Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1886

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
13/01923
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3169, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen. Art. 420bis Sr. Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de HR over i.h.b. de kwalificeerbaarheid als witwassen van het ‘verwerven of voorhanden hebben’ van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. ECLI:NL:HR:2015:1090). Het enkele storten op eigen bankrekeningen is onvoldoende om te kunnen spreken van gedragingen die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:2913), ook als dat – op de door het Hof genoemde maar niet nader uitgewerkte wijze – “voor ‘reguliere’ uitgaven” gebeurt. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01923

Zitting: 1 september 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 8 maart 2013 de verdachte wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “medeplegen van witwassen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 216 uren, subsidiair 108 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de strafzaak en de ontnemingszaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] , met respectievelijk de zaaknummers 13/01878 en 13/01879P, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

4. Namens de verdachte is op 19 maart 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 januari 2014 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden.

5. Voorts zijn sinds het aantekenen van het cassatieberoep meer dan twee jaren verstreken, hetgeen eveneens een schending van de redelijke termijn betekent.

6. Het middel slaagt.

7. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat ten tijde van het binnentreden in de woning van de verdachte een redelijk vermoeden bestond als bedoeld in art. 9, eerste lid aanhef en onder b, van de Opiumwet.

8. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

1:

hij in de periode van 01 mei 2005 tot en met 4 december 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) opzettelijk heeft geteeld en opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] te Utrecht een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 15,74 kilogram hennep en ongeveer 704 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3:

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2005 tot en met 4 december 2007, te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander (telkens) geldbedragen voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader wist(en) dat dat geld - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”

9. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Verweren betreffende het binnentreden

Namens verdachte is aangevoerd dat:

-de ten tijde van de van het afgeven van de machtiging binnentreden bestaande verdenking jegens verdachte (en medeverdachte) onvoldoende was om de machtiging te rechtvaardigen;

-het aldus onrechtmatig binnentreden niet gedekt werd door de toestemming van de verdachte en, tenslotte, dat

-de binnentredende verbalisanten door verbreking van een kelderdeur verder zijn gegaan dan de hun op de voet van artikel 9 van de Opiumwet toekomende bevoegdheid tot zoekend rondkijken.

Dit alles zou moeten leiden tot uitsluiting van het bij dat binnentreden aangetroffen bewijsmateriaal.

Het hof verwerpt dat verweer in al zijn onderdelen.

Wat er ook zij van de volgorde van het ontstaan van de elementen die de verdenking konden dragen, is na het onderzoek ter terechtzitting en op basis van het procesdossier vast komen staan dat op het moment van het gebruik van de machtiging er sprake was van

a) een CIE-tip,

b) geconstateerde antecedenten van verdachte ter zake van een hennepkwekerij,

c) eerdere mogelijke betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte] bij een hennepkwekerij

d) een uitzonderlijk hoog energieverbruik in het door verdachte bewoonde pand.

Deze elementen konden naar het oordeel van het hof het bestaan rechtvaardigen van een verdenking van aanwezigheid van een hennepkwekerij en daarmee het binnentreden, waarvoor een machtiging was afgegeven.

Voor zover namens verdachte is opgeworpen dat het binnentreden plaatsvond op basis van toestemming van verdachte en niet op basis van de machtiging, mist dit feitelijke grondslag.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal dat volgens de inhoudsopgave wordt

aangeduid met de term "ambtelijk verslag". Feitelijk omvat dit proces-verbaal tevens het "proces-verbaal binnentreden woning". Daarin is opgenomen de volgende passage: "ik, [betrokkene 4] , vroeg de man of wij een onderzoek in de woning mochten doen. Ik [betrokkene 4] , hoorde dat de man hierop geen duidelijk antwoord gaf. Ik, [betrokkene 4] , deelde de man mee dat ik een machtiging binnentreden (...)had(...). Ik, [betrokkene 4] , toonde de machtiging (...) en gaf deze aan de man. Vervolgens gaf de man ons toestemming de woning te betreden". De machtiging is opgenomen op pagina 21 van het dossier. Het hof gaat er derhalve van uit dat met machtiging is binnengetreden.

(…)

Het hof verwerpt deze verweren.”

