Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1825

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
14/05471
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2786, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv en ex 94a Sv. Het verschil in doelstelling tussen deze beslagen brengt mee dat de omstandigheid dat bij niet-onherroepelijke beschikking van de Rechtbank de teruggave is gelast van een voorwerp dat ex art. 94 Sv in beslag is genomen, niet eraan in de weg staat dat de OvJ met machtiging van de RC de handhaving van het beslag op dat voorwerp ex art. 94a Sv bewerkstelligt. Daaruit volgt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de OvJ i.s.m. de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft gehandeld. De HR doet de zaak zelf af en verklaart het klaagschrift ongegrond; uit de overwegingen van de Rechtbank volgt dat zij heeft vastgesteld dat aan de vereisten voor een conservatoir beslag a.b.i. art. 94a.1 Sv is voldaan en dat zij heeft geoordeeld dat de handhaving van het beslag ex art. 94a Sv gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/140 met annotatie van mr. M.W. Josephus Jitta
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05471

Mr. Harteveld

Zitting 16 juni 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 22 oktober 2014 het beklag van klager ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de teruggave aan klager gelast van een onder hem inbeslaggenomen personenauto, merk Audi, type A3, met kenteken [AA-00-AA].

2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. A.M. Hermelink, cassatieberoep ingesteld.

3. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, mr. M.E. de Meijer, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank op onjuiste gronden heeft beslist tot gegrondverklaring van het beklag, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

4.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

5. De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Maatstaf

Het beklag richt zich tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a Sv. De rechtbank dient te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen en of bij het indienen van een klaagschrift door een derde zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de indiener als rechthebbende moet worden aangemerkt.

Feiten en omstandigheden

Op 22 juli 2014 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde personenauto.

Overwegingen

In het onderhavige geval is sprake van strafvorderlijk beslag en heeft het Openbaar Ministerie met machtiging van de rechter-commissaris het beslag omgezet naar conservatoir beslag. Dat is gedaan nadat de rechtbank op 1 oktober 2014 het bezwaarschrift van klager tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de op grond van artikel 94 Sv inbeslaggenomen auto gegrond verklaard had en de teruggave van de auto aan klager had gelast. Door de officier van justitie is geen cassatie ingesteld tegen die beslissing van de rechtbank. Evenmin is uitvoering gegeven aan de last van de rechtbank tot teruggave van de auto.

Artikel 94a Sv bepaalt, voor zover van belang, dat in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen in beslag genomen kunnen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete (eerste lid) dan wel een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (tweede lid).

Klager wordt verdacht van overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet. Handelen in strijd met een in art. 3 onder B, C of D gegeven verbod is een misdrijf waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van maximaal twee jaar of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd volgens artikel 11 lid 2 van de Opiumwet. Een geldboete van de vijfde categorie kan volgens artikel 11 lid 5 Opiumwet worden opgelegd indien het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid. Onder grote hoeveelheid moet volgens art. 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit worden verstaan 200 of meer hennepplanten. Eveneens kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd indien sprake is van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan in de onderhavige zaak sprake is en heeft daartoe verwezen naar het proces-verbaal. De rechtbank heeft eerst op 21 oktober 2014 de beschikking gekregen over dat proces-verbaal. Daaruit blijkt dat sprake was van 160 aangetroffen planten en van een verdenking van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf exploiteren van een hennepkwekerij. De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een grote hoeveelheid als bedoeld in art. 11 lid 5 Opiumwet zodat oplegging van een geldboete van de vijfde categorie op die grond niet aan de orde is. Wel kan uit het dossier een verdenking worden afgeleid voor het in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet, strafbaar gesteld in artikel 11 lid 3 Opiumwet. Dit impliceert dat de gedane omzetting van het beslag naar conservatoir beslag op die grond op zichzelf gerechtvaardigd is.

Nu die omzetting evenwel heeft plaatsgevonden nadat door de rechtbank op 1 oktober 2014 al een beschikking tot gegrondverklaring van een eerder op 5 augustus 2014 ingediend bezwaarschrift tegen het uitblijven van een last tot teruggave van diezelfde auto was gegeven, is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie gehandeld heeft in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde. Het is immers van tweeën een: ofwel de officier van justitie gaat in cassatie tegen de beschikking van de rechtbank en behoudt zich dus alle rechten voor, inbegrepen het recht om het beslag om te zetten naar conservatoir beslag, ofwel de officier van justitie volgt de beschikking van de rechtbank op en geeft de auto terug aan de beslagene.

In de onderhavige zaak heeft het Openbaar Ministerie beide niet gedaan: geen cassatieberoep ingesteld en evenmin de auto teruggegeven aan klager. In plaats daarvan is het beslag omgezet naar conservatoir beslag. Door aldus te handelen heeft het Openbaar Ministerie beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden en zijn de belangen van klager geschaad.

