Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1888

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
13/05599
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3168, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen. 1. Slagende bewijsklacht verbergen en verhullen, art. 420bis.1 aanhef en onder a Sr, 2. Slagende kwalificatieklacht verwerven en voorhanden hebben, art. 420bis.1 aanhef en onder b Sr. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het door de medeverdachte van betrokkenen in ontvangst genomen geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte (mede)gepleegde oplichting althans uit een (met de bewezenverklaarde feiten 1 en 4 vergelijkbaar) misdrijf dat verdachte zelf heeft begaan en tevens dat dit geldbedrag onmiddellijk daaruit afkomstig is. Ad 1. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:3687. Uit de gebezigde bewijsvoering kan niet méér worden afgeleid dan dat verdachte een geldbedrag in ontvangst heeft genomen. Dat het geldbedrag aanvankelijk door de medeverdachte in ontvangst is genomen en daarna aan verdachte is overhandigd brengt immers niet mee dat de verdachte de werkelijke aard, herkomst en verplaatsing ervan heeft verborgen en/of verhuld. Ad 2. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302. In aanmerking genomen ’s Hofs kennelijke oordeel dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte (mede)gepleegd misdrijf, is ’s Hofs oordeel dat het verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag “witwassen” oplevert, ontoereikend gemotiveerd aangezien uit de bestreden uitspraak niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag doordat de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05599

Zitting: 1 september 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 25 oktober 2013 de verdachte ter zake van feit 1 en 4 “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, feit 2 “medeplegen van witwassen” en feit 3 “door giften en/of het verschaffen van gelegenheid en middelen en inlichtingen opzettelijk uitlokken van witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof een vordering van de benadeelde partij toegewezen, verschillende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, alsmede beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te Den Haag, bij schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste, tweede en vierde middel hebben betrekking op het onder 2 bewezen verklaarde. Ik zal deze middelen eerst bespreken en ten behoeve van die bespreking hieronder de bewezenverklaring weergeven en de bewijsvoering samenvatten. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 27 juni 2005, te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander van een voorwerp, te weten een geldbedrag (te weten: Amerikaanse dollars 3.500,00), de werkelijke aard en de herkomst en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en dat geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf, immers hebben hij en zijn mededader op 27 juni 2005 1 contant geldbedrag (te weten: Amerikaanse dollars 3.500,00) ontvangen en voorhanden gehad en verworven.”

4. Het hof heeft met betrekking tot het onder 3 bewezen verklaarde overwogen dat de verdachte zich in de periode van 17 maart 2003 tot en met 12 november 2006 bezig hield met zogenoemde 419-fraude.2 Dit betreft een vorm van oplichting waarbij slachtoffers wordt voorgewend dat het betalen van een “voorschot” uiteindelijk zal leiden tot de verkrijging van een groter (vaak miljoenen-) bedrag.3 Een nadere bewijsmotivering ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde medeplegen van witwassen houdt de bestreden uitspraak niet in. Wel heeft het hof in het kader van de beoordeling van een met betrekking tot dit feit gedaan getuigenverzoek in zijn arrest overwogen dat “alle (…) gehoorde getuigen/slachtoffers alsmede de getuige [betrokkene 13] hebben verklaard dat sprake was van oplichting”.4 Ook uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het hof er bij de voor witwassen relevante vraag of het geldbedrag van $ 3.500,- uit enig misdrijf afkomstig is, vanuit is gegaan dat ook dit geldbedrag uit de door verdachte medegepleegde fraude, althans uit enige vorm van oplichting, afkomstig is geweest. Uit de bewijsmiddelen betreffende de $ 3.500,- kan het volgende worden afgeleid:

- De verdachte onderhield telefonisch contact “met diverse slachtoffers van 419-fraude”. Uit afgeluisterde telefoongesprekken met datzelfde telefoonnummer blijkt dat de verdachte de Amerikaanse slachtoffers [betrokkene 10] en [betrokkene 11] in Nederland ontvangt;

