Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1929

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
14/03037
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3166
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Redelijke termijn. Oordeel feitenrechter m.b.t. overschrijding in cassatie vóór terugwijzing.

Indien de HR een klacht inzake de overschrijding van de redelijke termijn onbesproken heeft gelaten op de grond dat de bestreden uitspraak (gedeeltelijk) wordt vernietigd en de zaak wordt teruggewezen, is de rechter na terugwijzing niet gehouden de overschrijding van de redelijke termijn te compenseren door de op te leggen straf te verminderen met het percentage waarmee de HR als feitenrechter de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf zou hebben verminderd.

Het rechtsgevolg dat het Hof aan de overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Bij het bepalen van het rechtsgevolg kan het Hof rekening houden met een voortvarende behandeling van de zaak na terug- of verwijzing . Het oordeel van het Hof dat de gevangenisstraf met drie maanden moet worden verminderd is niet onbegrijpelijk. CAG: anders.

2. Art. 353.1 Sv. Beslag. De klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen over het beslag kan niet tot cassatie leiden gelet op ECLI:NL:HR:2012:BX0146.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03037

Zitting: 1 september 2015 (bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juni 2014, gewezen na terugwijzing door de Hoge Raad.

  2. De verdachte is bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 januari 2012 voor 1. “afpersing”, 2. primair “poging tot doodslag”, 3. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en 7. “poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels” veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft ook beslissingen genomen over de in beslag genomen goederen en over de vorderingen van de benadeelde partijen.

  3. Bij arrest van 3 december 2013 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof van 3 januari 2012 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3. tenlastegelegde en de strafoplegging. De zaak is teruggewezen naar het hof.

  4. Na terugwijzing heeft het hof bij arrest van 2 juni 2014 het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en opnieuw rechtgedaan. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 3. tenlastegelegde en heeft de (veronderstelde) benadeelde partij van dat feit niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Voor de resterende (onherroepelijk) bewezenverklaarde feiten heeft het hof een gevangenisstraf opgelegd van negen jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft de onttrekking aan het verkeer bevolen van een Oxazepam-pil en heeft twee door de Hoge Raad vernietigde schadevergoedingsmaatregelen opnieuw opgelegd.

  5. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  6. In het eerste middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de op te leggen straf vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase met ‘slechts’ drie maanden dient te worden verminderd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat de beslissing om met die vermindering te volstaan ontoereikend is gemotiveerd. De redelijke termijn is in de (eerste) cassatiefase namelijk met zeven maanden overschreden en de Hoge Raad hanteert in cassatie het uitgangspunt dat een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een vermindering van de op te leggen straf met 10%, met een maximum van zes maanden.1

7. De verdediging heeft in hoger beroep een beroep gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De ter terechtzitting van het hof van 19 mei 2014 overgelegde pleitnota houdt daarover in:

“In de cassatiefase van deze zaak is sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn. Het arrest van uw Hof dateert van 3 januari 2012. Op diezelfde datum is beroep in cassatie ingesteld. Het arrest van de Hoge Raad is gewezen op 3 december 2013, derhalve 23 maanden na het instellen van cassatieberoep.

Gelet op het feit dat cliënt zich nog altijd in voorlopige hechtenis bevindt, is de redelijke termijn daardoor met 7 maanden overschreden, gelet op hetgeen de Hoge Raad bepaalde in het arrest HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.

Gelet op datzelfde arrest dient de straf daarom 10% gematigd te worden. Hoeveel dat concreet zou moeten zijn, komt bij de strafoplegging aan de orde.”

8. Het hof heeft in zijn arrest van 2 juni 2014 de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase als volgt betrokken bij het bepalen van de straf:

“Tot slot heeft het hof geconstateerd dat na het instellen van het cassatieberoep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, nu deze termijn een aanvang nam op 3 januari 2012, de datum waarop de verdachte beroep in cassatie heeft ingesteld, het arrest van de Hoge Raad is gewezen op 3 december 2013 en het hof arrest zal wijzen op 2 juni 2014. In dit geval is sprake van overschrijding van de redelijke termijn die aanleiding geeft tot strafvermindering. Daar waar het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 9 maanden zou hebben opgelegd, zal het hof nu een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 9 jaren en 6 maanden.”

9. In de toelichting bij het middel onderkent de steller van het middel dat het rechtsgevolg dat het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn (in dit geval in de cassatiefase) heeft verbonden, in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.

10. Het middel werpt de vraag op of het begrijpelijk is dat het hof heeft volstaan met een strafvermindering van drie maanden, ongeveer 2,6 % van de aanvankelijk passend geachte straf, nu de Hoge Raad in de regel een strafvermindering van 10% met een maximum van zes maanden gevangenisstraf zou hebben toegepast als de zaak niet zou zijn teruggewezen naar het hof.

11. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter grote vrijheid heeft bij het bepalen van de straf en dat hij niet gebonden is aan uitgangspunten die de Hoge Raad zelf hanteert bij overschrijdingen van de redelijke termijn,2 hoewel het voor de hand ligt dat de feitenrechter daar wel aansluiting bij zoekt. In de meeste gevallen leidt overschrijding van de redelijke termijn tot strafvermindering. Dat geldt ook als de feitenrechter na terugwijzing zich een oordeel moet vormen over een overschrijding van de redelijke termijn die zich in de cassatiefase heeft voorgedaan. Dat strafvermindering de regel is, neemt niet weg dat het hof na terugwijzing – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook kan volstaan met de vaststelling dat in de cassatiefase de redelijke termijn is overschreden.3

12. Gelet op bovengemelde uitgangspunten maakt het middel op het eerste oog weinig kans. Ik wil er toch nog nader op ingaan omdat naar mijn mening de steller van het middel een terecht punt heeft.

13. Het arrest van de Hoge Raad van 11 december 2012, waaraan ik hiervoor heb gerefereerd, is gewezen in een zaak waarin het hof na terugwijzing tot het oordeel was gekomen dat kon worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn in de voorafgaande cassatiefase was overschreden. Het ging in dat geval om een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie met ruim 5 maanden, terwijl de cassatiefase in zijn geheel minder dan 23 maanden had geduurd. De verdachte was niet gedetineerd.4 Het hof had blijkens zijn motivering bij zijn oordeel betrokken dat de redelijke termijn in geen enkele andere fase van de procedure was overschreden, dat de zaak na terugwijzing met bijzondere voortvarendheid was behandeld en dat de procedure in totaal niet meer dan vijf jaren en één maand had geduurd. In het daarop volgende cassatieberoep werd dit oordeel op begrijpelijkheid getoetst en hield het stand. De Hoge Raad merkte aanvullend op dat niets zich ertegen verzet dat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt gecompenseerd door een voortvarende behandeling van de zaak na terug- of verwijzing.5 Datzelfde geldt – in elk geval na HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 – ook als de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase gecompenseerd zou kunnen worden geacht door de voortvarende behandeling van de zaak in cassatie.

14. De onderhavige zaak ligt anders. De verdachte is gedetineerd en de uitspraaktermijn is in de eerste cassatiefase met ruim zeven maanden overschreden. Na terugwijzing heeft de verdediging op dit punt uitdrukkelijk verweer gevoerd bij het hof en zij heeft daarbij de door de Hoge Raad gehanteerde maatstaf voor strafvermindering aangereikt. Het hof heeft in zijn arrest desondanks volstaan met een standaardoverweging met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en heeft de straf in weerwil van het betoog van de verdediging aanzienlijk minder gematigd dan de Hoge Raad naar alle waarschijnlijkheid zou hebben gedaan als de zaak niet zou zijn teruggewezen. Het gaat om een verschil van drie maanden (oftewel 100%), aangezien de Hoge Raad indien de zaak niet zou zijn teruggewezen een strafvermindering van 10% zou hebben toegepast, hetgeen zou hebben geresulteerd in een reductie van zes maanden, gelet op de regel dat de vermindering nooit meer dan zes maanden zal bedragen.6

15. Het is zonder meer zo dat het hof na terugwijzing voortvarend te werk is gegaan. Tussen de terugwijzing door de Hoge Raad en het wijzen van arrest ligt ongeveer zes maanden, Dat laat echter onverlet dat het niet goed verdedigbaar is dat als de zaak niet zou zijn teruggewezen een strafvermindering van zes maanden zou zijn toegepast en nu er wel een terugwijzing heeft plaatsgevonden, hetgeen nog een langere procedure met zich brengt zonder dat verdachte daar schuld aan heeft, de compensatie van de redelijke termijn aanzienlijk lager uitvalt. Daarin zit een incongruentie die naar de verdachte toe nauwelijks kan worden uitgelegd. Ik zou er daarom een lans voor willen breken dat er in gevallen als de onderhavige een extra motiveringsplicht geldt. Dat betekent niet dat ik bepleit dat het hof gebonden zou zijn aan de strafvermindering die de Hoge Raad zou hebben toegepast (zoals de steller van het middel betoogt), maar dat het hof in gevallen als het onderhavige wel zou moeten motiveren waarom het een lagere compensatie toekent dan de Hoge Raad zou hebben gedaan. Dat dit aspect is betrokken bij het oordeel dat de strafvermindering beperkt kon blijven tot drie maanden lees ik in de strafmotivering in onderhavige zaak niet terug. Mede tegen het licht van het gevoerde verweer, meen ik dat dit oordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk is.

16. Het middel slaagt.

17. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten een beslissing te nemen met betrekking tot een groot gedeelte van de inbeslaggenomen goederen.