De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat pas op 21 oktober 2014 het dossier inzake de verdenking van verdachte van overtreding van de Opiumwet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, aan de rechtbank ter beschikking is gesteld nadat door de rechtbank aan het Openbaar Ministerie al in een vroeg stadium - ai vóór de behandeling van het eerste bezwaarschrift op 1 oktober 2014 en daarna nog weer met het oog op de behandeling van het tweede bezwaarschrift op 22 oktober 2014 - om nadere stukken was verzocht. Tot dan toe kon slechts beschikt worden over een uiterst summier dossier met daarin een verklaring van verdachte van 22 juli 2014 en een kennisgeving van inbeslagneming.

Conclusie

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bezwaarschrift gegrond verklaard moet worden en dat de auto teruggegeven moet worden aan klager.”

4.3. Een in eerste instantie op grond van art. 94 Sv gelegd beslag kan slechts krachtens een door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie verleende schriftelijke machtiging als bedoeld in art. 103, eerste lid, Sv worden ‘omgezet’ in een conservatoir beslag ex art. 94a Sv.1

4.4.Het beslag op grond van art. 94a Sv heeft een ander karakter dan het beslag op grond van art. 94 Sv. Dit verschil in doelstelling brengt mee dat de enkele omstandigheid dat een op art. 94 Sv gebaseerd beslag is beëindigd en teruggave van het voorwerp is gelast, er niet aan in de weg staat dat in een later stadium dat voorwerp op grond van art. 94a Sv wordt inbeslaggenomen. Niet valt in te zien dat onder omstandigheden niet alsnog, doch dan met het oog op de bewaring van het recht op verhaal, beslag zou kunnen worden gelegd op een voorwerp dat eerder na inbeslagneming is teruggegeven omdat de belangen genoemd in art. 94 Sv voortzetting van dat beslag niet vorderden.2

4.5. Op 24 september 2014 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris machtiging verleent tot handhaving van het reeds gelegde beslag ex art. 94 Sv als conservatoir beslag ex art. 94a Sv. Op 3 oktober 2014 heeft de rechter-commissaris een schriftelijke machtiging als bedoeld in art. 103, eerste lid, Sv verleend voor het handhaven van het reeds gelegde beslag als conservatoir beslag. Met ingang van 3 oktober 2014 heeft de officier van justitie conservatoir beslag gelegd op de bewuste personenauto.

4.6. De beschikking van 1 oktober 2014, waarbij de Rechtbank het bezwaarschrift van klager tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de op grond van artikel 94 Sv inbeslaggenomen auto heeft gegrond verklaard en de teruggave van de auto aan klager heeft gelast, was op 3 oktober 2014 nog niet onherroepelijk geworden en aan de daarbij gegeven last tot teruggave van de inbeslaggenomen auto was geen gevolg gegeven.

4.7. Blijkens haar overwegingen is voor het oordeel van de Rechtbank dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde doorslaggevend geweest dat de officier van justitie tegen de beschikking van 1 oktober 2014 geen cassatie heeft ingesteld. Zoals de Rechtbank heeft overwogen: “ofwel de officier van justitie gaat in cassatie tegen de beschikking van de Rechtbank en behoudt zich dus alle rechten voor, inbegrepen het recht om het beslag om te zetten naar conservatoir beslag, ofwel de officier van justitie volgt de beschikking van de Rechtbank op en geeft de auto terug aan de beslagene.”

4.8. Dat de officier de mogelijkheid van conservatoir beslag zou ‘verspelen’ door geen cassatie in te stellen tegen de beschikking van 1 oktober 2014, zoals de Rechtbank voorstaat, vindt mijns inziens geen steun in het recht. Zou het Openbaar Ministerie het onherroepelijk worden van de beschikking van 1 oktober 2014 hebben afgewacht en de auto vervolgens hebben teruggegeven, dan had op die auto in een later stadium immers alsnog op grond van art. 94a Sv beslag kunnen worden gelegd (zie 4.4).

Bovendien valt niet in te zien waarom het leggen van conservatoir beslag voordat de beschikking waarbij de Rechtbank de teruggave van de auto heeft gelast onherroepelijk was geworden en voordat de auto was teruggegeven in strijd zou zijn met beginselen van een behoorlijke procesorde, waar conservatoir beslag ook ná het onherroepelijk worden van die beschikking en ná teruggave van de auto mogelijk zou zijn geweest.

Dat juist het in een eerder stadium, terwijl de beschikking waarbij de Rechtbank de teruggave van de auto heeft gelast nog niet onherroepelijk was en de auto nog in de macht van het Openbaar Ministerie was, leggen van conservatoir beslag op de auto strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde zou opleveren is naar mijn oordeel niet begrijpelijk.

4.9.Gelet op het vorenstaande is het oordeel van de Rechtbank niet begrijpelijk. Voor zover het middel hierover klaagt is het mijns inziens terecht voorgesteld.

4.10. Overigens ben ik met de steller van het middel van mening dat ook de overweging van de Rechtbank dat zij bij haar oordeel mede in aanmerking heeft genomen dat het Openbaar Ministerie het dossier pas in een laat stadium aan de Rechtbank ter beschikking heeft gesteld zonder nadere motivering, die ontbreekt,niet goed valt te begrijpen.

4.11. Het middel slaagt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0866, NJ 1998/228.

2 Vgl. HR 19 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0580, NJ 1997/385.