10. Voorop gesteld moet worden dat verdenking van overtreding van de Opiumwet in voorkomende gevallen kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie.1 De beantwoording van de vraag of dergelijke informatie toereikend is voor de toepassing van art. 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet is in belangrijke mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst.2 Bij het toepassen van een ingrijpend dwangmiddel als doorzoeking komt het er wel op aan of de anonieme informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt. In de regel zal ter verificatie enig onderzoek moeten plaatsvinden.3 De eisen die aan dat nadere onderzoek worden gesteld zijn, zo leert de rechtspraak van de Hoge Raad, niet hoog.4 Nader onderzoek kan achterwege blijven indien de betrouwbaarheid van de gegeven informatie rechtstreeks kan blijken uit de concreetheid en gedetailleerdheid ervan.5

11. De anonieme informatie was in het onderhavige geval vervat in een melding van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: de CIE). Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 9 is weergegeven, heeft het hof vastgesteld dat uit het proces-verbaal van de politie is gebleken dat de CIE-melding het volgende inhield: “een Nederlandse man van ongeveer 37 jaar die [verdachte] heet en met zijn vrouw en zoontje in de buurt van het poppodium Ekko woont, heeft in zijn woning een hennepplantage”. Uit nader onderzoek is naar voren gekomen dat (i) op de [a-straat 1] te Utrecht staat geregistreerd [verdachte] ; (ii) op datzelfde adres zijn vrouw en zoontje wonen, (iii) [verdachte] antecenten heeft op het gebied van de Opiumwet, specifiek ten aanzien van een hennepplantage, (iv) de medeverdachte [medeverdachte] destijds als verdachte is gehoord in verband met een hennepplantage die was aangetroffen in de woning waar zij toen samen met de verdachte woonde, (v) het elektrisch verbruik op jaarbasis op het adres [a-straat 1] te Utrecht extreem hoog was. Niet blijkt of de CIE een oordeel heeft kunnen geven over de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie.

12. Gelet op hetgeen hiervoor onder 9 is voorop gesteld, getuigt het bestreden oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van de concrete melding en de overige onder 10 weergegeven feiten en omstandigheden, is het oordeel dat ten tijde van het binnentreden sprake was van een redelijk vermoeden als bedoeld in art. 9, eerste lid aanhef en onder b, van de Opiumwet niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers onder meer dat een concrete melding is binnengekomen dat de verdachte in zijn woning een hennepplantage had, dat de verdachte antecedenten heeft ter zake van een hennepkwekerij, dat zijn vrouw in dat verband ook als verdachte is verhoord en dat er sprake was van een uitzonderlijk hoog energieverbruik in het door de verdachte bewoonde pand. Het hof heeft geoordeeld dat deze elementen het bestaan rechtvaardigen van een verdenking van de aanwezigheid van een hennepkwekerij en daarmee het binnentreden van de woning.

13. Het hof heeft hierbij de volgorde van het bekend worden van de voornoemde factoren in het midden kunnen laten. Bewijsmiddel 1 bevat een proces-verbaal waarin verbalisanten relateren welke de aanleiding is geweest voor het onderzoek, welk nader onderzoek heeft plaatsgevonden en welk onderzoek ter plaatse is uitgevoerd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof aangenomen dat hetgeen onder nader onderzoek staat vermeld in elk geval is voorafgegaan aan het onderzoek ter plaatse. In de toelichting op het middel wordt uitvoerig ingegaan op de vraag of de mededeling van [betrokkene 2] , werkzaam bij ENECO als technisch specialist fraude, dat het elektriciteitsverbruik in de woning aan de [a-straat 1] te Utrecht op jaarbasis extreem hoog was, al dan niet voorafgaand aan het onderzoek ter plaatse heeft plaatsgevonden. Zoals aangegeven, kan uit bewijsmiddel 1 worden afgeleid dat het onderzoek ter plaatse, waaronder het gesprek met de genoemde [betrokkene 2] , voorafgaand aan het binnentreden heeft plaatsgevonden. Die bevinding sluit ook aan bij de verklaring die [betrokkene 2] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd:

“U vraagt mij of ik aan de politie heb verteld wat ik voorafgaand aan de instap over het verbruik te weten ben gekomen. Ik weet dat niet meer. Het zou kunnen dat ik dat gedaan heb. We hebben altijd van tevoren overleg met de politie. Het is dan gebruikelijk dat in geval van extreem hoog verbruik dit tevoren aan de politie wordt gemeld.”

