Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1925

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-09-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
15/03246
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3240, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Art. 224 jo. art. 441 Rv. Incidenteel verzoek faillissementscurator tot zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie. Is rechtspersoon gevestigd in Dubai of in Nederland?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/03246

Mr. L. Timmerman

Zitting: 4 september 2015

Conclusie in het incident tot zekerheidstelling, inzake:

Pieter Rudolf Dekker, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Rondenborch Residential B.V.

(hierna: mr. Dekker),

verzoeker in het incident

tegen

1. Sypesteyn Holding B.V.

(hierna: Sypesteyn),

2. SCPD Holding B.V.

(hierna: SCPD),

3. Crescendo Investment Group III B.V.

(hierna: Crescendo),

verweersters in het incident

1. Feiten en procesverloop

1.1 SCPD en Crescendo zijn op 10 maart 2015 door de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard (nrs. C/13/15/109-F en C/13/15/107-F). De faillissementen zijn uitgesproken op verzoek van mr. Dekker, de curator van Rondenborch Residential B.V. In beide faillissementen heeft de rechtbank mr. L.G.J.M. van Ekert, rechter in de rechtbank Oost-Brabant, benoemd tot rechter-commissaris. Als curator van SCPD en van Crescendo is aangesteld mr. Ph.W. Schreurs.

1.2 Sypesteyn is bestuurder en aandeelhouder van SCPD en (middels SCPD) indirect bestuurder en aandeelhouder van Crescendo.

1.3 Sypesteyn, SCPD en Crescendo zijn bij de rechtbank in verzet gekomen tegen de faillietverklaring van SCPD en van Crescendo. Mr. Dekker heeft daarop onder meer een incidenteel verzoek ingediend tot zekerheidstelling voor de proceskosten (ex art. 224 Rv).

1.4 De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 8 april 2015 het verzet van Sypesteyn, SCPD en Crescendo ongegrond verklaard. Het incidentele verzoek tot zekerheidstelling is afgewezen op de grond dat Sypesteyn haar statutaire zetel in Amsterdam heeft en zij dus woonplaats heeft in Nederland (zie rov. 6.6 van het vonnis van 8 april 2015).

1.5 Tegen het vonnis van 8 april 2015 is door Sypesteyn, SCPD en Crescendo hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam. Mr. Dekker heeft ook in hoger beroep een incidenteel verzoek ingediend tot zekerheidsstelling voor proceskosten door Sypesteyn (ex art. 224 jo. art. 353 Rv). Daarnaast heeft mr. Dekker incidenteel appel ingesteld. Met dit incidentele appel richtte mr. Dekker zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat tot een veroordeling in de proceskosten.

1.6 Het hof Amsterdam heeft bij arrest in het incident van 16 juni 2015, samengevat, (i) bevolen dat Sypesteyn aan mr. Dekker zekerheid stelt voor een bedrag van € 2.500,- ter zake van de proceskosten waartoe Sypesteyn in de procedure in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden; (ii) bepaald dat Sypesteyn deze zekerheid dient te stellen in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie; en (iii) bepaald dat de zekerheid uiterlijk gesteld moet zijn op 22 juni 2015 te 17.00 uur, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid van Sypesteyn in de hoofdzaak. Het hof heeft de beslissing in het incident uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.7 Sypesteyn heeft bij brief van 19 juni 2015 aan het hof verzocht om tussentijds cassatieberoep open te stellen van het arrest van 16 juni 2015 in het incident tot zekerheidstelling. Het hof heeft dit verzoek op 22 juni 2015 afgewezen. Sypesteyn heeft op 22 juni 2015 evenwel cassatieberoep ingesteld tegen het arrest in het incident van 16 juni 2015 (cassatieprocedure met zaaknummer 15/02823) (ook in die procedure concludeer ik vandaag in een door mr. Dekker in cassatie opgeworpen incident tot zekerheidstelling voor proceskosten).

1.8 Bij arrest van 7 juli 2015 heeft het hof vastgesteld dat Sypesteyn niet voldaan heeft aan het in het arrest van 16 juni 2015 gegeven bevel tot zekerheidsstelling. Het hof heeft Sypesteyn om die reden niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep. Sypesteyn is voorts veroordeeld in de proceskosten. Deze kostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.9 Het hof heeft bij arrest van 7 juli 2015 voorts het principale appel van SCPD en Crescendo en het incidentele appel van mr. Dekker verworpen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank van 8 april 2015, voor zover dat tussen deze partijen was gewezen, bekrachtigd.

1.10 Sypesteyn, SCPD en Crescendo hebben bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad op 15 juli 2015, cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 7 juli 2015. Sypesteyn heeft daarbij tevens cassatieberoep ingesteld tegen het arrest in het incident van 16 juni 2015, dit “indien en voor zover” zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar afzonderlijk ingestelde cassatieberoep tegen het arrest in het incident van 16 juni 2015 (zoals vermeld, concludeer ik vandaag ook in die andere cassatieprocedure met zaaknummer 15/02823 in een incident tot zekerheidstelling).

