Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1800

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
14/02453
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3347, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Na griffiersbetekening appeldagvaarding doch vóór tz. in h.b. heeft verdachte zich alsnog ingeschreven in de GBA. 1. Betekeningsperikelen. 2. Verstek. Aanwezigheidsrecht. Ad 1. De opvatting dat verdachte niet rechtsgeldig is gedagvaard voor de ttz. in h.b. nu hij zich, na de - rechtsgeldige - betekening van die dagvaarding aan de Griffier van de Rb, doch vóór de aanvang van het onderzoek ttz. alsnog in de GBA heeft ingeschreven en de appeldagvaarding niet op de voet van art. 588 Sv aan dit GBA-adres is betekend, is onjuist. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163. Indien verdachte na de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding aan de Griffier van de Rb op de grond dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is, doch voor de aanvang van het onderzoek ttz. alsnog in de GBA is ingeschreven, zonder dat dit de rechter bekend was, bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Het p-v van de tz. in h.b. vermeldt dat verdachte “zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande” is. Uit de stukken van het geding volgt dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn strafzaak in h.b. in de GBA was ingeschreven zodat het oordeel van het Hof dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was en verstek kon worden verleend en het onderzoek ttz. kon worden voortgezet, achteraf bezien onjuist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02453

Zitting: 16 juni 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De enkelvoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 augustus 2013 de verdachte wegens “als degene aan wie voor een motorrijtuig een kenteken is opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen heeft gesloten en in stand gehouden” bij verstek veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van twee weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

2. De verdachte heeft zelf beroep in cassatie ingesteld en namens hem heeft mr. G. van der Steen, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte bij afwezigheid van de verdachte de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting heeft voortgezet, terwijl uit het dossier voldoende duidelijk bleek dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep niet is betekend op het adres waarop de verdachte ten tijde van de behandeling van het hoger beroep stond ingeschreven in de GBA.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De verdachte heeft op 2 oktober 2012 hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis van de kantonrechter in de Rechtbank te ’s-Gravenhage, zittingsplaats Leiden, van 10 januari 2011. Dit vonnis en de appelakte vermelden geen adres van de verdachte (“vertrokken, onbekend waarheen”).

(ii) De verdachte heeft op 12 oktober 2012 een “Grievenformulier Hoger beroep” ingediend bij de griffie van de rechtbank. Aan dit formulier is een handgeschreven “bezwaarschrift” van de verdachte van 21 september 2012 gehecht.1 Dit “bezwaarschrift” vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in Den Haag.

(iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof Den Haag van 13 augustus 2013 is op 1 juli 2013 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Den Haag, omdat van de verdachte “geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is”. Voorts is de appeldagvaarding op 1 juli 2013 tevergeefs aangeboden op het in het “bezwaarschrift” vermelde adres van de verdachte ( [a-straat 1] in ’s-Gravenhage) en vervolgens - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 15 juli 2013 (nogmaals) uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Den Haag, omdat van de verdachte “geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is”. Bovendien is op 15 juli 2013 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar voornoemd adres in ’s-Gravenhage.

(iv) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 15 juli 2013, 1 juli 2013 en 24 juni 2013 houden in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 9 september 2010 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vetrokken Onbekend Waarheen (VOW)”) en dat hij vanaf 15 juli 2009 tot 9 september 2010 in de GBA stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] in Leiden.

(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2013 blijkt dat de verdachte niet op die terechtzitting is verschenen en dat namens hem evenmin een raadsman is verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en heeft vervolgens de verdachte bij arrest van diezelfde datum veroordeeld. Het proces-verbaal vermeldt als adres van de verdachte “thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, adres in de appelschriftuur: [a-straat 1] in ’s-Gravenhage”.

(vi) De mededeling uitspraak van het hof is op 24 oktober 2013 tevergeefs aangeboden op het adres [b-straat 1] in ’s-Gravenhage. Volgens mededeling van degene die zich op dit adres bevond woonde noch verbleef de verdachte op dit adres. Vervolgens is de mededeling uitspraak op 12 november 2013 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Den Haag, omdat de verdachte op de dag van aanbieding van de verstekmededeling en ten minste vijf dagen nadien op voornoemd adres stond ingeschreven in de GBA. De aan de verstekmededeling gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 12 november 2013 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 8 augustus 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in ’s-Gravenhage.

