Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1918

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/02503
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3360, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bedreiging met brandstichting van de rechtspersoon Woningstichting X, art. 285 Sr. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2005:AT3659. De opvatting dat bij een rechtspersoon, anders dan bij een natuurlijk persoon, geen redelijke vrees kan ontstaan, is onjuist. Van het ontstaan van zulke vrees bij een rechtspersoon kan sprake zijn indien bij voor een rechtspersoon relevante natuurlijke personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee de rechtspersoon is bedreigd, zou kunnen worden gepleegd. Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat door de uitlatingen van verdachte bij voor de Woningstichting X relevante personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het kantoor van de woningstichting in brand zou worden gestoken. Gelet hierop geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte Woningstichting X met brandstichting heeft bedreigd, niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip bedreiging a.b.i. art. 285 Sr en is dit oordeel, mede gelet op de bewijsvoering, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/02503

Zitting: 1 september 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof `s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 april 2014 de verdachte wegens “bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, waarvan twintig uren (subsidiair tien dagen hechtenis) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Deze strafzaak hangt samen met een andere strafzaak tegen de verdachte (nr. 14/02481), met een ontnemingszaak tegen de verdachte (nr. 14/02515 P) en met een strafzaak tegen medeverdachte [...] (nr. 14/02482; de zoon van de betrokkene), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met brandstichting van de rechtspersoon Woningstichting [A] .

5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij op 6 februari 2012 te Goirle [aangeefster] en Woningstichting [A] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend om zich heen gewezen en (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "als ik weg moet dan steek ik het hier in de fik" en/of "dan steek ik de wagen in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”

6. Het hof heeft in reactie op een verweer strekkende tot vrijspraak de volgende bijzondere bewijsoverwegingen opgenomen:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van de gehele tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging van [aangeefster] is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat deze zich bedreigd heeft gevoeld, in het bijzonder vanwege de omstandigheden dat:

- [aangeefster] geen aangifte van bedreiging van zichzelf heeft gedaan, maar van bedreiging van de rechtspersoon [A] ;

- [aangeefster] bij gelegenheid van haar verhoor door de rechter-commissaris d.d. 5 april 2012 heeft verklaard dat de verdachte haar niet persoonlijk heeft bedreigd.

Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging van woningstichting [A] is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat deze niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat het in het algemeen niet mogelijk is om een rechtspersoon te bedreigen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De tot het bewijs gebezigde aangifte van [aangeefster] houdt (onder meer) -zakelijk weergegeven- het volgende in.

Hierbij doe ik namens woonstichting [A] aangifte van bedreiging.

Ik ben werkzaam als interim woonconsulent bij woonstichting [A] in [plaats] .

Op 6 februari 2012 werd ik bij de balie van onze woonstichting geroepen door de baliemedewerkster toen [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) binnenkwam. Ik kende [verdachte] al van eerdere ontmoetingen.

Ik wist dat [verdachte] op het woonwagenkamp aan de [a-straat] woont. [verdachte] woont op nummer [1] samen met twee zonen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] genaamd.

Op 1 februari 2012 is er een deurwaardersexploot uitgebracht aan [verdachte] waarin stond dat zijn woonwagen zou worden ontruimd op 1 maart 2012. Dit in verband met een huurachterstand.

Ik hoorde dat [verdachte] zei dat alles was betaald. Ik gaf aan dat dit volgens mij niet zo was.

Ik ben nog bij mijn collega [betrokkene 3] gaan kijken in haar systeem of er betaald was. Dit was niet het geval. Ik heb [verdachte] gezegd naar de deurwaarder te gaan met eventuele betalingsbewijzen.

Ik hoorde dat [verdachte] zei en ik zag dat hij met zijn rechterarm om zich heen wees: "Als ik weg moet dan steek ik het hier in de fik". Ik zei daarop: "Dit is een bedreiging, wilt u het pand verlaten". Dit heb ik een paar keer herhaald.

Daarop gaf [verdachte] aan dat hij op zijn zonen wachtte, deze zouden eraan komen. Ik voelde me niet op mijn gemak, temeer daar hij eerst een dreigement uitte en toen met zijn zonen aankwam.

