Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1941

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
14/02899
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2750, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Instellen hoger beroep. Bijzondere volmacht aan de griffier. Art. 450.1.b Sv. De brief van verdachte, die kennelijk was bestemd voor die justitiële instantie alwaar aanwending van rechtsmiddelen dient te geschieden, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uiting van verdachtes wens om h.b. in te stellen. Dat het “OM Noord-Holland” in weerwil daarvan niet de - aldaar tijdig ingekomen en als een bijzondere volmacht in de zin van art. 450.1.b Sv op te vatten- brief naar de griffie van de Rb Noord-Holland heeft doorgezonden en het opmaken van een appelakte achterwege is gebleven, mag niet strekken ten nadele van verdachte. Hetgeen in het aan de inleidende dagvaarding gehechte “informatieblad” is opgenomen m.b.t. “het instellen van hoger beroep en de daartoe te ondernemen stappen” doet daaraan niet af. Het Hof heeft verdachte op ontoereikende gronden n-o verklaard in zijn hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02899

Mr. Harteveld

Zitting 25 augustus 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 mei 2014 verdachte niet‑ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans dat het die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2. Verdachte, aan wie de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg niet in persoon is betekend, is op 21 oktober 2013 door de Rechtbank Noord-Holland bij verstek veroordeeld wegens ”overtreding van het: bepaalde in artikel 21 sub a RVV 1990 (cat 1)” tot een geldboete ter hoogte van 910 euro subsidiair 18 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden. Wanneer de mededeling uitspraak aan verdachte is uitgereikt blijkt niet uit de gedingstukken. Uiteindelijk stelt een advocaat namens de verdachte op 16 december 2013 hoger beroep in.

3.3. Tot de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding behoort een afschrift van een brief van verdachte, gedagtekend 22 oktober 2013, gericht aan het " Openbaar Ministerie, Prins Clauslaan 60, 2595 AJ Den Haag ". Deze brief is op 31 oktober 2013 bij het arrondissementsparket Noord-Holland ingekomen.1 Voor zover hier van belang houdt de brief in:

“Betreft; Vergeten zitting 21-10-2013 te Alkmaar

Parketnummer;

Geachte heer/mevrouw,

Op 21 oktober jongsleden had ik moeten verschijnen op een zitting omtrent een snelheids overtreding in de rechtbank in Alkmaar. Helaas was ik dit vergeten en kwam ik hier pas achter rond 13:00 terwijl de zitting al om 11:45 zou beginnen. Hierna heb ik gelijk contact opgenomen met het ‘OM’. De medewerker die ik heb gesproken adviseerde mij een schrijven te sturen met eventuele uitleg.

Mijn rijbewijs heb ik dagelijks nodig hoewel ik geen auto heb maak ik vaak gebruik van de auto van mijn familie om toch te komen waar ik moet wezen. Verder weet ik dat ik die dag in overtreding ben geweest door 55km/u te hard te rijden. Al weet ik dat er geen redens voor bestaan om te hard te rijden maar gezien de omstandigheden van die dag heb ik daar niet meer aangedacht en er heel erg spijt van tot op de dag van vandaag. Verder heb ik dit jaar al mijn lang openstaande boetes die ik voorheen had bij het ‘CJIB’ opgelost. Dit met als reden dat ik van mijn problemen af wil komen en het laatste jaar heb ik dan ook geen snelheid en verkeersovertredingen begaan. Dit is dan voor u wel niet te controleren aangezien ik zelf geen auto meer heb. Mocht ik wel een auto hebben had ik daar geen verkeersovertreding meegemaakt.

Verder hoop ik dat u alsnog de zaak kunt herzien en zal ik hierbij wel aanwezig zijn. Als het niet meer mogelijk is hoop ik dat ik niet mijn rijbewijs voor een bepaalde tijd kwijt ben.

Graag verneem ik graag wat de vervolgstappen worden. Afwachtend van uw antwoord verblijf ik.

Met vriendelijke groeten,

[verdachte]”

3.4. Het Hof heeft verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Noord-Holland van 21 oktober 2013. Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:

“Uit de inhoud van de brief van de verdachte gericht aan het openbaar ministerie van 22 oktober 2013 leidt het hof af dat de verdachte op de hoogte was van de dag van de terechtzitting bij de kantonrechter te weten 21 oktober 2013. Onder deze omstandigheden had hij op grond van het bepaalde in artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering binnen 14 dagen na de uitspraak van de kantonrechter hoger beroep dienen in te stellen. Nu hij dit niet heeft gedaan is het door hem ingestelde hoger beroep niet tijdig ingediend.