- Door een observatieteam is gezien dat de medeverdachte [betrokkene 13] op 27 juni 2005 uit een BMW stapt waarvan de verdachte, zo verklaart hij maart 2007, eigenaar was. Voorts is gezien dat [betrokkene 13] die dag om 13.54 uur een hotel is binnen gegaan. Uit telecommunicatie-onderzoek is gebleken dat [betrokkene 13] en de verdachte die dag diverse telefoongesprekken hebben gevoerd. Om 13.44 uur heeft de verdachte telefonisch aan [betrokkene 13] de woorden “five o two” doorgegeven. Om 13.55 uur vraagt [betrokkene 13] telefonisch aan de verdachte “wat was het kamernummer?”, waarop de verdachte antwoordt: “502”;

- Op 27 juni 2005 verbleven de slachtoffers [betrokkene 10] en [betrokkene 11] in het desbetreffende hotel in kamer 502;

- [betrokkene 13] heeft verklaard dat de verdachte haar naar het hotel heeft gereden en dat zij in een hotelkamer $ 3.500,- in ontvangst heeft genomen van de slachtoffers [betrokkene 10] en [betrokkene 11]. Zij heeft dit bedrag “later” aan de verdachte gegeven;

- Slachtoffer [betrokkene 10] heeft aan de politie laten weten (vertaald) dat zij haar spaargeld is kwijtgeraakt aan “deze mensen”, dat zij hoopt haar geld terug te krijgen en dat het allemaal zo echt leek.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat de afwijzende beslissing op het verzoek de getuigen [betrokkene 10] en [betrokkene 11] te horen niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd.

6. De raadsvrouwe heeft bij tijdig ingekomen appelschriftuur verzocht de getuigen [betrokkene 10] en [betrokkene 11] te doen oproepen. Ter onderbouwing van dit verzoek houdt de schriftuur het volgende in:

“Appellant is veroordeeld voor het witwassen van een geldbedrag dat zou zijn betaald door de getuigen één en twee. Bij het ontnemingsbedrag is bovendien het bedrag betrokken dat zou zijn betaald door deze getuigen. De verdediging wenst deze getuigen te bevragen over de betaling, alsmede de reden van betaling van het betreffende bedrag, teneinde te toetsen of de betaling valt aan te merken als onderdeel van een misdrijf.

De getuigen hebben bovendien geweigerd aangifte te doen. Dit gegeven geeft aanleiding voor de veronderstelling dat de betaling niet als gevolg van een misdrijf is gedaan. De verdediging wenst hen dan ook eveneens te vragen waarom zij geen aangifte wensen te doen.”

7. De getuigen zijn naar aanleiding van de appelschriftuur niet door de advocaat-generaal opgeroepen. Op de regiezitting van 2 maart 2011 heeft de raadsvrouwe verzocht de genoemde getuigen te doen oproepen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

“Cliënt is veroordeeld voor witwassen van geld afkomstig van [betrokkene 10] en [betrokkene 11]. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het horen van [betrokkene 10] en [betrokkene 11] niet in het belang van de verdediging is omdat uit het dossier voldoende zou blijken dat het geld uit misdrijf afkomstig is, gelet op het procesverbaal van bevindingen van 2 november 2006 en de verklaringen van [betrokkene 13]. Het dossier laat de mogelijkheid niet open dat het geld van een ander misdrijf dan oplichting afkomstig zou zijn. Derhalve brengt vaststellen dat het geld van misdrijf afkomstig is in feite mee dat moet worden vastgesteld dat het geld afkomstig is uit oplichting. De verdediging heeft in eerste aanleg het verweer gevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het bedrag uit misdrijf (in het bijzonder oplichting) afkomstig is en wenst dit verweer in hoger beroep opnieuw te voeren. Daarbij is in het bijzonder van belang dat uit het dossier - ook uit de documenten die de advocaat-generaal noemt - niet kan blijken om welke reden [betrokkene 10] en [betrokkene 11] het veronderstelde bedrag hebben betaald en dus ook niet of dit het gevolg is geweest van listige kunstgrepen of andere oplichtingsmiddelen. Om dit verweer nader te onderbouwen heeft de verdediging recht en belang bij het horen van [betrokkene 10] en [betrokkene 11] en ik verzoek u dan ook deze verhoren toe te wijzen.”

