Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1877

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-07-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
15/02947
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2756, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedure als bedoeld in art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De HR heeft in ECLI:NL:HR:2013:BX5566 geoordeeld dat en waarom een redelijke wetsuitleg meebrengt dat indien (i) de zaak is geëindigd in een sepot, of indien (ii) een beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet gegrond is verklaard dan wel (iii) een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr, het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a.2 Sv in geen van deze drie situaties is uitgesloten, zij het dat de rechter daartoe slechts kan besluiten indien en voor zover naar zijn oordeel, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman. De drie in dit arrest besliste gevallen kenmerken zich hierdoor dat weliswaar de desbetreffende strafzaak niet is geëindigd met een niet–veroordelende einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv, maar desalniettemin aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen. In dat type gevallen achtte de HR het redelijk de toepasselijkheid van art. 591a.2 Sv niet uit te sluiten. I.c. gaat het om een verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedure a.b.i. art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Dat bezwaarschrift is gegrond verklaard, maar de betrokkene is onherroepelijk veroordeeld ter zake van het feit in welk verband het DNA-onderzoek zou plaatsvinden. Het gaat hier derhalve niet om een type geval als hiervoor bedoeld. Voor inwilliging van het onderhavige verzoek zou alleen plaats kunnen zijn indien de strafzaak is geëindigd op de wijze als in art. 591a Sv vermeld, dus zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr. Opmerking verdient nog dat art. 591a.4 jo. art. 591.5 Sv voorziet in een afwijkende regeling met het oog op enkele bijzondere procedures. Die procedures, zoals die van art. 552a tot en met 552b Sv, kenmerken zich niet daardoor dat zij steeds zijn gekoppeld aan de strafzaak tegen de betrokkene waarin zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt vastgesteld. De onderhavige procedure is niet in die afwijkende regeling opgenomen. Dat de wetgever bij de aangekondigde herziening van het Wetboek van Strafvordering mogelijk de onderhavige regelgeving (ingrijpend) zal herzien, noopt bovendien tot terughoudendheid bij een verdergaande extensieve toepassing van de regeling dan n ECLI:NL:HR:2013:BX5566.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr: 15/02947 CW

Mr. Bleichrodt

Zitting: 7 juli 2015

Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake

[betrokkene]

Inleiding

1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 28 mei 2014. Het hof heeft de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, waarbij [betrokkene] niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot het toekennen van een vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand in het kader van een procedure op de voet van art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, bevestigd. Een gewaarmerkt afschrift van de beschikking en het procesdossier is bijgevoegd.

2. Tegen de beschikking van het hof staat ingevolge art. 445 Sv geen beroep in cassatie open.1 Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk.2

De onderhavige zaak

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Tegen de betrokkene is een strafzaak aanhangig geweest. Bij vonnis van 14 maart 2012 is zij door de Rechtbank Zwolle-Lelystad wegens verduistering veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. De betrokkene heeft een bezwaarschrift als bedoeld in art. 7 van de Wet DNA-onderzoek veroordeelden ingediend. Bij beschikking van 25 oktober 2012 is dit bezwaarschrift gegrond verklaard. Vervolgens heeft de betrokkene bij de Rechtbank Midden-Nederland een verzoekschrift ingediend met het oog op het verkrijgen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in het kader van de genoemde bezwaarschriftprocedure en het opstellen en indienen van het desbetreffende verzoekschrift. Namens de betrokkene is aangevoerd dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat het bepaalde in art. 591, vijfde lid, Sv naar analogie kan worden toegepast op een bezwaarschriftprocedure ex art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

4. Het hof heeft de betrokkene in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:

“Op grond van artikel 591a Sv kan aan een gewezen verdachte aan wie geen straf of maatregel is opgelegd en waarbij geen toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, een kostenvergoeding worden toegekend. In de onderhavige zaak betreffen het verzoek kosten van rechtsbijstand gemaakt in verband met het voeren van een bezwaarprocedure op grond van artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, welk bezwaarschrift gegrond is verklaard.