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel behelst de klacht dat het bewezen verklaarde “medeplegen” niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

16. De bewezenverklaring is hiervoor onder 8 weergegeven.

17. De bewezenverklaring van feit 1 steunt op een viertal bewijsmiddelen. Daaruit volgt dat in de kelderruimte van de door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] bewoonde woning een hennepkwekerij is aangetroffen. Het ging daarbij om drie afzonderlijke ruimten, die openlijk met elkaar in verbinding stonden. De mate van professionaliteit van de hennepkwekerij werd door de betrokken verbalisant als hoog beoordeeld. Ook werd vastgesteld dat er eerder was geoogst. Nader onderzoek wees uit dat de in beslag genomen toppen afkomstig waren van hennepplanten van het geslacht cannabis. Een verbalisant deelde mee dat er een duidelijke hennepgeur op het dakterras van de desbetreffende woning aanwezig was, die uit de afvoerpijp kwam. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerden. Uit een kasopstelling blijkt dat de verdachte en [medeverdachte] in de periode van 1 augustus 2003 tot en met 4 december 2007 voor € 274.294,- aan contante uitgaven hebben gedaan die niet zijn te verklaren uit de legale inkomsten van de verdachten.

18. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof leidt in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden af dat verdachte als medepleger betrokken was bij de hennepkwekerij.

- De politie heeft op 4 december 2007 een hennepkwekerij aangetroffen in de kelder van het woonhuis aan de [a-straat 1] te Utrecht. In de kelder waren drie afzonderlijke ruimten, die met elkaar in verbinding stonden. De kelder was enkel bereikbaar via een luik dat pal achter de voordeur gesitueerd was. Het openen en sluiten van het luik interfereerde met het gebruik van de voordeur. Dit pand is eigendom van verdachte [verdachte] , maar naast hemzelf ook bij de medeverdachte [medeverdachte] in gebruik. Volgens het GBA zijn sinds maart 2004 verdachte en medeverdachte (en sinds 30 september 2005 ook hun zoon) ingeschreven op het adres [a-straat 1] te Utrecht. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachten als "gewoon" gezin in de woning woonden en een gezamenlijke huishouding voerden.

- Voorts blijkt uit de vraagstelling in het verhoor van medeverdachte [medeverdachte] op 4 december 2007 (dossierpagina 53) dat op het dakterras kennelijk een henneplucht te ruiken was.

- Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat zowel verdachte als zijn medeverdachte,

ondanks hun geringe legale inkomsten, in de ten laste gelegde periode in staat waren grote contante stortingen en uitgaven te doen. Het kan niet anders dan dat beide verdachten andere bronnen van inkomsten tot hun beschikking hadden. Met betrekking tot de inkomsten uit de verhuur van de boot merkt het hof overigens op dat behalve uit het kasboek niets kan worden gecontroleerd met betrekking tot de uitgaven en inkomsten met betrekking tot de boot, omdat de rekening van het bedrijf niet werd gebruikt en geen kwitanties zijn aangetroffen.

In de optelsom van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vindt het hof de overtuiging dat verdachte samen zijn partner een hennepkwekerij had in de kelder van zijn woning.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de kelder niet bij verdachte in gebruik was en dat deze werd verhuurd aan ene [betrokkene 8] . Van een kwekerij heeft verdachte nooit iets gemerkt.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof acht het hoogst onwaarschijnlijk dat verdachten niets zouden hebben gemerkt van een installatie van de toch vrij omvangrijke hennepkwekerij in de kelder in hun woning door deze Vermeer, als die zou hebben plaatsgevonden, en – mede gelet op de situatie rondom het luik en het openen en sluiten daarvan - van de activiteiten die in de kelder plaatsvonden, als die zouden hebben plaatsgevonden. De verklaring van verdachten dat de woning was verhuurd aan een derde acht het hof ook overigens niet aannemelijk geworden. In het dossier zijn, ondanks onderzoek daarnaar, geen aanknopingspunten te vinden van het bestaan van de vermeende huurder genaamd [betrokkene 8] . De verklaringen van de ter zitting gehoorde getuigen leggen onvoldoende gewicht in de schaal.

