Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2021

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
14/05266
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3263, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklachten schuldheling bij aanschaf motorboot via marktplaats. Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de boot in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Het Hof heeft niets overwogen omtrent de redelijkerwijs van verdachte als koper te vergen controle van de herkomst van de boot, de staat van de boot in relatie tot de betaalde koopprijs en de marktwaarde van de boot t.t.v. het voorhanden krijgen daarvan. De enkele omstandigheid dat het Hof de (desalniettemin voor het bewijs gebezigde) verklaring van verdachte m.b.t. de periode van aankoop van de boot ongeloofwaardig heeft geacht, maakt nog niet duidelijk dat verdachte had moeten vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05266

Zitting: 1 september 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 april 2014 het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2013, waarbij de verdachte wegens “schuldheling” bij verstek is veroordeeld, met aanvulling van gronden1 bevestigd, behalve wat betreft de strafoplegging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R. Hörchner, advocaat te Breda, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat de gebezigde bewijsmiddelen, zonder nadere motivering, de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, niet kunnen dragen. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het dienovereenkomstig in hoger beroep gevoerde verweer van de verdediging onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“in de periode van 14 oktober 2009 tot en met 12 april 2011 te [plaats] , uit winstbejag, een door misdrijf verkregen motorboot, type Interboat 19, registratienummer [001] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij, ten tijde van het voorhanden krijgen, redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 12 april 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant] , voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant:

“Op 12 april 2011 werd ik gebeld door een man welke zich voorstelde als zijnde genaamd [betrokkene 1] . [betrokkene 1] verklaarde dat hij op 12 april 2011 naar het adres [a-straat] te [plaats] was geweest. Hij had interesse in een vaartuig van het merk Interboat type 19. Dit vaartuig werd aangeboden op Marktplaats.nl voor 13.950,00 euro.

[betrokkene 1] verklaarde dat hij had gezien dat in de achterbank van het vaartuig de naam “ [betrokkene 2] ” was gekrast. [betrokkene 1] gaf mij het volgende CIN op: [002] . [betrokkene 1] verklaarde dat hij het CIN had nagevraagd bij de fabrikant en dat hem door een medewerker werd medegedeeld dat dit vaartuig in oktober 2009 was ontvreemd. [betrokkene 1] verklaarde geen goed gevoel bij de aanbieder en zijn vaartuig te hebben.

Ik heb in het politiesysteem een proces-verbaal van aangifte van diefstal van een vaartuig gevonden. Daarin stond dat op 14 oktober 2009 aangifte was gedaan door een man genaamd: [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932. [betrokkene 2] verklaart dat zijn vaartuig, een Interboat type 19 voorzien van CIN [002] tussen 13 en 14 oktober 2009 was weggenomen te [plaats] .

Door mij is middels het GBA het adres [a-straat] te [plaats] bekeken en vastgesteld dat daar woonachtig is in een woonschip de navolgende persoon genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968.”

(ii) Een op 14 april 2011 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“U vraagt mij hoe ik de boot heb gekocht. Ik heb de advertentie via Marktplaats gevonden. De adverteerder vroeg er niet veel geld voor. Ik heb de boot eind augustus/begin september 2009 gekocht. Ik heb geen proefvaart gemaakt, omdat het goed voelde. Ik heb 9.000 euro voor de boot betaald. In contanten. Ik verkoop via mijn eigen naam ‘ [verdachte] ’. Ik koop en verkoop veel via Marktplaats. Dat is min of meer mijn bron van inkomsten. Een Interboat 19 is nu ongeveer tussen de 12.000 en 15.000 euro. Dat is zo ongeveer de marktwaarde voor deze boten. De waarde van een Interboat 19 hangt ook af van de betimmering en uitvoering als motorvermogen. De vraagprijs bij aankoop was 8.950 euro. Het was inderdaad een koopje. U vraagt mij wat ik doe om te voorkomen dat ik een gestolen boot koop. Bij bootjes zeg ik u dat ik er niets aan doe. Ik ben te goeder trouw geweest en misschien een beetje te impulsief. Ik had er geen flauw idee van. U vraagt mij of ik weet dat er gestolen spullen worden verkocht op Marktplaats. Ja, de hele wereld is verrot en dat weet ook Marktplaats.”