Vast staat dat er geen wettelijke regeling bestaat waar het onderhavige verzoek rechtstreeks op kan worden gebaseerd. De vraag rijst dan of een redelijke wetstoepassing kan inhouden dat artikel 591a Sv naar analogie van toepassing kan zijn op het onderhavige verzoek.

Naar het oordeel van het hof dient voornoemde vraag ontkennend te worden beantwoord. Niet gezegd kan worden dat de strafzaak is geëindigd zonder straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Nu noch artikel 591 Sv noch artikel 591a Sv een wettelijke grondslag biedt voor de vergoeding van kosten in het kader van een bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, is het hof van oordeel dat de rechtbank verzoekster terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek. Het hof zal daarom de beschikking van de rechtbank bevestigen.”

Redenen voor deze vordering

5. In de rechtspraak bestaat verdeeldheid over de vraag of de kosten die samenhangen met de procedure op grond van art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden voor vergoeding in aanmerking komen. Consensus bestaat dat een expliciete wettelijke grondslag voor een vergoeding van kosten die samenhangen met de genoemde bezwaarschriftprocedure ontbreekt. De desbetreffende bezwaarschriftprocedure wordt niet genoemd in de artikelen 591 en 591a Sv. Over de vraag of het wettelijk systeem ruimte biedt voor analoge toepassing van art. 591, vijfde lid, Sv lopen de opvattingen uiteen. De Rechtbank Limburg overweegt dat het ontbreken van een expliciete wettelijke grondslag erop lijkt te duiden dat er geen plaats is voor een vergoeding voor de kosten van een raadsman ex artikel 591a Sv bij een gegrondverklaring van een bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Volgens de rechtbank doet hieraan niet af dat de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 een ruime uitleg heeft gegeven aan artikel 591a Sv. De Hoge Raad houdt immers vast aan de voorwaarde dat de zaak dient te zijn geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr. In beschikkingen van de Gerechtshoven Arnhem-Leeuwarden3 en Amsterdam4wordt een vergelijkbare benadering gekozen. Daar tegenover staan beschikkingen van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaatsen Assen en Leeuwarden.5 In de beschikking van 24 april 2013 wordt uit het genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013 juist afgeleid dat de aard van de procedure en de fase waarin die zich bevinden aan toekenning van een vergoeding niet in de weg staan. In de beschikking van 21 maart 2013 merkt de rechtbank het bepaalde in art. 591 Sv aan als een zelfstandige vergoedingsregeling, in welk verband de uitkomst van de strafzaak niet van belang is. Die benadering opent de deur naar de mogelijkheid van een vergoeding van de kosten van de raadsman in het kader van de procedure op grond van art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

6. Bij het voorafgaande valt op dat in diverse beschikkingen wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, terwijl de conclusies die uit dat arrest worden getrokken tegenstrijdig zijn.6In de desbetreffende zaak heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of in de drie volgende situaties, indien daartoe gronden van billijkheid aanwezig zijn, een vergoeding voor de kosten van een raadsman op de voet van art. 591a Sv mogelijk is: (i) indien de zaak eindigt met een sepot; (ii) indien sprake is van een procedure als bedoeld in art. 12 Sv en vervolging achterwege blijft omdat het beklag geen doel treft; en (iii) indien sprake is van een procedure als bedoeld in art. 12 Sv, het hof de vervolging beveelt en de vervolging eindigt zonder veroordeling en rechterlijk pardon, terwijl het verzoek tot het toekennen van een vergoeding betrekking heeft op kosten van de raadsman die zijn gemaakt ten behoeve van de procedure op de voet van art. 12 Sv. De Hoge Raad oordeelde dat een redelijke uitleg van de wet meebrengt dat in geen van de drie genoemde situaties het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de raadsman op grond van art. 591a Sv is uitgesloten. Beslissend is of in het concrete geval voor toekenning van zodanige vergoeding gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dat oordeel is aan de rechter, die daarbij rekening dient te houden met alle omstandigheden van het geval. Daaraan voegde de Hoge Raad toe:
“Afgezien van de gevallen waarin de zaak eindigt in een veroordeling tot een straf of maatregel of in de toepassing van art. 9a Sr, en waarin aldus is komen vast te staan dat de gewezen verdachte de aandacht van de justitiële autoriteiten — en het maken van kosten voor een raadsman — aan zichzelf te wijten heeft, kan uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 591a Sv niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een dergelijke vergoeding te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure.”

