Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1944

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
14/05583
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2753, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid verdachte in h.b. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte te laat h.b. heeft ingesteld aangezien “uit het dossier geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief van verdachte, waaraan de machtiging tot het opmaken van een akte h.b. is ontleend, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het OM is binnengekomen”. Dit oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Gelet op de inhoud van de weergegeven stukken, i.h.b. op de vermelde stempelafdruk, rijst immers het ernstige vermoeden dat de brief reeds op 26 september 2012 bij het Arrondissementsparket is ingekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05583

Zitting: 25 augustus 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 19 juni 2014 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 23 augustus 2012, waarbij hij wegens 1. ‘’mishandeling’’, 2. ‘’bedreiging met zware mishandeling’’, 3. ‘’opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’’, 4. ‘’handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’’ en 5. ‘’mishandeling’’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 weken en waarbij beslissingen zijn genomen over inbeslaggenomen goederen als nader in het vonnis omschreven.1

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans dat het Hof het verweer dat sprake was van verontschuldigbare termijnoverschrijding heeft verworpen zonder die beslissing voldoende met redenen te omkleden.

4. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het bestreden arrest in:

‘’Bij vonnis van 23 augustus 2012 (parketnummer 03-074154-12) heeft de politierechter in de rechtbank Maastricht verdachte bij verstek veroordeeld. Blijkens de akte van uitreiking van een mededeling van een niet onherroepelijk vonnis, is dat vonnis op 24 september 2012 aan verdachte in persoon uitgereikt.

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen.

Bij akte van 9 oktober 2012 is namens verdachte ter griffie van de rechtbank Maastricht tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Bij de stukken bevindt zich voorts een brief van de verdachte, ingekomen ter griffie d.d. 9 oktober 2012, waarin hij aangeeft - kort gezegd - dat hij geen bericht heeft ontvangen dat hij moest voorkomen in deze zaak en dat hij zich niet heeft kunnen verdedigen. Uitgaande van de datum van de akte instellen hoger beroep is het hoger beroep ingesteld na het verstrijken van de appeltermijn.

Door de raadsvrouwe van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte toch ontvankelijk is in zijn appel. Daartoe is door haar aangevoerd:

- primair: dat de mogelijkheid bestaat dat voornoemde brief van verdachte, die gericht was aan het openbaar ministerie, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het parket is binnengekomen;

- subsidiair: dat met betrekking tot de door verdachte per post verstuurde brief dient te worden uitgegaan van de datum van verzenden, oftewel van een datum die is gelegen vóór 9 oktober 2012;

- meer subsidiair: dat de termijnoverschrijding wellicht verschoonbaar is gelet op de psychische problemen van verdachte.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en overweegt dienaangaande als volgt. Vooropgesteld moet worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat de verdachte niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

Naar het oordeel van het hof zijn uit het dossier geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief van verdachte, waaraan de machtiging tot het opmaken van een akte hoger beroep is ontleend, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het openbaar ministerie is binnengekomen. Voorts is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat de door de raadsvrouwe aangehaalde “verzendtheorie” geen steun vindt in het recht. Voor zover in de stelling van de raadsvrouwe het verweer ligt besloten dat sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding wegens een mogelijk bij de verdachte aanwezige psychische stoornis ten tijde van het instellen van het hoger beroep, wordt dit

- bij gebrek aan enige onderbouwing - door het hof verworpen. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking de inhoud van de aan de akte hoger beroep gehechte brief van verdachte, waaruit geenszins blijkt dat hij vanwege een psychische stoornis niet in staat zou zijn geweest om tijdig hoger beroep in te stellen.

Van een verschoonbare overschrijding van de appeltermijn is derhalve geen sprake. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.’’

5. De verdachte is bij vonnis van de Politierechter van 23 augustus 2012 veroordeeld na op de terechtzitting van de Politierechter niet te zijn verschenen. Blijkens de akte van uitreiking van een mededeling van een niet onherroepelijk vonnis, is dat vonnis op 24 september 2012 aan verdachte in persoon uitgereikt. Gelet op het bepaalde in artikel 408, tweede lid, Sv had de verdachte uiterlijk op 8 oktober 2012 hoger beroep moeten instellen.

6. Bij de stukken bevindt zich een akte instellen rechtsmiddelen. Deze houdt in dat op 9 oktober 2012 ter griffie van de rechtbank Maastricht is verschenen [betrokkene], die – daartoe gemachtigd blijkens de aan de akte gehechte brief die dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht2 – verklaarde namens verdachte beroep in te stellen tegen het door de Politierechter gewezen vonnis. Aan de akte is gehecht het schrijven afkomstig van de verdachte, dat – blijkens de daarop geplaatste stempel – op 9 oktober 2009 is ingekomen bij de griffie van de afdeling strafrecht van de Rechtbank Maastricht. De brief houdt in:

‘’Geachte,

Bij deze teken ik [verdachte] HOGER BEROEP AAN. De reden: heb nl geen bericht ontvangen dat ik moest voorkomen in deze zaak. Heb alleen ‘’aangetekend,, deze zaak gekregen. Heb me niet kunnen verdedigen. In mijn pand komen meerdere mensen. Heb geen schrijvens gehad dat ik in deze zaak moest voorkomen. Wil me altijd verdedigen.

