Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1972

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-09-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
15/00103
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3479
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen. “Tabel eigen aandeel kosten van kinderen” uit het Rapport Alimentatienormen. Behoefte van kinderen; welvaartsniveau tijdens huwelijk. Draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/26 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 15/00103

mr. Wuisman

Roldatum: 18 september 2015

CONCLUSIE inzake:

[de vrouw] ,

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

tegen:

[de man] ,

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. R.L. Bakels

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan(1):

  • -

    i) Op 28 augustus 1998 zijn partijen gehuwd te Parijs (Frankrijk) onder huwelijkse voorwaarden die meebrengen dat iedere gemeenschap van goederen tussen partijen is uitgesloten.

  • -

    ii) Uit dit huwelijk zijn voortgekomen de nog minderjarige kinderen [de zoon] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , en [de dochter] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] . De minderjarigen verblijven bij de vrouw, maar beide ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

  • -

    iii) Sinds 2007 wonen partijen gescheiden.

1.2

Bij verzoekschrift van 22 maart 2013 heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen te weten:

  • -

    vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij de vrouw;

  • -

    vaststelling van een zorgregeling zoals opgenomen in het concept ouderschapsplan;

  • -

    vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 1.750,- per maand per kind;

  • -

    vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 4.000,- bruto per maand.

De man heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen inzake de kinder- en partneralimentatie.

1.3

Bij beschikking van 22 oktober 2013 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken, bepaald dat de minderjarige kinderen hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld. Verder heeft de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie bepaald dat de man met ingang van 22 oktober 2013 voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen een bedrag van € 455,- per maand per kind dient te betalen. Ter zake van de partneralimentatie heeft de rechtbank beslist dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven een bedrag van € 4.000,- bruto per maand aan de vrouw dient te betalen.

1.4

De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Hij heeft om vernietiging van die beschikking verzocht. Voor zover dat verzoek betrekking heeft op het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen, heeft het hof het verzoek bij tussenarrest van 19 maart van 2014 afgewezen. Het verzoek tot vernietiging betreft ook de vaststelling van de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Hij verzoekt opnieuw aan de vrouw geen bijdrage in haar levensonderhoud toe te kennen, althans niet voor een bedrag hoger dan € 2.000,- per maand. De vaststelling van diens bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen op een bedrag van € 455,- per maand per kind bestrijdt de man niet.

1.5

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen hetgeen de man in appel heeft aangevoerd en verder voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld tegen de beslissingen van de rechtbank inzake de kinderalimentatie. De man heeft het incidentele beroep bestreden.

1.6

Bij beschikking van 8 oktober 2014 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud. Omdat naar het oordeel van het hof de vrouw zelf in haar levensonderhoud kan voorzien, wijst hij het verzoek van de vrouw tot het bepalen van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud af. Het hof bekrachtigt voor het overige de bestreden beschikking van de rechtbank.

1.8

De vrouw heeft op 8 januari 2015 – en daarmee tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw aangevoerde klachten.

2. Bespreking cassatiemiddel

2.1.

In het voorgedragen uit vijf onderdelen bestaande cassatiemiddel worden in verband met de partner- en kinderalimentatie in het bijzonder de volgende thema’s aan de orde gesteld: de ‘behoeftigheid’ bij de vrouw (onderdeel 2.1); de ‘behoefte’ bij de twee kinderen (onderdeel 2.2.); de draagkracht van de man (onderdelen 2.3 en 2.4).

Onderdeel 2.1 (subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.5 en 2.1.7)

2.2

Na in de rov. 11 t/m 17 te hebben vastgesteld dat, mede gelet op de welstand die partijen in 2007 kenden, de behoefte van de vrouw in financiële termen uitgedrukt € 8.995,- netto per maand bedraagt, beoordeelt het hof in de rov. 18 t/m 22 in hoeverre de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud (de behoeftigheid van de vrouw). Die behoeftigheid stelt het hof op nihil. Het hof neemt daartoe in aanmerking het bij de vrouw aanwezige vermogen en de inkomsten die zij daaruit geniet en kan genieten alsmede de bij haar aanwezig te achten capaciteit om met arbeid inkomsten te verwerven.

2.3

In artikel 1:157 lid 1 BW wordt het recht op levensonderhoud van de ene echtgenoot jegens de andere na echtscheiding hiervan afhankelijk gesteld of de eerstgenoemde echtgenoot voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft dan wel zich in redelijkheid kan verwerven. Is dat het geval dan heeft de echtgenoot geen behoefte aan een bijdrage in zijn levensonderhoud en daarmee om die reden ook geen recht daarop.(2) Of de echtgenoot inkomsten heeft of zich in redelijkheid kan verwerven, is mede te bepalen aan de hand van het hem toebehorende vermogen en de inkomsten die hij daaruit geniet en/of kan genieten, eventueel mede door op het vermogen in te teren. Het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting door de aanspraak van de vrouw jegens de man op partneralimentatie te doen afhangen van haar vermogen en van de inkomsten daaruit, ook indien die inkomsten worden verkregen door interen op dat vermogen.

2.4

De klachten in subonderdeel 2.1.1. (i), (ii), (iv) komen hierop neer dat het hof heeft miskend dat het tot het niet bestaan van een aanspraak van de vrouw op partneralimentatie niet reeds had kunnen concluderen op de grond dat de vrouw vermogen heeft en dat zij op dat vermogen kan interen. Bij de beslissing dat er geen aanspraak op partneralimentatie bestaat, dienen, zo wordt betoogd, mede in beschouwing te worden betrokken omstandigheden als de langdurige lotsverbondenheid van partijen wegens huwelijk en de verzorging en opvoeding van de kinderen door de niet werkende vrouw tijdens dat huwelijk.