7. In de toelichting op het middel dat zag op de onder (ii) genoemde situatie was opgemerkt dat de aard van de beklagprocedure op de voet van art. 12 Sv zodanig verschilt van een strafvervolging, dat daarin geen grond kan worden gevonden om van overheidswege een vergoeding toe te kennen. Daarbij komt dat deze beklagprocedure niet afzonderlijk wordt genoemd bij de in art. 591, vijfde lid, Sv genoemde procedures waarop de bepalingen die zien op de vergoeding van kosten – waaronder de kosten van rechtsbijstand (vgl. art. 591a, vierde lid, Sv) - van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat deze omstandigheden niet aan een vergoeding op grond van art. 591a Sv in de weg staan, zelfs als ten aanzien van de persoon wiens vervolging wordt verlangd nooit enig strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

8. De Hoge Raad heeft in het genoemde arrest ten aanzien van de in de vordering genoemde situaties nieuw licht op de reikwijdte van art. 591a Sv geworpen. Tegelijk heeft deze uitleg nieuwe vragen opgeroepen, hetgeen ook volgt uit de verschillende uitleg die aan het arrest in de hierboven vermelde beschikkingen wordt gegeven. In onderdeel 24 van de vordering kondigde de Procureur-Generaal aan, afhankelijk van het oordeel van de Hoge Raad, voornemens te zijn een aantal andere situaties aan de Hoge Raad voor te leggen waarover nog onduidelijkheid bestaat. In aansluiting op dit voornemen, vormt deze vordering onderdeel van een drietal samenhangende vorderingen waarin de vraag wordt voorgelegd of in de in de vorderingen bedoelde situaties, indien daartoe gronden van billijkheid aanwezig zijn, een vergoeding voor de kosten van een raadsman mogelijk is.7 De vordering moet ook tegen deze achtergrond worden bezien.

9. De vraag kan worden gesteld of bij het nader bepalen van de reikwijdte van de vergoedingsmogelijkheden het voortouw aan de wetgever moet worden gelaten. In 2007 werd een voorontwerp voor een 'Wet schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden’ gepubliceerd.8Vooralsnog heeft het voorontwerp geen vervolg gekregen. Wel zijn stappen gezet om een einde te maken aan de versnippering van verschillende, specifieke vergoedingsregelingen in het wetboek. Daartoe wordt in het wetsvoorstel herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen voorgesteld alle bestaande bepalingen betreffende vergoeding van kosten en schade door de Staat aan burgers bij elkaar te plaatsen. In dit voorstel wordt echter slechts voorzien in een hernummering en samenvoeging van de bepalingen die betrekking hebben op een vergoeding van kosten en worden, voor zover hier relevant, geen inhoudelijke wijzigingen voorgesteld.9In de Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering, die ter consultatie naar verschillende instanties is gezonden, kondigt de Minister van Veiligheid en Justitie een meer ingrijpende wijziging aan.10 Het voornemen bestaat een algemene, eenvormige regeling voor schadevergoeding in het wetboek op te nemen. Met het oog hierop wordt thans een “impactanalyse” uitgevoerd die ertoe strekt de gevolgen van verschillende scenario's in kaart te brengen. Zo zal worden onderzocht of het wenselijk is te komen tot één centraal schadevergoedingsloket voor de afhandeling van schadeclaims of dat de voorkeur uit dient te gaan naar decentrale afhandeling. Over de inhoud van een mogelijke eenvormige regeling biedt de Contourennota geen nadere informatie. Daardoor blijft in het ongewisse of ook in dit opzicht (substantiële) wijzigingen zijn te voorzien. In het eerder genoemde voorontwerp uit 2007 bleef het in de onderhavige zaak relevante art. 591, vijfde lid, Sv in stand.11 Nu concrete aanknopingspunten ontbreken dat de wetgever op korte termijn zal voorzien in een nieuw toetsingskader, bestaat behoefte aan een beantwoording door de Hoge Raad van de vraag of vergoeding in een geval als het onderhavige naar de huidige stand van het recht tot de mogelijkheden behoort. Voor de speelruimte die de rechter in dezen heeft, moet echter wel acht worden geslagen op de taakverdeling tussen de wetgever en de rechter. Daarop kom ik nog terug.

