Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1942

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
14/01207
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2751, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bedreiging met zware mishandeling. Art. 285 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AT3659. Oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring omschreven gedragingen van de verdachte, gelet op de omstandigheden waaronder deze gedragingen zijn geschied, bedreiging met zware mishandeling opleveren is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01207

Mr. Harteveld

Zitting 25 augustus 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 28 januari 2014 ter zake van “bedreiging met zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van voorarrest.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte aangever [betrokkene 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 28 november 2012 te Delft een persoon genaamd [betrokkene 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een stoel boven zijn hoofd gestaan en daarmee zwaaiende/gooiende bewegingen gemaakt in de richting van [betrokkene 1].

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 november 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012255290-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 71 e.v.): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Op 28 november 2012 bevond ik mij met onder andere [betrokkene 2] in Delft op het terras van een café. Er liepen zes mannen langs.

Signalement dader 1:

- man

- lichtgrijs petje

- lichtgrijs vest met capuchon

- spijkerbroek.

Ik zag dat dader 1 mijn sigaretten probeerde te pakken. Ik zei tegen dader 1 dat hij weg moest gaan en mij met rust moest laten. Vervolgens zag ik dat dader 1 een stoel van het terras pakte en deze boven zijn hoofd tilde. Ik zag dat dader 1 de stoel richting mij wilde gooien. Ik zag dat hij een gooibeweging maakte met de stoel. Ik zag dat dader 1 dit tot driemaal toe deed. Ik voelde me op dat moment kwetsbaar en ik voelde me bedreigd.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 november 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012255290-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 74 e.v.): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Op 28 november was ik samen met mijn vriend [betrokkene 1] in Delft. Ik zag dat er een groep van 5 à 6 man binnen kwam. Eén van hen vroeg aan mij een sigaret. Ik kreeg direct de indruk dat ze ruzie wilden maken. Ik zag dat alle mannen onder invloed waren van alcohol. [betrokkene 1] kreeg ruzie met één van de mannen. Ik zag dat die man een stoel vastpakte. Ik zag dat hij deze boven zijn hoofd vasthield met twee handen. Ik zag dat hij de stoel ongeveer drie keer van achter zijn lichaam naar voor zijn lichaam hield. Ik kreeg de indruk dat hij hiermee mijn vriend wilde slaan dan wel de stoel wilde gooien. Ik hoorde dat hij hierbij woorden riep zoals: "Kom dan!".

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 november 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012255290-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 76 e.v.): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [verdachte]:

Gisteren was ik met een paar jongens in Delft. Ik was gekleed in een spijkerbroek en een licht grijs vest. Ik had ook een petje op. Ik heb sigaretten van iemand gepakt. Ik dacht dat het wel mocht, maar we kregen wat onenigheid. Het kan wel dat ik met een stoel boven mijn hoofd heb gestaan. Ik zwaaide met die stoel ja.

Noot verbalisant: Ik zie verdachte met twee handen boven zijn hoofd heen en weer zwaaien van voor naar achter alsof hij een groot voorwerp vast heeft.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 december 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1581 2012255290-31. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 81 e.v.): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [verdachte]:

Ik heb ruzie gehad met een Chinese man. Ik heb daarbij een stoel beetgehouden.

5. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag van 4 december 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -: als de op genoemde datum tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [verdachte]:

Ik heb de stoel omhoog gehouden.

6. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 februari 2013 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik was op 28 november 2012 in de avond in Delft. Ik heb daar toen ruzie op een terras gehad. Ik had een spijkerbroek en een grijs vest aan en een grijs petje op.”

3.2.3. Het Hof heeft in zijn arrest onder de kop ‘Nadere overwegingen’ voorts het volgende overwogen - voor zover van belang -:

"Bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht?

Uit de bewijsmiddelen kan de hierna volgende gang van zaken worden afgeleid. In de avond van 28 november 2012 bevond de verdachte zich in Delft en maakte hij deel uit van een groep mannen. Nadat die groep de aangever en de getuige [betrokkene 2] benaderde, kreeg [betrokkene 2] direct de indruk dat de groep ruzie wilde maken. [betrokkene 2] zag dat alle mannen onder invloed van alcohol waren. Toen de verdachte de sigaretten van de aangever probeerde te pakken, zei de aangever tegen de verdachte dat hij weg moest gaan en dat hij hem met rust moest laten. Hierop pakte de verdachte een stoel en tilde deze boven zijn hoofd. Vervolgens maakte hij driemaal een zwaaiende/gooiende beweging met de stoel in de richting van de aangever. Hierbij riep hij woorden zoals "Kom dan!".

Naar het oordeel van het hof zijn de door de verdachte verrichte handelingen van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde bedreiging.”

3.3. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.1

3.4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de door de verdachte geuite handelingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. In het licht van hetgeen hiervoor onder 3.3. is vooropgesteld geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de woorden ‘bedreiging met zware mishandeling’ als bedoeld in art. 285, eerste lid, Sr.