Het hof heeft voorts geconstateerd dat aan de dagvaarding een informatieblad; is gehecht met betrekking tot onder meer het instellen van hoger beroep en de daartoe te ondernemen stappen.

Naar het oordeel van het hof kan, mede gelet op het voorgaande, in hetgeen door/namens de verdachte is aangevoerd geen grond worden gevonden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

De verdachte moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

3.5. De gang van zaken, leidend tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep, geeft aanleiding te bezien of de ‘oude’ rechtspraak van de Hoge Raad over de verkeerde adressering van brieven van de verdachte, waaruit zijn wens om een rechtsmiddel in te stellen, nog ‘geldig’ is na de inwerkingtreding van de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470). Die jurisprudentie kwam er kort gezegd op neer dat een dergelijk schrijven moet worden aangemerkt als een bijzondere volmacht aan een medewerker van de griffie. Het verzenden door de verdachte van die volmacht naar een verkeerde justitiële instantie met als gevolg dat het rechtsmiddel niet tijdig wordt ingesteld mag de verdachte niet worden tegengeworpen. 2 Samengevat wordt ook wel gesproken van een ‘doorzendplicht’ van justitie. Dat een dergelijke ‘doorzendplicht’ onder de nieuwe wetgeving (waaruit het schriftelijk aanwenden van rechtsmiddelen door advocaten voortvloeit) niet geldt voor advocaten die een brief naar het verkeerde adres sturen blijkt uit HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856. De Hoge Raad overwoog aldaar:

“2.3. Ingevolge art. 449, eerste lid, Sv wordt hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring, af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker. Die volmacht moet dan wel zijn verleend aan een medewerker van de griffie van het gerecht door hetwelk de beslissing waarvan beroep is gegeven. Het gaat hier, in ieder geval wat betreft een advocaat, niet om een onredelijke eis.”

3.6. In ons geval betreft het echter een brief van de verdachte, en de vraag is of het stellen van de eis van een juiste adressering ten aanzien van hem al dan niet onredelijk zou zijn. De overweging van de Hoge Raad laat beide opties open. Aannemelijk is echter wel dat ten aanzien van de verdachte het sanctioneren van een onjuiste adressering eerder onredelijk zou zijn dan ten aanzien van de advocaat. In het verleden was de Hoge Raad kennelijk wel van oordeel dat een dergelijke eis overspannen zou zijn. Mocht die ‘oude’ leer van de Hoge Raad – conform de suggestie die uit het arrest van 2014 wekt – nog steeds gelden voor de verdachte dan is vervolgens de vraag die in de thans aan de orde zijnde zaak speelt hoe de brief van de verdachte moest worden opgevat: spreekt daaruit voldoende ondubbelzinnig van de wens om een rechtsmiddel aan te wenden? Ik bewaar die vraag even voor later, omdat de vraag naar de gelding van de hoofdregel wat mij betreft belangrijker is. Datzelfde gold voor mijn ambtgenoot Knigge, die in zijn conclusie voor HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5263 al aandacht vroeg voor de kwestie van de gelding van de ‘doorzendplicht’ onder de (toen nog iets nieuwere) Wet stroomlijnen hoger beroep. Zijn antwoord op die vraag was positief, maar in het toen aan de orde zijnde geval kon het cassatiemiddel zijns inziens niet slagen, wegens kort gezegd het ontbreken van feitelijke grondslag voor de klacht. De Hoge Raad was het met dat laatste eens en verwierp het cassatieberoep, echter zonder in te gaan op de door de A-G opgeworpen onderliggende rechtsvraag.

