Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2015

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-09-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
15/00502
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3302, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

art. 81 lid 1 RO. Onteigening; serieuze poging tot minnelijke verwerving van de gronden (art. 17 Ow)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/00502

mr. J.C. van Oven

25 september 2015

Conclusie inzake:

[eiseres]

eiseres tot cassatie

(mr. A.H. Vermeulen)

tegen

de Provincie Noord-Holland

verweerster in cassatie

(mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink)

In deze zaak heeft de rechtbank op verzoek van de Provincie de vervroegde onteigening uitgesproken ten behoeve van de uitvoering van het project N23 [a-straat], deeltraject 3 “A7-Markerwaarderweg”. Tussen partijen is in discussie of de Provincie een serieuze poging heeft ondernomen tot minnelijke verwerving van de gronden (art. 17 Ow). De rechtbank heeft het betreffende verweer van [eiseres] verworpen en daarbij in overweging genomen dat de Provincie de te onteigenen onroerende zaken heeft laten taxeren door een onafhankelijk taxateur en dat dit heeft geresulteerd in een onderbouwd taxatierapport, dat aan het aanbod van de Provincie ten grondslag heeft gelegen. In cassatie wordt de verwerping van dit verweer van [eiseres] met rechts- en motiveringsklachten bestreden en wordt geklaagd dat de rechtbank bij haar oordeel niet kenbaar het door [eiseres] bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte taxatierapport heeft betrokken. Ik houd de klachten voor ongegrond.

1 Procesverloop

1.1

Op 27 maart 2014 heeft de Provincie Noord-Holland (hierna: de Provincie) op de voet van art. 54a Ow de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, verzocht een rechter-commissaris te benoemen, alsmede drie deskundigen, en op een zo kort mogelijke termijn dag, tijd en plaats van samenkomst te bepalen voor opneming door de deskundigen van de volgende ter onteigening aangewezen, en aan [eiseres] in eigendom toebehorende onroerende zaken:

- Grondplannummer [A]: een deel van 00.85.55 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Hoorn, [001], totaal groot: 07.19.42 ha, kadastraal omschreven als “terrein (Industrie)” en

- Grondplannummer [B]: een deel van 00.43.86 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Hoorn, [002], totaal groot: 03.06.98 ha, kadastraal omschreven als terrein “(teelt-kweek)”.

1.2

De rechtbank heeft het verzoek bij beschikking van 22 april 2014 toegewezen.

1.3

Bij exploot van 26 juni 2014 heeft de Provincie eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, en gevorderd vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de Provincie van de hiervoor in 1.1 genoemde onroerende zaken.

1.4

De Provincie heeft aan [eiseres] een schadeloosstelling aangeboden van € 206.100 indien zij het aanbod aanvaardt en een bedrag van € 185.490 indien zij het aanbod niet aanvaardt.

1.5

[eiseres] heeft verweer gevoerd tegen de vordering tot onteigening en voorts de aangeboden schadeloosstelling verworpen. Zij heeft onder meer het verweer gevoerd dat er voorafgaand aan de dagvaardingsprocedure onvoldoende pogingen tot minnelijke verkrijging zijn gedaan, zodat de Provincie in haar vordering tot onteigening niet-ontvankelijk is. [eiseres] heeft subsidiair verzocht bij toewijzing van de vordering tot vervroegde onteigening het voorschot op de schadeloosstelling te bepalen op een bedrag van 90% van € 576.000. Laatstgenoemd bedrag betreft volgens de door [eiseres] ingeschakelde taxateur [betrokkene 1] de schade ten gevolge van de beoogde onteigening.

1.6

Bij vonnis van 3 september 2014 heeft de rechtbank (onder meer) de zaak verwezen naar de rol, zodat de Provincie zich bij akte kan uitlaten over het verweer van [eiseres] dat er voorafgaand aan de dagvaardingsprocedure onvoldoende pogingen tot minnelijke verkrijging zijn gedaan.

1.7

Na het nemen van een akte door de Provincie en een antwoordakte door [eiseres] hebben partijen de zaak op 9 december 2014 doen bepleiten. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 24 december 2014 ten name van de Provincie de gevorderde vervroegde onteigening uitgesproken en het door de Provincie te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 185.490. De rechtbank heeft verder een deskundigenonderzoek ter begroting van de schadeloosstelling bevolen en bepaald dat het voorlopig oordeel van de reeds eerder op de voet van art. 54a Ow benoemde deskundigen zal gelden als een conceptdeskundigenrapport ter begroting van de schade.