(vii) De aan de aanzegging in cassatie gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 21 augustus 2014 houdt in dat de verdachte vanaf 8 augustus 2013 tot 20 december 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in ’s-Gravenhage en dat hij met ingang van 20 december 2013 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vetrokken Onbekend Waarheen (VOW)”).

5. Het middel klaagt in de eerste plaats over de betekening van de appeldagvaarding.

6. Uit het voorafgaande volgt dat de appeldagvaarding op 1 juli 2013 tevergeefs is aangeboden op het in het “bezwaarschrift” vermelde adres van de verdachte ( [a-straat 1] in ’s-Gravenhage), welk adres kan worden aangemerkt als een feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte in Nederland. Vervolgens is de appeldagvaarding, na niet te zijn afgehaald op het postkantoor, op 15 juli 2013 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Daarbij is voldaan aan de zogenaamde VIP-controle. De ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 15 juli 2013 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 9 september 2010 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vetrokken Onbekend Waarheen (VOW)”). Voorts is op 15 juli 2013 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het in het “bezwaarschrift” vermelde adres van de verdachte. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat van de verdachte op dat moment nog een ander adres bekend was. Ook de appelakte vermeldt geen adres van de verdachte. Aldus is de appeldagvaarding overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 2º, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder c, Sv rechtsgeldig betekend. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

7. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de rechtsgeldigheid van de betekening van de appeldagvaarding niet af dat niet is getracht de appeldagvaarding uit te reiken op het adres [b-straat 1] in ’s-Gravenhage. Uit de ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 12 november 2013 (gehecht aan de mededeling uitspraak) en 21 augustus 2014 (gehecht aan de betekening van de aanzegging in cassatie) volgt weliswaar dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2013 op dit adres stond ingeschreven in de GBA. Daaruit blijkt echter ook dat de verdachte ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding op 15 juli 2013 nog niet op dat adres stond ingeschreven in de GBA. Die ID-staten SKDB houden immers in dat de verdachte vanaf 8 augustus 2013 tot 20 december 2013 op dat adres stond ingeschreven in de GBA.

8. Voor zover het middel klaagt over de betekening van de appeldagvaarding, is het tevergeefs voorgesteld.

9. Het middel klaagt in de tweede plaats over de schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

10. De vraag naar de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding dient te worden onderscheiden van de vraag of gronden bestaan voor schorsing van het onderzoek ter terechtzitting teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen zijn aanwezigheidsrecht te effectueren. Uit de rechtspraak van het Europese Hof volgt dat de enkele omstandigheid dat een rechtsgeldige betekening heeft plaatsgevonden nog niet betekent dat de berechting bij verstek daarmee ook in overeenstemming is met het in art. 6 EVRM besloten liggende aanwezigheidsrecht van de verdachte.2 Van een schending van art. 6 EVRM is geen sprake in geval de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. In geval de dagvaarding niet in persoon is betekend en ook overigens geen aanwijzingen bestaan dat de verdachte voorafgaand aan de zitting daarvan op de hoogte was, kan van een dergelijke afstand van het aanwezigheidsrecht, in de betekenis die het Straatsburgse Hof daaraan geeft, niet worden gesproken.3

11. Voorts kan op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad het volgende worden voorop gesteld. Indien de appeldagvaarding van de verdachte, van wie een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, rechtsgeldig is betekend en noch de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, kan het hof uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, tenzij aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van dit recht. Indien de dagvaarding van een persoon die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft overeenkomstig de wettelijke regels is betekend, dient het recht dat de verdachte heeft bij berechting in zijn tegenwoordigheid te worden afgewogen tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging, waaronder de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn.4

12. Wanneer door de verdachte hoger beroep is ingesteld, dienen justitiële autoriteiten rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Gelet daarop mag van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijke verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt.5

