Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1824

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
14/05425
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2785, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, conservatoir beslag. Art. 94a Sv. Gegronde klacht over toepassing van onjuiste maatstaf bij beoordeling van beklag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05425 B

Mr. Harteveld

Zitting 16 juni 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 9 september 2014 het namens de klager ingediende beklag ex art. 552a Sv gegrond verklaard en daarbij de teruggave aan de klager gelast van een geldbedrag van € 3.535,80 en het conservatoir beslag op de rekeningen van de klager bij de ABN AMRO bank opgeheven.

2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. B. Köke, cassatieberoep ingesteld.

3. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg, mr. M. van der Horst, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4.1. Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank bij haar beslissing een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

4.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

De beoordeling

(…)

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. In het dossier bevinden zich aanwijzingen die niet uitsluiten dat de belanghebbende enige betrokkenheid bij de hennepplantage heeft gehad zoals CIE-informatie, ontluchtingsgaten op zijn erf waar warme lucht uitkomt, het aantreffen van een hennepblaadje in zijn auto; in zijn nachtkastje een tang om een loodje van de elektrameter door te knippen en een loodje en in de loods achter zijn huis (waar hij maandelijks komt om zijn auto op te starten) en assimilatielampen. Verder heeft de politie gerelateerd dat de koolstoffilters en slakkenhuizen dermate groot zijn dat deze nooit door de ronding die nu toegang tot de hennepplantage geeft naar binnen kunnen zijn gebracht en was zichtbaar dat in het verleden de vloer uit de aan de belanghebbende in eigendom toebehorende en aan [betrokkene 1] verhuurde loods was gehaald. Nu de uitkomsten van het DNA onderzoek van in de hennepkwekerij in beslag genomen sporendragers nog niet bekend is, kan in dit stadium van het onderzoek worden gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat uiteindelijk een veroordeling in deze zaak zal worden uitgesproken. In de stukken, zoals door het OM aan de rechtbank ter beschikking gesteld, ontbreekt iedere informatie over indicatoren voor meerdere oogsten. CIE-informatie alleen is hiervoor niet voldoende. Mogelijk heeft de rechtbank niet de beschikking over het volledige dossier, maar nu de zaak hiervoor al een keer is aangehouden, lijkt tijdnood - het beslag is al maanden geleden gelegd - geen reden te kunnen zijn om het dossier niet te verstrekken terwijl de vraag om het dossier bij de stukken te voegen evenmin als een totaal onverwacht verzoek kan worden beschouwd nu het onderliggende klaagschrift al meer dan twee maanden geleden is ingediend. Om deze reden zal de rechtbank niet wederom tot aanhouding overgaan.

Ook is het hoogst onwaarschijnlijk dat een veroordeling voor witwassen zal worden uitgesproken omdat klager een uitkering van de verzekeringsmaatschappij heeft ontvangen van € 625.580,00.

Het beklag van de belanghebbende zal daarom gegrond worden verklaard en een daarmee overeenkomende last tot teruggave zal worden gegeven. Tevens zal het conservatoir beslag op de rekeningen van de belanghebbende bij de ABN AMRO Bank worden opgeheven.

DE BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het klaagschrift gegrond;

- gelast de teruggave van een geldbedrag van € 3.535,80 aan de belanghebbende;

- heft op het conservatoir beslag op de rekeningen van de belanghebbende bij de ABN AMRO Bank.”

4.3.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking niet expliciet vastgesteld welke wettelijke bepaling de grondslag vormde voor het beslag. Uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid dat het beslag op het geldbedrag van € 3.535,80 is gelegd op grond van art. 94 Sv1 en dat op alle banktegoeden van de klager bij de ABN AMRO bank conservatoir beslag rustte ex art. 94a Sv.2 In feitelijke aanleg was dit voor alle partijen duidelijk, althans dit punt is niet weersproken. In cassatie moet van een en ander worden uitgegaan.

4.4.

Vervolgens moet worden onderzocht of de Rechtbank de toetsingsmaatstaven heeft aangelegd die dienen te worden gehanteerd bij de beoordeling van beklag tegen beslag op de voet van art. 94 (i.c. het geldbedrag) en art. 94a Sv (i.c. de banktegoeden).

Bij inbeslagneming op basis van art. 94 Sv dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.3

Bij inbeslagneming met toepassing van artikel 94a Sv (conservatoir beslag) dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager als verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.4

4.5.

Uit de hiervoor onder 4.2 weergegeven overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij de hiervoor uiteengezette maatstaven heeft aangelegd. Door te oordelen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat uiteindelijk een veroordeling in deze zaak zal worden uitgesproken, alsmede dat het ook hoogst onwaarschijnlijk is dat een veroordeling voor witwassen zal worden uitgesproken, heeft de Rechtbank ten aanzien van beide beslaggronden (art. 94 en 94a Sv) een andere dan de toepasselijke - en dus onjuiste - maatstaf aangelegd. De bestreden beschikking is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Ten overvloede wil ik nog opmerken dat, zoals door de steller van het middel ook terecht is opgeworpen, de Rechtbank in haar overwegingen voorbij is gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure door ten gronde getreden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak en ontnemingszaak tegen de klager.5

4.6.

Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het. De overige in het middel vervatte klachten behoeven geen bespreking meer.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie o.m. de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 26 februari 2014, ondertekend door HOvJ Hillen (registratienummer PL2441-2014021579-13) en de ingediende cassatieschriftuur.

2 Zie o.m. het klaagschrift, het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer en de ingediende cassatieschriftuur.

3 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.9 en 2.11.

4 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.14.

5 Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.2.