8. Op dit verzoek heeft het hof ter terechtzitting van 16 maart 2011 afwijzend beslist, waarbij het hof het volgende heeft overwogen:

“Het hof wijst af de verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 10], [betrokkene 11] (…), nu het hof van oordeel is dat de verzoeken voor wat betreft de daaraan ten grondslag gelegde veronderstellingen door de verdediging onvoldoende zijn onderbouwd.”

9. Ter zitting van 11 oktober 2013 heeft de raadsvrouwe opnieuw verzocht de getuigen te doen oproepen. Zij merkte, voor zover hier van belang, het volgende op:

“Subsidiair valt niet vast te stellen dat dit bedrag uit misdrijf afkomstig is. [betrokkene 10] en [betrokkene 11] hebben geen verklaring afgelegd. [betrokkene 13] heeft niets verklaard over wat [betrokkene 10] en [betrokkene 11] meenden te betalen en ook overigens blijkt niet uit het dossier waarom zij dit bedrag betaalden. Uit de e-mails die zijn overgelegd staat weliswaar te lezen dat [betrokkene 10] hoopt haar geld terug te krijgen, doch er wordt niet duidelijk uit waarom ze heeft betaald of in hoeverre er sprake is geweest van het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, een samenweefsel van verdichtsels of listige kunstgrepen. Juist omdat, zoals hiervoor reeds uitgebreid uiteengezet, de wetgever er bewust voor heeft gekozen niet iedere vorm van oplichting strafbaar te stellen, moet - indien wordt uitgegaan van oplichting- wel vast komen te staan dat er is voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 326 Sr. De officier van Justitie heeft waarschijnlijk ook niet voor niets besloten niet te vervolgen voor oplichting van [betrokkene 10] en [betrokkene 11]. Het dossier biedt bovendien geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat het geld op andere wijze uit misdrijf afkomstig is. Ik verzoek u dan ook subsidiair cliënt eveneens vrij te spreken van het plegen van witwashandelingen ten aanzien van dit feit bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat het geldbedrag uit misdrijf afkomstig is.5

Meer subsidiair verzoek ik om [betrokkene 10] en [betrokkene 11] als getuigen te horen. In verband met de vraag of het door hen betaalde bedrag van misdrijf afkomstig is dienen zij te worden bevraagd naar de redenen van betaling van het bedrag.”6

10. Ook dit verzoek heeft het hof afgewezen. Bij het bestreden arrest heeft het hof het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 10] en [betrokkene 11] als getuigen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2011 heeft de raadsvrouw ook verzocht om deze getuigen te horen. Op de terechtzitting van 16 maart 2011 heeft het hof die verzoeken afgewezen, omdat het hof van oordeel was dat de verzoeken voor wat betreft de daaraan ten grondslag gelegde veronderstellingen door de verdediging onvoldoende waren onderbouwd. Het hof benadrukt dat de verdediging niet verzoekt om de getuigen omdat zij specifiek de verdachte belasten, maar om te toetsen of wel sprake is van (een) betaling(en) ten gevolge van oplichting. Naar het oordeel van het hof heeft de raadsvrouw geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die het thans noodzakelijk maken om te getuigen te horen, zodat het hof ook deze verzoeken opnieuw afwijst.

Het hof voegt hieraan toe dat alle wel gehoorde getuigen/slachtoffers alsmede de getuige [betrokkene 13] hebben verklaard dat sprake was van oplichting.”

11. De bij appelschriftuur gedane en ter terechtzitting in hoger beroep toegelichte verzoeken van de raadsvrouwe van de verdachte om de getuigen [betrokkene 10] en [betrokkene 11] als getuigen te horen, zijn verzoeken als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. In aanmerking genomen dat deze getuigen namens de verdachte bij (tijdig ingediende) appelschriftuur zijn opgegeven en de getuigen niet op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris zijn gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van zodanige verzoeken - voor zover hier van belang - ingevolge art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.7

12. Ten aanzien van de motivering van getuigenverzoeken waarop het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.”8

13. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van het eerste getuigenverzoek, gedaan ter regiezitting van 2 maart 2011, aangevoerd dat volgens de verdediging niet kan worden vastgesteld dat het door [betrokkene 10] en [betrokkene 11] afgegeven geldbedrag van misdrijf afkomstig is, en dat uit het dossier niet blijkt waarom [betrokkene 10] en [betrokkene 11] het bedrag hebben betaald en dus evenmin dat dit het gevolg is geweest van listige kunstgrepen of andere oplichtingsmiddelen. De motivering van de beslissing van het hof ter zitting van 16 maart 2011 is beperkt tot de overweging dat de verzoeken ten aanzien van de daaraan ten grondslag gelegde veronderstellingen door de verdediging onvoldoende zijn onderbouwd. Dat oordeel acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Op welke “veronderstellingen” het hof doelt, is niet zonder meer duidelijk. Uit de appelschriftuur volgt dat het desbetreffende verzoek is gedaan met het oog op de betwisting dat het voorhanden zijnde bewijsmateriaal toereikend is voor de conclusie dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Volgens de verdediging kan niet blijken om welke reden [betrokkene 10] en [betrokkene 11] het in de tenlastelegging genoemde bedrag hebben betaald en dus ook niet of dit het gevolg is geweest van listige kunstgrepen of andere oplichtingsmiddelen. Nu het hierbij gaat om een bestanddeel van de delictsomschrijving (“afkomstig (…) uit enig misdrijf”) en het gaat om getuigen die volgens het openbaar ministerie slachtoffer van dat misdrijf zouden zijn geworden, doet zich niet de situatie voor waarin het verzoek zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Evenmin doet zich onder deze omstandigheden de situatie voor dat de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel dat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Nu het hof op dit onderdeel tot een bewezenverklaring is gekomen, is het belang bij de klacht evident.

14. Het middel treft in zoverre doel en behoeft voor het overige geen bespreking.

15. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 13] te onbetrouwbaar zijn om bij te dragen aan het bewijs dat de verdachte betrokken is geweest bij, naar ik begrijp, het onder 2 ten laste gelegde.

16. Het middel doelt op de volgende passages uit de pleitnota:

“Bij de bespreking van feit één heb ik al het nodige gezegd over de identificatie van cliënt als de [verdachte] die betrokken zou zijn bij de zaak [betrokkene 10] en [betrokkene 11]. Daarbij heb ik tevens het nodige opgemerkt over de identificatie door [betrokkene 13] van cliënt als betrokkene bij [betrokkene 10] en [betrokkene 11]. [betrokkene 13] geeft aan meerdere [verdachte]'s te kennen, zij heeft bij de politie verklaard [verdachte] pas in het najaar van 2005 te hebben ontmoet terwijl de ontmoeting met [betrokkene 10] en [betrokkene 11] in juni 2005 zou hebben plaatsgevonden. Bij de rechter-commissaris verklaart [betrokkene 13] wat later weliswaar dat ze niet zeker meer weet wanneer ze [verdachte] heeft ontmoet, maar dat dit in ieder geval na mei moet zijn geweest. Gelet op het feit dat ze bij herhaling verklaart dat ze [verdachte] in het najaar en in november heeft ontmoet, acht de verdediging echter het onaannemelijk dat deze ontmoeting al zou hebben plaatsgevonden vóór het najaar van 2005.

Er zitten meer tegenstrijdigheden in de verklaringen van [betrokkene 13]. Zo verklaart zij uitgebreid over wat er volgens haar op 27 juni 2005 zou zijn gebeurd, en geeft daarbij aan dat zij door [verdachte] naar het hotel is gebracht. Pas wanneer zij wordt geconfronteerd met het proces-verbaal van observatie waaruit volgt dat [betrokkene 14] haar heeft gereden, past zij haar verklaring aan (verklaring 11 juli 2006,19.20 uur).

(…)

De verdediging is dan ook van mening dat de verklaringen van [betrokkene 13], gelet op hun tegenstrijdigheden, te onbetrouwbaar zijn om bij te dragen aan het bewijs dat cliënt betrokken is geweest bij de zaak [betrokkene 10] en [betrokkene 11] en ik concludeer dan ook dat deze betrokkenheid niet kan worden vastgesteld. Reeds daarom verzoek ik u cliënt vrij te spreken van het plegen van witwashandelingen ten aanzien van dit bedrag.”

17. Het aangevoerde kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof heeft verklaringen van [betrokkene 13], in afwijking van het standpunt van de verdediging, tot het bewijs gebezigd. Het hof heeft geen overweging gewijd aan het ingenomen standpunt omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 13].