Ik zag dat [verdachte] met zijn mobiele telefoon de deurwaarder GGN belde. [verdachte] had zijn mobiel op speaker staan en ik kon een gedeelte van het gesprek horen. Ik hoorde dat de deurwaarder zei: "ook al betaalt u, dan moet u eruit". Ik hoorde dat [verdachte] daarop zei: "dan steek ik de wagen in de fik".

Ik hoorde dat de deurwaarder zei: "Ook al betaal je, de ontruiming gaat toch door". Ik heb verder aan [verdachte] aangegeven dat ik niks meer voor hem kon doen. Daarop vertrok [verdachte] en ik hoorde dat hij zei: "Dan steek ik de wagen nu in de brand". Omdat het hier iemand betreft die op het woonwagenkamp woont acht ik de kans reëler dat [verdachte] zijn bedreiging ten uitvoer gaat brengen. Ook de vlakke manier waarop hij dit aankondigt komt bedreigend over.

De aangeefster [aangeefster] heeft 9 februari 2012 bij de politie een aanvullende verklaring afgelegd, die -zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang- het volgende inhoudt.

Op 7 februari 2012 heb ik namens Woningstichting [A] , aangifte gedaan van bedreiging gepleegd door [verdachte] .

Via mijn werk heb ik contact met [verdachte] en zijn familie. Ik heb al vele gesprekken gehad met [verdachte] en bij al deze gesprekken komt hij bedreigend en intimiderend over. [verdachte] blijft je altijd stoïcijns aankijken en praat op een zachte kille toon. [verdachte] komt heel berekenend over. Dit deed hij ook toen hij dreigde het kantoor van de woningstichting in brand te steken.

Sinds de bedreiging van afgelopen maandag zorgen we dat er altijd een man aanwezig is bij de balie van de woningstichting mocht [verdachte] weer terugkomen. Als ik het kantoor verlaat, kijk ik altijd om mee heen of [verdachte] of zijn familie mij niet op staan te wachten. Ook parkeer ik mijn auto voortaan binnen in de parkeergarage zodat [verdachte] of zijn familie niet weet welke auto van mij is.

Ik hou dus echt rekening met het feit dat [verdachte] zijn dreigementen uitvoert. Gezien het verleden met [verdachte] en zijn houding, acht ik hem in staat om zijn dreigementen uit te voeren.

Als ik 's morgens bij het kantoor aankom, weet ik niet of het er nog staat of dat het afgebrand is.

De bedreiging van [verdachte] houdt alle medewerkers van de woningstichting bezig. Iedereen is op zijn hoede.

De aangeefster [aangeefster] heeft 5 april 2012 tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Breda een getuigenverklaring afgelegd, die - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang- het volgende inhoudt.

De concrete bedreigende teksten zoals die door [verdachte] zijn geuit voordat zijn zoon kwam, luidden: “Dan zet ik hier de boel in de fik”. Tijdens het telefoongesprek met de deurwaarder uitte hij een vergelijkbare tekst en na het gesprek met de deurwaarder zei hij: “Dan steek ik nu mijn wagen in de fik”. Ik merk op dat die wagen van [verdachte] eigendom is van de woningstichting.

Ik heb op eigen initiatief aangifte gedaan. Ik schrok van de uitlatingen van [verdachte] . Bij het naar buiten lopen keek ik wel drie keer om mij heen en dacht ik: “Misschien staat morgen het kantoor er niet meer”. We hebben ook onze auto’s ergens anders neer gezet.