13. Bij de beoordeling van het middel kan van het volgende worden uitgegaan. De verdachte heeft zelf hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, zodat hij op de hoogte was van de tegen hem lopende vervolging. De appeldagvaarding is rechtsgeldig betekend. De verdachte stond ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding niet ingeschreven in de GBA. De stukken houden niet in dat door of namens de verdachte met het oog op de betekening van gerechtelijke mededelingen een ander verblijfadres is opgegeven dan het in het “bezwaarschrift” vermelde, intussen achterhaalde adres. Met ingang van 8 augustus 2013 stond de verdachte in de GBA ingeschreven en wel op het adres [b-straat 1] te ’s-Gravenhage. Vijf dagen later vond de terechtzitting in hoger beroep plaats.

14. Onder de gegeven omstandigheden, waarin van de verdachte ten tijde van de betekening geen woon- of verblijfplaats bekend is, geen sprake is van een betekening in persoon en de gedingstukken ook overigens geen aanwijzing bevatten dat de verdachte van de datum van de terechtzitting op de hoogte is geweest, kan van een vrijwillige en ondubbelzinnige afstand van het aanwezigheidsrecht geen sprake zijn.6 Die enkele omstandigheid brengt nog niet mee dat het hof niet had kunnen overgaan tot het verlenen van verstek en tot voortzetting van de berechting.7 Hetzelfde geldt voor de enkele omstandigheid dat de verdachte in eerste aanleg ook bij verstek is berecht.8 Wel moet worden bedacht dat de consequenties van het voor risico laten van de verdachte van de omstandigheid dat hij niet van de terechtzitting op de hoogte was, in geval van hoger beroep in een zaak waarin ook in eerste aanleg verstek is verleend verder strekkend zijn dan bij een berechting in eerste aanleg.9 In een zaak als de onderhavige betekent zulks dat de verdachte geen gelegenheid meer heeft in enige aanleg de mondelinge behandeling van zijn zaak bij te wonen.

15. De steller van het middel voert aan dat het hof was gehouden het onderzoek te schorsen, omdat de verdachte met ingang van 8 augustus 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in ’s-Gravenhage. Indien uit de stukken van het geding, waaronder het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, zou blijken dat het hof van deze verse inschrijving op de hoogte was, zou het middel in elk geval doel treffen.10 Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft het hof echter geen blijk gegeven bekend te zijn met het GBA-adres van de verdachte en aangenomen dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande was. Het nieuwe GBA-adres van de verdachte is pas na de behandeling van de zaak in hoger beroep, bij gelegenheid van de betekening van de mededeling uitspraak van het hof, aan het licht gekomen. De onderhavige zaak verschilt daarmee van de zaken die hebben geleid tot HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:530 en HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9097, NJ 2004/607. Daarin heeft de Hoge Raad de staf gebroken over het kennelijke oordeel van het hof dat er geen reden bestond om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Ook in die zaken was, nadat de appeldagvaarding wegens onbekendheid van het adres van de verdachte aan de griffier was betekend, vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting alsnog een adres van de verdachte bekend geworden waarop hij in de GBA was ingeschreven. In die gevallen had het hof echter blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en zijn arrest zelf vastgesteld dat alsnog een GBA-adres van de verdachte bekend was geworden.

16. Maar ook als de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep onbekend is met een nieuwe verblijfplaats van de verdachte, moet de beslissing van het hof om verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten onder omstandigheden, achteraf bezien, voor onjuist worden gehouden. Dat is bijvoorbeeld het geval indien na de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep in verband met een andere zaak was gedetineerd.11 In HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:89, NJ 2015/75 was na de terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep in het ziekenhuis verbleef en om die reden verhinderd was op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen. Ook in deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien, voor onjuist moest worden gehouden. De Hoge Raad benadrukte in dat verband het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.