2.4.1

Het hof was rechtens niet gehouden de twee in de klachten genoemde omstandigheden – de langdurige lotsverbondenheid en de opvoeding van de kinderen door de vrouw – naast de inkomsten die de vrouw verkrijgt of zich kan verwerven – mede in zijn beschouwing had moeten betrekken. Zoals hiervoor al opgemerkt, wordt in lid 1 van artikel 1:157 BW de aanspraak op een uitkering voor levensonderhoud hiervan afhankelijk gesteld of de betrokken echtgenoot wel of niet voldoende inkomsten voor zijn levensonderhoud heeft en/of zich in redelijkheid kan verwerven.

2.5

In subonderdeel 2.1.1 (iii) wordt er voorts over geklaagd dat het hof in rov. 20 ten onrechte in aanmerking neemt dat de man geen vermogen heeft. Onder verwijzing naar onderdeel 2.3 wordt betoogd dat dit oordeel niet terecht is. Dit onderdeel wordt hierna in 2.20 t/m 2.22 besproken. De slotsom is dat het onderdeel geen doel treft. Dat betekent dat ook de klacht in subonderdeel 2.1.1 (iii) faalt.

2.6

In subonderdeel 2.1.2 wordt er over geklaagd dat het hof in rov. 20 uitgaat van een vermogen van de vrouw aan effecten en liquide middelen van € 1.433.947,- aan het begin van 2014.

2.6.1

Onder (i) wordt ter nadere toelichting gewezen op de stelling van de vrouw in § 52 van haar verweerschrift dat zij de hypothecaire lening voor haar eigen woning mogelijk moet aflossen.

Op die mogelijkheid wordt ter aangehaalde plaatse inderdaad gewezen. Maar daar wordt verder niet nader uiteengezet in welke mate er rekening mee moet worden gehouden dat het tot aflossing van de lening zal komen. Bij die stand van zaken hoefde het hof met de mogelijkheid van het moeten aflossen van de hypothecaire lening als zijnde nog een onzekere toekomstige omstandigheid geen rekening te houden.

2.6.2

Onder (i) wordt verder nog aangevoerd dat in § 52 van het verweerschrift in appel is gesteld dat het fiscale vermogen (aan het beging van 2014) € 668.064,- bedroeg. In dat licht is het, zo wordt opgemerkt, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof in rov. 20 uitgaat van het bedrag van € 1.433.947,-.

Hier wordt uit het oog verloren dat het feit dat het gehele vermogen van de vrouw aan het begin van 2014 fiscaal bezien € 668.064,- bedraagt, niet meebrengt dat aan de begin 2014 aanwezige effecten en liquide middelen niet een (feitelijke- of markt)waarde van € 1.433.947,- toekwam. Van beide bedragen blijkt uit de bijlage ‘ [de vrouw] overig vermogen primo 2014’ bij de brief van 3 maart 2014 van [A] (productie 13 bij het verweerschrift in appel). Nu het het hof gaat om de inkomsten die de vrouw uit haar vermogen geniet of kan genieten, eventueel ook door interen, is het niet onbegrijpelijk dat het hof aanknoopt bij de waarde van de begin 2014 aanwezige effecten en liquide middelen. Deze vermogensbestanddelen kunnen als zodanig bronnen van inkomsten zijn.

2.6.3

Onder (ii en iii) wordt het onbegrijpelijk geacht dat het hof in rov. 20 uitsluitend de activa van belang acht en niet tevens de passiva, en verder dat het hof evenmin van belang acht de vraag of er met het vermogen wel enig rendement wordt behaald. Er is, zo wordt opgemerkt, in 2013 uit het vermogen een negatief inkomen van € 64.630,- gegenereerd.

De klacht mist feitelijke grondslag. Anders dan wordt beweerd, betrekt het hof wel passiva in de beschouwing. Het hof vermeldt in rov. 20 dat de vrouw aanzienlijke leningen van haar ouders heeft ontvangen. Een overzicht van die leningen treft men aan in de bijlage ‘ [de vrouw] overig vermogen primo 2014’ bij de brief van 3 maart 2014 van [A] (productie 13 bij het verweerschrift in appel, welke productie het hof in rov. 20 met zoveel woorden noemt). Uit die bijlage valt af te leiden dat de leningen een zeer groot deel van de schulden van de vrouw uitmaken. Omtrent die leningen merkt het hof in rov. 20 op dat de rente op de leningen niet wordt betaald maar wel jaarlijks bij de schuld wordt bijgeschreven. Met de referte aan de rente trekt het hof ook het negatieve jaarinkomen in zijn beschouwing. Uit de bijlage ‘ [de vrouw] inkomen en rendement’ bij de brief van 3 maart 2014 van [A] (productie 13 bij het verweerschrift in appel) valt nl. af te leiden dat de rente, die jaarlijks in verband met de leningen van de ouders wordt verbeurd, in aanmerkelijke mate – op papier – het negatieve jaarinkomen bepaalt.

2.7

In subonderdeel 2.1.3 wordt opgekomen tegen het in aanmerking nemen van de verhuuropbrengst van ruim € 3.100,- per maand uit één van de aan de vrouw toebehorende panden. Ook hier wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte alleen een activum in de beschouwing betrekt en niet mede de passiva en het negatieve rendement. Het gaat hier om het appartement [B] . Voor dit appartement geldt eveneens hetgeen hiervoor in 2.6.3 meer in het algemeen is opgemerkt over de geldleningen van de ouders aan de vrouw en de over de rente die over die leningen jaarlijks vervalt. Dat brengt mee dat ook de klachten in subonderdeel 2.1.3 geen doel treffen omdat zij feitelijke grondslag missen.