Uit de hiervoor weergegeven verklaring van de aangeefster [aangeefster] blijkt onder meer dat:

- zij zich door de uitingen van de verdachte niet op haar gemak voelde;

- zij de kans aanwezig acht dat de verdachte zijn bedreiging ten uitvoer gaat brengen;

- de vlakke manier waarop de verdachte sprak, bedreigend overkwam;

- de verdachte bedreigend en intimiderend overkomt, omdat hij je altijd stoïcijns blijft aankijken en op een zachte kille toon praat;

- de verdachte heel berekenend overkwam;

- de woningstichting sinds de onderhavige bedreiging altijd ervoor zorgt dat er een man aanwezig is bij de balie van de woningstichting voor het geval de verdachte weer terug mocht komen;

- zij, als zij het kantoor van het woningstichting verlaat, altijd om zich heenkijkt of de verdachte of zijn familie haar niet op staat te wachten;

- zij haar auto voortaan binnen in de parkeergarage parkeert, zodat de verdachte niet weet welke auto van haar is;

- zij er dus echt rekening mee houdt dat de verdachte zijn dreigementen uitvoert;

- zij de verdachte in staat acht om zijn dreigementen uit te voeren;

- zij, als zij 's morgens bij het kantoor aankomt, niet weet of het gebouw er nog staat of dat het afgebrand is;

- de bedreiging van de verdachte alle medewerkers van de woningstichting bezighoudt en dat iedereen op zijn hoede is;

- zij schrok van de uitlatingen van verdachte;

- zij bij het naar buiten lopen, wel drie keer om zich heenkeek en daarbij dacht: “Misschien staat morgen het kantoor er niet meer”;

- dat zij (het hof begrijpt: de aangeefster en één of meer medewerkers van de woningstichting) hun auto’s ergens anders neer hebben gezet.

Voormelde uitlatingen van de verdachte: “als ik weg moet dan steek ik het hier in de fik" en/of "dan steek ik de wagen in de fik” en/of “dan zet ik hier de boel in de fik” en/of “dan steek ik nu mijn wagen in de fik”, zijn bedreigingen van dien aard dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het slachtoffer zou worden van brandstichting.

Voorts zijn de omstandigheden waaronder die woorden zijn geuit, zoals hiervoor uiteen gezet, naar het oordeel van het hof, dusdanig dat die vrees ook redelijkerwijs kon ontstaan.

Dat bij de aangeefster [aangeefster] voormelde vrees daadwerkelijk is ontstaan blijkt uit de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden.

De door de verdediging aangehaalde verklaring van de aangeefster tegenover de rechtercommissaris, voor zover inhoudende dat zij door de verdachte nooit “persoonlijk” is bedreigd, begrijpt het hof aldus dat de aangeefster daarmee heeft bedoeld te zeggen dat zij nooit in haar privéleven door de verdachte is bedreigd. Deze verklaring kan daarom in zoverre aan het vorenstaande niet afdoen.

Uit het vorenstaande leidt het hof voorts af dat ook de overige medewerkers van de woningstichting, zich door de bedreigingen van verdachte daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld.

Resteert de vraag of op grond daarvan kan worden vastgesteld dat de Woningstichting [A] als rechtspersoon door de verdachte is bedreigd met brandstichting.

In dat kader is het volgende van belang.

Een rechtspersoon is een rechtssubject dat, blijkens artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht een strafbaar feit kan plegen en ook het slachtoffer van een strafbaar feit kan zijn.

De strekking van artikel 285 Wetboek van Strafrecht is te voorkomen dat iemand onder druk wordt gezet, zijn keuze- en handelingsvrijheid wordt ingeperkt, door een bedreiging met een ernstig misdrijf. Het hof overweegt dat ook de handelingsvrijheid van een rechtspersoon, in het onderhavige geval de Woningstichting [A] , als zodanig kan worden aangetast door een bedreiging met brandstichting aan het loket van die Woningstichting. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de Woningstichting [A] , slachtoffer kan zijn van bedreiging als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht.

Het hof vindt voor dit oordeel tevens aanknopingspunten in de rechtspraak van de Hoge Raad waaruit kan worden afgeleid dat een rechtspersoon slachtoffer kan zijn van belediging (eveneens een strafbare verbale uiting).