Het wettelijk kader

10. Art. 591a, tweede lid, Sv bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten van een raadsman en luidt als volgt:

“Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voorzover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.”

11. In art. 591a, vierde lid, Sv zijn de artikelen 90, 91 en 591, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Art. 90, eerste lid, Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De leden twee en vijf van art. 591 Sv luiden als volgt:

“2.

Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. De vaststelling geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, en wel door de rechter of raadsheer in de enkelvoudige kamer die de zaak heeft behandeld of, indien de behandeling van de zaak plaatsvond door een meervoudige kamer, door de voorzitter daarvan. De rechter of raadsheer geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.

(…)

5.

Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, op de behandeling van vorderingen als bedoeld in de artikelen 509j en 509o of het beroep als bedoeld in artikel 509v en op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b.”

12. Art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden voorziet in de mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel in de zin van deze wet. Het eerste lid van art. 7 luidt:

“De veroordeelde kan tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, binnen veertien dagen na de dag waarop zijn celmateriaal is afgenomen onderscheidenlijk de dag waarop de mededeling, bedoeld in artikel 6, derde lid, is betekend, een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, dan wel de rechtbank in het arrondissement waar tegen de strafbeschikking verzet had kunnen worden gedaan. De zesde afdeling van Titel I van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.”

Toelichting

13. De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bevat geen bepaling waarin een voorziening is getroffen voor de vergoeding van kosten die samenhangen met het opstellen en indienen van een bezwaarschrift als bedoeld in art. 7 van de wet. De bepalingen van art. 591 en 591a Sv zijn in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden niet van overeenkomstige toepassing verklaard. De desbetreffende bezwaarschriftprocedure wordt evenmin genoemd in art. 591, vijfde lid, Sv. Dat betekent dat een specifieke wettelijke grondslag voor de vergoeding van kosten als bedoeld in het verzoekschrift ontbreekt. Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zijn geen aanknopingspunten te ontlenen voor de beantwoording van de vraag of de wetgever de mogelijkheid van een vergoeding van kosten in geval van een gegrond verklaard bezwaarschrift heeft willen uitsluiten dan wel dat sprake is geweest van een omissie. Daarmee moet voor de beantwoording van de voorliggende vraag worden teruggegrepen op de algemene regeling van de artikelen 591 en 591a Sv.

14. Art. 591a, tweede lid, Sv biedt een voorziening voor de vergoeding van kosten van een raadsman. Daaronder vallen de kosten van de raadsman gedurende het gehele strafproces, met inbegrip van de voorlopige hechtenis.12Aan de toekenning van een vergoeding is de voorwaarde verbonden dat de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr. Dat kan ook een andere wijze van beëindiging zijn dan door middel van een einduitspraak in de zin van art. 138 Sv.13Het DNA-onderzoek bij veroordeelden is slechts toepasbaar in geval de strafzaak tegen de gewezen verdachte juist wel is geëindigd met de oplegging van een straf of maatregel.14 Ook in de onderhavige zaak is in de strafzaak een veroordeling gevolgd. Voor zover de bezwaarschriftprocedure ex art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden al zou worden gezien als een sequeel van de strafzaak, zal in de regel een rechtstreeks beroep op het bepaalde in art. 591a, tweede lid, Sv reeds stranden op het feit dat de strafzaak tegen de betrokkene in een veroordeling is geëindigd.