2.8

In subonderdeel 2.1.4 wordt als onjuist of onbegrijpelijk beschouwd dat het hof het feit dat de rente op de leningen van de ouders van de vrouw aan haar niet wordt uitbetaald maar bijgeschreven, opvat als een omstandigheid die ertoe bijdraagt om aan de vrouw geen partneralimentatie toe te kennen. Rente die niet wordt uitbetaald maar bijgeschreven moet, zo wordt gesteld, voor de behoeftigheid worden meegerekend.

2.8.1

Hierboven is al aangegeven dat ingevolge artikel 1:157 lid 1 BW voor het aanspraak kunnen maken op partneralimentatie bepalend is of voor de betrokken echtgenoot/partner wel of niet in voldoende mate inkomsten beschikbaar zijn om in zijn te aanvaarden behoeften te voorzien. De mate van beschikbaarheid van inkomsten kan mede afhangen van de mate waarin inkomsten uit vermogen daadwerkelijk voor aflossing van schulden dienen te worden aangewend. Langs die weg kan het niet daadwerkelijk hoeven betalen van een schuld een omstandigheid vormen, waarin de alimentatierechter mede aanleiding kan vinden om geen partneralimentatie toe te kennen. Door dat te doen geeft de rechter geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Of en in welke mate het feit dat een schuld niet daadwerkelijk hoeft te worden voldaan in een concreet geval mede een reden vormt om partneralimentatie niet toe te kennen, vormt verder een feitelijk oordeel. Van ’s hofs oordeel te dezen kan niet gezegd worden dat het onbegrijpelijk is. Over het daadwerkelijk moeten gaan aflossen door de vrouw van de leenschulden, ook voor zover zij betrekking hebben op de bijgeschreven rente, is niets concreets aangevoerd, ook niet in subonderdeel 2.1.4.

2.9

In subonderdeel 2.1.5 wordt het hof in verband met rov. 20 ten slotte nog verweten buiten het debat van de partijen te zijn getreden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing te hebben gegeven door voor wat betreft de effecten betreft er van uit te gaan dat zij eenvoudig liquide te maken zijn, nu het effecten betreft van een beursgenoteerde vennootschap die makkelijk op de beurs te verhandelen zijn. Dit is door de man niet gesteld, ook niet naar aanleiding van een productie. ‘s Hofs oordeel houdt, zo wordt betoogd, een miskenning van de artikelen 24 en 149 Rv in.

2.9.1

Krachtens artikel 149 lid 2 Rv mag de rechter aan zijn beslissing mede ten grondslag leggen feiten en omstandigheden van algemene bekendheid alsmede algemene ervaringsregels. Het effectenbezit van de vrouw blijkt uit bijlage ‘ [de vrouw] overig vermogen primo 2014’ bij de brief van 3 maart 2014 van [A] (productie 13 bij het verweerschrift in appel) van de vrouw. Uit die bijlage valt af te leiden dat de effecten bij banken worden aangehouden. Op grond van wat omtrent de vrouw ten processe is gebleken, mag worden aangenomen dat de vrouw is te beschouwen als een particuliere belegger. Een feit van algemene bekendheid en/of een algemene ervaringsregel is dat effectenportefeuilles, die particulieren bij banken aanhouden, bestaan uit verhandelbare effecten. Er is ten processe niets gebleken dat er op wijst dat dit in het onderhavige geval anders is. Een en ander brengt mee dat het hof niet de artikelen 24 en 149 Rv heeft miskend.

2.10

In subonderdeel 2.1.7 wordt als onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden dat het hof in rov. 20 van oordeel is dat zij in haar behoefte van in totaal € 8.995,- in het geheel kan voorzien door interen op haar vermogen.

2.10.1

Deze klacht faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Het hof oordeelt in rov. 20 dat de vrouw met de inkomsten uit haar vermogen in haar behoefte kan voorzien, “ook indien zij verder inteert op dit vermogen”. Dit laatste is niet te verstaan als dat het hof er van uitgaat dat het voorzien in de vastgestelde behoefte van de vrouw enkel geschiedt en kan geschieden langs de weg van interen op haar vermogen. Dat het hof daarvan ook niet is uitgegaan, mag worden aangenomen omdat uit de aan het hof verstrekte en door het hof bestudeerde financiële informatie over de vrouw blijkt dat het vermogen van de vrouw ook inkomsten oplevert, die niet hoeven te worden aangewend ter voldoening van schulden, met name niet aan de leenschulden aan de ouders van de vrouw. Deze schulden maken een heel groot deel uit van de schulden van de vrouw.

Onderdeel 2.1 (subonderdeel 2.1.6)

2.11

In subonderdeel 2.1.6 wordt opgekomen tegen rov. 21, waarin het hof oordeelt dat de vrouw inmiddels ook inkomsten uit arbeid had kunnen genereren. Daarmee beoogt het hof de afwijzing van de partneralimentatie mede te onderbouwen. Omdat het hof in rov. 20 als zijn oordeel geeft dat de vrouw met inkomsten uit haar vermogen al geheel in haar eigen behoefte kan voorzien, draagt rov. 21 ten aanzien van de ontzegging van de partneralimentatie het karakter van een overweging ten overvloede. Nu rov. 20 om de hierboven uiteengezette redenen tevergeefs wordt bestreden, brengt het karakter van rov. 21 mee dat de klachten in de subonderdelen 2.1.6 en 2.1.7 reeds wegens gebrek aan belang geen doel kunnen treffen.