18. Ten aanzien van de aan de motivering te stellen eisen van de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Het geval kan zich voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen, waarin die nadere motivering besloten ligt.9

19. Naar mijn mening bevat de bewijsvoering voldoende gegevens waarin de nadere motivering van de afwijking van het standpunt van de verdediging besloten ligt. Daartoe wijs ik op het volgende. Ter onderbouwing van het standpunt dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 13] onbetrouwbaar zijn, heeft de verdediging naar de kern genomen slechts gewezen op wisselende verklaringen van [betrokkene 13] omtrent het moment waarop [betrokkene 13] en de verdachte elkaar hebben ontmoet en op haar aangepaste verklaring van 11 juli 2006 omtrent de vraag wie haar naar het hotel heeft gereden. Gelet op het feit dat [betrokkene 13] bij herhaling verklaart dat zij [verdachte] in het najaar en in november heeft ontmoet, acht de verdediging het onaannemelijk dat deze ontmoeting al zou hebben plaatsgevonden vóór het najaar van 2005. Het hof heeft duidelijk gemaakt dat het deze visie niet deelt. Het hof heeft immers tot het bewijs gebezigd de verklaring van [betrokkene 13] van 11 juli 2006 dat [verdachte] (de verdachte) haar naar het hotel heeft gereden alwaar [betrokkene 13] het geldbedrag van de slachtoffers [betrokkene 10] en [betrokkene 11] heeft aangenomen (bewijsmiddel 12). Ook de verklaring van [betrokkene 13] van 17 januari 2007, waarin zij de verdachte van een foto herkent als de “[verdachte]” met wie zijn naar een hotel is geweest, heeft het hof voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 13, in samenhang met de bewijsmiddelen 14 en 15).

20. De argumenten waarmee de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 13] worden betwist zijn bepaald niet indringend van aard. Er is gewezen op een tweetal discrepanties in de verklaringen. Het hof heeft hierin een keuze gemaakt en daarmee tot uitdrukking gebracht geloof te hechten aan de verklaringen die het tot het bewijs heeft gebezigd en de overige verklaringen terzijde te stellen. Die keuze is nader onderbouwd aan de hand van andere bewijsmiddelen, waaruit bijvoorbeeld blijkt dat [betrokkene 13] op 27 juni 2005 bij het desbetreffende hotel naar binnen ging en vroeg naar kamer 502, terwijl rond dat tijdstip telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen [betrokkene 13] en de verdachte waarin de verdachte doorgeeft dat het kamernummer 502 was (bewijsmiddelen 8, 9 en 10). Het stond het hof vrij, gelet op diens vrijheid ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, om die onderdelen van verklaringen van [betrokkene 13] voor bewijs te bezigen die het hof, al dan niet bezien in samenhang met het overige bewijsmateriaal, als betrouwbaar en juist aanmerkte. Klaarblijkelijk heeft dit gegolden voor haar verklaring van 17 januari 2007 waarin zij de verdachte van een foto herkent als de persoon over wie zij eerder (op 11 juli 2006) heeft verklaard en met wie zij naar het hotel is gegaan. Gelet op hetgeen ten grondslag is gelegd aan het standpunt van de verdediging, behoefde dit oordeel geen nadere motivering en ligt, door deze onderdelen als bewijs te bezigen, een toereikende respons op het ingenomen standpunt in de bestreden uitspraak besloten.10

21. Het middel faalt.

22. Het vierde middel beoogt kennelijk te klagen enerzijds dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat, zoals bewezen is verklaard, sprake is van het verbergen of verhullen van de werkelijke aard en de herkomst en de verplaatsing van het geldbedrag van $ 3.500,- en anderzijds dat niet althans ontoereikend is gemotiveerd ’s hofs oordeel dat het tevens bewezen verklaarde verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag kan worden gekwalificeerd als witwassen. Volgens het middel volgt uit de bewijsvoering dat dit geldbedrag uit “eigen misdrijf” afkomstig is, terwijl voorts niet méér blijkt dan dat de verdachte dit geldbedrag overhandigd heeft gekregen van een medeverdachte.11

23. Art. 420 bis, eerste lid, Sr bevat twee verschijningsvormen van het delict witwassen. Art. 420 bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr behelst het verhullen en verbergen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. van een voorwerp. Art. 420, eerste lid, aanhef en onder b, Sr stelt strafbaar het verwerven, voorhanden hebben, overdragen of omzetten of gebruik maken van een voorwerp. In de tenlastelegging en de bewezenverklaring van feit 2 in de onderhavige zaak zijn beide verschijningsvormen van witwassen te herkennen. Voor de beoordeling van het middel zal onderscheid moeten worden gemaakt tussen beide verschijningsvormen.