3.7. In die zojuist genoemde conclusie heeft mijn ambtgenoot Knigge met kracht van argumenten betoogd dat uit de Wet stroomlijnen hoger beroep uiteindelijk geen dwingende redenen voortvloeien om de ‘oude’ leer van de Hoge Raad overboord te werpen. Omdat zijn betoog naar ik meen bepaaldelijk overtuigend is geef ik het hieronder grotendeels weer:

“10. Hoewel het middel […..] faalt, zal ik als gezegd de hiervoor opgeworpen vraag met betrekking tot de consequenties van de Wet stroomlijnen hoger beroep van 5 oktober 2006 (Stb. 2006, 470) niet onbesproken laten. Die wet is in het onderhavige geval van toepassing (art IV). Het vonnis in eerste aanleg van 4 maart 2008 is immers na inwerkingtreding per 1 maart 2007 van deze Wet (Stb. 2007, 70) gewezen. De hier toepasselijke tekst van artikel 450, derde lid, Sv luidt derhalve:

"3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de uitreiking van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding."

11. De Memorie van Toelichting bij het betreffende wetsvoorstel houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"Onderdeel Y. Aanwending van rechtsmiddelen: artikel 450 Sv (zie § 3.4)

Deze wijziging is reeds uitvoerig toegelicht in het algemeen deel. Door de onderhavige wijziging wordt nadrukkelijk beoogd de wijze van het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep strikter te regelen. De striktere regeling zal gepaard moeten gaan met een goede informatieverschaffing aan de verdachte. Ook wordt een redactionele verbetering in artikel 450 Sv voorgesteld door de invoeging van de woorden "door tussenkomst van". Het is de verdachte die het rechtsmiddel aanwendt eventueel door tussenkomst van een gemachtigde.

Het is de nadrukkelijke bedoeling van het nieuwe derde lid om de praktijk van het aanwenden van hoger beroep door middel van een bijzondere schriftelijke volmacht zodanig te formaliseren dat wordt voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen geschiedt in combinatie met het zich onbereikbaar houden voor gerechtelijke mededelingen. Door deze regeling worden voorts bezwaren die worden geuit tegen een vonnis in eerste aanleg en die bij andere instanties dan de griffie binnenkomen, niet meer opgevat als een bijzondere schriftelijke volmacht waaraan gevolg gegeven moet worden. Zoals gesteld, zal de informatievoorziening aan de verdachte over de wijze van instellen van rechtsmiddelen bij aanvaarding van dit voorstel aan de veranderde regeling moeten worden aangepast. Hiervoor is geen aparte regelgeving vereist."

(Kamerstukken II, 2005-2006, nr. 30 320, nr. 3, p. 53)

12. In zijn arrest van 22 december 2009(6) oordeelde de Hoge Raad dat ook een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat met een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker hoger beroep kan instellen, mits die volmacht voldoet aan de eisen ex artikel 450 Sv, waaronder de hiervoor bedoelde vermelding omtrent het in ontvangst nemen van de oproeping. Uit de parlementaire geschiedenis leidt de Hoge Raad af dat de wetgever niet heeft willen weten van een volmacht die aan die eisen niet beantwoordt.(7) Ten aanzien van een door de verdachte te verlenen bijzondere volmacht overwoog de Hoge Raad echter:

"3.8. De Hoge Raad tekent bij het vorenoverwogene aan dat een strikte wetstoepassing niet in de rede ligt in het - zich hier niet voordoende - geval dat de volmacht aan de griffiemedewerker door de verdachte zelf is verstrekt en hem in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt van het verzuim, bijvoorbeeld als dat is begaan ten gevolge van gebreken in de - in de memorie van toelichting in het vooruitzicht gestelde - "informatievoorziening aan de verdachte over de wijze van instellen van rechtsmiddelen".

13. Met dit arrest van de Hoge Raad zijn niet alle vragen beantwoord die de nieuwe wettelijke regeling oproept. Het arrest heeft betrekking op de eisen waaraan een aan een medewerker van de griffie verstrekte volmacht moet voldoen en op de vraag in hoeverre strikte wetstoepassing op dit punt geboden is. In het arrest is als ik het goed zie geen antwoord te vinden op de vraag of er thans nog ruimte is voor de soepelheid die betracht moest worden als het gaat om als bijzonder volmacht op te vatten brieven die tijdig bij andere instanties dan de griffie binnenkomen. Van de hiervoor geciteerde passage uit de MvT gaat in elk geval de suggestie uit dat de wetgever van die soepelheid niet meer wil weten. Gesteld wordt immers:

"Door deze regeling worden voorts bezwaren die worden geuit tegen een vonnis in eerste aanleg en die bij andere instanties dan de griffie binnenkomen, niet meer opgevat als een bijzondere schriftelijke volmacht waaraan gevolg gegeven moet worden."