[verdachte] ’'

7. Indien het aanwenden van het rechtsmiddel op de 15e dag na de in persoon betekening van het vonnis hoe dan ook leidt tot niet-ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep heeft het middel geen kans van slagen. Daarom wijs ik eerst op het volgende. Mijn voormalig ambtgenoot C.J.G. Bleichrodt betoogde in 2009 dat een door de verdachte verzonden brief, die kennelijk is bestemd voor die justitiële instantie alwaar aanwending van rechtsmiddelen dient te geschieden, behoort te worden opgevat als een bijzondere volmacht om hoger beroep in te stellen. Deze brief behoort te worden doorgezonden naar de bevoegde justitiële instantie. Dat dit gebeurt na het verstrijken van de beroepstermijn is niet beslissend. ‘Bepalend is op welk moment de brief is ingekomen bij de (verkeerde) instantie’.3 Van Dorst schrijft hierover, met weglating van noten, het volgende:


‘’(…) de brief waarin de verdachte de wens te kennen gaf in beroep te willen gaan, had moeten worden opgevat als een bijzondere volmacht aan de griffier om namens hem in beroep te gaan; de omstandigheid dat de griffier daarvan niet meteen en dus tijdig een akte heeft opgemaakt mag niet strekken ten nadele van de verdachte. Dat geldt zelfs als de brief (eventueel per fax) niet bij de griffie maar bijvoorbeeld bij de rechter of het parket is binnengekomen.’’4

8. Dezelfde benadering blijkt ook uit een aantal arresten van de Hoge Raad. Op 13 juni 20065 beslist de Hoge Raad in een zaak waarin de verdachte een brief schrijft naar het openbaar ministerie, waaruit blijkt dat hij het niet eens is met het vonnis van de Politierechter. De brief bereikt binnen de termijn voor hoger beroep het arrondissementsparket. Het parket stuurt de brief echter niet door naar de griffie van de Rechtbank. De Hoge Raad overweegt als volgt:


‘’3.5. De onder 3.4 weergegeven brief, kennelijk bestemd voor die justitiële instantie alwaar aanwending van rechtsmiddelen dient te geschieden, kan slechts worden verstaan - en had daarom moeten worden aangemerkt - als een bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid onder b, Sv, tot het instellen van hoger beroep. De omstandigheid dat in weerwil daarvan het arrondissementsparket de brief niet naar de griffie heeft doorgezonden, mag niet strekken ten nadele van degene die de volmacht had afgegeven. Daaraan doet niet af hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent hetgeen in de mededeling uitspraak over de wijze van instellen van hoger beroep is vermeld en omtrent hetgeen de verbalisant die die mededeling heeft uitgereikt daarover aan de verdachte mondeling heeft meegedeeld. Het Hof had daarom de verdachte niet niet-ontvankelijk mogen verklaren in zijn hoger beroep.’’6

9. Op 21 maart 20067 vernietigt de Hoge Raad een arrest van het Hof waarin de verdachte, die binnen de termijn voor hoger beroep een in het Pools geschreven brief met daarin zijn naam en een parketnummer naar het arrondissementsparket stuurt, niet-ontvankelijk is verklaard. De Hoge Raad overweegt:

3.4. Een overschrijding van de termijn waarbinnen een rechtsmiddel dient te worden ingesteld, kan slechts onder bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden verontschuldigbaar zijn. Van zulke verontschuldigbaarheid kan sprake zijn indien de overschrijding van de termijn het gevolg is van handelen of nalaten van de overheid.


3.5. Gelet hierop is het kennelijke oordeel van het Hof dat het aan de verdachte moet worden toegerekend dat door hem niet binnen een termijn van veertien dagen na het vonnis van de Politierechter hoger beroep is ingesteld, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers (a) dat twee dagen na het vonnis van de Politierechter van 20 oktober 2003 bij het arrondissementsparket een in het Pools gestelde brief van de verdachte is binnengekomen waarin zijn naam en het parketnummer van de zaak zijn vermeld, (b) dat op dit schrijven pas bij brief van 7 november 2003 - dus na het verstrijken van de appèltermijn - is gereageerd, en (c) dat de verdachte naar aanleiding daarvan de op 14 november 2003 ingekomen brief van 10 november 2003 heeft gezonden, strekkende tot het (doen) instellen van hoger beroep.8