2.11.1

Het oordeel van het hof dat de vrouw inmiddels ook inkomsten uit arbeid had kunnen genereren mede met een verwijzing naar de afgeronde studie van de vrouw als ingenieur wordt bestreden als onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van een groot aantal feiten en omstandigheden, die door haar zijn gesteld en/of van algemene bekendheid zijn. Genoemd worden: de zorg voor de twee kinderen overeenkomstig het traditionele rollenpatroon in het huwelijk; de Franse herkomst; het wegens ziekte tot 2009 buiten staat zijn om te werken; de moeilijke positie van de vrouw in de bouwwereld in het algemeen; de geringe voorervaring van de vrouw; de economische crisis die in het bijzonder de bouwsector zwaar heeft getroffen. Voor zover het hof voor ogen heeft gestaan dat de vrouw wel inkomsten uit arbeid in de bouwsector op ingenieursniveau had kunnen genereren, zou in het licht van genoemde feiten en omstandigheden een nadere motivering door het hof van zijn oordeel wel op zijn plaats zijn geweest. Maar het is de vraag of het hof alleen gedacht heeft aan inkomsten uit arbeid in de bouwsector en dan bovendien arbeid op ingenieursniveau. Dat lijk niet het geval. Het hof drukt zich immers in algemenere termen uit zoals ‘in deeltijd kunnen gaan werken’ en ‘geen belemmering voor de vrouw om inkomsten uit arbeid te generen’ en vermeldt verder dat de vrouw zelf heeft aangegeven dat haar beheersing van de Nederlandse taal in orde is. In dat licht bezien is het oordeel van het hof dat de vrouw inkomsten uit arbeid had kunnen genereren niet als onvoldoende gemotiveerd aan te merken. Er zijn sedert 2009 toch ook weer wat jaren verstreken en door de vrouw is niet aangevoerd, ook niet door te wijzen op pogingen daartoe, dat er voor haar ook op niet-ingenieursniveau en/of buiten de bouwsector geen werk was te vinden.

Onderdeel 2.1 (subonderdeel 2.1.8)

2.12

Subonderdeel 2.1.8 bevat geen zelfstandige klachten maar bouwt voort op de voorafgaande klachten, zodat het onderdeel het lot van de vorige klachten, te weten het geen doel treffen, moet delen.

Onderdeel 2.2

2.13

Onderdeel 2.2 heeft betrekking op de kinderalimentatie en daarvan meer in het bijzonder op het facet de ‘behoefte’, de kosten van verzorging en opvoeding van de twee kinderen.

Stellende dat deze kosten, exclusief huisvesting, voor beide kinderen te samen per maand daadwerkelijk € 3.583,68 bedragen(3), heeft de vrouw de rechtbank verzocht te bepalen dat de man voor ieder kind een bijdrage in deze kosten dient te betalen van € 1.750,- per maand. De man heeft dit verzoek bestreden. Hij heeft tegen sommige gestelde uitgaven aangevoerd dat zij niet zijn gedaan of dat zij dubbel zijn opgevoerd, tegen andere gestelde uitgaven dat zij onnodig dan wel te hoog zijn. Verder heeft de man het standpunt ingenomen dat de kosten van de kinderen met inachtneming van de op de kinderalimentatie betrekking hebbende Alimentatienormen uit het zgh. ‘Tremarapport’ dienen te worden vastgesteld en dat bij inachtneming van die normen de kosten voor beide kinderen te samen zijn te stellen op € 1.355,- per maand.(4) De vrouw heeft het vaststellen van de kosten op de voet van de Alimentatienormen bestreden. De uitgaven ten behoeve van de twee kinderen zijn, ook in omvang, zodanig dat de in de Alimentatienormen voorziene bedragen voor de kosten van verzorging en opvoeding hierop niet aansluiten; de kinderen dienen niet de dupe te worden van de in de Alimentatienormen opgenomen richtlijn voor de kinderalimentatie.(5)

In haar beschikking van 22 oktober 2013 besluit de rechtbank tot vaststelling van de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen aan de hand van de Alimentatienormen. Met toepassing van de ‘Tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ en de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, zoals deze vanaf 1 april 2013 luidt, - beide deel uitmakend van de Alimentatienormen – stelt de rechtbank de kosten vast op een bedrag van € 1.185,- per maand, welk bedrag zij in verband met een tweetal bijzondere kostenposten verhoogt tot een bedrag van € 1.316,- per maand.

In het kader van het door haar ingesteld incidenteel hoger beroep bestrijdt de vrouw de toepassing door de rechtbank van de Alimentatienormen ter vaststelling van de kosten en verzorging en opvoeding van de twee kinderen.(6) In rov. 26 van zijn beschikking d.d. 8 oktober 2014 oordeelt het hof evenwel: “In hetgeen de vrouw aanvoert ziet het hof geen aanleiding om niet, gelijk de rechtbank heeft gedaan, aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van de kinderen en de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen. In de tabelbedragen zijn alle normale kosten, zoals die voor voeding en kleding, begrepen. De tabel geeft een richtlijn voor de bepaling van de redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse te maken kosten voor kinderen. Slechts in bijzondere omstandigheden kunnen de tabelbedragen worden aangepast.” In rov. 27 stelt het hof vervolgens de behoefte van de zoon vast op een bedrag van € 588,- per maand en die van de dochter op een bedrag van € 628,- per maand in verband met een bijzondere kostenpost van € 40,- per maand.