14. In dit verband verdient ook de navolgende passage uit de MvT aandacht:

"Een wezenlijk onderdeel van de vormvoorschriften rond het instellen van een rechtsmiddel is dat de griffier van de afgelegde verklaring een akte opmaakt, artikel 451 Sv. Eerst door het opmaken en, behoudens een beletsel waarvan melding zal moeten worden gemaakt, door de comparant ondertekenen van die akte is het rechtsmiddel werkelijk ingesteld. Het geheel van deze handelingen - verschijnen van de verdachte (of diens raadsman of gemachtigde) ter griffie en het opmaken en ondertekenen van de akte waarin de wens tot het instellen van het rechtsmiddel is opgenomen - zal uiterlijk op de laatste dag van de termijn voor sluiting van de griffie moeten plaatsvinden. Dit is niet anders indien de verdachte een brief stuurt waaruit volgt dat het instellen van een rechtsmiddel wordt beoogd. Die brief zal immers behandeld moeten worden als een bijzondere volmacht, als bedoeld in artikel 450, eerste lid, onder b, Sv. Daaraan zal vóór het eindigen van de beroepstermijn door het opstellen van een akte uitvoering moeten kunnen worden gegeven. In dat verband kan het tijdstip van binnenkomst van belang zijn. Het instellen van een rechtsmiddel als hoger beroep is dus geen eenzijdige handeling, maar vereist de medewerking van de griffier. Zonder diens tussenkomst kan het instellen van een rechtsmiddel niet worden voltooid."

15. De vraag is welke betekenis en welk gewicht aan deze passages moeten worden toegekend. Ik stel bij de beantwoording van die vraag voorop dat sprake is van twee te onderscheiden kwesties. De vraag aan welke eisen de volmacht moet voldoen, is een andere dan de vraag of de verdachte ontvankelijk is als het beroep te laat is ingesteld doordat de volmacht naar een verkeerde instantie is gestuurd. Ook een perfecte - aan alle door art. 450, derde lid, Sv gestelde eisen beantwoordende - volmacht kan immers in een verkeerd geadresseerde enveloppe worden gestopt. Dat maakt dat niet goed te begrijpen valt dat het enkele feit dat de volmacht naar een verkeerde instantie is gestuurd, zou maken dat van een "bijzondere schriftelijke volmacht waaraan gevolg moet worden gegeven" geen sprake meer is, laat staan dat te begrijpen valt waarom dat "door deze regeling" zo zou zijn. Dat klemt in gevallen waarin de volmacht ondanks de onjuiste adressering toch nog tijdig bij de griffie in binnengekomen. Maar ook in gevallen waarin het gevolg van de onjuiste adressering is dat de akte rechtsmiddel na afloop van de beroepstermijn wordt opgemaakt, valt niet goed in te zien waarom de nieuwe regeling zou meebrengen dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Op de vraag in welke gevallen een termijnoverschrijding verschoonbaar is, heeft die regeling immers geen betrekking.

16. Ik merk daarbij op dat de reden voor de wetgever om een striktere regeling na te streven van de wijze waarop rechtsmiddelen dienen te worden ingesteld, gelegen was in de betekeningsproblematiek. Formalisering was gewenst om te voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen geschiedt "in combinatie met het zich onbereikbaar houden voor gerechtelijke mededelingen". Die ratio brengt niet mee dat volmachten worden genegeerd die aan alle eisen voldoen, maar naar de verkeerde instantie zijn gestuurd. Door het pardonneren van termijnoverschrijdingen die van de verkeerde adressering het gevolg kunnen zijn, kan wel een ander belang in het gedrang komen, namelijk het belang dat geen onduidelijkheid bestaat over de vraag of een uitspraak al dan niet onherroepelijk is. Het accepteren van de mogelijkheid dat na ommekomst van de beroepstermijn alsnog een volmacht binnenkomt waaraan gevolg moet worden gegeven, impliceert dat enige onzekerheid over de status van de uitsprak aanvaardbaar wordt geacht. Ik merk daarbij op dat dit geldt voor alle gevallen waarin de Hoge Raad van oordeel is dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Waarom de wetgever alleen in dit ene geval geen ruimte meer zou willen laten voor het pardonneren van de termijnoverschrijdingen is niet direct inzichtelijk.