Het hof acht het niet aannemelijk dat de contante stortingen betrekking zouden hebben op de huurinkomsten van de kelder. Verdachte deed die stortingen zelf, terwijl stortingen van bedragen in de orde en grootte als aangegeven ook al plaatsvonden voordat de huur beweerdelijk zou zijn ingegaan. Het hof hecht ook geen geloof en waarde aan het overgelegde huurcontract.

(…)

Mede uit de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan bewezenverklaring van feit 1 leidt het hof voorts af dat het niet anders kan zijn dan dat de door verdachte en medeverdachte gedane uitgaven mede werden gefinancierd met geld afkomstig uit de hennepteelt. Door dit geld deels in porties op een bankrekening te storten voor "reguliere" uitgaven, werd de werkelijke herkomst van dit geld verhuld.”

19. In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde - intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

20. Uit de bewijsvoering volgt dat het hof onder meer het volgende heeft vastgesteld. In de woning waar verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] en hun zoontje woont is door de politie in 2007 een hennepplantage in de kelderruimte van het huis aangetroffen. Door middel van een houten luik in de gang pal achter de voordeur werd toegang verkregen tot de kelder. De kelder bestond uit drie afzonderlijke ruimten, die openlijk met elkaar in verbinding stonden. Deze ruimten waren ingericht voor het telen van hennep. De verdachte en zijn medeverdachte zijn volgens het GBA sinds maart 2004 op het adres van de eerder genoemde woning ingeschreven. Op het dakterras was een henneplucht te ruiken.

21. Gelet op deze feiten en omstandigheden, geeft het oordeel van het hof dat de verdachte samen met zijn partner een hennepkwekerij had in de kelder van zijn woning en aldus als medepleger betrokken is geweest bij het aanwezig hebben van hennep niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.6

22. Ten aanzien van het tevens bewezen verklaarde medeplegen van het opzettelijk telen van hennep rijzen meer vragen. De bewijsmiddelen bevatten geen verklaringen over de rolverdeling bij het telen van hennep in de aangetroffen hennepkwekerij. Daarin verschilt de zaak van bijvoorbeeld HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3797. In die zaak was een hennepkwekerij aangetroffen in een schuur bij een woning die door de verdachte en zijn echtgenote werd gehuurd. Het hof was ervan uitgegaan dat de man de hennepkwekerij met medeweten van zijn echtgenote had opgezet. Van de opbrengst was een gedeelte van een gezamenlijke schuld afgelost. Het hof meende dat sprake was van medeplegen, ook al had de echtgenote zelf geen telingshandelingen verricht en kwam zij niet in de ruimten waar werd geteeld. De Hoge Raad oordeelde dat de feiten waarvan het hof bij de bewijsvoering was uitgegaan onvoldoende grond boden voor het oordeel dat de verdachte zo bewust en nauw met een ander had samengewerkt dat sprake was van "tezamen en in vereniging met een ander" opzettelijk telen van hennepplanten. De feitelijke vaststellingen in die zaak, onder meer dat de medeverdachte geen actieve bijdrage had geleverd aan het opzetten van de kwekerij en evenmin telingshandelingen had verricht, wijzen niet op medeplegen.