In casu heeft te gelden dat namens de rechtspersoon Woningstichting [A] aangifte van bedreiging is gedaan door twee daartoe bevoegde medewerkers, te weten: [aangeefster] en [betrokkene 3] , uit welke aangiften naar voren komt dat de bedreigingen van de verdachte met brandstichting alle medewerkers van de woningstichting bezighouden, dat “iedereen” (het hof begrijpt: iedereen werkzaam bij de woningstichting) door deze bedreigingen op zijn hoede is en dat één of meer medewerkers als gevolg van de bedreigingen hun auto’s ergens anders hebben geparkeerd (toevoeging hof: kennelijk omdat zij ervoor vreesden dat die auto’s mede vlam zouden kunnen vatten indien het gebouw van de woningstichting in brand zou worden gestoken).

Gelet op dit één en ander kan worden geoordeeld dat als gevolg van voormelde bedreigingen door de verdachte, niet alleen bij haar medewerker [aangeefster] , maar ook bij de rechtspersoon Woningstichting [A] als zodanig, de vrees is ontstaan dat zij het slachtoffer zou worden van brandstichting.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zowel [aangeefster] als Woningstichting [A] heeft bedreigd met brandstichting.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.”

7. Het middel is niet gericht tegen de bewezen verklaarde bedreiging van [aangeefster] . Niet ter discussie staat dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte de bewezen verklaarde uitlatingen heeft gedaan. Het middel stelt de vraag aan de orde of een rechtspersoon slachtoffer kan zijn van bedreiging met brandstichting. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met brandstichting is volgens vaste rechtspraak vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat brand zou ontstaan. Dat criterium veronderstelt een zeker gevoel, een gemoedstoestand. Daarvan kan bij een rechtspersoon geen sprake zijn, aldus de steller van het middel.

8. In vergelijking met het daderschap van een rechtspersoon, is aan het mogelijk slachtofferschap van een rechtspersoon in wetgeving, rechtspraak en literatuur weinig aandacht besteed. Buiten kijf staat dat een rechtspersoon in voorkomende gevallen als slachtoffer van een strafbaar feit kan worden aangemerkt. Te denken valt aan diefstal van goederen van een rechtspersoon. De Hullu merkt ten aanzien van de verhouding tussen rechtspersonen en natuurlijke personen op dat de wet van een volledige gelijkschakeling lijkt uit te gaan.1 Dat geldt in elk geval voor het strafvorderlijke slachtofferbegrip van art. 51a, eerste lid, Sv. Daarin staat vermeld dat met het slachtoffer wordt gelijk gesteld de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. De wetgever is daarin verder gegaan dan nodig was op grond van art. 1, onder a, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (PbEG 2001, L082 van 22 maart 2001, p. 1-4), dat niet verplichtte tot het uitbreiden van rechten van slachtoffers tot rechtspersonen. De wetgever wilde echter geen wijziging brengen in de reeds bestaande mogelijkheid van rechtspersonen hun schade als gevolg van een strafbaar feit in het strafproces te verhalen.2

9. Bij de beantwoording van de materieelrechtelijke vraag of een bepaald delict tegen een rechtspersoon kan worden begaan, komt bij het ontbreken van aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis in de eerste plaats gewicht toe aan de tekst van de delictsomschrijving. Janssens en Nieuwenhuis verwijzen in dit verband naar art. 268 Sr, dat ziet op een valse klacht of aangifte tegen een ‘bepaald persoon’. Die omschrijving laat zonder meer de mogelijkheid open dat dit delict tegen een rechtspersoon kan worden begaan.3 Art. 285 Sr spreekt, voor zover hier relevant, in algemene zin van bedreiging “met brandstichting”. Die formulering sluit evenmin uit dat het delict wordt begaan jegens een rechtspersoon.