17. in dit licht bezien, zou aan de hiervoor onder 14 geciteerde passage geen bijzondere betekenis behoeven te worden toegekend. In die passage wordt enkel uiteengezet wat vereist is, wil tijdig beroep zijn ingesteld. Over de vraag wat rechtens is als het beroep te laat is ingesteld, zegt deze passage zogezien niets. Dat maakt ook dat in de onder 13 nogmaals aangehaalde passage wellicht niet méér behoeft te worden gelezen dan de gedachte dat een volmacht die inhoudt dat de verdachte ermee instemt dat een medewerker van de griffie de oproeping aanstonds in ontvangst neemt, niet snel per vergissing naar een andere instantie dan de griffie zal worden gestuurd.(8) Omgekeerd zal dan gelden dat een volmacht die naar de verkeerde instantie is gestuurd, doorgaans niet aan de gestelde eisen zal voldoen. In zoverre kan inderdaad gesteld worden dat de nieuwe regeling meebrengt dat geen gevolg behoeft te worden gegeven aan machtigingen die afgegeven zijn aan de verkeerde instantie. Dat is dan niet meer dan een praktisch effect dat verwacht wordt van een strikt toegepaste wettelijke regeling. Daarbij zij opgemerkt dat die strikte toepassing volgens de Hoge Raad ten aanzien van de verdachte die zelf een brief naar de griffie stuurt niet in de rede ligt zolang de in de MvT in het vooruitzicht gestelde informatievoorziening aan de verdachte gebreken vertoont. In het verlengde daarvan ligt dat, zolang het aan adequate voorlichting ontbreekt, als regel kan worden aangehouden dat de verdachte die zijn brief naar de verkeerde justitiële instantie stuurt, daarvan in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt.

18. Bij dit alles past nog wel een kanttekening. De vraag is of de hier aan de orde zijnde jurisprudentie van de Hoge Raad wel gebaseerd is op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. In HR 20 oktober 1998, LJN ZD1259 (NJ 1999, 50) was dit overduidelijk het geval. Overwogen werd dat het Hof niet "zonder meer" had mogen aannemen dat de termijnoverschrijding voor rekening en risico van de verdachte kwam. Het had een onderzoek moeten instellen naar de (voor de hand liggende) mogelijkheid dat de verdachte de volmacht bij de verkeerde instantie had ingediend doordat "hij verkeerde in de verontschuldigbare dwaling dat hij die volmacht moest indienen in het gerechtsgebouw waar het gerecht dat zijn hoger beroep zou behandelen was gehuisvest". Het hing zogezien van een onderzoek naar de bijzonderheden van het geval af of de termijnoverschrijding kon worden gepardonneerd. Van dat maatwerk is in HR 13 juni 2006, LJN AW3629 nog maar weinig over. Ook de term "verontschuldigbare dwaling" valt niet. De fout wordt zonder meer bij de justitie gelegd. "De omstandigheid dat (...) het arrondissementsparket de brief niet naar de griffie heeft doorgezonden, mag niet strekken ten nadele van degene die de volmacht had afgegeven." Daaraan kon, zo werd daaraan toegevoegd, alle voorlichting niet afdoen die de verdachte volgens het Hof had ontvangen over de wijze van instellen van beroep. De conclusie was dan ook dat de beslissing van het Hof onjuist was: "het Hof had (...) de verdachte niet niet-ontvankelijk mogen verklaren in zijn beroep". Dat lijkt te impliceren dat het beroep zelfs ontvankelijk is als de verdachte de volmacht moedwillig naar de verkeerde instantie stuurt.

19. De gedachte dat de grondslag van deze jurisprudentie gelegen is in de verschoonbaarheid van het verzuim kan overeind gehouden worden als aangenomen wordt dat de Hoge Raad het onweerlegbare vermoeden heeft willen introduceren dat de indiening bij een verkeerde instantie het gevolg is van verontschuldigbare dwaling. De achterliggende overwegingen zouden daarbij van praktische aard kunnen zijn. De rituele dans rond de bijzonderheden van het geval blijft de rechter bespaard, terwijl het gevaar van misbruik weinig reëel is. Maar wat daarvan zij, de facto lijkt de door de Hoge Raad gecreëerde oplossing niet te verschillen van de regeling die in art. 6:15 Algemene wet bestuursrecht is getroffen met betrekking tot de indiening van bezwaar- of beroepschriften.(9) Wel nu, het zou kunnen zijn dat in de hiervoor vermelde passages uit de MvT moet worden gelezen dat de wetgever van oordeel is dat voor een dergelijke regeling in het strafprocesrecht geen plaats is.