In onderdeel 2.2 bestrijdt de vrouw de vaststelling door het hof in de rov. 26 en 27 van de ‘behoefte’ van de twee kinderen.

2.14

De klacht in subonderdeel 2.2.1 valt als volgt samen te vatten. Onjuist is dat het hof de kosten van de verzorging en opvoeding van de twee kinderen, evenals de rechtbank, vaststelt met inachtneming van de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen en voor die kosten een bedrag ontleend aan ‘Tabel 2 eigen aandeel kosten van kinderen’ aanhoudt.(7) Het hof heeft hiermee miskend dat, nu gemotiveerd was gesteld dat afgeweken diende te worden van de fictieve norm van de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, in het onderhavige geval aan de tabelbedragen geen, ook niet met een zekere aanpassing, toepassing had dienen te worden gegeven. Het hof had aan de hand van alle omstandigheden van het geval de werkelijke kosten van verzorging en opvoeding moeten berekenen. Dit te meer daar de vrouw in extenso met berekeningen en bewijsstukken heeft onderbouwd dat en waarom er van de standaard forfaitbedragen moet worden afgeweken. In sub-onderdeel 2.2.2 wordt nog aanvullend er over geklaagd dat, indien het hof van oordeel is geweest dat de vrouw slechts aanpassing van de richtlijnbedragen wenste, dit een onbegrijpelijk oordeel is, nu de stellingname van de vrouw in redelijkheid niet anders kan worden begrepen dan dat zij niet van forfaitair bepaalde kosten maar van de werkelijke kosten wilde uitgaan.

2.15

De klacht in subonderdeel 2.2.2 mist feitelijke grondslag. In de eerste volzin van rov. 24 merkt het hof omtrent het door de vrouw ter zake van kosten van de kinderen gestelde op, dat volgens haar de rechtbank ten onrechte niet is uitgegaan van de daadwerkelijke kosten van de kinderen van tezamen € 3.584,- per maand.

2.16

De klacht in subonderdeel 2.2.1 roept de voorvraag op hoe de beslissing van het hof inzake de behoefte van de kinderen, meer in het bijzonder de beslissing om ‘aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen kosten van kinderen en de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen’ dient te worden verstaan. Door die weg te volgen komt het hof uit op een behoefte per kind van € 588,- per maand – [welk bedrag voor wat betreft de dochter nog te vermeerderen is met € 40,- per maand voor lessen in de Franse taal] – en wijst het de door de vrouw gestelde behoefte per kind van € 1.792- per maand af. Die gestelde behoefte is door de man bestreden op de voet deels dat zekere kosten niet zijn gemaakt of dubbel zijn geteld, deels dat zekere kosten – zoals de kosten in verband met vakanties met de kinderen – te hoog zijn en in de verhouding tot de man, voor zover zij te hoog zijn, buiten aanmerking dienen te blijven. Indien de vrouw die te hoge kosten wil blijven maken, dient zij die kosten uit haar eigen vermogen te betalen. Het hof geeft niet (voldoende) kenbaar aan in welk verweer het de man volgt. Dat betekent dat in cassatie niet er van kan worden uitgegaan, dat het hof de door de vrouw gestelde kosten voor een belangrijk deel niet bewezen acht. Dit alles roept de in subonderdeel 2.2.1 besloten liggende vraag op of het hof wel op een juiste en begrijpelijke wijze de behoefte van de kinderen op een beduidend lager bedrag heeft vastgesteld dan het door de vrouw gestelde bedrag.

2.16.1

In het Rapport Alimentatienormen zijn samengebracht de aanbevelingen die de Werkgroep Alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak sedert 1979 heeft gedaan. Het rapport bevat normen of richtlijnen die bij de vaststelling van alimentatie kunnen worden gehanteerd. Het Rapport wordt jaarlijks geactualiseerd.(8) Het hof is uitgegaan van het Rapport zoals het sedert 1 juli 2013 luidt. Die versie wordt hierna ook aangehouden.

Par. 3.1 van het Rapport is gewijd aan de kinderalimentatie. Als eerste thema wordt besproken ‘behoefte aan kinderalimentatie'. In verband met dat thema wordt in par. 3.1 onder meer het volgende opgemerkt:

Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (het NIBUD) een systeem ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het rapport ‘Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie’, voor het eerst gepubliceerd in Trema 1994, p 127 e.v., dat hierna is opgenomen als bijlage 1.

Blijkens CBS-onderzoek besteden ouders een bepaald percentage van het gezinsinkomen aan hun kinderen. … Uit dat onderzoek blijkt voorts dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De in het rapport kosten van kinderen van 1994 genoemde percentages, gebaseerd op onderzoek van het CBS in de periode 1990 – 1995, bedragen voor 1, 2, 3 en 4 kind(ren) respectievelijk 17, 26, 33 en 40% van genoemd gezinsinkomen inclusief kinderbijslag.

Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat die percentages sinds het onderzoek significant zijn gewijzigd. Voor de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen is de kinderbijslag van de gevonden kosten afgetrokken. Deze uitgangspunten vormen de basis van de tabel die in de bijlage “tarieven en tabellen” onder 28 is opgenomen en die jaarlijks wordt aangepast.

