Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1804

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
14/02834
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2773, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ne bis in idem. Rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr?. Art. 8 en art. 107 WVW 1994 verschillen in zoverre van strekking dat art. 8 WVW 1994 strekt tot bescherming van de verkeersveiligheid, terwijl in art. 107 WVW 1994 het rechtsgoed van de bescherming van het openbaar gezag vooropstaat. Daarnaast geldt dat de gedragingen waarop deze bepalingen zien, in belangrijke mate van elkaar verschillen. Naar de kern bezien gaat het in art. 8 WVW 1994 om het rijden onder invloed van de daar genoemde stoffen, en in art. 107 WVW 1994 om het rijden zonder rijbewijs. Gelet op e.e.a. heeft ’s Hofs oordeel dat het OM ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, omdat geen sprake is ‘hetzelfde feit’ a.b.i. art. 68 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02834

Zitting: 16 juni 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 23 mei 2014 de verdachte ter zake van “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertien uren te vervangen door zeven dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte heeft mr. V.H. Hammerstein, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie doen instellen en heeft mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat twee afzonderlijke klachten. De eerste klacht houdt in dat de veroordeling in strijd is met het verbod op dubbele bestraffing (ne bis in idem). De tweede klacht houdt in dat de kantonrechter in zijn vonnis van 13 februari 2013 onvoldoende rekening heeft gehouden met het bepaalde in art. 63 Sr.

4. Over de tweede klacht kan ik kort zijn. Het cassatieberoep in de onderhavige zaak is gericht tegen het arrest van het hof van 23 mei 2014 en niet tegen het vonnis dat de kantonrechter op 13 februari 2013 in deze zaak heeft gewezen, zodat daarover niet met succes in cassatie kan worden geklaagd. Gelet op het bepaalde in art. 78, eerste lid, RO komt de tegen het vonnis van de kantonrechter gerichte klacht niet voor bespreking in aanmerking.

5. De klacht over schending van ‘ne bis in idem’ houdt verband met het gegeven dat de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld voor het op 29 oktober 2011 te Maarssen rijden zonder rijbewijs, terwijl hij bij vonnis van 2 juli 2012 van de politierechter in de rechtbank te Utrecht wegens het op diezelfde dag, te weten 29 oktober 2011, en eveneens te Maarssen rijden onder invloed is veroordeeld tot een geldboete en een rijontzegging.

6. Ter terechtzitting van het hof van 23 mei 2014 heeft de raadsman van de verdachte een beroep gedaan op het ‘ne bis in idem’-beginsel dat zou zijn geschonden doordat de verdachte op 2 juli 2012 is veroordeeld wegens het rijden onder invloed terwijl bij deze veroordeling “de politie[rechter? D.A.] de tenlastegelegde omstandigheid dat cliënt het motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs in zijn oordeel [heeft] betrokken.

7. In zijn arrest heeft het hof het verweer samengevat en verworpen, en daarbij het volgende overwogen:

“De raadsman voert aan dat er sprake is van een schending van het ne bis in idembeginsel. Het hof verwerpt dit verweer. De vervolging in 2012 betreft een alcoholfeit onder een bepaalde categorie. Dit is een ander feit dan het rijden zonder rijbewijs. Het betreft een ongelukkige gang van zaken dat de feiten door het Openbaar Ministerie uit elkaar zijn gehaald en afzonderlijk van elkaar zijn gedagvaard. Rijden zonder rijbewijs betreft een ander feit dan rijden onder invloed, ook indien een verdachte bij rijden onder invloed onder de categorie valt van rijden zonder rijbewijs zoals neergelegd in artikel 8 lid 4 Wegenverkeerswet 1994.”

8. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de verdachte in 2012 is veroordeeld voor een alcoholfeit “onder een bepaalde categorie” waarop art. 8, vierde lid, WVW 1994 betrekking heeft, zoals het hof in zijn arrest heeft vastgesteld. Zonder problemen is deze overweging niet nu de raadsman ter terechtzitting van het hof weinig informatie heeft aangedragen over het misdrijf waarvoor de verdachte in 2012 is veroordeeld. De betreffende tenlastelegging of het vonnis van de politierechter zijn niet overgelegd, voor zover dat kan blijken uit het proces-verbaal dat van de terechtzitting van het hof is opgemaakt.1 De raadsman van de verdachte heeft in zijn ter terechtzitting van het hof overgelegde pleitnotitie slechts aangevoerd dat het rijden zonder rijbewijs heeft plaatsgevonden “op dezelfde plaats en tijd”,2 waarmee kennelijk werd gedoeld op dezelfde plaats en tijd als waarop het rijden onder invloed heeft plaatsgevonden waarvoor de verdachte door de politierechter is veroordeeld.