1.8

Bij akte houdende verklaring van cassatie van 31 december 2014 heeft [eiseres] (tijdig1) cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 24 december 2014. De cassatieverklaring heeft zij bij exploot van 21 januari 2015 (tijdig2) aan de Staat laten betekenen met dagvaarding van de Provincie tegen de rolzitting van Uw Raad van 13 maart 20153. De Provincie heeft op 22 januari 2015 een anticipatie-exploot uitgebracht waarin de aangezegde rechtsdag is vervroegd naar 6 februari 2015. De Provincie heeft vervolgens geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en verzocht om een spoedbehandeling. Partijen hebben hun respectieve standpunten nader schriftelijk toegelicht. De Provincie heeft gedupliceerd.

2 Inleiding en kernpunten van het debat; oordeel van de rechtbank

2.1

De onteigening is uitgesproken op basis van het Koninklijk Besluit van 12 februari 2014 nummer 2014000333, gepubliceerd in de Staatscourant van 7 maart 2014 nummer 5446. Bij dit besluit is op verzoek van de Provincie een aantal onroerende zaken ten algemenen nutte en ten name van de Provincie ter onteigening aangewezen ingevolge art. 72a Ow ten behoeve van het project N23 [a-straat], deeltraject 3 “A7-[b-straat]”, inhoudende de aanleg en aanpassing van de aansluiting van de Rijksweg A7 op de provinciale weg N302 (ter hoogte van de as MW7Z 800 A7) alsmede de reconstructie van de provinciale weg N302 vanaf de oprit van de Rijksweg A7, de grens met de gemeenten Koggenland en Medemblik (km 0,424) tot 1060 meter voor de kruising met de [b-straat] N240 (km 7,786) met bijkomende werken in de gemeenten Hoorn, Medemblik en Drechterland. Onder meer zijn aangewezen de hiervoor in 1.1 genoemde percelen.

2.2

[eiseres] heeft als verweer tegen de gevorderde onteigening onder meer aangevoerd dat de Provincie in de periode tussen het Koninklijk Besluit en de dagvaarding onvoldoende serieus heeft onderhandeld over een minnelijke verwerving. Daartoe heeft zij het volgende gesteld:4

“[eiseres] heeft ten eerste gesteld dat de provincie geen serieuze poging heeft ondernomen tot minnelijke verwerving van de gronden. Zij voert hiertoe het volgende aan. Voordat de realisatie van de [a-straat] concreet werd, was beoogd dat een bedrijventerrein zou worden gerealiseerd op (onder andere) de stukken grond van [eiseres] die ter onteigening zijn aangewezen. De provincie heeft in de onderhandelingen, in strijd met de hoofdregel in artikel 40c Ow, aanvankelijk geweigerd de realisatie van de [a-straat] weg te denken. De provincie heeft daardoor een veel te laag aanbod gedaan. De provincie is later van gedachten veranderd en heeft de N23 toen wel weggedacht. Dit had moeten leiden tot de conclusie dat de stukken grond van [eiseres] onderdeel vormen van het ontwikkelingsgebied voor het bedrijventerrein, in het verlengde waarvan de stukken grond een aanmerkelijke grondwaarde hebben. Daartoe heeft het echter niet geleid. De provincie heeft aangegeven dat een redelijk handelend koper verbreding van het wegtracé had verwacht, hetgeen de stukken grond van [eiseres] zou hebben geraakt, wat een waardedrukkend effect heeft. Deze aanname is, zo stelt [eiseres], onjuist. De bestaande rijstroken hebben een totale breedte van nog geen 8 meter terwijl de breedte van het bestaande weglichaam van de weg 40 meter is. Verbreding van de rijstroken kon dus eenvoudig plaatsvinden binnen het bestaande weglichaam. Een redelijk handelend koper zou er daarom geen rekening mee houden dat de gronden zouden worden aangewend voor wegverbreding maar zou juist verwachten om de stukken grond te kunnen ontwikkelen en uit te geven. Het voorgaande betekent dat de provincie niet redelijk heeft onderhandeld. Het was de provincie duidelijk, althans dat behoorde het haar te zijn, dat een redelijk handelend eigenaar dit door de provincie gestelde waardedrukkend effect nimmer zou accepteren. Door in de onderhandelingen aanvankelijk te weigeren het werk weg te denken en daarna te weigeren de consequenties van dit wegdenken ten volle te aanvaarden is niet voldaan aan de vereisten van artikel 17 Ow. Tot slot merkt [eiseres] op dat, voor zover uitgegaan wordt van onteigening van de stukken grond in verband met de weg, ook hiervoor geldt dat dit werk moet worden weggedacht zodat dit ook niet tot een waardevermindering leidt. (…)”