17. Zowel het verblijf in een ziekenhuis als het verblijf in een penitentiaire inrichting kan meebrengen dat de verdachte - fysiek - wordt verhinderd zijn aanwezigheidsrecht te effectueren. Dat is anders in geval de verdachte slechts aan vrijheidsbeperking is onderworpen en zijn eigen verblijfadres heeft gekozen. In een recente zaak nam de verdachte ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding en de behandeling van de terechtzitting in hoger beroep deel aan een penitentiair programma. Nu een deelnemer aan een penitentiair programma niet zijn vrijheid is ontnomen in de betekenis die deze woorden in art. 588, eerste lid aanhef en onder a, Sv hebben, behoefde de dagvaarding niet ingevolge deze bepaling in persoon aan de verdachte te worden uitgereikt. De rechtsgeldigheid van de griffiersbetekening liet onverlet dat het hof ervan blijk had moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte gelegenheid te geven alsnog bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn. Daartoe overwoog de Hoge Raad dat bij de beslissing om een gedetineerde in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een penitentiair programma wordt betrokken of hij over een aanvaardbaar verblijfadres beschikt. De Hoge Raad nam op grond van de deelname van de verdachte aan een penitentiair programma aan dat de verdachte over een verblijfadres beschikte “dat bij de overheid bekend is”. Gelet op het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht ligt het naar het oordeel van de Hoge Raad in de rede dat - behoudens indien de dagvaarding of oproeping aan de verdachte in persoon of aan een schriftelijk gemachtigde is uitgereikt - in een geval waarin bedoeld verblijfadres niet het GBA-adres van de verdachte is, een afschrift van de dagvaarding respectievelijk de oproeping aan dat verblijfadres wordt toegezonden. In deze zaak moest ervan worden uitgegaan dat zulks niet was geschied en dat had het hof moeten aanzetten tot het genoemde nader onderzoek.12

18. De voorliggende zaak vertoont gelijkenis met de zaak die heeft geleid tot HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1649, NJ 2006/160. In die zaak was de appeldagvaarding uitgereikt aan de griffier omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was. Uit het aan de aanzegging in cassatie gehechte GBA-overzicht bleek echter dat na de betekening van de appeldagvaarding doch vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting alsnog een adres van de verdachte bekend was geworden waarop de verdachte in de GBA was ingeschreven. Mijn voormalig ambtgenoot Jörg concludeerde ambtshalve tot vernietiging van het arrest van het hof wegens (kort gezegd) schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte, omdat dit GBA-adres niet door een zogenaamde VIP-controle aan het hof bekend was geworden, terwijl die controle vlak voor de zitting nog had moeten worden uitgevoerd. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand onder verwerping van het cassatiemiddel. Nu het middel slechts klaagde over de betekening van de appeldagvaarding, kunnen aan de afwijking van de conclusie van de advocaat-generaal naar mijn mening geen verstrekkende gevolgtrekkingen worden verbonden.13

19. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Daarbij stel ik voorop dat de verdachte heeft nagelaten tijdig de in het maatschappelijke verkeer gebruikelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Dat is echter als zodanig nog niet beslissend voor de vraag of het hof de berechting bij verstek had mogen voortzetten. Het Europese Hof acht in voorkomende gevallen de gevolgen die aan een dergelijk verzuim van de verdachte worden verbonden “manifestly disproportionate”, mede in het licht van het belang van het recht op een eerlijk proces.14 Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een dergelijk verzuim onverlet laat dat onder omstandigheden schorsing is aangewezen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de rechter ten tijde van de zitting bekend is met een nieuw GBA-adres van de verdachte. In dit verband kan ook worden gewezen op het eerder genoemde arrest van 4 november 2014. De verdachte, die deelnam aan een penitentiair programma, had kennelijk evenmin de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen genomen teneinde te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet zou bereiken of de inhoud daarvan niet te zijner kennis zou komen.