23. In de onderhavige zaak heeft het hof de bijdragen die de verdachte en zijn medeverdachte aan het telen van hennep hebben geleverd op een meer indirecte wijze uit het bewijsmateriaal afgeleid. Naast de onder 20 genoemde factoren, komt daarbij betekenis toe aan twee omstandigheden. In de eerste plaats heeft het hof het door zowel de verdachte als diens medeverdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario, te weten dat sprake is geweest van een huurder die de hennepkwekerij buiten medeweten van de verdachte heeft ingericht, als niet aannemelijk van de hand gewezen. Wat resteert, is het scenario dat de bewoners van het pand, te weten de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] , degenen zijn geweest die de hennep in de kelder van hun woning hebben geteeld. Daarbij kan voorts betekenis toekomen aan het feit dat de hennepkwekerij is gevestigd in een onderdeel van de desbetreffende woning, te weten de kelder. In de tweede plaats heeft het hof vastgesteld dat beide verdachten, ondanks hun geringe legale inkomsten, in staat zijn geweest grote contante uitgaven en stortingen te realiseren. Het gewicht van de bijdrage van een medepleger kan ook worden afgeleid uit andere feiten en omstandigheden dan die welke zich ten tijde van het delict hebben voorgedaan. Daartoe behoort de vraag of en, zo ja, in welke mate de verdachte in de buit heeft gedeeld.7Zo merkt mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7275, NJ 2010, 194 op dat het feit dat de verdachte gelijkelijk in de buit deelt een aanwijzing kan opleveren dat zijn rol bij de totstandkoming van het strafbare feit gelijkwaardig is geweest aan die van de anderen.8In gevallen waarin de verdachte en de medeverdachte een gezamenlijke huishouding voeren, kan zulks genuanceerder liggen. Niettemin meen ik dat het hof uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden heeft kunnen afleiden dat zowel de verdachte als zijn medeverdachte [medeverdachte] in het licht van de voor medeplegen geldende vereisten een bijdrage van voldoende gewicht aan de hennepteelt heeft geleverd. Daarbij kan mede in aanmerking worden genomen dat ter terechtzitting in hoger beroep in verband met de verdenking van medeplegen slechts verweer is gevoerd ten aanzien van de mogelijke samenwerking met ene [betrokkene 8] en niet met de medeverdachte [medeverdachte] .

24. Het middel faalt in zoverre.

25. Wat betreft het onder 2 bewezen verklaarde, het medeplegen van witwassen, kan het volgende worden opgemerkt. Het middel is in zoverre slechts gericht tegen de bewezenverklaring en niet tegen de kwalificatie. De kwalificatie komt bij de bespreking van het vijfde middel aan de orde. Het middel is toegespitst op het bewezen verklaarde “tezamen en in vereniging met een ander”.

26. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte, ondanks hun geringe legale inkomsten, in staat waren grote contante stortingen en uitgaven te doen. Tijdens de doorzoeking van de woning is het verbalisanten opgevallen dat er in de woning op de begane grond volop werd verbouwd, waarbij er sprake was van een totale, ingrijpende renovatie. Uit onderzoek bleek dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] over de periode 1 augustus 2003 tot 4 december 2007 voor een bedrag aan € 274.294,- aan contante uitgaven hebben gedaan die niet zijn te verklaren uit legale inkomsten. Over de jaren 2002 tot en met 2006 is geen inkomen of vermogen van de verdachte bekend en in de periode gelegen tussen 2004 en 2008 is de medeverdachte [medeverdachte] zwanger geweest en heeft zij voor hun zoontje gezorgd. In 2003 en 2004 genereerde zij een inkomen door haar werk bij een uitzendbureau. Het hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de door verdachte en zijn medeverdachte gedane uitgaven mede werden gefinancierd met geld afkomstig uit de hennepteelt. Het hof heeft voorts aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Aldus kan het bewijs van medeplegen van witwassen uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewezenverklaring is ook in zoverre naar de eisen der wet met redenen omkleed.

24. Het middel is tevergeefs voorgesteld

25. Het vierde middel ziet op de verwerping door het hof van het verweer inhoudende dat de kelder zou zijn verhuurd aan een derde persoon.

26. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer verworpen met de hiervoor onder 18 weergegeven overweging.

27. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in geval een verdachte het hem ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.9

28. Het hof heeft de bewering van de verdachte dat de kelder niet bij verdachte in gebruik was, maar dat deze werd verhuurd aan ene [betrokkene 8] en dat de verdachte nooit iets heeft gemerkt van een kwekerij, niet geloofwaardig geacht. Het hof acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de verdachte niets zou hebben gemerkt van een installatie van de toch vrij omvangrijke hennepkwekerij in de kelder van de woning door deze [betrokkene 8] en – mede gelet op de situatie rondom het luik en het openen en sluiten daarvan – van de activiteiten die in de kelder zouden hebben plaatsgevonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Voor een verdere toetsing in cassatie van dit feitelijk oordeel is geen plaats.