15. Daarmee is echter niet alles gezegd. Art. 591a, vierde lid, Sv verklaart onder meer het bepaalde in art. 591, vijfde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat de bepalingen ten aanzien van de vergoeding van kosten tevens van toepassing zijn op een aantal met name genoemde procedures. Daarbij gaat het om rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, de behandeling van vorderingen als bedoeld in de artikelen 509j en 509o Sv en het beroep als bedoeld in art. 509v Sv (in verband met de (tenuitvoerlegging van de ) maatregel van terbeschikkingstelling) en om de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b Sv (in verband met onder meer inbeslagneming, een strafbeschikking of een schikking als bedoeld in art. 511c Sv, verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer). Uit de opsomming van de procedures die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, wordt duidelijk dat de afloop van de strafzaak in dit kader, anders dan in art. 591a, tweede lid, Sv, geen voorwaarde is voor de toekenning van een vergoeding.15 De desbetreffende procedures hebben immers veelal betrekking op personen die reeds zijn veroordeeld, terwijl het bij de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b ook kan gaan om belanghebbenden tegen wie geen strafzaak aanhangig is (geweest). De in art. 591a, tweede lid, Sv neergelegde voorwaarde dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, moet in die gevallen worden bezien in het licht van de voor de verzoeker gunstige afloop van de desbetreffende procedure, bijvoorbeeld het gegrond verklaren van het klaagschrift.16 In zoverre wordt de regeling van art. 591, vijfde lid, Sv wel als een zelfstandige regeling gezien die los staat van de vergoedingsregeling die rechtstreeks is gerelateerd aan de strafzaak als zodanig.17 Het meest duidelijk volgt dat uit het feit dat de vergoedingsregeling ook van overeenkomstige toepassing is verklaard op de procedure van art. 552ab Sv, die voor de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde zelfs niet open staat. Ook uit de wetsgeschiedenis volgt dat de vergoedingsregelingen van de artikelen 591en 591a Sv met elkaar samenhangen, maar wel hun eigen toetsingskader kennen. De wetgever zag de regeling van art. 591a Sv als het verlengstuk van de vergoedingsregeling van art. 591 Sv, die echter wel met een grotere reserve zou moeten worden toegepast dan art. 591 Sv.18

16. Vervolgens rijst de vraag of de opsomming van de procedures in art. 591, vijfde lid, Sv als limitatief moet worden aangemerkt. Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, zal de vraag aan de orde moeten komen of analoge toepassing op een procedure als de onderhavige, waarin de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld, zich verdraagt met het wettelijk systeem. In de rechtspraak bestaat ten aanzien van het al dan niet limitatieve karakter van de opsomming van procedures in art. 591, vijfde lid, Sv verdeeldheid. In de eerder genoemde beschikkingen van de Rechtbank Noord-Nederland is toepassing naar analogie mogelijk geacht. De rechtbank baseert haar oordeel op “een redelijke wetstoepassing”. Het Hof Leeuwarden gaat er daarentegen van uit dat de opsomming in art. 591, vijfde lid, Sv een limitatieve is.19 Niet duidelijk wordt waarop het hof zijn conclusie ten aanzien van het limitatieve karakter van de opsomming baseert.