24. Ten laste gelegd en bewezen verklaard is onder meer dat de verdachte tezamen een in vereniging met een ander van een voorwerp, te weten een geldbedrag van $ 3.500,- de werkelijke aard en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld. In zoverre is de tenlastelegging toegesneden op het bepaalde in art. 420 bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr. In de memorie van toelichting behorend bij het voorstel dat heeft geleid tot bij de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606 wordt ten aanzien van de termen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ het volgende opgemerkt:

"Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen "verbergen" en "verhullen" impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken.”12

25. Uit de bewijsvoering van het hof volgt niet méér dan dat de medeverdachte [betrokkene 13] het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag van [betrokkene 10] en [betrokkene 11] heeft ontvangen en dat zij dit vervolgens aan de verdachte heeft overhandigd. Het laat zich niet zonder meer inzien waarom dit handelen volgens het hof “verbergen” en/of “verhullen” oplevert, in de betekenis die in art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr aan die termen moet worden toegekend. Er blijkt immers niet van -kortweg- handelen gericht op, en geschikt om het zicht op de aard, herkomst en verplaatsing van het geldbedrag te bemoeilijken. De bewezenverklaring is op dit punt onvoldoende met reden omkleed. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

26. Het hof heeft voorts bewezen verklaard dat de verdachte en zijn medeverdachte het uit misdrijf afkomstige geldbedrag hebben verworven en voorhanden gehad. De vraag rijst of de bewezenverklaring aldus verbeterd kan worden gelezen, dat deze zich slechts uitstrekt tot het tezamen en in vereniging verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag, terwijl zij wisten dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig13 misdrijf. Dit onderdeel van de tenlastelegging en de bewezenverklaring is toegesneden op het bepaalde in art. 420bis, eerste lid, onder b. Sr. In geval van verbeterde lezing van de bewezenverklaring zou zich de situatie voordoen dat het enkele verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag bewezen is verklaard. Zoals gezegd stelt het middel ten aanzien van dit onderdeel van de bewezenverklaring, dat uit de bewijsvoering voortvloeit dat het bedrag afkomstig is uit een misdrijf dat de verdachte zelf heeft begaan. Een nadere motivering, inhoudende waarom het bewezen verklaarde volgens het hof kan worden gekwalificeerd als witwassen, houdt de bestreden uitspraak niet in.

27. In zijn arrest van 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“3.3.1.

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

3.3.2.

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven onder 3.3.1 bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 3.3.1 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. met verdere verwijzingen HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, rov. 3.3.1 en 3.3.2).

(…)

3.5.

Opmerking verdient nog dat de onder 3.3 bedoelde rechtsregels niet slechts betrekking hebben op het geval dat de verdachte het misdrijf waaruit de desbetreffende voorwerp(en) afkomstig zijn zelf heeft gepleegd, maar ook op het geval dat sprake is van medeplegen van dit misdrijf door de verdachte (vgl. ten aanzien van heling HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8801).”14

28. In de onderhavige zaak doet zich naar mijn mening het geval voor als in dit arrest bedoeld onder (ii) van rechtsoverweging 3.3.2. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van het misdrijf waaruit het geldbedrag van $ 3.500,- onmiddellijk afkomstig is. Hij heeft immers de slachtoffers in Nederland ontvangen en doen voorkomen alsof hij op een kantoor werkt met de naam [A], heeft zijn medeverdachte [betrokkene 13] het bedrag van $ 3.500 doen ophalen en haar daartoe naar het hotel gebracht en het hotelkamernummer van de slachtoffers en het tijdstip waarop [betrokkene 13] het hotel binnen zou gaan doorgegeven en heeft de buit van die medeverdachte overhandigd gekregen. Uit de motivering van de bewezenverklaring kan niet worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag doordat de bewezen verklaarde gedragingen (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. Onder die omstandigheden is ’s hofs oordeel dat het bewezen verklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen ontoereikend gemotiveerd.15 Ook voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

29. Het middel slaagt.

30. Het derde middel behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het onder 1 bewezen verklaarde is begaan in de periode van 26 oktober 2004 tot en met 9 mei 2005, aangezien de datum van 26 oktober 2004 niet uit de bewijsmiddelen volgt.