2.3

De rechtbank heeft met betrekking tot dit verweer als volgt geoordeeld:

“2.3. De rechtbank stelt het volgende voorop. Uitgangspunt is dat de onteigenende partij een poging moet hebben gedaan om de onroerende zaak minnelijk te verkrijgen. Op deze wijze kan onteigening worden voorkomen. Ontbreekt die poging, dan kan niet worden geconcludeerd dat onteigening noodzakelijk is. Artikel 17 Onteigeningswet stelt voor de ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de eis, dat de onteigenende partij moet hebben getracht de te onteigenen zaak bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Dat betekent dat serieus moet zijn onderhandeld. Bij de beoordeling van de vraag of serieus is onderhandeld geldt het volgende. Het is in dit stadium van de procedure niet aan de orde om de werkelijke waarde van de te onteigenen zaken vast te stellen, bijvoorbeeld om te beoordelen of het gedane aanbod serieus was. Het enkele feit dat partijen het niet eens zijn over de waarde en over de uitgangspunten voor de waardering maakt niet dat sprake is van geen serieuze onderhandelingspoging. Van het ontbreken van serieuze onderhandelingen kan bijvoorbeeld wel sprake zijn als de provincie een zodanig laag bod heeft gedaan dat dit niet meer serieus kan worden genomen dan wel dat de provincie evident onhoudbare uitgangspunten voor de vaststelling van de waarde heeft aangehouden.

2.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De provincie heeft onbetwist gesteld, en het blijkt ook uit de processtukken, dat de provincie de te onteigenen zaken heeft laten taxeren door een onafhankelijk taxateur en dat dit heeft geresulteerd in een onderbouwd taxatierapport. Voorts zijn partijen het eens over het uitgangspunt dat de N23 moet worden weggedacht. Partijen verschillen van mening over de waarde van de grond en over de vraag of een redelijk handelend koper mocht verwachten dat hij, uitgaande van het bedrijventerrein, er rekening mee moest houden dat hij zijn gronden zou kwijtraken aan wegverbreding van de oude weg. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat het aanbod van de provincie van aanvankelijk € 77.700,= en later, met wegdenken van de N23, € 205.435,= zodanig laag was dat het niet meer serieus te nemen was en ook niet dat het standpunt ten aanzien van de wegverbreding van de oude weg bij wegdenken van de N23 een evident onhoudbaar standpunt is. Dit betekent dat het verweer dat niet serieus is onderhandeld wordt verworpen.”

2.4

De rechtbank overwoog vervolgens als volgt met betrekking tot het voorschot op de schadeloosstelling:

2.6. (…)

[eiseres] heeft aangevoerd dat het voorschot hoger moet worden vastgesteld dan het bedrag van € 185.490,= dat de provincie in de dagvaarding aanbiedt, omdat de aangeboden schadeloosstelling veel te laag is en gebaseerd is op onjuiste keuzes bij de schadebegroting. [eiseres] merkt in dit kader op dat de gronden belast zijn met een hypotheek en dat de bank verlangt dat deze door [eiseres] voor de te onteigenen gronden wordt afgelost tegen een waarde van € 30,= per vierkante meter, hetgeen veel hoger is dan de m2 prijs van het aangeboden voorschot, waardoor [eiseres] in liquiditeitsproblemen kan komen. De provincie heeft dit verweer gemotiveerd betwist.

2.7.

De rechtbank oordeelt als volgt. In de kern komt ook dit verweer neer op een verschil van mening over de waarde van de gronden en de uitgangspunten voor de bepaling van de waarde. Deze waarde en deze uitgangspunten zullen, zoals reeds opgemerkt, niet thans maar later in de procedure, na advies van de deskundigen, worden bepaald. Dit verweer wordt daarom terzijde gelegd.

2.8.

De aangeboden schadeloosstelling wordt door [eiseres] als ontoereikend van de hand gewezen. De rechtbank zal het voorschot op de schadeloosstelling, overeenkomstig de vordering van de provincie, vaststellen op 90% van het bij dagvaarding aangeboden bedrag, zijnde € 185.490,=. [eiseres] verklaart immers expliciet geen zekerheidstelling voor de voldoening van de schadeloosstelling te verlangen (…).”

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel bevat drie onderdelen.

