Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2003

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-06-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
14/00496
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2869, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek wegens ziekte. Middel terecht voorgesteld op de gronden vermeld in de conclusie van de A-G. Het oordeel van het Hof dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte een ziekte had die hem verhinderde bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te zijn, zonder dat het Hof heeft onderzocht of het overleggen van een medische verklaring of andere gegevens in redelijkheid van verdachte had kunnen worden verlangd, kan de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet dragen. Bovendien is het kennelijke oordeel van het Hof dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00496

Zitting: 23 juni 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte] .

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft verdachte bij arrest van 9 december 2013 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland van 7 augustus 2013, waarbij verdachte wegens een drietal misdrijven is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een werkstraf van 60 uren.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak.

4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2013 houdt in dat verdachte aldaar niet is verschenen. Wel aanwezig was de raadsman mr. J.G.M. Dassen, die echter niet uitdrukkelijk door verdachte was gemachtigd de verdediging te voeren. Voorts vermeldt het proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende:

“De raadsman brengt naar voren - zakelijk weergegeven -:
Mijn cliënt bevindt zich in voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 16-659918-13, die op 3 januari 2014 door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland wordt behandeld. Hij heeft mij vanmorgen om 08.55 uur gebeld met de mededeling dat hij een afstandsverklaring heeft getekend, omdat hij ziek is: hij heeft buikgriep en heeft last van overgeven. Mijn cliënt heeft mij gevraagd om het hof om namens hem aanhouding te vragen, aangezien hij de behandeling van zijn strafzaak wenst bij te wonen.

De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede dat de afstandsverklaring zo spoedig mogelijk beschikbaar komt.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voorgegaan.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De raadsman deelt desgevraagd mede - zakelijk weergegeven -:
Ik voel me niet vrij om buiten de aanwezigheid van mijn cliënt de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Mijns inziens heeft hij het recht om de behandeling van zijn strafzaak bij te wonen.
Er is geen medische verklaring opgevraagd. Daarvoor dient eerst een medische machtiging te worden afgegeven. Het is onmogelijk om binnen zo’n kort tijdsbestek een medische verklaring te verkrijgen: er is niet continu een arts aanwezig in de penitentiaire inrichting. Wel is er verplegend persoon aanwezig.

De advocaat-generaal brengt naar voren - zakelijk weergegeven -:
Het aanhoudingsverzoek dient mijns inziens bij gebrek aan onderbouwing, bijvoorbeeld door een medische verklaring of een faxbericht van het huis van bewaring, te worden afgewezen.

Na gehouden beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede - zakelijk weergegeven -:
Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verdachte op dit moment een ziekte heeft, die hem verhindert bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te zijn. Bovendien heeft verdachte een verklaring getekend, waarin hij aangeeft afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof zal het aanhoudingsverzoek afwijzen en de zaak bij verstek afdoen.”

4.3. Blijkens het proces-verbaal heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden, is het onderzoek gesloten en is direct arrest gewezen, inhoudende dat verdachte op de voet van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.

4.4. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat als een verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, de rechter aan dit verzoek voldoet om de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Dit komt voort uit het onder meer in art. 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de verdachte. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.
Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan diens verlangen tot aanvulling niet of niet genoegzaam is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.1

4.5. Het voorgaande brengt mee dat het het Hof weliswaar vrij stond om voor de beoordeling van het aanhoudingsverzoek wegens ziekte van verdachte bewijsstukken of nadere inlichtingen te verlangen. Maar het proces-verbaal van de terechtzitting, die blijkens de in het dossier aanwezige dagvaarding van verdachte in hoger beroep was gepland voor 9.30 uur, vermeldt dat de raadsman pas diezelfde ochtend om 8.55 uur van verdachte heeft vernomen dat hij buikgriep en last van overgeven had en dat het onmogelijk is om binnen zo een kort tijdsbestek een medische verklaring te verkrijgen. In lijn met de genoemde jurisprudentie ben ik van oordeel dat onder deze omstandigheden het oordeel van het Hof dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte een ziekte had die hem verhinderde bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te zijn, zonder dat het Hof heeft onderzocht of het overleggen van een medische verklaring of andere gegevens in redelijkheid van verdachte had kunnen worden verlangd, de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet kan dragen.

4.6. Ook de overweging van het Hof dat verdachte een afstandsverklaring heeft getekend, overtuigt in dit geval niet, in aanmerking genomen dat op die desbetreffende verklaring, die aan het verkort proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is gehecht, naast de handtekening van verdachte handmatig de woorden “wegens ziekmelding” zijn toegevoegd. Bovendien heeft de raadsman ter terechtzitting meegedeeld dat verdachte hem heeft gezegd dat hij een afstandsverklaring heeft ondertekend omdat hij ziek is en dat verdachte hem heeft gevraagd om aanhouding van de behandeling van de zaak te verzoeken omdat verdachte de behandeling van zijn strafzaak wenst bij te wonen. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte met het afstandsformulier enkel heeft willen kenbaar maken dat hij ziek is en daarom niet ter terechtzitting kan verschijnen en dat het geenszins de bedoeling van verdachte was zijn aanwezigheidsrecht prijs te geven. Het kennelijke oordeel van het Hof dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht is daarom zonder nadere motivering niet begrijpelijk.2

4.7. Het middel slaagt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie bijv. HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009, 323 m.nt. Borgers, rov. 2.3 en recent HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1236, rov. 2.5.

2 Vgl. HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8411, rov. 3.3-3.4.