20. De vraag die zich daarbij opdringt, is natuurlijk waarop dat oordeel is gebaseerd. Zoals reeds werd opgemerkt, heeft het uitbannen van de door de Hoge Raad op dit punt betrachte soepelheid weinig van doen met de reden waarom de wetgever een striktere regeling van het aanwenden van rechtsmiddelen wenselijk oordeelde (betekeningsproblematiek). Niet aannemelijk is voorts dat formalisering van de rechtsmiddelenregeling voor de wetgever doel op zich is geworden. Dat zou immers al snel neerkomen op het georganiseerd pesten van verdachten. Bij dit alles is van belang dat de rechtspraktijk zich moet behelpen met een rechtsmiddelenregeling die sterk verouderd is omdat zij niet gebaseerd is op de mogelijkheden die de moderne communicatietechniek biedt en die ertoe dwingt dat gewerkt moet worden met onwezenlijke constructies als het volmachtigen van een griffiemedewerker.(10) Zolang een integrale herziening van die regeling uitblijft, moet men voorzichtig zijn met het toekennen van al te veel gewicht aan door de regering in de toelichting op een voorgestelde partiële wijziging gedane uitlatingen die niet of slechts in een ver verwijderd verband staan met de voorgestelde wijziging. De pogingen om de regeling via jurisprudentiële weg werkbaar en evenwichtig te houden, worden anders maar al te gemakkelijk doorkruist zonder dat daarvoor een goede reden valt aan te wijzen.”

3.8. Met handhaving van de door de A-G Knigge aangedragen argumenten meen ik evenzeer als hij dat ten aanzien van de verdachte een door hem aan het Openbaar Ministerie gerichte brief (met die kennelijke strekking) als een volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel door een griffiemedewerker zou moeten worden opgevat. De constatering van het Hof in het onderhavige geval “dat aan de dagvaarding een informatieblad is gehecht met betrekking tot onder meer het instellen van hoger beroep en de daartoe te ondernemen stappen“ – waarbij het overigens de vraag is in welk verband die constatering van belang is geacht door het Hof – kan daaraan lijkt mij geenszins afdoen. Eerder (hierboven onder 3.2.) bleek al, dat de dagvaarding in eerste aanleg niet aan de verdachte in persoon was uitgereikt, zodat niet vastgesteld is dat hij van die informatie kennis kon nemen. Voorts is – als de gang van zaken zoals de verdachte die in zijn brief weergeeft wordt aanvaard – daartegen in te brengen dat een medewerker van het parket, zijnde instantie van wie de dagvaarding is uitgegaan, de verdachte telefonisch heeft meegedeeld maar een brief – kennelijk naar datzelfde parket – te sturen. De informatieverschaffing van overheidswege was dus bepaald niet eenduidig. Maar ook los daarvan kan aan de (grote) hoeveelheid kleine lettertjes die op het betreffende informatieblad zijn afgedrukt niet veel waarde worden toegekend, gelet op de algemene regel die de Hoge Raad in zijn arrest van 2006 (HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3629) formuleerde.

3.9. Dan de vraag of de onder 3.3 weergegeven brief, die binnen de appeltermijn bij het Openbaar Ministerie is binnengekomen, bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uiting van verdachtes wens om tegen het op 21 oktober 2013 gewezen vonnis van de Kantonrechter het rechtsmiddel aan te wenden dat volgens de wet daartegen openstond: hoger beroep. Wellicht was het Hof van oordeel dat dit niet het geval was – ook al heeft het Hof daaraan geen woord gewijd en blijft ‘s Hofs rechtsopvatting daaromtrent zodoende in het ongewisse. Ik noem enkele puntjes die twijfel zouden kunnen doen rijzen aan de strekking van de brief, hoewel die twijfel niet doorslaggevend is in negatieve zin. Allereerst blijkt namelijk niet uit de brief dat de verdachte op de hoogte was van de inhoud van de beslissing van de Kantonrechter, er was vanuit het perspectief van de verdachte slechts sprake van een hypothetische veroordeling. In de realiteit was die veroordeling echter wel degelijk uitgesproken, dus stond een rechtsmiddel objectief gezien reeds open. Voorts is een zekere contra-indicatie gelegen in de opstelling van de verdachte (en zijn raadsman) ter terechtzitting van het Hof. In het proces-verbaal van de terechtzitting is het volgende gerelateerd:

“De voorzitter deelt mede dat het verstekvonnis is uitgereikt op 2 december 2013, maar dat het er ook om gaat of de verdachte op de hoogte was van de zitting. Volgens de advocaat-generaal blijkt uit de brief die de verdachte heeft gestuurd dat hij daarvan op de hoogte was. De voorzitter vraagt de verdachte waarom hij niet binnen 14 dagen na de zitting hoger beroep heeft ingesteld.

De verdachte verklaart - kort en zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik dacht dat ik op tijd was. Ik kreeg de uitspraak pas later. Ik dacht dat ik de Uitspraak gewoon thuis zou krijgen. Toen ik die had ontvangen heb ik hoger beroep ingesteld. Ik wist niet datje na de zitting voor de uitspraak kon bellen met de rechtbank.

De raadsman van de verdachte verklaart desgevraagd - kort en zakelijk weergegeven - het volgende:

Mijn cliënt is op een heel laai moment op de hoogte geraakt. Ikzelf dacht dat het een verstekvonnis betrof. Ik ben steeds uitgegaan van 14 december 2013 als de datum waarop mijn cliënt op de hoogte is geraakt van de uitspraak. Ik vind het een hele formele gang van zaken. Hij wist niet dat hij kon bellen. Als de straf niet zo hoog was geweest, had hij geen hoger beroep ingesteld. Formeel begrijp ik wat de advocaat-generaal zegt, maar materieel gezien is het hoger beroep wel ingesteld binnen de termijn, namelijk binnen twee weken na ontvangst van de uitspraak. Ik zat er niet tussen. Mijn cliënt kon de situatie pas beoordelen nadat hij het vonnis had ontvangen.”

3.10. Streng geredeneerd zou men kunnen stellen dat, aangezien de verdediging geen beroep heeft gedaan op de strekking van de reeds binnen de appeltermijn verzonden brief, het Hof daarin ook niet ambtshalve de kennelijke wens tot het instellen van een rechtsmiddel had hoeven lezen. Tegen die opvatting spreekt echter dat de voorzitter van het Hof op de terechtzitting de verdachte reeds dadelijk op het “verkeerde been” zette door als uitgangspunt te formuleren dat het hoger beroep niet binnen veertien dagen was ingesteld. Uitgaande van hetgeen volgens mij een juiste rechtsopvatting is had het Hof veeleer moeten vragen wat de bedoeling was van de (tijdig) verzonden brief, in plaats van deze, waar het nu op lijkt, slechts aan te merken als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte van de terechtzitting in eerste aanleg op de hoogte was.

3.11. Ik ben al met al van mening dat de brief gelet op de kennelijke strekking er van had moeten worden aangemerkt als een bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid onder b, Sv, tot het instellen van hoger beroep. Daaraan doet niet af dat de brief was gericht aan het (verkeerde) arrondissementsparket in plaats van aan de griffie van de Rechtbank.

De brief is binnen de appeltermijn bij het arrondissementsparket Noord-Holland binnengekomen. De omstandigheid dat het arrondissementsparket heeft verzuimd de brief naar de griffie door te zenden, mag niet ten nadele van de verdachte strekken. Tegen deze achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte tijdig een volmacht tot het instellen van hoger beroep aan de griffie van de Rechtbank heeft doen toekomen.

3.12. Gezien het vorenoverwogene ben ik van oordeel dat het Hof de verdachte op ontoereikende gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

3.13. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op de brief is een stempel met datum van inkomst bij het ‘Openbaar Ministerie Noord-Holland’ geplaatst van 31 oktober 2013. Kennelijk is de brief, die is gericht aan het Openbaar Ministerie te Den Haag, doorgezonden.

2 Vgl. HR 11 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC1794, NJ 1983/433; HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3629. Zie ook H. Elzinga, In beroep (diss. KUB 1998), p. 49 e.v.