20. De verdachte heeft zich vijf dagen voor de terechtzitting in hoger beroep ingeschreven in de daartoe geëigende overheidsadministratie. Die inschrijving mag aldus bij de overheid bekend worden verondersteld. Daarbij komt dat de GBA-registratie in de ID-staten SKDB is opgenomen, direct boven de vermelding of de betrokkene is gedetineerd. Dat betekent dat de inschrijving in de GBA van de verdachte bij gelegenheid van de controle naar een eventuele detentie van de verdachte, die in de praktijk in de regel kort voor de zitting plaatsvindt, in één oogopslag waarneembaar is. Het gaat dan ook om een eenvoudige controle aan de hand van een document dat in de praktijk in de regel toch al wordt geraadpleegd. Uit de Kamerstukken volgt dat voor de vraag welke inspanningen van de overheid mogen worden verwacht belang wordt toegekend aan de eenvoud waarmee detentie- en GBA-gegevens kunnen worden geraadpleegd15:

“Wanneer tijdens de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd, behoort de rechter volgens de Hoge Raad de behandeling te schorsen teneinde de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn (overweging 3.34, onder a). Deze voorschriften van de Hoge Raad houden verband met het feit dat, waar tot voor kort geen geautomatiseerd systeem beschikbaar was waarin alle gedetineerden (uit welken hoofde dan ook) centraal geregistreerd stonden, dit er wel inmiddels wel is.

De Verwijsindex Personen (VIP, voorheen Verwijsindex Personen Strafrechtsketen (VIPS)) is een systeem dat valt onder het beheer van het CJIB. Het doel is om de informatievoorziening binnen de strafrechtsketen efficiënter en effectiever te laten verlopen. Vroeger raadpleegden organisaties uit de opsporing, vervolging, berechting en executie onafhankelijk van elkaar de GBA om een verdachte of veroordeelde te vinden. Daarnaast was vaak niet bekend in welke penitentiaire inrichting de betrokkene was geplaatst. Met de komst van VIP verandert dit: de organisaties kunnen in dit systeem gegevens over personen binnen de strafrechtsketen opvragen, inclusief het laatst bekende GBA-adres. Hiermee wordt het traceren van personen binnen de strafrechtsketen vergemakkelijkt.

(…)

Door tijdig een controle te doen in VIP kunnen aanhoudingen om de verdachte alsnog op de zitting te doen verschijnen, worden voorkomen. Het raadplegen van VIP kost bovendien weinig moeite. De regering voegt hieraan toe dat, waar het gaat om wettelijke vrijheidsberoving en waar inmiddels een systeem voorhanden is waarin de meeste gedetineerden kunnen worden getraceerd, het redelijk is om van de overheid te verlangen dat zij dat systeem raadpleegt met het oog op de adressering van dagvaardingen.”16

21. Zoals vermeld, heeft in de onderhavige zaak de berechting in eerste aanleg ook bij verstek plaatsgevonden en was tijdens de zitting in hoger beroep evenmin een raadsman van de verdachte aanwezig. Dat zijn omstandigheden waaraan het Europese Hof betekenis lijkt toe te kennen bij de beoordeling of de berechting in hoger beroep bij verstek in overeenstemming is met het bepaalde in art. 6 EVRM. In de zaak De Groot tegen Nederland betrok het Europese Hof bij zijn beoordeling dat de behandeling in eerste aanleg wel op tegenspraak had plaatsgevonden en dat bij de behandeling in hoger beroep een raadsman aanwezig was, die geen aanhoudingsverzoek had gedaan en de verdediging op inhoudelijke gronden had gevoerd. Het was deze combinatie van factoren - en niet het enkele gebrek aan voorzorg van de verdachte zich bereikbaar te houden - die het Europese Hof bracht tot de conclusie dat art. 6 EVRM niet was geschonden.17 In de onderhavige zaak doen zich deze omstandigheden niet voor. Wel was de verdachte, evenals in de zaak De Groot, op de hoogte van de appelprocedure. In die situatie heeft de verdachte een zekere verantwoordelijkheid ervoor zorg te dragen dat hij op de hoogte raakt van de zittingsdag.18

22. Ik maak de balans op. In het licht van de omstandigheden van het geval en tegen de achtergrond van het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, meen ik dat het kennelijke oordeel van het hof dat er geen reden bestond om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zonder motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Als de enkele omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep in de GBA stond ingeschreven al niet voldoende is om deze conclusie te kunnen dragen, meen ik dat in de bijzondere omstandigheden van het geval grond gelegen is voor dit oordeel. Daarbij betrek ik de volgende omstandigheden:

(i) de verdachte is ook in eerste aanleg bij verstek veroordeeld, terwijl geen ‘notification in person’ heeft plaatsgevonden19 en ook overigens geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de verdachte van de datum van de zitting in eerste aanleg en die in hoger beroep op de hoogte is geweest;

(ii) van een vrijwillige en ondubbelzinnige afstand van het aanwezigheidsrecht in de zin van art. 6 EVRM is geen sprake geweest;

(iii) de dagvaarding is bijna een maand voor de datum van de terechtzitting in hoger beroep betekend;

(iv) de verdachte was met ingang van vijf dagen voor de terechtzitting in hoger beroep ingeschreven in de GBA, een door de overheid geïnitieerde en beheerde en eenvoudig raadpleegbare administratie. De inschrijving mag bij de overheid bekend worden verondersteld;

(v) bij gelegenheid van een controle, kort vóór de zitting, of de verdachte gedetineerd was, had in één oogopslag kunnen worden gezien dat sprake was van een registratie in de GBA;

(vi) de verdachte was in eerste aanleg tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf (twee weken hechtenis) veroordeeld (en zes maanden ontzegging van de rijbevoegdheid);

(vii) de verdachte werd niet bijgestaan door een raadsman.

23. Het voorafgaande leidt tot de conclusie dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekort gedaan. Zulks leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.

24. Voor zover het middel klaagt over de schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte, is het terecht voorgesteld.

25. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de door de verdachte in zijn “bezwaarschrift” van 21 september 2012 genoemde zienswijze en persoonlijke omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten.

26. Het in het middel bedoelde “bezwaarschrift” van de verdachte van 21 september 2012 is bij de griffie van de rechtbank ingekomen. Deze handgeschreven tekst houdt - kort gezegd - in dat de verdachte niet wist dat hij onverzekerd rond reed in zijn auto, omdat hij elders verbleef en zijn toenmalige partner zijn post niet naar hem had doorgestuurd, gevolgd door het verzoek hem alsnog een schikking te geven. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, is noch de verdachte noch een (gemachtigde) raadsman aldaar verschenen. Door of namens de verdachte is op de terechtzitting in hoger beroep derhalve niets aangevoerd.

27. Bij de beoordeling van het middel dient te worden voorop gesteld dat geen rechtsregel de rechter verplicht te beslissen omtrent enig verweer dat niet door of namens de verdachte uitdrukkelijk ter terechtzitting is voorgedragen. Dit vereiste van de uitdrukkelijke voordracht dient de helderheid van de procesvoering en geeft houvast omtrent hetgeen is aangevoerd aan de rechter, de verdediging en het openbaar ministerie, terwijl zo eveneens wordt gewaarborgd dat het openbaar ministerie in de gelegenheid wordt gesteld zich ter terechtzitting over dergelijke verweren uit te laten.20

28. Gelet hierop was het hof, anders dan de steller van het middel aanvoert, niet gehouden om een beslissing te geven omtrent de in het middel bedoelde “verweren” die zouden zijn opgenomen in het “bezwaarschrift” van de verdachte, waarvan niet blijkt dat het op de terechtzitting in hoger beroep door of namens de verdachte bij wijze van verweer uitdrukkelijk is voorgedragen.

29. Het middel faalt.

30. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens daarop geplaatste stempels is dit “bezwaarschrift” achtereenvolgens binnengekomen bij de officier van justitie in Utrecht (op 26 september 2012), bij de Rechtbank te Utrecht (op 27 september 2012), bij de strafgriffie van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (op 1 oktober 2012) en bij de griffie van de Rechtbank te ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden (op 2 oktober 2012).