17. In de literatuur lijkt overeenstemming te bestaan dat art. 591, vijfde lid, Sv zich ook uitstrekt tot de cassatieprocedure als bedoeld in artikel 552d, tweede lid, Sv, al wordt deze bepaling niet uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard. 20 Nu de desbetreffende cassatieprocedure onderdeel vormt van dan wel voortbouwt op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b Sv, die als zodanig wel in art. 591, vijfde lid, Sv worden genoemd, is het de vraag of in dit verband van analogie kan worden gesproken. Het van overeenkomstige toepassing verklaren van art. 591 Sv op procedures die niet in het vijfde lid worden genoemd, is een verderstrekkende ingreep in het wettelijk systeem. Uit de omstandigheid dat de wetgever ervoor heeft gekozen art. 591, vijfde lid, Sv op bepaalde procedures van toepassing te verklaren, kan worden afgeleid dat deze bepaling voor andere procedures niet geldt. Een dergelijke benadering sluit aan bij ons stelsel van strafvordering, waarin veel schakelbepalingen voorkomen. In een andere opvatting zou de betekenis van de verwijzing naar specifieke procedures in art. 591, vijfde lid, Sv in vergaande mate worden gerelativeerd. De wetssystematiek duidt er aldus op dat sprake is van een limitatieve opsomming.

18. Daarbij realiseer ik mij dat de opsomming van procedures in art. 591, vijfde lid, Sv een weinig systematisch beeld biedt. In de Kamerstukken wordt bovendien geen of nauwelijks aandacht besteed aan de toevoeging van procedures aan de opsomming van art. 591, vijfde lid, Sv. Hooguit wordt opgemerkt dat de toevoeging redelijk voorkomt.21Waarom de toevoeging in andere gevallen, zoals in geval van een procedure op de voet van art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, niet redelijk zou zijn, wordt niet duidelijk. De omstandigheid dat de opsomming weinig systematisch oogt, betekent echter ook dat bezwaarlijk kan worden betoogd dat de wetgever bij het bepalen van de reikwijdte van het vijfde lid kennelijk een vergissing heeft begaan. Voor verbeterde lezing lijkt onder die omstandigheden geen plaats.22 In het licht van de taakverdeling tussen de wetgever en de rechter in ons rechtsbestel, ligt het niet in de rede dat de rechter in dit verband ingrijpt in de door de wetgever bepaalde selectie van procedures waarop de artikelen 591 en 591a Sv overeenkomstige toepassing vinden. Het in dit opzicht doorbreken van de wetssystematiek zou nieuwe vragen van afgrenzing oproepen. Daarbij zijn verschillende keuzes denkbaar, die bovendien consequenties van budgettaire aard hebben. Er is dan ook veel voor te zeggen die keuze aan de wetgever te laten.23

19. De vraag rijst of het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013 in het voorafgaande wijziging brengt. In dat arrest heeft de Hoge Raad immers ruimte gezien de beklagprocedure ex art. 12 Sv, ook als (verder) geen strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, onder het bereik van art. 591a Sv te brengen. Daartoe wees de Hoge Raad erop dat de wetgever geen nadere en daarmee tot nadere clausulering van art. 591a Sv nopende regeling in het leven heeft geroepen en dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 591a Sv niet kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van de raadsman te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van de raadsman in de strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die strafzaak rechtstreeks samenhangende procedure. Daaruit volgt dat naar het oordeel van de Hoge Raad ook de kosten van een raadsman die zijn gemaakt ten behoeve van een raadkamerprocedure voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, ook al wordt in art. 591, vijfde lid, Sv niet naar deze procedure verwezen. Ook de procedure ex art. 12 Sv is aan te merken als een eigenstandige procedure, die zelfs niet door het openbaar ministerie, maar door een rechtstreeks belanghebbende aanhangig wordt gemaakt. Juist het ontbreken van een vermelding in art. 591, vijfde lid, Sv van de procedure ex art. 12 Sv was voordien voor verschillende hoven en rechtbanken reden aan te nemen dat een vergoeding van kosten van de raadsman die zijn gemaakt ten behoeve van die procedure niet mogelijk was.24Uit de benadering van de Hoge Raad zou kunnen worden afgeleid dat een redelijke wetstoepassing niet noopt tot een strikte opvatting van het bereik van de wet en dat uiteindelijk beslissend is of voor toekenning van een vergoeding gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het voorafgaande laat echter onverlet dat de overwegingen van de Hoge Raad in het genoemde arrest zijn toegesneden op het bepaalde in art. 591a, tweede lid, Sv en niet in de sleutel zijn gezet van het al dan niet limitatieve karakter van de opsomming van procedures in art. 591, vijfde lid, Sv in verbinding met art. 591a, vierde lid, Sv. De Hoge Raad heeft daarbij nadrukkelijk verwezen naar de wettelijke voorwaarde dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel dan wel met toepassing van art. 9a Sr. In het andere geval heeft de verdachte in de visie van de wetgever “de aandacht van de justitiële autoriteiten - en het maken van kosten voor een raadsman - aan zichzelf te wijten”.25 In de toepasselijkheid van die voorwaarde brengt het arrest geen verandering. Aan die voorwaarde was wel voldaan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van 19 februari 2013, maar niet in de onderhavige zaak. In een situatie waarin art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden niet in art. 591, vijfde lid, Sv wordt genoemd, kan niet worden aangenomen dat de enkele gunstige afloop van de bezwaarschriftprocedure voor de in de strafzaak veroordeelde betekent dat daarmee “de zaak” is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of met toepassing van art. 9a Sr.