9. Bij de toets in cassatie neem ik aan dat het hof de juistheid van deze feitelijke stelling over de tijd en de plaats van het misdrijf in het midden heeft gelaten en reeds op juridische gronden heeft geoordeeld dat het verbod van ‘ne bis in idem’ niet in de weg staat aan een veroordeling voor de overtreding.

10. Voor de juridische betekenis van de feiten waarvoor de verdachte door de politierechter is veroordeeld, zijn de volgende bepalingen van belang, zoals die op 29 oktober 2011 luidden:

Art. 8 lid 2, 3 en 4 WVW 1994

2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

3. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken, dan wel, indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn verstreken, en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed.

4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een motorrijtuig die zonder rijbewijs een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is.

Artikel 107 lid 1 WVW 1994

Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.

Artikel 176 lid 3 WVW 1994

Overtreding van de artikelen 7, eerste lid, 8, 9, eerste, tweede, vierde, vijfde en zevende lid, 41, eerste lid, onderdelen a en b, 51, eerste lid, 61, eerste lid, onderdeel c, 74, 114, 151j,162, derde lid, 163, tweede, zesde, achtste en negende lid, en van de in artikel 4, tweede en vijfde lid, bedoelde regels voor zover het betreft een verbod tot het gebruik van verlichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.

Artikel 177 lid 1 onder a WVW 1994

“Overtreding van: a. de artikelen 5, 9, achtste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 33, 36, eerste tot en met vijfde lid, 40, eerste lid , 60, eerste en tweede lid, 70a, tweede lid, 70i, eerste en tweede lid, 72, eerste en tweede lid, 107, eerste en tweede lid, 110, 110b, 123b, vierde lid, 124, vierde lid, 124a, derde lid, 130, tweede lid, 132, vijfde lid, 150, tweede lid, 151c, eerste lid, 160, 164, eerste lid, 165, eerste lid, 166, eerste lid, […]

wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.”

Artikel 178 WVW 1994

“1. De in de artikelen 175 en 176 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

2. De in artikel 177 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.”

11. Naar ik afleid uit het uittreksel uit de justitiële documentatie waarover het hof beschikte,3 is de verdachte door de politierechter uitsluitend veroordeeld wegens rijden onder invloed, terwijl het maximaal toegestane ademalcoholgehalte was gebaseerd op het feit dat de verdachte toen zonder rijbewijs reed (art. 8, vierde lid, WVW 1994, jo. Art. 8, derde lid, WVW 1994). Dat ademalcoholgehalte is lager dan het geval zou zijn geweest indien de verdachte wél over een rijbewijs had beschikt (i.c. 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht in plaats van 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht). De strengere eisen die gelden voor een bestuurder zonder rijbewijs zijn aangelegd omdat hij anders in een gunstiger positie zou verkeren dan een beginnend bestuurder waarvoor die strengere eisen al enige tijd golden.4

12. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de juridische aard van het misdrijf en de overtreding, alsook de gedraging van de verdachte identiek zijn. Bij beide delicten gaat het om de bescherming van de verkeersveiligheid, terwijl het de facto gaat om het besturen van een auto op 29 oktober 2011 te Maarssen, aldus de steller van het middel. Volgens mij denkt Uw Raad hierover anders.

13. In de zaak die ten grondslag ligt aan het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1734, NJ 2014/526, m.nt. J.M. Reijntjes was aan de verdachte op 20 januari 2011 een strafbeschikking uitgevaardigd ter zake van rijden onder invloed onder de omstandigheid als bedoeld in art. 8, vierde lid, WVW 1994, namelijk dat hij niet in het bezit was van een rijbewijs. De verdachte werd echter afzonderlijk gedagvaard ter zake van rijden terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard. Het ging in die zaak dus niet om het rijden zonder rijbewijs – waarop art. 107, eerste lid, WVW 1994 van toepassing is – maar om het rijden terwijl de bestuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard – waarop art. 9, tweede lid, WVW 1994 van toepassing is. Toch is het door de Hoge Raad aangebrachte onderscheid voor de onderhavige zaak van belang.

14. In zijn arrest overwoog de Hoge Raad dat het oordeel van het hof, dat sprake is van “hetzelfde feit” als bedoeld in art. 68 Sr,5 blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad wees daarbij op de verschillen in strekking van beide bepalingen en de gedragingen:

“Art. 8 en art. 9 WVW 1994 verschillen in zoverre van strekking dat art. 8 WVW 1994 strekt tot bescherming van de verkeersveiligheid, terwijl in art. 9 WVW 1994 het rechtsgoed van de bescherming van het openbaar gezag vooropstaat. Daarnaast geldt dat de gedragingen waarop deze bepalingen zien, in belangrijke mate van elkaar verschillen. Naar de kern bezien gaat het in art. 8 WVW 1994 om het rijden onder invloed van daar nader genoemde stoffen, en in art. 9 WVW 1994 om het desbewust rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.”6