10. Deze rechtspraak leidt tot de slotsom dat de indiening op de 15e dag in de onderhavige zaak niet zonder meer meebrengt dat het middel kansloos is.910 Het gaat nu verder over de centrale overweging van het Hof die inhoudt dat uit het dossier geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen ‘waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief van verdachte, waaraan de machtiging tot het opmaken van een akte hoger beroep is ontleend, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het openbaar ministerie is binnengekomen.’ Voor de vraag hoe die overweging moet worden gelezen is van belang dat aan de akte instellen hoger beroep drie stukken zijn gehecht: 1. Een kopie van een handgeschreven brief inhoudende: “Geachte. Bij deze teken ik [verdachte] hoger beroep aan (…).” De niet gedateerde brief is ondertekend door [verdachte] 2. Een kopie van de mededeling uitspraak van de officier van justitie gedateerd 10 september 2012. In de linker bovenhoek van de eerste pagina van dit stuk bevindt zich een stempel met het opschrift: “Ontvangen postkamer d.d. 26 sep. 2012 Arrondissementsparket Maastricht”. 3. Een kopie van wat lijkt op de handgeschreven adressering van de voorzijde van een (niet gefrankeerde) enveloppe met de volgende inhoud: ‘O.M. Postbus 1987 6201 BZ Maastricht.’ Voor zover ik heb kunnen nagaan is dit inderdaad het juiste postadres van het openbaar ministerie in Maastricht. De originele onder 1 t/m 3 bedoelde bescheiden11 heb ik in het dossier niet aangetroffen.

11. Aan te nemen valt dat de centrale overweging niet zo moet worden gelezen dat het Hof van oordeel is dat brief van verdachte in het geheel niet bij het openbaar ministerie is ingekomen. Dat zou namelijk niet zonder meer begrijpelijk zijn gelet op het derde bescheid. Het zou dan toelichting behoeven waarom het Hof meent dat de brief niet bij het OM is ingekomen, ondanks dat het erop lijkt dat die brief zich heeft bevonden in een aan het OM geadresseerde enveloppe.

12. Het komt dus aan op de begrijpelijkheid van het oordeel inzake het ontbreken van een aanwijzing dat de brief eerder dan op 9 oktober 2012 bij het openbaar ministerie is binnengekomen. Opmerkelijk is dat het eerste bescheid (de brief zelf) geen datum bevat en niet is gestempeld, terwijl het tweede bescheid, zoals hierboven al is geconstateerd, een stempel bevat. In cassatie gaat het te ver - het vergt feitelijke vaststellingen - om uit de aanwezigheid van die stempel zonder meer af te leiden dat de mededeling uitspraak als bijlage bij de machtigingsbrief inderdaad op 26 september 2012 is ontvangen. Het is moeilijk te verklaren waarom op de brief zelf geen stempel is gezet. De stempel op de bijlage bij de machtigingsbrief maakt echter het oordeel van het Hof dat er geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen ‘waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief van verdachte, waaraan de machtiging tot het opmaken van een akte hoger beroep is ontleend, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het openbaar ministerie is binnengekomen’ zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De stempel vormt in samenhang met de adressering op de enveloppe een aanwijzing dat de mededeling uitspraak als bijlage bij de machtiging op 26 september 2012 en dus ruim voor 9 oktober 2012 bij het openbaar ministerie is binnengekomen.

13. Het middel slaagt. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


AG

1 In de mededeling uitspraak is onder het parketnummer 03-074154 ook nog een op 22 mei 2011 begaan feit 6 vermeld (opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod). In het vonnis van de Politierechter is omtrent dit feit niets vermeld.

2 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Deventer: Kluwer 2014, p. 945, HR 24 oktober 1978, NJ 1979/52 m.nt. ThWvV, HR 7 april 1981, NJ 1981/430 en HR 3 april 1984, NJ 1984/634 m.nt. ThWvV.

3 HR (conclusie AG Bleichrodt) 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI7316, r.o. 3.5. Zie ook HR 20 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1259, r.o. 4.4.

4 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 45.

5 HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3629.

6 HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3629, r.o. 3.5.

7 HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1165.

8 HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1165, r.o. 3.4 en 3.5.

9 Dit is anders in het geval een advocaat een volmacht naar de verkeerde justitiële instantie stuurt: Zie HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856.

10 Dat in de mededeling uitspraak de wijze waarop hoger beroep kan worden ingesteld is toegelicht, doet hier niet aan af. Vgl. HR 3 april 1984, NJ 1984/634, r.o. 5.3.

11 Van bescheid 2 (mededeling uitspraak) bevindt zich een tweede kopie (zonder stempel) in het dossier met daaraan gehecht een akte van uitreiking waaruit blijkt dat mededeling uitspraak op 24 september 2012 in persoon is uitgereikt aan verdachte.