Onderdeel 1: art. 17 Ow

3.2

Het onderdeel keert zich tegen rov. 2.4. Onderdeel 1.1 klaagt dat de rechtbank daarin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling van de vraag of serieus is onderhandeld te oordelen dat er geen sprake van was dat de Provincie een zodanig laag bod heeft gedaan dat dit niet meer serieus kan worden genomen en bij dit oordeel niet kenbaar het door [eiseres] bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte taxatierapport te betrekken maar uitsluitend het door de Provincie in het geding gebrachte taxatierapport. Althans is het oordeel volgens onderdeel 1.2 onbegrijpelijk, omdat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom uitsluitend de in opdracht van de Provincie uitgevoerde taxatie moet worden gevolgd en niet (ook) de in opdracht van [eiseres] uitgevoerde taxatie bij de oordeelsvorming moet worden betrokken.

3.3

Over de reikwijdte van de onderhandelingsplicht van art. 17 Ow heeft Uw Raad in zijn arrest van 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24 met noot PCEvW het volgende overwogen:

“3.5. Artikel 17 van de Onteigeningswet schrijft de onteigenende partij gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij dient die partij niet te werk te gaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is, in welk geval immers te kort zou worden gedaan aan de strekking van het artikel dat is gericht op het zo mogelijk vermijden van een rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (…) dat de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening (…) en het uitbrengen van de dagvaarding (…). Hierbij verdient opmerking dat tekst, geschiedenis noch voormelde strekking van artikel 17 zich ertegen verzet dat bij het antwoord op de vraag of de onteigenende partij aan het voorschrift van artikel 17 heeft voldaan, mede acht wordt geslagen op hetgeen met betrekking tot de verkrijging in der minne zich voorafgaand aan het definitief worden van het besluit tot onteigening tussen partijen heeft afgespeeld en op het daaruit blijkende standpunt van de eigenaar. Immers, uit dat een en ander kan blijken dat hetgeen na het definitief worden van het besluit tot onteigening door de onteigenende partij is ondernomen heeft te gelden als een poging die beantwoordt aan voormelde strekking van artikel 17 en niet louter als een ingevolge de wet te vervullen formaliteit.”

3.4

De onteigenende partij mag bij de onderhandelingen niet te werk gaan “als ware het voorschrift van art. 17 Ow een vrijwel te verwaarlozen formaliteit”. Positief geformuleerd: de onteigenende partij dient een serieuze poging tot minnelijke verwerving te hebben ondernomen5. Dat brengt mee dat de onteigeningsrechter in het kader van het verweer dat art. 17 Ow zou zijn geschonden niet behoeft te onderzoeken wat de waarde van het te onteigenen is. Na een vonnis van vervroegde onteigening wordt in het vervolg van de procedure over de waarde van het onteigende geprocedeerd.6 Opmerking verdient verder dat de beantwoording van de vraag of serieus is onderhandeld bij uitstek ligt op het terrein van de feitenrechter, zodat de beantwoording daarvan in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan getoetst.7

3.5

Blijkens het voorgaande behoorde de rechtbank te onderzoeken of de Provincie als onteigenaar het voorschrift van art. 17 Ow niet als een te verwaarlozen formaliteit heeft beschouwd. Met haar oordeel dat zij geen aanwijzingen heeft dat het aanbod van de Provincie van aanvankelijk € 77.000 en later, met wegdenken van de N23, € 205.435, zodanig laag was dat het niet meer serieus te nemen was en dat het standpunt ten aanzien van de wegverbreding van de oude weg bij wegdenken van de N23 geen evident onhoudbaar standpunt is, heeft de rechtbank deze maatstaf aangelegd. De rechtsklacht faalt dus.

3.6

De motiveringsklacht van onderdeel 1.2 gaat ervan uit dat de rechtbank oordeelde dat (uitsluitend) de in opdracht van de Provincie uitgevoerde taxatie moet worden gevolgd en klaagt dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Ook deze klacht lijkt mij niet gegrond. De rechtbank is geenszins ervan uitgegaan dat de in opdracht van de Provincie uitgevoerde taxatie moet worden gevolgd, maar is slechts op grond van die taxatie (zoals de rechtbank vaststelde een taxatie van een onafhankelijk taxateur, die in een onderbouwd taxatierapport heeft geresulteerd) tot het oordeel gekomen dat het aanbod van de Provincie niet zodanig laag was dat het niet meer serieus te nemen is. Naar mijn mening was de rechtbank niet, op straffe van nietigheid van haar vonnis, gehouden uiteen te zetten waarom de in opdracht van [eiseres] uitgevoerde taxatie haar niet tot een ander oordeel had gebracht. De rechtbank heeft kennelijk, en volkomen terecht, geoordeeld dat zij in dit stadium van het geding geen uitspraak behoefde te doen over de kwestie welke taxatie de werkelijke waarde van de te onteigenen grond dichter benaderde.