De tabel is ontworpen om bij de vaststelling van de kinderalimentatie te beschikken over eenduidige richtlijnen voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan een bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding door de niet-verzorgende ouder. Zolang ouders niet gescheiden zijn, is het gezinsinkomen(9) bepalend voor de uitgaven die ten behoeve van het kind worden gedaan. Dit gezinsinkomen moet dan ook de maatstaf zijn bij het hanteren van de tabel, ook na de (echt)scheiding. Dit impliceert een duidelijke keus: de kinderen moeten in beginsel niet slechter af zijn na en door de (echt)scheiding van hun ouders.

Verlaging of wegvallen van een inkomen na de (echt)scheiding behoort, op grond van het hiervoor gekozen uitgangspunt dat het welvaartsniveau ten tijde van de (echt)scheiding in beginsel bepalend is voor de kosten van de kinderen, op die kosten geen invloed te hebben. Wel kan een dergelijke wijziging gevolge hebben voor de draagkracht om een bijdrage in de kosten te betalen. Stijging van het inkomen van een ouder voor zover dit bedrag hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk behoort in beginsel wel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte: indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven.

In de tabelbedragen zijn alle normale kosten zoals die voor voeding en kleding begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van de kinderen.

In welke gevallen de tabelbedragen (naar boven toe) moeten worden bijgesteld, kan slechts in globale termen worden aangegeven omdat allerlei kosten/activiteiten uitwisselbaar zijn. Wanneer bijvoorbeeld in de kosten van kinderen een bepaald bedrag begrepen is voor ‘ontspanning’, dan kan dat bedrag op verschillende manieren worden ingevuld: van voetbal tot paardrijden of van computergame tot vioolles. Voorts blijkt dat hogere uitgaven samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin meer dan gemiddeld aan kleding besteedt, behoeft dat niet te betekenen dat er voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Gebleken is dat men zich hiervoor bezuinigingen getroost op een andere post.

Correctieposten betreffen dus kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en welke bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgaven. Voorbeelden van kosten die volgens de werkgroep in aanmerking komen voor correctie zijn kosten van en gehandicapt kind, kosten van topsport, privélessen en extra hoge schoolgelden.

Bij het hanteren van de tabel moet niet uit het oog worden verloren dat deze slechts bedoeld is als toetssteen te dienen voor hetgeen de kinderen kosten. Pas bij de berekening van de draagkracht zal blijken of de gevonden draagkracht oplegging van het gevonden ‘eigen aan-deel’ als alimentatie toelaat.

2.16.2

De – in juli 2013 van kracht zijnde – tabellen ‘eigen aandeel kosten van kinderen’ gaan uit van 11 klassen netto besteedbaar gezinsinkomen, oplopend van € 1.000,- per maand tot € 5.000,- of meer per maand. Er zijn tabellen gemaakt voor een gezin van 1 kind, respectievelijk 2, 3 en 4 kinderen. In de ‘Tabel voor 2 kinderen’ wordt bij de inkomensklasse € 5.000,- of meer en 2 kinderbijslagpunten(10) als bedrag ‘eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen’ vermeld een bedrag van € 1.175,-.

2.16.3

De sedert 1 januari 2014 geldende ‘Tabel 2 eigen aandeel kosten kinderen’ is uitgebreid met de inkomensklassen € 5.500,- en € 6000,-. Voor het onderhavige geval, waarin is uit te gaan van een netto maandinkomen van € 11.164,-, zou volgens de tabel voor kosten en verzorging voor de twee kinderen zijn aan te houden een bedrag van € 1.435,-.

2.16.4

Met betrekking tot de gevallen waarin het netto besteedbare gezinsinkomen (duidelijk) uitstijgt boven het bedrag van € 5.000,- per maand is de vraag gerezen in hoeverre de ‘Tabel 2 eigen aandeel kosten kinderen’ nog kan worden aangehouden ter bepaling van de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen. Aan deze vraag wijdt M. van Yperen-Groenleer beschouwingen in EB 2012, blz. 77 e.v. Zij merkt op blz. 77 op enerzijds dat algemeen aanvaard wordt dat de tabellen niet ongelimiteerd geëxtrapoleerd kunnen worden, anderzijds dat het aannemelijk is dat de levenswijze en daarmee de behoefte van een kind anders is naar mate het gezinsinkomen verder uitstijgt boven een bedrag van € 5.000,- netto per maand. Op blz. 78 formuleert zij de volgende richtlijn:

“Er is sprake van een glijdende schaal: hoe hoger het inkomen, hoe groter de verwijdering van de onderzoeksresultaten van het CBS, hoe minder kan worden volstaan met forfaitaire bedragen en hoe meer maatwerk is geboden. Samengevat: bij gezinsinkomen lager dan € 5000,- per maand wordt volstaan met de Nibud-tabellen (confectiewerk), bij gezinsinkomens hoger dan € 5000,- netto per maand wordt aangesloten bij het eigen aandeel in de kosten van het kind dat voortvloeit uit een gezinsinkomen van € 5000,- netto per maand, vermeerderd met middels justificatoire bescheiden aantoonbaar hogere kosten (pret-a-porter), en bij buitensporige hoge inkomens is maatwerk, door middel van behoeftelijstjes, noodzakelijk (haute couture).

2.16.5

De Alimentatienormen vormen geen recht en binden de rechter ook niet bij de bepaling van de alimentatieverplichting. De Alimentatienormen worden door de Werkgroep Alimentatienormen zelf ook gepresenteerd als een toetssteen. Dat sluit ook aan bij de richtsnoer die de Hoge Raad in een beschikking van 3 september 2010(11) voor de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde opnieuw geeft. Die richtsnoer luidt: “Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (HR 19 december 2003, nr. R03/040, LJN AM2379, NJ 2004, 140)”.