31. Onder 1 is ten laste van de verdachte bewezen verklaard -kortweg- dat hij, als medepleger, op tijdstippen in de periode van 26 oktober 2004 tot en met 9 mei 2005 het slachtoffer door oplichting heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende feit een aanvang heeft genomen op 26 oktober 2004, miskent het dat de tijdsaanduiding in de bewezenverklaring niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht.16 Uit bewijsmiddel 1 volgt voorts dat het slachtoffer, na een half jaar daarvóór -zijnde (omstreeks) 26 oktober 2004- via internet te zijn benaderd, op 26 april 2005 te Amsterdam de geldbedragen heeft afgegeven aan de verdachte. Aldus kan de bewezen verklaarde periode uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

32. Het middel faalt.

33. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte als feit van algemene bekendheid heeft aangenomen dat geldbedragen die via “money transfers” worden verzonden, in beginsel van misdrijf afkomstig zijn.

34. Het onder 3 bewezen verklaarde betreft (samengevat) het uitlokken van witwassen, meermalen gepleegd. Het hof heeft ten aanzien van de herkomst van het geld in het bestreden arrest het volgende overwogen:

Herkomst van het geld

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (behoudens voor zover dit feit betrekking heeft op de aangever [betrokkene 15]) heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte zich ten tijde van de onder 3 ten laste gelegde periode bezig hield met zogenaamde 419-fraude. Uit de verhoren van de (wel) gehoorde getuigen/slachtoffers en van de mededader [betrokkene 13] blijkt dit eens te meer. Uit het dossier blijkt voorts dat [betrokkene 2] in de ten laste gelegde periode meerdere malen aanzienlijke hoeveelheden geld heeft ontvangen via money transfers. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij - in ieder geval het grootste gedeelte van - die geldbedragen in opdracht van de verdachte heeft opgehaald en vervolgens aan de verdachte heeft overhandigd. Geld versturen via money transfers is een manier van geld versturen die extra kosten met zich brengt, tot gevolg heeft dat geldovermakingen buiten het normale bancaire circuit met de daaraan onlosmakelijk verbonden administratieve vastlegging plaats vinden en waarbij - zoals in casu ook is gebeurd - katvangers kunnen worden ingezet. Op deze wijze wordt verhuld wie de verzender en de (uiteindelijke) ontvanger zijn van het geld dat wordt verzonden.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt het vorenstaande in beginsel de conclusie dat de geldbedragen die [betrokkene 2] heeft ontvangen van misdrijf afkomstig zijn. Van de verdachte mag bij betwisting hiervan daarom worden verwacht dat hij met een aannemelijke verklaring het tegendeel onderbouwt. Daarin is de verdachte niet geslaagd. Ook in het licht van het gehele dossier is er geen enkel begin van aannemelijkheid dat de betalingen een andere oorsprong zouden hebben. Naar het oordeel van het hof kan daarom worden aangenomen dat in ieder geval een groot gedeelte van de door [betrokkene 2] ontvangen geldbedragen uit misdrijf afkomstig is. Het hof verwerpt het verweer.”

