op deze identiteitsbewijzen corresponderen met de houdsters daarvan. Hoewel beide vrouwen niet als dag en nacht van elkaar verschillen, kan worden geconstateerd dat de vrouw op de foto met als kenmerk PL1300:10:41502 meer gelijkenis vertoont met de persoon die is afgebeeld op de identiteitskaart van [betrokkene 2] dan met de vrouw die prijkt op het paspoort van de aanvraagster. Daardoor rijst het ernstige vermoeden dat [betrokkene 2] er ook na 2010 een slechte gewoonte van heeft gemaakt zich voor te doen als de aanvraagster. Daarbij merk ik nog op dat zich ID-staten SKDB van 16 juni 2015 ([aanvraagster]) respectievelijk 22 juli 2015 ([betrokkene 2]) bij de stukken bevinden. Op de ID-staat van de aanvraagster ontbreekt een foto, maar op die op naam van [betrokkene 2] is een gelaatsfoto beschikbaar alsmede een kopie van een identiteitskaart, die is gedateerd op 13 januari 2012, met daarop een foto. Beide foto’s vertonen een grote mate van gelijkenis met de eerder genoemde foto met als kenmerk PL1300:10:41502, waarvan kan worden aangenomen dat deze [betrokkene 2] betreft.

10. Daarbij komt het volgende. De handtekeningen die door de aangehouden persoon zijn geplaatst onder de processen-verbaal van haar verhoren en onder verschillende aktes van uitreiking verschillen in sterke mate van de handtekening op de kopie van het paspoort van de aanvraagster die bij de herzieningsaanvragen is gevoegd. Die in het oog springende verschillen ondersteunen het vermoeden dat in dezen sprake is van een persoonsverwisseling.

11. Het door het openbaar ministerie uitgevoerde onderzoek heeft ertoe geleid dat de officier van justitie de tenuitvoerlegging heeft gestaakt en heeft besloten tot het opleggen ter verjaring.5 Uit correspondentie tussen verschillende aan het openbaar ministerie verbonden personen blijkt dat de persoonsverwisseling aannemelijk werd geacht. Ook naar mijn mening rijst op grond van het bovenstaande het ernstige vermoeden dat niet de aanvraagster maar [betrokkene 2] is aangehouden voor de eerder genoemde strafbare feiten. Eén en ander roept het ernstige vermoeden op dat indien deze gegevens aan de politierechter bekend waren geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvraagster.

12. Anderzijds wil ik niet onvermeld laten dat de toenmalige medeverdachte in de zaak met parketnummer 13/664053-11, [betrokkene 4], in een politieverhoor heeft verklaard dat hij het feit samen met [aanvraagster] heeft gepleegd.6 Niet uitgesloten is echter dat deze medeverdachte bewust dan wel onbewust heeft meegewerkt aan het verhelen van de werkelijke identiteit van zijn toenmalige medeverdachte. De enkele verklaring van [betrokkene 4] acht ik in het licht van de voorgenoemde zwaarwegende omstandigheden die op persoonsverwisseling duiden dan ook niet zodanig dat daardoor de ernstige twijfel omtrent de juistheid van de veroordelingen van de aanvraagster wordt weggenomen.

13. Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van de aanvragen, met een bevel tot (voor zover nodig) de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak en met verwijzing van de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, jo. art. 471, eerste lid, Sv naar een ander gerechtshof, opdat deze in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De vonnissen zijn bij verstek gewezen. De aanvraagster is door het gerechtshof niet-ontvankelijk verklaard in de tegen de vonnissen ingestelde hoger beroepen, aangezien de beroepen waren ingesteld na het verstrijken van de appèltermijn. De tegen die arresten ingestelde cassatieberoepen zijn verworpen respectievelijk is de aanvraagster daarin niet-ontvankelijk verklaard.

2 Kennelijk abusievelijk vermeldt de brief dat de aanvraagster is geboren in 1964 te Marokko.

3 Proces-verbaal van relaas van 21 januari 2011, nummer 2011015509-1, dossierpagina 2.

4 In het proces-verbaal waarin het mondelinge vonnis van de politierechter van 31 maart 2011 is aangetekend, is volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Uit deze opgave kan worden afgeleid dat de politierechter het daderschap van de aangeefster heeft aangenomen op grond van de opgave van persoonsgegevens door de aangehouden persoon. Van het mondeling vonnis van 7 juli 2011 is slechts aantekening gedaan, waarin de bewijsmiddelen niet zijn opgenomen. Op grond van het dossier kan evenwel worden aangenomen dat de opgave van persoonsgegevens van de aanvraagster door de aangehouden persoon en de fotoherkenning door de verbalisanten redengevend zijn geweest voor het oordeel van de politierechter dat de toenmalige verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

5 Zie de als bijlage 3 bij de verzoeken gevoegde brief van 17 april 2014, namens de officier van justitie door [betrokkene 1] verzonden aan het CJIB te Leeuwarden.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 maart 2010, nummer 2011054850-7, dossierpagina 16.