2.17

Bezien tegen de achtergrond van de korte schets hiervoor in 2.16.1 t/m 2.16.5 van de achtergrond van de Alimentatienormen en van de beschikking van 3 september 2010 van de Hoge Raad, komt de vaststelling van de behoefte van de twee kinderen aan de hand van enkel de Alimentatienormen, zoals het hof in de rov. 26 en 27 doet, niet juist of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd voor. Het hof neemt voor het onderhavige geval tot uitgangspunt een netto maandinkomen van € 11.164,- in 2013, dus een maandinkomen dat twee keer zo hoog is dan de hoogste inkomensklasse in de per 1 juli 2013 voor 2 kinderen geldende Tabel 2 eigen aandeel kosten van kinderen. Daarin ligt een aanwijzing voor een hogere welstand dan die bij een netto maandinkomen van omstreeks € 5.000,- valt te verwachten. Wat partijen in de processtukken over hun leefwijze en die van de kinderen hebben gesteld, versterkt die aanwijzing. Dat doet ook de specificatie van de behoefte van de 2 kinderen, die de vrouw voorzien van bewijsstukken in het geding heeft gebracht en waarvan het hof niet, althans niet met voldoende redenen omkleed, heeft aangegeven dat en waarom zij niet deugt. Die welstand vormt een belangrijk aanknopingspunt bij de bepaling van de behoefte van de kinderen. Dat daarbij in voldoende mate is aangeknoopt, wordt door het hof niet voldoende duidelijk gemaakt met de overwegingen dat in de tabelbedragen alle normale kosten, zoals die voor voeding en kleding, zijn begrepen en dat de tabel een richtlijn geeft voor de bepaling van de redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse voor kinderen te maken kosten. Zoals opgemerkt, houdt het hof bij de toepassing van de Tabel 2 eigen aandeel kosten kinderen de inkomensklasse € 5.000,- per maand aan. Dat was in 2013 de hoogste inkomensklasse. Vanaf 1 januari 2014 geeft die tabel als de hoogste inkomensklasse een bedrag van € 6.000,- per maand aan. Daarbij wordt voor een geval als het onderhavige voor kosten van verzorging en onderhoud al een bedrag van € 260,- per maand meer aangehouden.

2.18

Een en ander voert tot de slotsom dat onderdeel 2.2.1 doel treft.

2.19

Omdat de klacht in subonderdeel 2.2.3 mede voortbouwt op die in subonderdeel 2.2.1, treft ook onderdeel 2.2.3 doel.

Onderdeel 2.3

2.20

Onderdeel 2.3 strekt er in het bijzonder toe te bestrijden de verwerping aan het slot van rov. 29 van de stelling van de vrouw dat de man nog over meer vermogen – (dan het in de rov. 28 en 29 door het hof vermelde bedrag van € 30.000,-) – beschikt, omdat deze stelling door de vrouw onvoldoende onderbouwd is. Daartegen wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de vrouw heeft gesteld dat de man bankrekeningen heeft leeggehaald, spaartegoeden in het buitenland aanhoudt, een creditcard op een buitenlandse rekening heeft, in verband met de verkoop van de echtelijke woning een bedrag van € 130.000,- heeft ontvangen, van zijn ouders in 2008 een schenking van € 21.700,- heeft gekregen, sinds april 2010 een bedrag van € 2.000,- per maand spaart en er derhalve met een vermogen van ten minste € 200.000,- rekening moet worden gehouden. Verder wordt aangevoerd dat de man geen inzage in zijn vermogen heeft gegeven bijvoorbeeld door middel van het overleggen van zijn aangiften en aanslagen IB, dat de stukken waarmee de vermogenssituatie van de man zou kunnen worden aangetoond tot zijn domein behoren, dat de vrouw aan die stukken niet kan komen en zij dan ook niet meer kan stellen dan zij heeft gedaan. Een en ander doet, zo wordt gesteld, het rechtens onjuist of onbegrijpelijk zijn dat het hof de stelling van de vrouw dat de man meer vermogen moet hebben als onvoldoende onderbouwd heeft verworpen.

2.21

In verband met het beroep van de vrouw op haar stellingen inzake het beweerde vermogen van de man verdient opmerking dat blijkens de §§ 21 en 22 van de Pleitaantekeningen van mr. Smeets bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 september 2013 van de zijde van de man gedetailleerd is gereageerd op de stellingen van de vrouw. Onder meer wordt ingegaan op de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning. Die opbrengst bedroeg volgens de man € 112.000,-. Uiteengezet wordt waaraan dat bedrag is besteed. Het wegsluizen van geld en aanhouden van rekeningen in het buitenland wordt betwist. Wat de belastingaangiftes betreft, die van 2012 is door de man in appel in concept bij brief van 23 mei 2014 als productie 11 in het geding gebracht. In appel gaat de vrouw ook in het kader van de bespreking van grief 3 van de man niet nader op de weerleggingen van de man in. Zonder nadere uitweiding worden enige al eerder gedane stellingen herhaald, zij het niet die inzake de opbrengst van de eigen woning. Onder deze omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat het hof de stellingen van de vrouw omtrent het beweerde vermogen van de man niet voldoende onderbouwd heeft geoordeeld, waarmee het hof kennelijk bedoelt dat de juistheid van die stellingen niet zodanig aannemelijk is geworden dat (voorshands) van de juistheid van de stellingen zou kunnen worden uitgegaan en daarmee van de aanwezigheid bij de man van een vermogen van meer dan € 30.000,-.