15. Vertaald naar de onderhavige casus verschillen art. 8, vierde lid, en 107, eerste lid, WVW 1994 van strekking: art. 8, vierde lid, WVW 1994 strekt tot bescherming van de verkeersveiligheid terwijl in art. 107, eerste lid, WVW 1994 de bescherming van de rijbewijsplicht7 voorop staat en daarmee de bescherming van de autoriteit die met de verstrekking van rijbewijzen is belast. Hieraan doet niet af dat de WVW 1994 in zijn geheel strekt tot bescherming van de verkeersveiligheid, zoals in de schriftuur wordt opgemerkt. Ook het strafrechtelijke aspect van de gedragingen verschillen in belangrijke mate van elkaar: het rijden onder invloed van (in dit geval) alcohol ten opzichte van het rijden zonder rijbewijs.

16. Anders gezegd: wat de verdachte werd verweten in de zaak die leidde tot de veroordeling door de politierechter is dat hij onder invloed verkeerde, niet dat hij zonder rijbewijs reed toen hij onder invloed was.8 In de onderhavige zaak wordt de verdachte verweten dat hij zonder rijbewijs reed. Van “hetzelfde feit” als bedoeld in art. 68 Sr is daarmee m.i. geen sprake.

17. Tot slot wordt in de schriftuur aangevoerd dat het rijden zonder rijbewijs strafverzwarend heeft gewerkt bij de strafoplegging door de politierechter wegens het rijden onder invloed. Hierbij wordt een beroep gedaan op de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen in verband met het alcoholgehalte per liter uitgeademde lucht dat 920 microgram zou bedragen. In cassatie kan echter niet met succes een beroep worden gedaan op feiten en omstandigheden die in feitelijke aanleg niet zijn vastgesteld of aangevoerd. Ik heb al aangegeven dat het vonnis van de politierechter zich niet bij de stukken bevindt, zodat deze klacht faalt.

18. Het middel faalt.

19. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Pas in cassatie levert de steller van het middel onderliggende documentatie. Dat is uiteraard te laat. De Hoge Raad is geen feitenrechter. Aan de schriftuur is de tenlastelegging gehecht die ten grondslag heeft gelegen aan de vervolging die is uitgemond in de veroordeling van de verdachte door de politierechter op 2 juli 2012. Het daar weergegeven parketnummer van de zaak komt overeen met het parketnummer dat op het uittreksel van de justitiële documentatie is vermeld. In de tenlastelegging is opgenomen dat “voor het besturen van dat motorrijtuig [dat de verdachte onder invloed zou hebben bestuurd, AG] een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs”. Uit de aangehaalde wetsbepalingen blijkt dat dit betrekking heeft op art. 8, vierde lid, WVW 1994 en niet op het strafbare feit waarop art. 107, eerste lid, WVW 1994 betrekking heeft.

2 Pleitnotitie, ongenummerde derde bladzijde: “De gedraging van verdachte is één en dezelfde. Het rijden zonder rijbewijs op dezelfde plaats en tijd.” Het proces-verbaal van de politie Utrecht, district Rijn en Venen, vermeldt als datum 29 oktober 2011 omstreeks 22:45 uur als moment waarop het feit is geconstateerd waarvoor de verdachte uiteindelijk in de onderhavige zaak is veroordeeld. Onduidelijk is of de verdachte later of eerder die dag is aangehouden wegens het toen rijden onder invloed.

3 Met betrekking tot een veroordeling door de politierechter in de rechtbank te Utrecht van 2 juli 2012 bevat het op naam van de verdachte gestelde uittrekstel justitiële documentatie (UJD), dat zich wel bij die stukken bevindt, enkele gegevens. Achter “kwalificatie” is daar vermeld: art. 8 WVW 1994; achter “feit 1”: art. 8 lid 3 aanhef en onder a en art. 8 lid 4 WVW 1994 en achter “pleegdatum”: 29 oktober 2011 te Maarssen.

4 Kamerstukken II 2005/06, 30 477, nr. 3, p. 16: “Volgens het huidige artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 kan tegen een bestuurder zonder rijbewijs immers pas strafrechtelijk voor rijden onder invloed worden opgetreden indien hij betrapt wordt met een alcoholpromillage boven de 0,5. Een beschonken bestuurder zonder rijbewijs verkeert als gevolg daarvan in een betere positie dan een beschonken beginnende bestuurder en dat is niet rechtvaardig.

5 Hof Amsterdam 16 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1491.

6 HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1734, NJ 2014/526, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.6.2.

7 Van der Hulst in T&C Sr, Deventer: Kluwer 2013, art. 107 WVW 1994, aant. 5.

8 Vlg. Reijntjes in zijn noot sub 2 onder NJ 2014/526.