Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1795

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
14/04668
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2582, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte n-o in cassatieberoep, nu de bestreden beslissing niet is een einduitspraak in de zin van art. 138 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04668

Mr. Harteveld

Zitting 25 augustus 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 16 september 2014 het bestreden vonnis vernietigd, de officier van justitie ontvankelijk verklaard in de strafvervolging en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam en mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, hebben bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Op 29 september 2014 heeft mr. J.E. van Spanje, Advocaat-Generaal bij het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.E. van Spanje heeft dit cassatieberoep op 17 december 2014 ingetrokken.

4.1. Het namens de verdachte voorgestelde middel komt op tegen de beslissing van het Hof op een gevoerd preliminair verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep en tegen de afwijzende beslissing van het Hof op een tweetal getuigenverzoeken.

4.2. Voordat het middel inhoudelijk kan worden bezien, dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

4.3. Volgens art. 428 Sv is tegen vonnissen of arresten die geen einduitspraken zijn, het beroep in cassatie slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten.

Volgens art. 138 Sv wordt onder einduitspraken verstaan: ‘de uitspraken tot schorsing der vervolging of tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van dagvaarding, en die welke na afloop van het geheele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan.’

4.4. Zoals in de schriftuur reeds is vooropgesteld, volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat beslissingen, inhoudende dat de officier van justitie ontvankelijk is in de strafvervolging en strekkende tot terugwijzing naar de rechtbank op de voet van art. 423, tweede lid, Sv, geen einduitspraken zijn. Cassatieberoep daartegen staat derhalve niet open.1

4.5. Niettemin nemen de opstellers van de schriftuur als uitgangspunt dat in het onderhavige geval wel cassatieberoep mogelijk is. Ter terechtzitting van 2 september 2014 heeft het Hof overeenkomstig art. 283 Sv beslist op een aldaar gevoerd preliminair verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep. Het Hof heeft het verweer verworpen en aldus beslist tot ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep.

Kan die beslissing, zoals de stellers van het middel betogen, wél worden aangemerkt als een einduitspraak? Naar mijn oordeel kan die vraag niet anders dan ontkennend worden beantwoord. De verwerping van een preliminair verweer levert immers geen einduitspraak op, integendeel, dat is een typisch voorbeeld van een zogenoemde tussenuitspraak.2 Waar een beslissing tot niet-ontvankelijkheid een einduitspraak inhoudt, geldt dat logischerwijs niet voor de beslissing tot ontvankelijkheid, nu die beslissing geen uitspraak is die (al dan niet voorlopig) een einde aan de zaak maakt.3

4.6. Hetzelfde geldt voor de beslissing van het Hof op het ter terechtzitting van 2 september 2014 gedane verzoek tot het oproepen van getuigen, gegeven bij arrest van 16 september 2014. Als beslissing op een ter terechtzitting gedaan verzoek vormt ook de afwijzing van een verzoek getuigen op te roepen immers een tussenuitspraak.4

4.7. Het bestreden arrest bevat aldus geen einduitspraken in de zin van art. 138 Sv, zodat de verdachte in het cassatieberoep niet kan worden ontvangen.

5. Subsidiair is in de schriftuur aangevoerd dat ambtshalve toetsing van ’s Hofs beslissing met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep door de Hoge Raad op zijn plaats is. Echter, omdat het cassatieberoep de ontvankelijkheidsdrempel niet passeert kan op het genoemde punt geen ambtshalve toetsing door de Hoge Raad plaatsvinden.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bv. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6938.

2 Zie mr. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, achtste druk, p. 20 en Tjiong in T&C Strafvordering, aantek. 4 bij art. 428 Sv (bijgewerkt tot 1 juli 2015).

3 Art. 138 Sv noemt dan ook alleen de beslissing tot niet-ontvankelijkheid.

4 Zie mr. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, achtste druk, p. 20.