2.22

Aan het slot van onderdeel 2.3 komt nog een klacht voor, waaraan de veronderstelling ten grondslag ligt dat de man veel meer vermogen heeft dan een bedrag van € 30.000,-. De klacht treft geen doel, omdat van de zojuist genoemde veronderstelling niet kan worden uitgegaan.

Onderdeel 2.4

2.23

In het kader van de bepaling van de draagkracht van de man met betrekking tot diens bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen gaat het hof in rov. 30 uit van een inkomen van de man vanaf 1 februari 2014 van € 12.500,- bruto per maand. Het hof is verder van oordeel dat als inkomensbestanddeel niet in aanmerking komt een bedrag van € 69.000,- netto dat de man in 2014 nog van zijn vroegere werkgever uitbetaald heeft gekregen; dit betreft aldus het hof een afvloeiingsregeling en vormt derhalve niet een vaste inkomenscomponent. In onderdeel 2.4 wordt dit oordeel van het hof bestreden. De aangevoerde klacht komt hierop neer, dat ook in het kader van een afvloeiingsregeling ontvangen inkomen een draagkracht scheppende component vormt en derhalve door het hof in aanmerking had moeten worden genomen.

2.23.1

De klacht komt gegrond voor. Aan de omstandigheid dat het bedrag van € 69.000,- te maken heeft met een afvloeiingsregeling en niet een vaste inkomenscomponent vormt, valt niet reeds de conclusie te verbinden dat het bedrag niet in aanmerking is te nemen bij de bepaling van de draagkracht van de man. Zolang niet van het tegendeel blijkt, valt nl. aan te nemen dat de draagkracht ook wordt vergroot door een bedrag dat uit hoofde van een afvloeiingsregeling wordt verkregen. De vraag is wel hoe het afvloeiingsbedrag in aan-merking dient te worden genomen bij de bepaling van de draagkracht van de man en in samenhang daarmee bij de vaststelling van de mate waarin de man in verhouding tot de vrouw dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee kinderen. Het hof heeft nu geoordeeld het redelijk te achten dat ieder van de partijen de helft van het ‘eigen aandeel kosten kinderen’ voor zijn rekening neemt. Dat oordeel stoelt mede hierop dat, gezien hetgeen eerder in de beschikking omtrent het vermogen van de vrouw is overwogen en gezien de hoge prioriteit van de kinderalimentatie, van de vrouw gevergd kan worden dat zij haar vermogen ook aanspreekt voor een bijdrage in de kosten van de kinderen. Het is aan de rechter na verwijzing om te beoordelen of in het betrekken van het afvloeiingsbedrag in de bepaling van de draagkracht van de man aanleiding is te vinden om anders te oordelen over de mate waarin ieder van de partijen dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Daarbij kan de rechter rekening houden met wat partijen ter zake alsnog naar voren brengen.

Onderdeel 2.5

2.24

Onderdeel 2.5 bevat geen klacht met enige zelfstandige betekenis. Zij kan bijgevolg buiten beschouwing worden gelaten.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het hof, voor zover daarin ter zake van de kinderalimentatie beslissingen worden genomen omtrent de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen en in aansluiting daarop op ieders aandeel in het bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee kinderen van partijen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . Zie voor de feiten de beschikking van de rechtbank van 22 oktober 2013 onder Feiten.

2 . Zie over de behoefte-voorwaarde nader bij onder meer: Asser/De Boer I*, 2010, nr. 621 en 622; J.A.M.P. Keijser/F.M.J.A. Lohuis, Handleiding bij echtscheiding, 2014, §7.5.3

3 . Zie het inleidende verzoekschrift d.d. 22 maart 2013, sub 24 jo. de brief d.d. 16 september 2013 van de raadsvrouwe van de vrouw aan de rechtbank, met name de producties 7 en 8 met documentatie inzake de gestelde kosten.

4 . Verweerschrift d.d. 3 juli 2013, sub 17 t/m 20 jo. Pleitnota van mr. Smeets t.b.v. de zitting d.d. 24 september 2013, sub 4 t/m 10.

5 . Pleitnota van mr. Van Ruitenbeek-de Bekker t.b.v. de zitting d.d. 24 september 2013, sub 4 t/m 20.

6 . Verweerschrift in appel tevens houdende voorwaardelijke incidenteel appel, met name grief 1 jo. de opmerkingen in de §§ 26 t/m 33.

7 . In deze tabel wordt voor 11 oplopende netto-maandgezinsinkomens aangegeven welk bedrag aan kosten van verzorging en opvoeding bij welk aantal kinderen is aan te houden. De genoemde bedragen van kosten van verzorging en opvoeding dragen een forfaitair karakter.

8 . De Alimentatienormen zijn mede te vinden in de jaarlijkse Kluwer-uitgave ‘Echtscheiding en Alimentatie’. Zie over de Alimentatienormen meer in het algemeen nog J.A.M.P. Keijser/F.M.J.A. Lohuis, Handleiding bij scheiding, 2014, par. 7.6 en A. Heida/C.A. Kraan/Q.J. Marck, Echtscheidingsrecht, 2013, par. 2.5 en 2.6.

9 . Er wordt ook gesproken van ‘netto besteedbaar gezinsinkomen’. Dat wordt mede gevormd door inkomsten uit vermogen. Zie in dit verband A. Wakker, Is de vereenvoudigde berekening van kinderalimentatie ook een verbetering?, EB 2013, blz. 26, linker kolom.

10 . Dat aantal heeft het hof in het onderhavige geval aangehouden.

11 . HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010, 473.