18. Bij arrest van het hof van 3 januari 2012, het arrest vóór terugwijzing, heeft het hof de volgende beslissingen genomen met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen:

“Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Pil, OXAZEPAM, (373648 I) meerdere pillen aangetroffen in br.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK USB-stick (memorykaart), (3736429);

- 2 STK Cd-rom, IMATION, (3739077) camera 27 en

- 1 STK DVD MEMOREX, (3739081) beeldmateriaal RAI camera 25 02.12.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 STK Schoenen, [verdachte], (3792238);

- 1 STK T-shirt, (3792240);

- 2 STK Handschoen, (3792241);

- 1 STK Ondergoed, [betrokkene], (3792243);

- 1 STK Broek, [verdachte], (3792244);

- 1 STK Horloge, SWATCH, 3806460; witte wijzerplaat;

- 1 STK Kleding KI: bruin, 3806465; bruine sjaal;

- 1 STK Telefoonkaart; 3806470; waarde 10 euro.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Geld Nederlands, (onbekend) zie inhoud tas (3792246) 130x20, 10x5.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Tas Plastic, (3792246) inh. sleutel, kent. papieren..”

19. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof van 3 januari 2012 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde en de strafoplegging. Daarmee zijn tevens de beslissingen ten aanzien van het beslag vernietigd, ook de beslissingen tot teruggave.7

20. Na terugwijzing heeft het hof ten aanzien van het beslag alleen beslist dat één Oxazepam-pil moest worden onttrokken aan het verkeer. Over de inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan het hof vóór terugwijzing de teruggave aan verdachte of de bewaring ten behoeve van de rechthebbende had gelast, heeft het hof na terugwijzing niet meer beslist. Wellicht heeft het hof de teruggave en bewaring ten behoeve van de rechthebbende niet beschouwd als onderdeel van de strafoplegging, omdat teruggave en bewaring van inbeslaggenomen goederen – anders dan onttrekking aan het verkeer (en verbeurdverklaring) – geen onderdeel uitmaken van het sanctiearsenaal van de rechter. Deze benadering is echter in tegenspraak met vaste rechtspraak.

21. Kortom, het hof heeft na terugwijzing ten onrechte nagelaten te beslissen over een groot deel van de inbeslaggenomen voorwerpen. Zou de steller van het middel uitsluitend een klacht hebben gericht tegen het ontbreken van die beslissingen, dan zou die klacht niet zonder meer een behandeling in cassatie rechtvaardigen. Er is voor de verdachte immers een mogelijkheid om zich binnen drie maanden na het einde van de zaak op grond van artikel 552a, eerste lid, Sv schriftelijk te beklagen bij het hof over het uitblijven van een last tot teruggave van de desbetreffende voorwerpen.8 De Kafkaëske situatie dat het hof verdachte in strijd met de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande in een art. 552a-procedure niet ontvankelijk zou verklaren, lijkt mij te vergezocht om op grond daarvan een belang van de verdachte bij zijn klacht aan te nemen. Nu ik echter heb voorgesteld het eerste middel te laten slagen, meen ik dat het terecht voorgestelde tweede middel ook dient te slagen.

22. Beide middelen slagen.

23. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 4 juni 2014 beroep in cassatie ingesteld. Verdachte bevond zich ten tijde van de uitreiking van de aanzegging in cassatie in voorlopige hechtenis. Indien de Hoge Raad na 4 oktober 2015 arrest wijst, zullen er meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van beroep in cassatie. In dat geval is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM (nogmaals) overschreden. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

24. Ik meen dat deze zaak zich leent voor afdoening door de Hoge Raad zelf. Daarmee wordt een tweede terugwijzing en derhalve een nog langere procedure voorkomen.

25. De overschrijding van de redelijke termijn in de eerste (en eventueel tweede) cassatiefase rechtvaardigt mijns inziens een matiging van de oorspronkelijk door het hof beoogde gevangenisstraf met zes maanden, derhalve tot negen jaren en drie maanden, met aftrek van het voorarrest. De beslagbeslissing zou kunnen worden overgenomen uit het arrest van het hof van 3 januari 2012.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.6.1 en 3.6.2

2 HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4837, r.o. 2.3 en 3.3.

3 HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5819,r.o. 2.4.

4 Uit het digitale archief van de Hoge Raad blijkt dat het cassatieberoep in de eerste cassatiefase is ingesteld op 10 mei 2005. De stukken zijn binnengekomen bij de Hoge Raad op 20 juni 2006 en de Hoge Raad wees arrest op 3 april 2007 (zaak 01100/06). Tegenwoordig zou een dergelijke voortvarende behandeling van de zaak in cassatie de overschrijding van de inzendtermijn compenseren.

5 HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5819, r.o. 2.4.

6 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2, onder B eerste gedachtestreepje.

7 HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4994 en HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:884.

8 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.3.