20. Uit het voorafgaande volgt dat bij de beantwoording van de voorliggende rechtsvraag verschillende benaderingen mogelijk zijn. Gelet op de verwantschap tussen de onderhavige raadkamerprocedure en de wel in art. 591, vijfde lid, Sv genoemde procedures, in het licht van de ruime uitleg die de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013 aan de wettelijke regeling heeft gegeven en bij het ontbreken van een aanknopingspunt dat de wetgever niet van overeenkomstige toepassing heeft willen weten, zou kunnen worden betoogd dat niet kan worden uitgesloten dat de rechter een vergoeding toekent in een geval als het onderhavige, waarin de rechter het bezwaarschrift op de voet van art. 7 van de wet DNA-onderzoek bij veroordeelden gegrond heeft verklaard. De zaak eindigt in die visie in een geval als het onderhavige met de beslissing op het ingediende bezwaarschrift.26 Ik meen echter dat het oordeel van het hof in de onderhavige zaak over de reikwijdte van de vergoedingsregeling betere papieren heeft. Daarbij moet voorop worden gesteld dat de wetgever als voorwaarde voor het vergoeden van kosten van de raadsman heeft opgenomen dat de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met toepassing van art. 9a Sr. Aan die voorwaarde is in de rechtspraak van de Hoge Raad niet getornd. Noch in art. 591, vijfde lid, Sv noch in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is een voorziening opgenomen voor een vergoeding van kosten voor het geval een bezwaarschift als bedoeld in art. 7 van die wet gegrond wordt verklaard. Uit een oogpunt van wetssystematiek ligt de benadering van het hof dan ook in de rede. Nu er geen concrete aanknopingspunten bestaan voor de veronderstelling dat sprake is van een kennelijke vergissing van de wetgever, ligt het op de weg van de wetgever te besluiten of alsnog een zelfstandige vergoedingsmogelijkheid in het leven moet worden geroepen. Tegen die achtergrond meen ik dat het oordeel van het hof dat de verzoekster niet kan worden ontvangen in haar verzoek om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in het kader van de bezwaarschriftprocedure ex art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en van het opstellen en indienen van het desbetreffende verzoekschrift op de grond dat noch art. 591 noch art. 591a Sv daarvoor een wettelijke grondslag biedt, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

21. Teneinde een antwoord van de Hoge Raad te verkrijgen op de voorliggende rechtsvraag, stel ik in het belang der wet het volgende middel van cassatie voor:
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen doordat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzoekster niet kan worden ontvangen in haar verzoek om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in het kader van de bezwaarschriftprocedure ex art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en van het opstellen en indienen van het desbetreffende verzoekschrift op de grond dat noch art. 591 noch art. 591a Sv daarvoor een wettelijke grondslag biedt.

22. Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 28 mei 2014 in het belang der wet zal vernietigen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 10 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC1625, NJ 1979/156.

2 Art. 78, eerste lid, RO in verbinding met art. 456, eerste lid, Sv.

3 Zie naast de bestreden beschikking: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, 9 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6937. In deze lijn ook: Rechtbank Noord-Holland 17 april 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:8434.

4 Gerechtshof Amsterdam 7 mei 2014 (ongepubliceerd) en 30 december 2014 (ongepubliceerd).

5 Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen 21 maart 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ5018 en Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, 24 april 2013, NbStraf 2013/251.

6 HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566, NJ 2013/402, m.nt. Borgers.

7 Zie voor de andere vorderingen de zaken met nummers 15/02731 CW en 15/02947 CW.

8 Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VI, nr. 2, p. 201; Kamerstukken II 2007/2008, 31 200 VI, nr. 91, p. 5.

9 Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 2.

10 Vgl. de nota Contouren modernisering Wetboek Van Strafvordering, p. 85. De nota is te raadplegen via www.rijksoverheid.nl.

11 Wel werd een aanvulling van art. 591, vijfde lid, Sv voorgesteld en werd een wijziging van het in dezen voorts relevante art. 591, vierde lid, Sv in het vooruitzicht gesteld.

12 HR 24 mei 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB5805, NJ 1966/443, m.nt. Van Berckel.

13 HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566, NJ 2013/402, m.nt. Borgers, rov. 4.4.

14 Onder ‘veroordeelde’ wordt immers ingevolge art. 1, aanhef en onder c, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden verstaan: “een persoon die al dan niet onherroepelijk is veroordeeld tot een straf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht, een straf als bedoeld in artikel 77h, eerste lid, onder a, van dat wetboek, voorzover het de jeugddetentie of taakstraf betreft, of een straf als bedoeld in artikel 6, onder a, van het Wetboek van Militair Strafrecht dan wel tot een maatregel als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht .

15 Zie ook A.M. van Woensel, in: Handboek strafzaken, 82.5.6 (bijgewerkt tot 28 februari 2006).

16 Vgl. HR 3 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG2191, NJ 2009/99.

17 Zie ook B. d’Hooghe, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 21 bij art. 591.

18 TK 1961-1962, 6647, nr. 3, p. 9.

19 Gerechtshof Leeuwarden 28 april 2004, ECLI:NL:GHL:AO8582. Vgl. ten aanzien van gemaakte kosten in verband met de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen: Gerechtshof Leeuwarden 17 november 2010, ECLI:NL:GHL:2010:4804. Zie ook, zij het slechts onder verwijzing naar deze uitspraken, T. van der Goot, in: SDU commentaar Strafvordering, art. 591a, onder B.

20 Vgl. P.C. Vegter, in Handboek Strafzaken, 55.4.3.f, B. d’ Hooghe in Melai/Groenhuijsen, art. 591, aant. 23.4 en C.M. Pelser, in: T&C Sv, aant. 9 bij art. 591.

21 Vgl. Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen 1934-1935, 362.3, p. 77.

22 Anders dan in HR 31 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998: ZD1740, NJ 1998/779, waarin de Hoge Raad aannam dat bij vergissing in art. 116, derde lid, Sv is opgenomen de passage 'de in dat lid genoemde beslissingen' in plaats van 'de in dat lid onder a en b genoemde beslissingen'.

23 Zie in dit verband ook HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1502, rov. 4.3.

24 Zie de onder 5 van deze conclusie genoemde uitspraken van de Rechtbank Limburg, het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het Gerechtshof Amsterdam.

25 HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566, NJ 2013/402, m.nt. Borgers, rov. 4.3 en 4.4, onder verwijzing naar Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3.

26 Zie ten aanzien van art. 552a Sv: HR 3 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG2191, NJ 2009/99, rov. 3.4.