35. Het middel berust op een onjuiste lezing van ’s hofs arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Ten aanzien van de vraag of de desbetreffende, door middel van money transfers ontvangen geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf, heeft het hof als één van de relevante omstandigheden bij zijn beoordeling betrokken dat het versturen van geld via money transfers geschikt is om te verhullen wie de verzender en de (uiteindelijke) ontvanger van het geld zijn. Tezamen met andere door het hof genoemde omstandigheden en het uitblijven van een aannemelijke andere verklaring van de herkomst van de geldbedragen, heeft dit het hof gebracht tot het kennelijke oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat ten minste een groot deel van die geldbedragen uit misdrijf afkomstig is. Hieruit volgt evenwel niet dat het hof als feit van algemene bekendheid heeft aangenomen dat de enkele omstandigheid dat geldbedragen door middel van money transfers worden verzonden meebrengt dat deze gelden in beginsel kunnen worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig. Van een in het middel aangevoerde, op die stelling voortbouwende “ongerechtvaardigde omkering van de bewijslast” is geen sprake.17

36. Het middel faalt.

37. Het zesde middel behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het onder 4 bewezen verklaarde is begaan in de periode van 1 december 2004 tot en met 11 juli 2007, aangezien de datum van 11 juli 2007 niet uit de bewijsmiddelen volgt.

38. Onder 4 is ten laste van de verdachte bewezen verklaard (samengevat) dat hij, telkens als medepleger, op tijdstippen in de periode van 1 december 2004 tot en met 11 juli 2007 de slachtoffers [betrokkene 3] en [betrokkene 4] door oplichting heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. Ook dit middel miskent dat de tijdsaanduiding in de bewezenverklaring niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht.18 Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 3] de bewezen verklaarde geldbedragen $ 25.000,- en € 12.500,- contant aan verdachte heeft overgedragen op 21 september 2005 (bewijsmiddelen 27 en 38), en het (totaal)bedrag van € 13.589,32 aan medeverdachten heeft overgemaakt op 27 september 2005 (bewijsmiddelen 28 en 29) en op 6 en 7 oktober 2005 (bewijsmiddelen 22, 23 en 26). Het slachtoffer [betrokkene 4] heeft op 8 juni 2006 een (kennelijk) in de bewezenverklaring bedoeld “andere geldbedrag” van € 3.640,- overgemaakt naar een medeverdachte (bewijsmiddel 26). Aldus kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden “op tijdstippen in de periode van 1 december 2004 tot en met 11 juli 2007”, zodat de bewezenverklaring op dit punt voldoende met redenen is omkleed.

39. Het middel faalt.

40. Het eerste en het vierde middel zijn terecht voorgesteld. Het tweede, derde, vijfde en zesde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte, met nummer 13/005598 P, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer. Uit de opgemaakte akte blijkt dat de bij het arrest “gegeven deelvrijspraken” zijn uitgezonderd van het cassatieberoep.

2 Arrest, pag. 10, in samenhang met de bewezenverklaring van feit 3.

3 Zie de strafmotivering van het hof, pag. 18 van het arrest.

4 Arrest, pag. 12.

5 Schriftelijk pleidooi, pag. 13 en 14.

6 Proces-verbaal terechtzitting 11 oktober 2013, pag. 8.

7 Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7346, rov. 2.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1585, rov. 3.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1584, rov. 2.3 en HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726, NJ 2010/589, rov. 2.4.

8 HR 1 juli 2014, rov. 2.6, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers.

9 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393.

10 HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238, NJ 2014/279 en HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281, m.nt. Schalken.

11 Vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, waarin een soortgelijke cassatieklacht was voorgesteld.

12 Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 14 en 15. Zie ook HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, waarin de wetsgeschiedenis uitgebreid is geciteerd.

13 De bewezenverklaring rept in dit verband overigens van “het misdrijf”.

14 Zie ook HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655.

15 Opvallend is dat het hof ten aanzien van de tevens ten laste gelegde bedragen van € 11.000,- en $ 9.269,- wel heeft geoordeeld dat “slechts” sprake was van het voorhanden hebben van voorwerpen, afkomstig uit door de verdachte zelf begane misdrijven, zij het dat het hof hier de minder juiste conclusie aan heeft verbonden dat de verdachte van die feiten moest worden vrijgesproken. De bedragen van € 11.000 en $ 9.269 waren overigens in de bewezenverklaring van feit 1 opgenomen als door oplichting afgegeven goederen.

16 HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002/536, rov. 3.4.

17 In dit verband kan worden opgemerkt dat het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bewijslast van het ten laste gelegde bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", door (kennelijk) te oordelen dat de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen en dat, gelet daarop, van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van het geld. Vgl. HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1500, rov. 2.4.

18 HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002/536, rov. 3.4.