Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1791

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
14/06345
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3064, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06345

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 13 februari 2014 door het Gerechtshof Den Haag wegens “een gewoonte maken van opzetheling” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren en het betalen van een geldboete van € 15.000,-, subsidiair 110 dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 14/06345, 14/01092, 14/02603 en 14/06344. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. In deze samenhangende zaken gaat het kort gezegd om een fraude met tankpassen. Verzoeker, die met familieleden in de transportsector werkt, zou de aldus getankte brandstof samen met een ander hebben doorverkocht.

4. Namens verzoeker heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, twee middelen van cassatie voorgesteld.

5. Het eerste middel klaagt dat het bewezenverklaarde “medeplegen” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

6. Aan verzoeker is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, tenlastegelegd dat:

“primair:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 01 september 2008 te Panningen, gemeente Peel en Maas en/of Molenschot, gemeente Gilze en Rijen en/of Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) diesel, in elk geval enig goed, verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die hoeveelhe(i)d(en) diesel, in elk geval van dat goed, wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;”

7. Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 01 september 2008 te Panningen, gemeente Peel en Maas een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers hebben verdachte en zijn mededader telkens hoeveelheden diesel, verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader telkens ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die hoeveelheden diesel wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

8. De steller van het middel heeft in zoverre een punt dat in de bewezenverklaring de zinsnede “tezamen en in vereniging met een ander” is doorgestreept, dat in de kwalificatie niet van een medeplegen-figuur wordt gerept en dat in de aanhaling van de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 47 Sr niet is aangehaald.

9. Daar staat evenwel het volgende tegenover. In de bewezenverklaring zijn wel opgenomen de zinsnede “immers hebben verdachte en zijn mededader” en tot tweemaal toe het woord “telkens”. Ook heeft het Hof in de strafmotivering tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel sprake is geweest van medeplegen. Het Hof heeft immers onder meer overwogen: “Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander gedurende een periode van 8 maanden schuldig gemaakt aan opzetheling van grote hoeveelheden diesel” (cursivering van mij, AG). En voorts heeft het Hof zich naderhand kennelijk gerealiseerd dat het met betrekking tot de aanduiding van het medeplegen in het arrest wat steken heeft laten vallen. In de Bijlage, inhoudende de aanvulling van het arrest met bewijsmiddelen, valt namelijk het volgende te lezen:

“Errata

Met betrekking tot de bewezenverklaring.

Als gevolg van een misslag zijn in de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit de woorden "tezamen en in vereniging met een ander" ten onrechte doorgestreept. De bewezenverklaring behoort met herstel van deze misslag gelezen te worden. Dat hier sprake is van een misslag blijkt uit de bewezenverklaarde feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde en de strafmotivering.

Met betrekking tot de kwalificatie.

In de kwalificatie zijn ten onrechte de woorden "Medeplegen van" weggevallen. De kwalificatie behoort met herstel van deze misslag als volgt te worden gelezen: "medeplegen van een gewoonte maken van opzetheling".”

10. Hoewel een aanvulling op het arrest voor dergelijke errata niet de aangewezen plek is, wordt daardoor wel nog duidelijker dat het Hof heeft bedoeld het medeplegen bewezen te achten. Overigens vermag ik niet in te zien welk belang verzoeker bij dit onderdeel van het middel heeft.

11. Voor zover het middel de klacht behelst dat (verbeterd gelezen) het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, mist het eveneens doel. Wat betreft de bewijsvoering heeft het Hof aanvankelijk volstaan met een opgaaf in het arrest van drie bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, waaronder de bekennende verklaring van verzoeker. Een inhoudelijke blik op de bekennende verklaring van verzoeker laat zien dat hij in hoger beroep zonder mankeren heeft bekend het tenlastegelegde - inclusief het medeplegen - te hebben begaan. Vervolgens heeft het Hof in de eerder genoemde aanvulling tien bewijsmiddelen opgenomen. Daaronder bevindt zich een uitgeschreven bekennende verklaring van verzoeker. Uit deze verklaring en de overige bewijsmiddelen kan het medeplegen zonder meer worden afgeleid.

12. Het eerste middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat ’s Hofs strafoplegging, met name de opgelegde onvoorwaardelijke geldboete van € 15.000,00, “zeker gelet op het door de verdediging gevoerde draagkrachtverweer” onbegrijpelijk is gemotiveerd, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

14. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2014 heeft verzoeker het volgende verklaard met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden:

“Momenteel leef ik van een uitkering. Ik ben weduwnaar. Nadat mijn zoon was opgepakt ben ik alles kwijtgeraakt. Ze hebben ook beslag gelegd op een vrachtwagen. Ze wilden alles terugbetaald hebben van mij. U houdt mij voor dat dit niet onredelijk lijkt. Ik zeg u daarop dat ik er niet zoveel aan heb verdiend. Ik wil best een boete betalen, maar dan moet ik die wel kunnen betalen.

U houdt mij voor dat de reclassering op verzoek van mijn raadsman contact met mij heeft proberen op te nemen teneinde een rapport op te maken, maar dat zij geen contact met mij hebben kunnen krijgen.

Ik woon nu samen met mijn vriendin bij mijn zoon [betrokkene 1] aan de [b-straat] in [plaats] . Ik heb ook nog steeds dagelijks contact met mijn dochter [betrokkene 2] .

Zij woont ergens anders. [betrokkene 1] gebruikt nu mijn vergunning voor transport om het bedrijf te runnen. De bedrijven die destijds op mijn naam stonden zijn allemaal opgeheven.

(…)

Ik slikte hele zware pillen. Nu mag ik wel weer vrachtwagen rijden, daar ben ik heel blij mee.

Ik kan geen gevangenisstraf meer ondergaan. Ik moet elke dag banden om mijn buik omdat ik niet meer geopereerd kan worden aan mijn breuken. Een geldboete kan ik nu niet betalen. Als ik over vijf jaar iets moet betalen dan wil ik dat best doen. Het was een grote klap dat de rechtbank mij een geldboete had opgelegd, bij de behandeling van de zaak was daar helemaal niet over gesproken.”

Daaraan heeft de raadsman toegevoegd:

“Gelet op hetgeen aan de orde is geweest in hoger beroep is er geen enkele reden om aan mijn cliënt een onvoorwaardelijke geldboete op te leggen. In dat kader verwijs ik ook naar de reeds besproken persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt. Zijn bedrijven zijn allemaal ontbonden dan wel opgehouden te bestaan. Zijn inkomen bestaat uit een weduwnaarspensioen. De belastingdienst heeft nog aanzienlijke bedragen van hem tegoed. Het komt er op neer dat hij niet in staat is om een geldboete te betalen. De eis van de advocaat-generaal is in die zin redelijk. Voorts meen ik dat ingeval uw hof beslist tot het opleggen van een voorwaardelijke straf, dient te worden volstaan met een kortere proeftijd dan de gebruikelijke twee jaar. Mijn cliënt heeft geen nieuwe contacten gehad met politie en justitie en heeft derhalve een proeftijd in feite reeds ondergaan.”

15. De strafmotivering van het Hof luidt als volgt:

“Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander gedurende een periode van 8 maanden schuldig gemaakt aan opzetheling van grote hoeveelheden diesel. De diesel was door middel van fraude met tankpassen illegaal verkregen. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte een afzetmarkt voor illegaal verkregen diesel in stand gehouden, en konden anderen worden aangezet tot het (blijven) plegen van misdrijven, die financiële schade en overlast voor de benadeelden met zich mee brachten.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 januari 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten.

Naar het oordeel van het hof is - gelet op de grote schaal waarop de verdachte illegaal verkregen diesel heeft geheeld en de lange periode gedurende welke hij dat heeft gedaan - in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf heeft het hof evenwel rekening gehouden met de door de verdachte aangevoerde medische situatie; in dat opzicht komt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur niet geraden voor. Het hof acht het echter wel op zijn plaats dat de verdachte, die - net als ten tijde van het bewezen verklaarde feit - een transportbedrijf voert, een flinke stok achter de deur heeft om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst weer in te laten met de verwerving van illegaal verkregen diesel. Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormen. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Meer in het bijzonder heeft het hof daarbij meegewogen dat de verdachte werkzaam is in een florerend transportbedrijf dat tevens onder zijn beheer staat, en daarnaast een uitkering geniet.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de verdachte reeds op 30 september 2008 is aangehouden, en eerst op 27 maart 2012 een eindvonnis is gewezen. Hoewel het een complexe zaak betreft en ook de onderzoekswensen van de verdediging in eerste aanleg tot vertraging hebben geleid, ziet het hof in deze overschrijding aanleiding om de overwogen voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden te korten met 3 maanden.

Het hof zal derhalve aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, alsmede een geldboete van na te melden hoogte, opleggen. Het hof ziet geen aanleiding om - zoals door de advocaat-generaal is gevorderd - de proeftijd van de voorwaardelijke gevangenisstraf te bekorten.”

16. Anders dan de steller van het middel wil, is van een motiveringsgebrek in ’s Hofs strafoplegging geen sprake. Het Hof heeft in de strafmotivering blijk gegeven oog te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en heeft mede om die reden een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. En dan zal het uit de lengte of uit de breedte moeten komen, zeker nu het Hof uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de draagkracht van verzoeker. Daarom is daarnaast een (stevige) geldboete opgelegd, waarbij het Hof in het bijzonder nog heeft overwogen dat verzoeker werkzaam is in een “florerend transportbedrijf”1 en bovendien een uitkering geniet. Het mag dan wel om een aanzienlijk bedrag gaan, de geldboete is ook weer niet zo exorbitant hoog dat verzoeker deze nimmer zou kunnen betalen, in aanmerking genomen dat verzoeker heeft laten zien nog steeds werkzaamheden te kunnen verrichten door op vrachtauto’s te rijden en (ook) in dat verband inkomsten te kunnen genereren.

17. Ook het tweede middel faalt.

18. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de gelijktijdig behandelde zaak tegen de zoon van verzoeker, heeft de zoon verklaard dat hij een eigen transportbedrijf is begonnen welk bedrijf hij samen met zijn vader (lees: verzoeker, AG) en zijn vriendin heeft. Dat bedrijf bevindt zich nog in de opbouwfase; zie het proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2014 in die zaak.