1.11 In hun verzoekschrift tot cassatie behouden Sypesteyn, SCPD en Crescendo zich het recht voor om na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 23 juni 2015, het cassatiemiddel aan te vullen. Van de geboden mogelijkheid tot aanvulling van het cassatiemiddel is door Sypesteyn, SCPD en Crescendo geen gebruik gemaakt.

1.12 Evenals in eerste aanleg en in hoger beroep, en evenals in de door Sypesteyn aanhangig gemaakte cassatieprocedure met zaaknummer 15/02823, heeft mr. Dekker in deze cassatieprocedure een incidenteel verzoek ingediend tot zekerheidstelling voor proceskosten (ex art. 224 jo. art. 414 Rv) (dit bij verzoekschrift van 14 augustus 2015). Het incidentele verzoek is gericht tegen Sypesteyn, SCPD en Crescendo. Met het incidentele verzoek verlangt mr. Dekker dat aan Sypesteyn wordt bevolen om zekerheid te stellen, en wel op straffe van niet-ontvankelijkheid van Sypesteyn in het door haar ingestelde cassatieberoep. Sypesteyn, SCPD en Crescendo hebben zich bij verweerschrift van 14 augustus 2015 tegen het incidentele verzoek verweerd.

2 Bespreking van het incidentele verzoek

2.1

In dit incident verzoekt mr. Dekker dat aan Sypesteyn wordt bevolen om zekerheid te stellen voor de proceskosten, en wel binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn en voor een zodanig bedrag als de Hoge Raad in goede justitie vermeent te behoren, en op straffe van niet-ontvankelijkheid van het door Sypesteyn ingestelde cassatieberoep (art. 224 jo. art. 414 Rv).

2.2

Aan dit incidentele verzoek legt mr. Dekker ten grondslag dat Sypesteyn statutair gevestigd is te Amsterdam, maar staan ‘ingeschreven’ op een postadres te Dubai, in de Verenigde Arabische Emiraten. De Verenigde Arabische Emiraten zijn geen partij bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 en tegen Sypesteyn is in Nederland geen verhaal mogelijk voor de proceskosten. Sypesteyn betaalt de proceskosten ook niet vrijwillig. Mr. Dekker wijst er op dat het hof Sypesteyn bij arrest van 7 juli 2015, dat in zoverre uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, veroordeeld heeft in de proceskosten. Aan deze proceskostenveroordeling heeft Sypesteyn, ondanks een daartoe gedaan verzoek, niet voldaan; aldus telkens mr. Dekker.

2.3

Sypesteyn, SCPD en Crescendo voeren verweer tegen het incidentele verzoek. Zij stellen dat Sypesteyn statutair gevestigd is te Amsterdam, en dat zij gezien het bepaalde in art. 1:10 lid 2 BW dus woonplaats heeft in Nederland. Voor een bevel tot zekerheidstelling ex art. 224 jo. art. 414 Rv zou om die reden geen ruimte zijn. Verder zou Sypesteyn in deze procedure niet beschouwd kunnen worden als degene die een vordering instelt of die zich voegt of tussenkomt in een geding, een en ander als bedoeld in art. 224 lid 1 Rv. Het bepaalde in art. 224 Rv is in een faillissementsprocedure als de onderhavige bovendien helemaal niet van toepassing; aldus telkens Sypesteyn, SCPD en Crescendo.

2.4

Het incidentele verzoek tot zekerheidstelling ex art. 224 jo. art. 414 Rv is mijns inziens niet toewijsbaar. Zowel mr. Dekker als Sypesteyn, SCPD en Crescendo stellen dat Sypesteyn statutair gevestigd is te Amsterdam. Sypesteyn, SCPD en Crescendo wijzen er terecht op dat een vennootschap die statutair gevestigd is te Amsterdam, gezien het bepaalde in art. 1:10 lid 2 BW, aldaar ook (in elk geval mede) woonplaats heeft. Art. 224 Rv biedt geen grond voor een bevel tot zekerheidstelling voor proceskosten aan een partij die woonplaats heeft in Nederland. Hieruit volgt reeds dat het incidentele verzoek van mr. Dekker afgewezen dient te worden. Dat een eventuele proceskostenveroordeling van Sypesteyn mogelijk niet met succes op deze vennootschap verhaald kan worden, kan daaraan niet afdoen.1

3 Conclusie

De conclusie strekt tot afwijzing van het incidentele verzoek tot zekerheidstelling.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vgl. onder meer HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0731, RvdW 2013/889, en de conclusie van A-G Spier voor dat arrest (onder 2.3.1). Zie ook de door deze laatste genoemde bijdrage van W. Heemskerk, ‘Zekerheidstelling voor proceskosten’, in: M.L. Hendrikse en A.W. Jongbloed (red.), De toekomst van het Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer: 2004, p. 193-208, op p. 207-208.