10. In de tweede plaats rijst de vraag of er wetssystematische argumenten bestaan voor het beperken van de reikwijdte van art. 285 Sr tot natuurlijke personen. Gewezen zou kunnen worden op de rubricering in titel XVIII van boek 2, met als aanhef ‘Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De enkele rubricering in deze titel betekent naar mijn mening niet dat een in de desbetreffende titel opgenomen feit niet jegens een rechtspersoon kan worden begaan. Zo is denkbaar dat een rechtspersoon door middel van bedreiging met enige andere feitelijkheid in de zin van art. 284, eerste lid, aanhef en onder 1º, Sr wederrechtelijk wordt gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden.4 Aan de wetssystematiek is dan ook naar mijn mening geen argument te ontlenen voor het standpunt dat bedreiging met brandstichting niet tegen een rechtspersoon kan worden begaan. Een andere opvatting zou ook bezwaarlijk zijn te rijmen met de mogelijkheid dat andere delicten met ‘bedreiging’ als bestanddeel jegens een rechtspersoon kunnen worden begaan, zoals de eerder genoemde dwang (art. 284 Sr), afpersing (art. 317 Sr) en afdreiging (art. 318 Sr).5

11. De derde vraag is of in de aard van het delict besloten ligt dat dit niet tegen een rechtspersoon kan worden begaan. Verkrachting lijkt me hiervan een sprekend voorbeeld. In de kern verschilt de beoordeling of een delict tegen een rechtspersoon kan worden begaan niet wezenlijk van die of een rechtspersoon een bepaald delict kan begaan.6 Ten aanzien van bedreiging met brandstichting merk ik in dat verband het volgende op. Voor de vraag of sprake is van strafbare bedreiging is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat brand zou ontstaan.7 De enkele omstandigheid dat in deze definitie van ‘vrees’ wordt gesproken, lijkt mij niet in de weg te staan aan strafbaarheid wegens bedreiging van een rechtspersoon met brandstichting. Het gaat hierbij in de eerste plaats niet om een subjectieve toets, waarbij de ervaring van de bedreigde maatgevend is, maar om een objectieve toets (“in redelijkheid”). Daarbij komt dat subjectieve bestanddelen als opzet en schuld ook niet aan het daderschap van een rechtspersoon in de weg hoeven te staan. In dit verband komt wel gewicht toe aan de aard van hetgeen waarmee wordt gedreigd. Gaat het om een bedreiging van een feit dat tegen een rechtspersoon kan worden begaan? Zo is bedreiging van een rechtspersoon met verkrachting van die rechtspersoon niet goed denkbaar, omdat moeilijk valt in te zien dat in redelijkheid vrees kan ontstaan dat dit delict jegens een rechtspersoon kan worden begaan.8 Aldus werpt het delict waarmee wordt bedreigd zijn schaduw vooruit bij de beoordeling of bedreiging van een rechtspersoon mogelijk is. Brandstichting is zonder twijfel een delict dat tegen een rechtspersoon kan worden begaan. Aldus meen ik dat ook de aard van het feit zich er niet tegen verzet dat dit tegen een rechtspersoon wordt begaan.

12. Gelet op het voorafgaande, getuigt het oordeel van het hof dat het ten laste gelegde tegen de rechtspersoon Woningstichting [A] is begaan niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is.

13. Het middel faalt.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 119.

2 Kamerstukken II 2004/05, 30 143, nr. 3, p. 5.

3 A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, derde druk, Deventer: 2011, p. 76-77 en p. 172. Meer discussie is volgens hen mogelijk als de delictsomschrijving de term ‘iemand’ bevat.

4 Vgl. HR 22 april 1986, NJ 1986/827, m.nt. ‘t Hart en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Remmelink.

5 Vgl. HR 24 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4831 (veroordeling ter zake van medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot afdreiging van een rechtspersoon).

6 Zie ook de conclusie van A-G Remmelink voorafgaand aan HR 22 april 1986, NJ 1986/827, m.nt. `t Hart. Zie over de vraag of de aard van een delict zich tegen daderschap van een rechtspersoon verzet: De Hullu, a.w., p. 168-169.

7 Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448, rov. 3.3.

8 Daarbij zij nog opgemerkt dat de bedreiging ook betrekking kan hebben op een misdrijf tegen een ander dan degene die wordt bedreigd. Vgl. HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400, NJ 2011/224, m.nt. Keijzer, rov. 3. In die specifieke context, waarin de bedreiging wordt geuit jegens een rechtspersoon maar betrekking heeft op een natuurlijk persoon, acht ik bedreiging van een rechtspersoon met verkrachting wel mogelijk.