29. Het middel faalt.

30. Het vijfde middel klaagt over het oordeel van het hof dat het onder 3 bewezen verklaarde "witwassen" oplevert.

31. Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Opmerking verdient nog dat deze rechtsregels niet slechts betrekking hebben op het geval dat de verdachte het misdrijf waaruit de desbetreffende voorwerp(en) afkomstig zijn zelf heeft gepleegd, maar ook op het geval dat sprake is van medeplegen van dit misdrijf door de verdachte.10

32. Het hof heeft het onder 3 bewezen verklaarde gekwalificeerd als (medeplegen van) witwassen. Gelet op de hierboven uit de jurisprudentie van de Hoge Raad voortvloeiende rechtsregels omtrent de kwalificatiebeslissing ten aanzien van witwassen, moet uit de overwegingen van het hof kunnen worden afgeleid dat ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van dit geld doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen.11

33. De bewezenverklaring van feit 3 berust in het bijzonder op de resultaten van een financieel onderzoek, zoals neergelegd in een proces-verbaal strafrechtelijk financieel onderzoek, waarbij aan de hand van een kasopstelling de contante uitgaven zijn afgezet tegen de legale contante inkomsten. Daaruit volgt onder meer dat vele opnamen via een geldautomaat en vele contante stortingen op de Rabobankrekening op naam van de verdachte. Vanaf december 2003 vinden er nagenoeg maandelijks stortingen plaats van € 2.200, welk bedrag overeenkomt het huurbedrag voor de kelder.

34. Het hof heeft voorts het volgende overwogen:

“Mede uit de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan bewezenverklaring van feit 1 leidt het hof voorts af dat het niet anders kan zijn dan dat de door verdachte en medeverdachte gedane uitgaven mede werden gefinancierd met geld afkomstig uit de hennepteelt. Door dit geld deels in porties op een bankrekening te storten voor "reguliere" uitgaven, werd de werkelijke herkomst van dit geld verhuld.”

35. In het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1180 heeft de Hoge Raad aangenomen dat het storten van geldbedragen op de eigen bankrekening gelijk is te stellen met het voorhanden hebben, in die zin dat ook dan de kwalificatiebeslissing extra moet worden gemotiveerd als het gelden uit eigen misdrijf zijn. Het enkele storten van geldbedragen op een bankrekening is in dit verband onvoldoende om tot de kwalificatie van witwassen te komen.

36. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden opgemaakt dat er niet louter sprake was van het voorhanden hebben van geldbedragen, maar ook van het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Ik merk daarbij in de eerste plaats op dat in de bewezenverklaring in algemene zin wordt gesproken van “geldbedragen”. In dat verband valt te denken aan de periodieke stortingen op een rekening bij de Rabobank op naam van de verdachte van € 2.200,-, welk bedrag overeenkomt met het huurbedrag voor de kelder. Door middel van het storten van geldbedragen die – gelet op de (afwezigheid van) inkomsten uit arbeid – afkomstig moeten zijn geweest uit de handel van hennep, hebben de verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van het hof de criminele herkomst van het geldbedrag verhuld door de schijn te wekken dat het zou gaan om huuropbrengsten. Het oordeel van het hof dat het geheel van deze handelingen “witwassen” oplevert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

37. Het middel faalt.

38. Het eerste middel slaagt. Het tweede tot en met het vijfde middel falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging worden afgedaan.

39. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

40. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1367, NJ 2008/328.

2 Vgl. HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3201. In die zaak ging het om een bij de politie binnengekomen anonieme brief. Zie verder de conclusies van 21 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:387 (twee handgeschreven briefjes die bij de politie waren bezorgd) en 27 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1414 (anonieme melding bij de politie). De Hoge Raad deed beide zaken met toepassing van art. 81, eerste lid, RO af.

3 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2492, NJ 2011/293, m.nt. Buruma.

4 Vgl. HR 21 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4207 (verificatie GBA-gegevens en antecedentenonderzoek); HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0062 (uitwendige observatie woning door medewerkers energiebedrijf) HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3201 (uitwendige observatie woning en aanbellen door politie); HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0309 (door energiebedrijf verrichte stroommeting). Zie ook Buruma (onder 4) in zijn noot onder voornoemd NJ 2011/293.

5 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg van 20 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:844 (HR: 81RO).

6 Vgl. ook HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4260.

7 Vgl. HR 12 november 1996, ECLI:NL:HR:ZD0574, NJ 1997/190 en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972.

8 Zie ook mijn conclusie van 24 juni 2014, ECLI:PHR:2014:1680 (HR: 81 RO).

9 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314, m.nt. Buruma.

10 Vgl. HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090.

11 Zie HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:174.