(iii) Een op 16 juni 2011 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik moet eerlijk bekennen dat ik nooit in de jachthaven van [plaats] ben geweest. Ik heb die man, [betrokkene 3] , alleen aan de telefoon gehad. Hij heeft de sloep naar mij toe gevaren. Ik moet zeggen dat ik daar niet eerlijk over ben geweest, omdat ik niet tegen [betrokkene 4] wilde liegen. Ik wilde [betrokkene 4] het gevoel geven dat het wel goed zat, dat ik de sloep uit een gerenommeerde jachthaven had gehaald.”

(iv) Een factuur van Interboat motorsloepen van 19 oktober 2000, voor zover inhoudende:

“Aankoop Interboat 19 met 25 pk Vestus diesel.

Totaal: F 55.530,00.”

6. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de verdachte verweren gevoerd zoals weergegeven in het arrest. De verdachte zelf heeft op die terechtzitting ten aanzien van de aankoop van de boot verklaard dat hij de verkoper heeft ontmoet en dat deze betrouwbaar op hem over kwam. Hij heeft wel eens eerder een boot gekocht maar niet op die manier. De man gaf de verdachte een goede reden voor de verkoop van de boot, aangezien hij in scheiding lag en van de boot af wilde. De verdachte is op de boot geweest toen hij de boot kocht. Hij is met de man mee gevaren, terwijl de man de sleutels compleet had. Hoewel de boot niet duur was, was het voor de verdachte heel veel geld. De verdachte heeft groot onderhoud aan de boot laten plegen door een professioneel iemand, nu er wat achterstallig onderhoud was en de boot zwaar beschadigd was. Hij heeft de boot te goeder trouw gekocht.

7. Het hof heeft het door de verdediging gevoerde verweer onder “in hoger beroep gevoerd verweer” als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 mei 2010 (LNN: BL5625) op het standpunt gesteld dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier naar voren zijn gekomen niet zonder meer volgt dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was. De raadsman is van mening dat de prijs die de verdachte voor de boot heeft betaald gangbaar is en dat de verkoper een plausibele verklaring heeft gegeven waarom hij van de boot af moest. De boot was beschadigd en de prijs was niet exorbitant hoog. Daarnaast kwam de verkoper als betrouwbare man over die een goede indruk heeft gemaakt op de verdachte. Hieruit volgt naar de mening van de raadsman dat geen sprake is geweest van grove nalatigheid.

Het hof verwerpt het verweer. De verklaring van de verdachte dat hij de boot in augustus/september 2009 heeft gekocht strookt niet met de verklaring van de aangever dat de boot op 13 oktober 2009 is gestolen. Het hof acht reeds daarom de verklaring van de verdachte dat hij de boot eind augustus/begin september 2009 via Marktplaats heeft gekocht ongeloofwaardig. Het hof wordt in dit oordeel nog gesterkt door de omstandigheid dat de verdachte geen enkele concrete aanwijzing heeft kunnen geven over de persoon die de boot aan hem zou hebben verkocht of de herkomst van de boot.”

8. Ingevolge art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr maakt de verdachte zich schuldig aan het schuldheling van een goed indien hij het goed voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed.2 Daarvan is sprake indien de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed, had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezen verklaard.3 Wat van de verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

9. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het hof ten aanzien van de schuld van de verdachte het volgende heeft vastgesteld. De verdachte heeft via de internetsite marktplaats.nl voor € 9.000 een boot (een Interboat 19) gekocht zonder daarmee eerst een proefvaart te maken. Deze boot bleek enige tijd daarvoor te zijn gestolen. Volgens de verdachte was deze aanschaf “een koopje”, aangezien de marktwaarde van een dergelijke boot ten tijde van zijn verklaring bij de politie op 14 april 2011 tussen de € 12.000,- en € 15.000,- bedroeg. De boot is door de oorspronkelijke eigenaar in 2000 voor fl 55.530,- (omgerekend € 24.958,-) gekocht. De verdachte heeft met de verkoper, ene “ [betrokkene 3] ”, telefonisch contact gehad en de verkoper heeft de boot naar de verdachte toe gevaren. Voorts heeft de verdachte er naar eigen zeggen niets aan gedaan om te voorkomen dat hij een gestolen boot zou kopen, terwijl hij desgevraagd heeft geantwoord dat hij weet dat er op “marktplaats” gestolen spullen worden verkocht. Hij verklaart te goeder trouw te hebben gehandeld.

10. Mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, is de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte “ten tijde van het voorhanden krijgen, redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”, niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het hof heeft immers niet voldoende inzichtelijk gemaakt op welk punt en in welke mate de verdachte tekort is geschoten in zijn onderzoeksplicht zoals hiervoor onder 8 bedoeld, zodat hij met de voor schuldheling vereiste grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.4

11. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Uit de hiervoor onder 9 weergegeven vaststellingen volgt dat het hof kennelijk van belang heeft geacht dat de verdachte de boot voor € 9.000,- heeft gekocht, terwijl de marktwaarde van de boot volgens de verdachte in 2011 tussen de € 12.000,- en € 15.000,- lag. Het door de verdachte betaalde bedrag ligt weliswaar onder de marktprijs, maar betreft desondanks een substantieel bedrag. Daar komt bij dat niet blijkt dat het hof enig onderzoek heeft verricht naar de marktprijs van tweedehands boten, laat staan van de desbetreffende boot, doch slechts is afgegaan op de verklaring van de verdachte. Voornoemd bedrag dient overigens gerelateerd te worden aan de staat waarin de boot op het moment van de koop verkeerde. De verdachte heeft verklaard dat de boot beschadigd is geweest. Indien die stelling juist is, heeft dat betekenis voor de waarde van de boot. Het hof heeft niets vastgesteld omtrent de staat van de boot.

12. Ook heeft het hof kennelijk belang gehecht aan de omstandigheid dat de verdachte, ondanks zijn wetenschap betreffende de verkoop van gestolen goederen op “marktplaats”, niets heeft gedaan om te voorkomen dat hij een gestolen boot zou kopen. De enkele omstandigheid dat de verdachte na zijn aanhouding heeft verklaard dat hij in zijn algemeenheid weet dat er op “marktplaats” gestolen spullen worden verkocht, brengt echter niet zonder meer mee dat de verdachte (in dit specifieke geval) bij de aanschaf van de boot gehouden was nader onderzoek te verrichten naar de herkomst van de boot. Daarbij komt dat de verkoper volgens de verdachte een plausiubele verklaring had gegeven waarom hij van de boot “af moest”, te weten in verband met een echtscheiding.

13. Voorts heeft het hof van belang geacht dat de verdachte geen enkele concrete aanwijzing heeft kunnen gegeven over de persoon van de verkoper en de herkomst van de boot. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt evenwel niet dat het hof de verdachte daaromtrent enige vraag heeft gesteld. Gelet op de onderliggende stukken, is deze overweging van het hof bovendien niet zonder meer begrijpelijk. De verdachte heeft op 14 april 2011 bij de politie het volgende verklaard ten aanzien van de persoon van wie hij de boot heeft gekocht. Hij heeft de boot gekocht van ene [betrokkene 3] . [betrokkene 3] was een blanke Nederlandse man met donkerblond kort haar, zonder snor, baard of bakkebaarden, die accentloos Nederlands sprak. [betrokkene 3] had geen piercings of opvallende kettingen. Hij was ongeveer 1,75 meter lang en had een normaal postuur. [betrokkene 3] droeg een opvallende groene “leger” parka en een blauwe spijkerbroek. [betrokkene 3] zou in [plaats] (een wijk in [plaats]) gaan wonen.5 Daarmee heeft de verdachte, in aanmerking genomen dat de verkoop ongeveer anderhalf jaar eerder heeft plaatsgevonden en door middel van contact via “marktplaats” tot stand is gekomen, een relatief gedetailleerde verklaring afgelegd over de verkoper. Ten overvloede merk ik in dit verband nog op dat uit het dossier niet blijkt dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding zouden moeten geven tot extra waakzaamheid van zijn kant. Uit een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 juli 2013 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een helingsfeit noch voor enig ander strafbaar feit.6 Van een “gewaarschuwd man” was derhalve geen sprake.

14. Bovendien hebben de verdachte en diens raadsman met argumenten onderbouwd aangevoerd dat er geenszins sprake was van een situatie waarin de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was. Daarbij is er onder meer op gewezen dat het ging om een gangbare prijs, dat de verkoper een betrouwbare indruk maakte en een plausibele reden had waarom hij de boot moest verkopen en dat de boot was beschadigd. Het hof heeft in reactie op dit standpunt, zonder inhoudelijk in te gaan op de aangevoerde argumenten, slechts overwogen dat het de verklaring van de verdachte dat hij de boot eind augustus c.q. begin september 2009 via “marktplaats” heeft gekocht ongeloofwaardig acht, aangezien deze verklaring niet strookt met de verklaring van de aangever dat de boot op 13 oktober 2009 is gestolen en de verdachte bovendien geen enkele concrete aanwijzing heeft kunnen geven over de persoon die de boot aan hem zou hebben verkocht en over de herkomst van de boot. Hoewel het het hof, gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter, vrijstond deze verklaring van de verdachte terzijde te schuiven, heeft het hof aldus op geen enkele wijze aangegeven waarom de verdachte volgens het hof wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was. Een nadere bewijsmotivering wordt hier node gemist.