Onderdeel 2

3.7

Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1 en zal het lot daarvan moeten delen.

Onderdeel 3: voorschot op de schadeloosstelling

3.8

Het onderdeel keert zich tegen de rechtsoverwegingen 2.6 t/m 2.8 en het dictum. Onderdeel 3.1 klaagt dat de rechtbank daarin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door niet te onderzoeken wat de nadelige gevolgen op korte termijn voor [eiseres] zouden zijn en (met name) of die gevolgen niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn als het voorschot uitsluitend zou worden bepaald op basis van de taxatie in opdracht van de Provincie. Althans is het vonnis volgens onderdeel 3.2 ontoereikend gemotiveerd, omdat de rechtbank niet heeft aangegeven waarom zij dit aspect niet heeft onderzocht in verband met haar oordeelsvorming betreffende het voorschot.

3.9

Voor zover de onderdelen klagen dat de rechtbank het verweer van [eiseres] betreffende de gestelde liquiditeitsproblemen niet onder ogen heeft gezien, falen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank noemt het verweer aan het slot van rov. 2.6 immers expliciet. Zij verwerpt het verweer vervolgens in rov. 2.7. Zoals hiervoor bij de bespreking van onderdeel 1 reeds naar voren kwam, kon de rechtbank zonder schending van art. 17 Ow tot het oordeel komen dat het rapport van de onafhankelijke deskundige, waarop de Provincie zich beroept, van dien aard is dat het ervoor moet worden gehouden dat de Provincie voldoende heeft onderhandeld. Het oordeel in rov. 2.7 dat het verweer van [eiseres] in de kern neerkomt op een verschil van mening over de waarde van de gronden en de uitgangspunten voor de bepaling van de waarde en dat deze niet in de procedure tot vervroegde onteigening maar later in de procedure, na advies van de deskundigen, worden bepaald, acht ik noch onjuist noch onbegrijpelijk. Ik meen dan ook dat de klachten falen.

3.10

In overeenstemming met de hoofdregel van art. 54i lid 2 Ow heeft de rechtbank het voorschot bepaald op 90% van de door de Provincie aangeboden schadeloosstelling. De rechtbank zag blijkbaar geen aanleiding om, zoals art. 54i lid 2 toelaat, het voorschot op een ander bedrag vast te stellen. Zij was, lijkt mij, niet gehouden om in verband met de enkele stelling van [eiseres] dat zij in liquiditeitsproblemen zou kunnen komen als het voorschot onvoldoende zou zijn om haar schulden aan de bank te voldoen, een onderzoek in te stellen naar de nadelige gevolgen op korte termijn voor [eiseres] van een voorschot in overeenstemming met de hierboven genoemde hoofdregel. Ook de klachten op dat vlak acht ik ongegrond.

3.11

Voor de goede orde (maar waarschijnlijk ten overvloede) wijs ik Uw Raad nog erop (zie ook nr. 1.9 van de schriftelijke toelichting van de mrs. Scheltema en Wiegerink) dat de Provincie heeft verzocht deze zaak versneld te behandelen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 Ow.

2 Binnen de termijn van twee plus twee weken van art. 53 lid 1 jo. art. 54l lid 1 Ow.

3 Waarbij [eiseres] dus de in art. 53 lid 1 jo. art. 54l Ow aangewezen verschijndag veronachtzaamde.

4 Rov. 2.2 van het bestreden vonnis.

5 Vgl. A-G Moltmaker in zijn conclusie (onder 3.5 en 3.6) vóór HR 1 november 1989, NJ 1990/289 alsmede zijn conclusie (onder 3.2 en 3.6) vóór HR 4 mei 1994, NJ 1996/4 met noot MB, alsmede Onteigening (losbl.), Gerechtelijke procedure - hfd. II, § 6 (H.J.M. van Mierlo), Den Drijver-Van Rijckevorsel e.a., Handboek onteigening, vierde druk (2013), blz. 30, Sluysmans, Lexplicatie 3.44a (Onteigeningswet/Vorderingswet), 2e druk (2011), blz. 21.

6 Vgl. mijn conclusie (onder 3.13) vóór HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7393, RvdW 2013/803.

7 In dezelfde zin A-G Moltmaker in zijn conclusie (onder 3.7) vóór HR 1 november 1989, NJ 1990/289, herhaald in diens conclusie (onder 3.3) vóór HR 4 mei 1994, NJ 1996/4 met noot MB. Zie ook rov. 3.4 van laatstgenoemd arrest alsmede de conclusie van A-G Langemeijer (onder 2.8) vóór HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6113, RvdW 2013/268 (afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO).