Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1938

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
14/04659
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3259, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Medeplegen. 2. Vorderingen b.p.’s, wettelijke rente. Ad 1. Verdachte heeft onvoldoende rechtens te respecteren belang bij zijn klacht dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij heeft gehandeld tezamen en in vereniging met een ander. Naast het wettelijk strafmaximum, dat niet mede wordt bepaald door het antwoord op de vraag of het feit in vereniging wordt gepleegd, en de door het Hof opgelegde straf en de motivering daarvan, neemt de HR daarbij in aanmerking dat in cassatie onbestreden is dat het verdachte is geweest die de daadwerkelijke uitvoeringshandelingen van het onder 2 bewezenverklaarde heeft verricht, alsmede dat verdachte het wapen en de munitie zoals onder 3 bewezenverklaard voorhanden heeft gehad. Ad 2. Nu niet blijkt dat de b.p.’s vergoeding van wettelijke rente hebben gevorderd heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA4262). HR vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend v.zv. het Hof heeft beslist dat wettelijke rente vergoed moet worden over de toegewezen bedragen van de vorderingen van de b.p.’s en verwerpt het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04659

Zitting: 1 september 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 15 juli 2014 de verdachte wegens 1. “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen en de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over het onder 2 en 3 bewezen verklaarde medeplegen.

4. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, bewezen verklaard dat hij:

“ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 26 december 2011 te Beverwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet meermalen heeft geschoten op het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 5 januari 2012 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een revolver, Smith & Wesson, .357 Magnum, en munitie van categorie III, te weten 6 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad.”

5. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van het medeplegen van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten het volgende overwogen:

“Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er ten aanzien van het de verdachte onder 2 ten laste gelegde geen sprake is van medeplegen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat sprake is geweest van medeplegen van poging tot doodslag (en afpersing), meermalen gepleegd. Het hof overweegt onder meer dat de verdachte en diens mededader een doorgeladen vuurwapen bij zich hadden, welk op enig moment door de medeverdachte is overgedragen aan de verdachte, waarna de verdachte onder meer op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Derhalve verwerpt het hof het gevoerde verweer.

Tenslotte heeft de raadsman met betrekking tot het de verdachte onder 3 ten laste gelegde aangevoerd dat het er alle schijn van heeft dat medeverdachte [betrokkene 2] vlak vóór zijn aanhouding de tas met het vuurwapen uit het dashboardkastje heeft gehaald en onder de bijrijdersstoel heeft neergelegd. Het dossier biedt geen enkele aanwijzing dat de verdachte zich toen en daar bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto. Er was geen sprake van zodanige beschikkingsmacht van de verdachte over het vuurwapen en de munitie dat deze de conclusie rechtvaardigt dat hij op basis van bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte [betrokkene 2] het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem onder 3 ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Gelet op de plaats waar het vuurwapen is aangetroffen, zichtbaar in een open tas onder het dashboardkastje bij de bijrijdersstoel, alwaar de verdachte als bijrijder zat, is het hof van oordeel dat de verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen en dat hij daarover de beschikkingsmacht heeft gehad, zodat hij het vuurwapen en de daarbij behorende munitie tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad. De suggestie van de raadsman dat medeverdachte [betrokkene 2] vlak voor zijn aanhouding de tas met het vuurwapen uit het dashboardkastje heeft gehaald en onder de bijrijdersstoel heeft neergelegd wordt niet gedragen door de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2012, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Derhalve verwerpt het hof het gevoerde verweer.”

6. In het bestreden arrest heeft het hof onder het kopje “Redengevende feiten en omstandigheden” het volgende – met weglating van voetnoten -overwogen:

“Op 26 december 2011 om 23:18 uur kwam bij de regionale meldkamer van de politie Kennemerland een melding binnen van een schietpartij in een woning aan de [a-straat 1] te Beverwijk. Ter plaatste troffen de verbalisanten een drietal personen in de woning aan, te weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en de dertienjarige zoon van voornoemde [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] had een verwonding aan zijn nek komende van een inschotwond en een uitschotwond. De kogel is dóór zijn nek, achter de wervels langs gegaan. De spieren en zenuwen in zijn nek zijn hierdoor beschadigd. Ook heeft [slachtoffer 1] een hersenschudding opgelopen. [slachtoffer 2] heeft een schotwond aan zijn linkerarm, met daarbij een fractuur van zijn linker onder- en bovenarm.

[slachtoffer 1] had op 25 december 2011 een advertentie op Marktplaats gezet waarin hij aangaf dat hij een I-phone wilde kopen. Op 25 december 2011 had [slachtoffer 1] een aantal malen telefonisch contact met een onbekende man over het kopen van I-phones van die man. De onbekende man maakte op die momenten gebruik van het telefoonnummer 06-[001], gekoppeld aan een telefoontoestel met imei-nummer [002]. Dit toestel stond op naam van [betrokkene 1], de moeder van de verdachte. Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte’s moeder op [b-straat 1] te Amsterdam op 6 januari 2012 is in de slaapkamer van de verdachte een verpakking aangetroffen van de simkaart van voornoemd nummer 06-[001].

Dit telefoonnummer is op 25 december 2011 om 18:11 uur in gebruik genomen, oftewel minder dan een uur voor het eerste telefoontje naar [slachtoffer 1], en is laatstelijk gebruikt op 26 december 2011 om 23:09 uur, dus enkele minuten voor de melding van de schietpartij.

De koppeling van het gebruikte telefoonnummer aan het toestel van de moeder van de verdachte vormde de eerste aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde strafbare feiten.

[slachtoffer 1] sprak met de onbekende man af dat hij zes I-phones zou kopen voor € 2.000,00. Ze spraken uiteindelijk op 26 december 2011 af tussen 18:00 en 19:00 uur in Beverwijk in de woning van [slachtoffer 2]. De onbekende man kwam op dat tijdstip echter niet opdagen, maar belde wel om 21:36 uur met een afgeschermd nummer om te zeggen dat hij in Beverwijk was, dat zijn beltegoed op was, dat hij eerst ergens beltegoed zou kopen en dat hij later op de avond nog langs zou komen.

Vast is komen te staan dat om 21:34 uur de Blackberry van de verdachte met imei-nummer [003] en telefoonnummer 06-[004] contact had gezocht met [slachtoffer 1], maar dat dit contact niet tot stand was gekomen. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte twee minuten later, om 21:36 uur, belde met een telefoon met imei-nummer [002] en telefoonnummer 06-[005]. Dit laatste nummer staat op naam van [betrokkene 1], de moeder van de verdachte. Het telefoonnummer van de moeder van de verdachte werd doorgaans gebruikt in combinatie met voornoemde telefoon met imei-nummer [002].

Op grond van het hiervoor besproken gebruik van het telefoontoestel van de moeder van de verdachte en het gebruik van de Blackberry van de verdachte acht het hof bewezen dat het de verdachte is geweest die als onbekende met [slachtoffer 1] telefonische contacten heeft gehad.

Nu [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij steeds met dezelfde onbekende man belde en dat hij die stem later herkende als de stem van de zogenoemde Aziatische man die in de loop van het onderzoek als de verdachte werd geïdentificeerd zal het hof hierna in plaats van over de onbekende man spreken van de verdachte.

Omstreeks 22:50 uur belde de verdachte opnieuw. [slachtoffer 1] gaf hem aanwijzingen over de route naar de woning en ging op het balkon van de woning staan. Hij zag vervolgens een zwartkleurige Honda aan komen rijden met daarin vier personen. Uit onderzoek naar de tijdens zijn aanhouding in beslag genomen Blackberry van de verdachte met imei-nummer [003] is gebleken dat de GPS in de Blackberry van de verdachte op 26 december 2011 om 21:56, 22:03 en 22:08 uur verschillende zendmasten in Beverwijk aanstraalde.

Twee personen stapten uit de auto en kwamen naar boven, te weten de verdachte en een onbekende negroïde man. Zodra de mannen in de woning aan de [a-straat 1] te Beverwijk waren, trok de negroïde man direct een vuurwapen en richtte de revolver op het hoofd van [slachtoffer 1]. De verdachte liep met een plastic tasje in zijn hand op [slachtoffer 1] af en sloeg hem daarmee.

Op deze plastic tas zijn aan de binnenzijde van de tas, nabij de handgreep, twee dactyloscopische sporen gevonden die volgens de deskundigen van de linker wijs- en middelvinger van de verdachte afkomstig zijn.

De verdachte zei tegen [slachtoffer 1]: “Wie moet de € 2.000,00 betalen?” en dat als [slachtoffer 1] die € 2.000,00 niet gewoon gaf, hij dood zou gaan. De negroïde man doorzocht vervolgens de woning, waarbij de verdachte het vuurwapen van hem overnam. De verdachte liep op [slachtoffer 1] af en gaf hem een klap met het vuurwapen tegen het hoofd. De huissleutels, autosleutels en een portemonnee met inhoud werden van een tafel gepakt. De verdachte en de negroïde man liepen daarna richting de uitgang. De verdachte draaide zich om en zei: “Ik wil hem doodschieten”. Vervolgens richtte de verdachte de revolver op [slachtoffer 1]’s gezicht en schoot. [slachtoffer 1] voelde dat hij geraakt werd en viel op de grond. Daarna werd nog op [slachtoffer 2] geschoten, waarbij [slachtoffer 2] voelde dat hij geraakt werd in zijn linkerarm. Uiteindelijk renden de verdachte en de negroïde man weg. [slachtoffer 1] liep naar het balkon en zag dat de twee mannen weer naar de auto liepen en instapten. Vervolgens reed de auto weg.

Op 5 januari 2012 is de verdachte in IJmuiden aangehouden, terwijl hij als bijrijder in een auto zat. In een open tas onder het dashboardkastje bij de bijrijdersstoel werd een revolver, Smith & Wesson, .357 Magnum, aangetroffen met in de trommel zes patronen. Uit een vergelijkend onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) naar de in de arm van [slachtoffer 2] aangetroffen kogel en de bij de verdachte in de auto aangetroffen revolver blijkt dat kraslijnen op de kogel en de proefkogels voor een gering deel aansluiten, zodat de kraslijnen als kenmerkend voor de loop van de revolver zijn beoordeeld. Het voor een gering deel aansluiten van de kraslijnen past bij de hypothese dat de kogels die op 26 december 2011 te Beverwijk uit de loop van deze revolver zijn afgevuurd.

Op de Blackberry van de verdachte is later nog een foto aangetroffen van een zilverkleurig (vuur)wapen. Deze foto is op 29 november 2011 genomen en is zeer waarschijnlijk een foto van de op 5 januari 2012 in de auto aangetroffen revolver. De revolver en de zich daarin bevindende munitie vallen beide onder categorie III van de Wet wapens en munitie.

Uit onderzoek naar eerdergenoemde Blackberry van de verdachte is gebleken dat op 25 december 2011 met deze Blackberry tweemaal is gebeld naar twee verschillende telefoonnummers, waarbij als tekst in de Blackberry bij deze telefoonnummers is opgeslagen “marktplaats zoek i phone’s 4s” en “marktplaats zoek bb’s en i phones”. Ook blijkt uit onderzoek naar deze telefoon van de verdachte dat op de Blackberry op 27 december 2011 onder meer om 21:34 en 21:35 uur en op 29 december 2011 onder meer om 14:43, 14:47, 21:09 en 21:50 uur is gegoogled op onder andere: “schietpartij, Beverwijk en 26-12-11”. De verdachte heeft naar eigen zeggen de Blackberry op deze momenten in zijn bezit gehad.

Op grond van de bij de gebeurtenissen gebruikte telefoons en SIM-kaarten, de aangestraalde zendmasten in de buurt van de plaats delict ten tijde van het delict, de dactyloscopische sporen op de als slagwapen gebruikte plastic tas en de rapportage omtrent het verband tussen het op 5 januari 2012 onder de verdachte gevonden vuurwapen en de kogeldelen uit de arm van [slachtoffer 2] acht het hof bewezen dat de verdachte één van de beide daders van de ten laste gelegde feiten was.”

7. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.1

8. Het middel keert zich niet tegen de bewezenverklaring van het onder 1 bewezen verklaarde medeplegen van een poging tot afpersing. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de verdachte en zijn mededader daarbij een vuurwapen hebben gebruikt. Dit vuurwapen is aan de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] getoond, op hun lichamen gericht en daarmee is [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd geslagen. Dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking in het kader van de poging tot afpersing, ook in het kader van de geweldsuitoefening met toepassing van het gebruikte vuurwapen, kan genoegzaam uit de bewijsvoering worden afgeleid. Uit de bewijsvoering kan voorts zonder meer worden afgeleid dat de verdachte zich als pleger heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers onder meer dat de verdachte op beide mannen heeft geschoten en vooraf heeft aangekondigd dat hij “hem” wilde doodschieten. Uit de bewijsvoering kan evenwel niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte de poging tot doodslag, meermalen gepleegd, tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de beide mannen na de poging tot afpersing reeds richting de uitgang liepen, kennelijk om weg te gaan.2 Vervolgens draaide de verdachte zich om en zei dat hij “hem” wilde doodschieten. Daarna schoot de verdachte op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Aldus kan uit de vaststellingen van het hof niet worden afgeleid dat het daarop volgende lossen van schoten in bewuste en nauwe samenwerking met de ander heeft plaatsgevonden. De bewijsvoering duidt eerder op een eenmansactie. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de voor het medeplegen van poging tot doodslag relevante samenwerking reeds voordien – in het kader van de poging tot afpersing – is ontstaan.3 De enkele omstandigheid dat de verdachte en zijn mededader een doorgeladen vuurwapen bij zich hadden, brengt niet mee dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met het oog op het van het leven beroven van beide slachtoffers. De bewezenverklaring is derhalve ten aanzien van het onderdeel “tezamen en in vereniging met een ander” niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

9. De vraag rijst of het voorafgaande tot cassatie moet leiden. Niet in geschil is dat de verdachte als pleger van poging tot doodslag, meermalen gepleegd, kan worden aangemerkt. Voor het strafmaximum maakt het wegstrepen van het bestanddeel “tezamen en in vereniging” geen verschil. Evenmin blijkt uit de strafmotivering dat het hof bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening heeft gehouden met het bewezen verklaarde medeplegen. De arresten waarnaar wordt verwezen in de schriftuur betreffen hetzij gekwalificeerde delicten (diefstal in vereniging)4 hetzij zaken waarin de vraag of er sprake was van medeplegen zag op de ander die betrokken was bij het strafbare feit, niet op de pleger zelf.5 Daarmee gaat de vergelijking met de onderhavige zaak mank. Gelet op het voorafgaande, is het belang van de verdachte bij cassatie niet evident. De schriftuur bevat niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 bedoelde toelichting ten aanzien van de vraag welk rechtens te respecteren belang de verdachte zou hebben bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Mede in het licht van de recente rechtspraak inzake art. 80a RO, ben ik van mening dat het belang bij deze klacht ontbreekt en dat de gegrondheid daarvan niet tot cassatie hoeft te leiden.6

10. Het middel bevat voorts de klacht dat het onder 3 bewezen verklaarde medeplegen niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

11. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. De datum waarop dit feit volgens de tenlastelegging (en de bewezenverklaring) zou zijn gepleegd, correspondeert met de datum van de aanhouding van de verdachte en niet met die waarop het wapen daadwerkelijk is gebruikt, zoals wellicht meer voor de hand had gelegen.7 Uit de bewijsvoering volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 5 januari 2012 in IJmuiden is aangehouden, terwijl hij als bijrijder in een auto zat. In een open tas onder het dashboardkastje bij de bijrijdersstoel werd een revolver, Smith & Wesson, .357 Magnum, aangetroffen met in de trommel zes patronen. Uit deze vaststellingen kan niet zonder meer volgen dat de verdachte het wapen en de munitie “tezamen en in vereniging met een ander” voorhanden heeft gehad. Ook anderszins kan uit de bewijsvoering niet worden afgeleid dat voldaan is aan het vereiste van een – op het voorhanden hebben van die voorwerpen gerichte - bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededader. De bewijsoverweging die hiervoor onder 5 is geciteerd, ziet evenmin op de bewuste en nauwe samenwerking, maar op het oordeel van het hof dat de verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie en daarover beschikkingsmacht heeft gehad. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.8 In zoverre treft het middel doel.

12. Ook in dit verband rijst echter de vraag of het voorafgaande tot cassatie dient te leiden. Het middel keert zich ook in dit opzicht slechts tegen het bewijs van het bewezen verklaarde “tezamen en in vereniging met een ander”. Niet in geschil is dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad en daarmee als pleger is aan te merken. Wellicht ten overvloede merk ik op dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad. Deze voorwerpen zijn aangetroffen in een open tas onder het dashboardkastje bij de bijrijdersstoel waarop de verdachte was gezeten. Het hof heeft – niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de desbetreffende voorwerpen en daarover een zekere ‘beschikkingsmacht’ heeft gehad.9 De relatie tussen het wapen en de verdachte wordt ondersteund door de resultaten van het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut en het onderzoek naar de Blackberry van de verdachte, waarop een foto van een zilverkleurig vuurwapen is aangetroffen dat zeer waarschijnlijk de op 5 januari 2012 in de auto aangetroffen revolver betreft. Gelet op de vaststellingen van het hof, getuigt zijn oordeel dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Voor het toepasselijke wettelijke strafmaximum maakt het geen verschil of sprake is van het plegen dan wel medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Uit de strafmotivering blijkt evenmin dat het hof ten nadele van de verdachte heeft meegewogen dat het feit tezamen en in vereniging met een ander zou zijn begaan. Onder die omstandigheden is het belang van de verdachte bij cassatie niet evident. De schriftuur bevat niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 bedoelde toelichting ten aanzien van de vraag welk rechtens te respecteren belang de verdachte zou hebben bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Mede in het licht van de recente jurisprudentie ten aanzien van art. 80a RO, meen ik dat cassatie achterwege kan blijven vanwege het ontbreken van een rechtens te respecteren belang daarbij.10

13. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

14. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof bij zijn beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen het toegewezen schadebedrag ten onrechte heeft vermeerderd met de wettelijke rente.

15. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Ter terechtzitting van 1 juli 2014 van het hof is namens de benadeelde partij verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.”

(…)

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 17.567,70 (zeventienduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zeventig cent) bestaande uit € 2.567,70 (tweeduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 17.567,70 (zeventienduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zeventig cent) bestaande uit € 2.567,70 (tweeduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 122 (honderdtweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (rechthebbende(n) nabestaanden [slachtoffer 2])

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.300,99 (twintigduizend driehonderd euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 5.300,99 (vijfduizend driehonderd euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 20.300,99 (twintigduizend driehonderd euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 5.300,99 (vijfduizend driehonderd euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 136 (honderdzesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande

dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”

16. Ik stel voorop dat uit art. 421, derde lid, Sv volgt dat een benadeelde partij, voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, zich in hoger beroep slechts binnen de grenzen van de vordering zoals gedaan in eerste aanleg opnieuw kan voegen. De wettelijke rente over een toegewezen vordering van een benadeelde partij kan in hoger beroep slechts worden toegewezen wanneer deze in eerste aanleg is gevorderd. In zijn arrest van 11 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4262, NJ 2000/217 overwoog de Hoge Raad dat “de benadeelde partij haar vordering in hoger beroep niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente”.11

17. De voegingsformulieren van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] houden niet in dat de wettelijke rente wordt gevorderd. Ook anderszins blijkt uit de stukken niet dat de benadeelde partijen in eerste aanleg vergoeding van wettelijke rente hebben gevorderd.12

18. Het hof heeft beslist dat de vorderingen van de benadeelde partijen, voor zover toegewezen, vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente vanaf de in het arrest genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening. Nu de stukken van het geding niet inhouden dat de benadeelde partijen in eerste aanleg vergoeding van de wettelijke rente hebben gevorderd, heeft het hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden. De omstandigheid dat namens de benadeelde partijen ter terechtzitting in hoger beroep wel is verzocht om toekenning van de wettelijke rente, doet daar niet aan af.

19. Het middel slaagt.

20. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft beslist dat de betalingsverplichtingen uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregelen ten aanzien van de materiële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011.13

21. De omstandigheid dat de benadeelde partijen niet hebben gevorderd dat de wettelijke rente wordt vergoed, betekent niet dat het hof ten onrechte heeft beslist dat de op de voet van art. 36f Sr opgelegde betalingsverplichtingen vermeerderd moeten worden met de wettelijke rente. Het staat de strafrechter vrij al dan niet een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Indien de strafrechter een schadevergoedingsmaatregel oplegt, berekent hij het schadebedrag, waartoe de wettelijke rente behoort, naar de krachtens het Burgerlijk Wetboek geldende criteria. De wettelijke rente is ingevolge art. 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade, die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. Het oordeel van het hof dat de verdachte in het kader van de op de voet van art. 36f Sr opgelegde betalingsverplichtingen wettelijke rente is verschuldigd, geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.14

22. Hetzelfde geldt voor het oordeel dat de wettelijke rente is verschuldigd met ingang van 26 december 2011. Uit de bestreden uitspraak volgt dat de jegens de beide benadeelde partijen schade berokkenende feiten zijn begaan op 26 december 2011. Het hof heeft overwogen dat de gevorderde en toegewezen materiële schade het rechtstreeks gevolg is van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. In de bestreden uitspraak ligt voorts besloten dat de schade die het gevolg is van de bewezen verklaarde feiten is ingetreden op 26 december 2011. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. In zijn arrest van 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6214, NJ 2012/351 beklemtoonde de Hoge Raad dat de wettelijke rente over het als schadevergoeding uit hoofde van de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr te betalen bedrag zonder ingebrekestelling is verschuldigd vanaf het moment waarop de schade is ingetreden — te weten het moment waarop het bewezen verklaarde strafbare feit is gepleegd — tot aan de dag der algehele voldoening.15 De verwijzing naar HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123 kan de verdachte in dat verband niet baten. Weliswaar stelde de Hoge Raad daar verschillende ingangsdata van de wettelijke rente vast, maar die correspondeerden met de verschillende data waarop de bewezen verklaarde strafbare feiten hadden plaatsgevonden.

23. Het middel faalt.

24. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het derde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het hof heeft beslist dat de wettelijke rente vergoed moet worden over de toegewezen bedragen van de vorderingen van de benadeelde partijen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.Vgl. ook HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718.

2 Zie ook het proces-verbaal in het onderzoek 12KMRIEMS (p. 686), waarnaar het hof in het kader van de bewijsvoering verwijst. Daar verklaart de aangever [slachtoffer 1] dat de beide mannen weg liepen naar de uitgang van de woonkamer, waarbij de negroïde man, niet zijnde de verdachte, voorop liep. [slachtoffer 1] verklaart: “Ze gingen duidelijk weg.”

3 HR 7 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966.

4 HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9181

5 HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1301, HR 23 november 2010:ECLI:NL:HR:2010:BN7725 en HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4816, NJ 2010/235.

6 Vgl. ook HR 7 juli 2015, nr. 14/0042 (ongepubliceerd) en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld. De Hoge Raad deed de zaak af met toepassing van art. 80a RO. Hetzelfde lot trof de cassatieberoepen in HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:941 en HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:510.

7 Vgl. HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1760, NJ 2007/342.

8 Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725, NJ 2010/642, HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1301 en HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:92.

9 Zie ten aanzien van deze voorwaarden onder meer HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403, NJ 1999/152 en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804.

10 Vgl. HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:941 en HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:510 en HR 7 juli 2015, nr. 14/00421 (niet gepubliceerd).

11 Zie HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:547, HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303 en HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:707.

12 Aangenomen moet worden dat de andersluidende weergave van de vorderingen in het vonnis in eerste aanleg (pagina’s 9 en 10) op een misslag berust.

13 Hoewel het middel beperkt is tot de schadevergoedingsmaatregel, wordt in de toelichting ook gerefereerd aan de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. Voor zover het middel zich ook tot de laatstgenoemde beslissingen mocht uitstrekken, verwijs ik naar de bespreking van het tweede middel.

14 Vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:211.

15 Vgl. ook HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303 en HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559.