3.4.2. De vraag die vervolgens aan de orde komt is of dit oordeel de begrijpelijkheidstoets kan doorstaan. Aan de hand van de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte, die met een groep vrienden op een terras was, sigaretten van de aangever probeerde te pakken. De aangever zei tegen de verdachte dat hij weg moest gaan en dat hij hem met rust moest laten, waarop de verdachte een stoel heeft gepakt, deze dreigend boven zijn hoofd heeft getild en daarmee tot drie keer toe zwaaiende /gooiende bewegingen met die stoel heeft gemaakt in de richting van de aangever. De verdachte heeft aan zijn gedragingen tevens woorden toegevoegd zoals ‘Kom dan!’. Hieruit blijkt dat het Hof de uitlating ‘Kom dan!’ heeft betrokken bij de gedragingen van de verdachte, als ‘omstandigheden’ waaronder de gedraging is vericht. De feitelijke omschrijving van de bedreiging is in de bewezenverklaring immers toegespitst op de gooiende bewegingen met de stoel en niet op de woorden ‘Kom dan!’. De door het Hof toegevoegde context acht ik in het onderhavige geval voldoende sterk. De verdachte heeft op zeer korte afstand van de aangever dreigend met een stoel meerdere malen gooiende bewegingen gemaakt vanaf enige hoogte (boven zijn hoofd) naar beneden. Gelet op de aard van het voorwerp (een stoel is een hard en groot voorwerp) in combinatie met het gebruik ervan, te weten het dichtbij maken van gooiende bewegingen, was er sprake van een gevaarlijke situatie, waarin zwaar lichamelijk letsel kon worden toegebracht. Dat de verdachte uiteindelijk niet met de stoel heeft gegooid, doet daaraan niet af. De aangever heeft ook verklaard dat hij zich bedreigd voelde. De combinatie van de handelingen en de geuite bewoordingen door de verdachte vormen mijns inziens voldoende grond om te kunnen aannemen dat er sprake was van bedreiging met zware mishandeling. Het oordeel van het Hof dat de door de verdachte verrichte handelingen een bedreiging met zware mishandeling van de aangever opleveren, acht ik, ook gezien de lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad, niet onbegrijpelijk.2

Het betoog onder punt 5 in de toelichting op het middel, inhoudende dat er een ‘duidelijk voorbehoud’ was, omdat de stoel pas zou worden gegooid als aangever zou komen, kan ik niet bepaald volgen. Die omstandigheid is gerelateerd aan de redelijke vrees dat de bedreigde zwaar lichamelijk zou oplopen en die heeft het Hof nu juist wel aangenomen. Wat daarvan ook rest, in cassatie kan geen beroep worden gedaan op feiten en omstandigheden die niet door het Hof zijn vastgesteld en waarvan niet blijkt dat daarop ter terechtzitting van het Hof een beroep is gedaan.

3.5. De onderhavige zaak vertoont op het eerste gezicht enige gelijkenis met HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:961. In die zaak had het Hof in het midden gelaten of de verdachte met een mes dan wel met een iPhone had gezwaaid, en geoordeeld dat door het opzettelijk dreigend met een voorwerp, op (korte) afstand van de keel en/of het hoofd van [A] zwaaien en daarbij bezigen van de woorden "wat moet je dan" bij [A] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel kon oplopen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak omdat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat de bedreiging door de verdachte van dien aard was dat bij [A] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij daadwerkelijk zou worden mishandeld en dat hij daarbij zwaar lichamelijk letsel kon oplopen. Zwaaien met een stoel is echter iets anders dan zwaaien met een iPhone en nadert, zo kan men zelfs zeggen, al de uitvoering van het achterliggende delict van zware mishandelingf.3

3.6. Het middel faalt.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659.

2 Vgl. zaken waarin de Hoge Raad de veroordeling ter zake van bedreiging in stand in stand heeft gelaten: o.m. HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3608 (art. 81 RO; de verdachte gooit in de spreekkamer van de sociale dienst een stoel naar een medewerker van de sociale dienst, wijst vervolgens met zijn vinger naar die medewerker en voegt hem de woorden “jou pak ik nog” toe), HR 20 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7071(art. 81 RO; de verdachte maakt zwaaiende bewegingen met een mes en met een plank in de richting van een politieambtenaar, die zich zeer dichtbij de verdachte bevindt), HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2145, m.nt. Buruma (de verdachte rent met gebalde vuisten op het fietsende slachtoffer af en schreeuwt dat zij moet opdonderen, terwijl hij op het moment dat hij haar dicht is genaderd slaande bewegingen maakt naar haar hoofd).

3 Andere zaken waarin de Hoge Raad de veroordeling ter zake van bedreiging heeft vernietigd: o.m. HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5695 (de verdachte maakt zich groot en breed, houdt dreigend zijn hand omhoog en voegt het slachtoffer de woorden “ik kom je nog wel een keer tegen op straat” toe), HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717 (de verdachte staat dichtbij het slachtoffer, heft zijn arm, maakt een stompende beweging met zijn vuist en voegt het slachtoffer de woorden “los laten” toe). Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2014:313) vóór HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:961 en de daarin genoemde voorbeelden.