2 Zie onder meer EHRM 13 maart 2012, appl.nr. 40962/04 en EHRM 7 april 2005, appl.nr. 56483/00 (Jancikova tegen Oostenrijk). Zie nader P.A.M. Mevis, J.H.J. Verbaan, m.m.v. L. Postma, Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief, p. 151 en p. 159-160. Zie over het in art. 6 EVRM besloten liggende aanwezigheidsrecht: EHRM 12 februari 1985 (Colozza tegen Italië), NJ 1986/685, par. 27. Zie ook H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, Dagvaarding en berechting in aanwezigheid, Amsterdam 1998 en M.J.A. Plaisier, Het verstek in strafzaken, Deventer 1999.

3 Vgl. onder meer EHRM 12 februari 1985 (Colozza tegen Italië), NJ 1986/685, par. 28, EHRM 23 februari 1999 (De Groot tegen Nederland), NJ 1999/641, par. 2 en EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00 (Sejdovic tegen Italië), NJ 2006/661, m.nt. Schalken, par. 86-87 en 98.

4 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.33 en 3.34.

5 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.36 en 3.37.

6 Vgl. onder meer EHRM 12 februari 1985 (Colozza tegen Italië), NJ 1986/685, par. 28 en EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00 (Sejdovic tegen Italië), NJ 2006/661, m.nt. Schalken, par. 86.

7 Zie over dit onderscheid en de verhouding van de rechtspraak van de Hoge Raad tot de Straatsburgse jurisprudentie ook J.D. den Hartog, in: Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, Algemene beschouwingen bij het onderzoek ter terechtzitting, III, par. 5.3, suppl. 135 (juni 2003).

8 Vgl. HR 26 januari 1999, NJ 1999/294 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, NJ 2014/351, m.nt. Schalken.

9 Vgl. ook de noot van Knigge onder EHRM 23 februari 1999 (De Groot tegen Nederland), NJ 1999/641 en B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer 2010, p. 390.

10 Vgl. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:530 en HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO9097, NJ 2004/607.

11 HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98. Vgl. ook HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8281.

12 Zie HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3094, NJ 2015/86, m.nt. Keulen.

13 Zie ten aanzien van de zogenoemde VIP-controle ten tijde van de terechtzitting ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga (ECLI:NL:PHR:2006:AU8281) voorafgaand aan HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8281. Vgl. echter ook de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2006:AU8094; middel 1) voor HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8094, NJ 2006/180.

14 Vgl. EHRM 12 februari 1985 (Colozza tegen Italië), NJ 1986/685, par. 32 en EHRM 28 augustus 1991, F.C.B. tegen Italië, NJ 1994/27, m.nt. Alkema, par. 35. Zie ook Mevis c.s. (a.w.), p. 152-153.

15 Vgl. in dit verband ook HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.24 sub a en 3.34 sub a.

16 Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 805, nr. 3, p. 9-10 (Stb. 2005, 175).

17 Vgl. EHRM 23 februari 1999 (De Groot tegen Nederland), NJ 1999/641 en de noot van Knigge onder dit arrest. Zie daarover ook: B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, twaalfde druk, Deventer: Kluwer 2010, p. 387-388.

18 Zie ook de noot van Knigge onder EHRM 23 februari 1999 (De Groot tegen Nederland), NJ 1999/641 en verder bijvoorbeeld M.J.A. Plaisier en J.S. Nan, in: Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, art. 280 Sv, aant. 8.2 (bijgewerkt tot 19 mei 2015).

19 Vgl. voor deze terminologie EHRM 23 februari 1999 (De Groot tegen Nederland), nr. 34966/97, NJ 1999, 641, m.nt. Knigge.

20 Vgl. HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1675, NJ 2006/82 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3 (het hof was niet verplicht een beslissing te geven op het door de raadsman overgelegde schrijven van de verdachte), HR 3 januari 1984, NJ 1984/443, rov. 9 (het hof was niet verplicht een beslissing te geven op de door de verdachte aan het hof toegezonden brief), HR 15 juni 1976, NJ 1976/533, m.nt. Van Veen (wet schrijft nergens voor dat de rechter ter terechtzitting antwoordt op schriftelijke opmerkingen van de verdachte geuit in een schrijven aan de rechter) en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 202.