15. Daar komt bij dat het hof de voornoemde verklaring van de verdachte wel heeft opgenomen onder de gebezigde bewijsmiddelen (bewijsmiddel 2). Aldus heeft het hof heeft de bewezenverklaring mede doen steunen op de verklaring van de verdachte dat hij de boot eind augustus c.q. begin september 2009 via “marktplaats” heeft gekocht, terwijl het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft geoordeeld dat het die verklaring ongeloofwaardig acht. Het hof heeft dit onderdeel van de verklaring van de verdachte, dat niet redengevend is voor de bewezenverklaring, ten onrechte onder de bewijsmiddelen opgenomen. De bewijsvoering is daarom, op een punt dat niet van ondergeschikte betekenis is, innerlijk tegenstrijdig. Ook om die reden is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.7

16. Beide middelen slagen.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze aanvulling van gronden heeft betrekking op een aanvullende overweging van het hof in reactie op een in hoger beroep gevoerd verweer strekkende tot vrijspraak.

2 Vgl. HR 17 december 1985, NJ 1986/428, rov. 5.2.1.

3 Zie met betrekking tot schuldheling HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:772, rov. 5.2, HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631, NJ 2009/608, rov. 2.5, HR 13 mei 2003, NJ 2003/460, rov. 3.4 en HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177, rov. 4.5. Vgl. ten aanzien van schuldwitwassen HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014: 1588, rov. 3.3.

4 Zie met name HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1694, rov. 2 (schuldheling van een motorblok; het hof heeft de bewezenverklaring van de schuld van de verdachte gebaseerd op het feit dat hij het motorblok via marktplaats en “whatsapp” op straat bij een flat in een winkelcentrum heeft gekocht van een onbekende man, van wie hij geen naam en adresgegevens wist), HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6636, rov. 3 (schuldheling van mobiele telefoon; het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij de telefoon zou hebben gekocht bij een belwinkel ongeloofwaardig en betrekt bij zijn oordeel dat een ander kort na de aanhouding van de verdachte het vermoeden had dat er iets mis was met het toestel), HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5624, NJ 2010/305, rov. 2 (de verdachte heeft via marktplaats van een particulier voor € 120,- een fiets gekocht; het hof acht niet aannemelijk geworden dat de fiets ten tijde van de koop door de verdachte andere beschadigingen had dan de beschadiging aan het zadel) en HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5957, NJ 2008/228, rov. 3 (schuldheling van een fiets; het hof overweegt dat het onderdeel van de verklaring van de verdachte dat hij de fiets had geleend geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel en stelt dit onderdeel van die verklaring terzijde). Vgl. verder HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:213, rov. 2 (schuldheling fiets), HR 2 december 2014, ECL:NL:HR:2014: 3494, rov. 2 (schuldheling kentekenplaat), HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1691, rov. 2 (schuldheling fiets), HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647, rov. 2 (schuldheling bromfiets) en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4317, NJ 2013/31, rov. 2 (schuldheling MP3-speler).

5 Het hof heeft deze verklaring deels als bewijsmiddel 2 voor het bewijs gebruikt.

6 Het hof verwijst in zijn strafmotivering naar het uittreksel justitiële documentatie van 24 maart 2014. Dit uittreksel heeft kennelijk dezelfde inhoud, maar bevindt zich niet bij de stukken van het geding. Bij de stukken bevindt zich enkel het uittreksel van 26 juli 2013.

7 Vgl. voor gevallen waarin de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd, omdat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is: HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0094, rov. 3, HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5014, rov. 2, HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9187, rov. 3 en HR 13 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5708, rov. 2. Vgl. voor (recente) zaken waarin een dergelijk gebrek wegens onvoldoende rechtens te respecteren belang niet tot cassatie leidt: HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:715, rov. 3, HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:272, rov. 3, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382, rov. 3 en HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9936, rov. 2. In het onderhavige geval kan evenwel niet worden gezegd dat de bewezenverklaring mede gelet op de bewijsoverweging van het hof, zonder meer toereikend is gemotiveerd, indien voormeld onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt weggedacht.